hadden een circulaire verspreid by yOm8H3

VIEWS: 0 PAGES: 77

									                                                                                               1


                           HANDELSRECHT
Inleiding
Europees Parlement : helpt de wetten te maken ( onrechtstreeks ) maar maakt zelf geen
                     wetten. ( 1995 : 626 leden )

Geschiedenis van Europa

1945 - 1946   : wederopbouw

1947          : Robert Schumann: zoals we nu bezig zijn, zijn we binnen 20 jaar elkaar
                opnieuw aan 't bekampen. In de plaats daarvan: samenwerken.

1950          : EGKS ; aanloop EU ( Frankrijk, Duitsland, Italië, Benelux )
                Euratom: samenwerking op nucleair niveau.
                Benelux: ± parlementair

1951          : 1e Verdrag : Verdrag van Parijs. Parlementaire vergaderingen in Straatsburg.

1957          : Verdrag van Rome ( grondwet voor Europa ) = BASIS VAN DE EEG
                Vorming van de Europese instellingen:  - Parlement
                                                       - Europese Raad
                                                       - Europese Commissie
                                                       - Hof van Justitie
               om één econ. markt te vormen tegen de COMECON en USA
               per land een afgevaardigde in het EP

1973          : VK komt erbij ( Engeland + Ierland ) + Denemarken
                198 parlementsleden

1974          : Overgaan tot rechtstreekse verkiezingen, maar niet verplicht.

1979          : Eerste verkiezingen voor het EP. ( iedereen mocht kiezen, daarvoor stuurde
                ieder land een afgevaardigde.) In België is het niet verplicht.
                Toetreding verscheidene landen.

1984          : 2de verkiezingen; nu wel verplicht in België

1999          : 627 Europarlementsleden, rechtstreeks verkozen
                Nog geen lid:      - Noorwegen ( zelf petroleum, visserij, zouden
                                     verslechteren )
                                   - Zwitserland.

Ook het Verdrag van Maastricht heeft verbetering gebracht, omdat het nu allemaal
democratischer is.
We evolueren steeds meer naar een UNIE. De macht van Europa breidt zich steeds verder uit.
( onderwijs, sociale zekerheid, landsverdediging,…)
                                                                    2



Gevaar voor Europa: - we zijn geen militaire eenheid
                    - nationalistische gedachten van de lidstaten
                    - economische groei van Azië, Japan en China


EU: 370 milj. Inwoners
       economisch een reus
       politiek een dwerg
       militair een worm
                                                                                               3


1..DE EUROPESE INSTELLINGEN
1 DE EUROPESE INSTELLINGEN
1. Het Europese Parlement ( EP )

 Wat
- 627 leden; vertegenwoordigen de burgers
- zetelt in Straatsburg
- bestudeert alle problemen die aan de dagorde zijn
- comité in Brussel
- secretariaat in Luxemburg
- controlefunctie (democratisch) van Commissie en Raad

 Taken (3) + 1

1. Begroting ( dient tot financiering van het beleid van de EG )

Vroeger: ieder land deed een bijdrage door deel van zijn belastingen af te staan aan Europa.

Nu: iedere instelling heeft haar inkomsten:
       - douanerechten op buitenlandse ( buiten Europa ) producten
       - landbouwheffingen
       - percentage van de BTW-ontvangsten

        grote sommen die gecontroleerd moeten worden.

CONTROLE : door het EP
    1. Commissie stelt een voorontwerp van de begroting op, dat voorgelegd wordt aan de
       Raad (= het bijeenkomen van de ministers van elk land).

       2. De Raad stelt dan de ontwerpbegroting vast en deze wordt overgemaakt aan het EP,
          die wijzigingen voorstelt.( amendementen )

       3. Dan wordt het opnieuw onderzocht door de Raad, men wijzigt het en uiteindelijk
          gaat het terug naar het EP.

       4. EP keurt het goed of af.
          De voorzitter van het Parlement beslist.

       Het Parlement is ook bevoegd om de Commissie kwijting te geven aan de Raad (over
       de begroting): wel of geen kwijting (= ontlasting). Indien niet: ontslag Commissie
       Dit is echter symbolisch:    - het gebeurt nadat het geld al is uitgegeven
                                    - 1 à 2 jaar later

2. Helpen bij het opstellen van de wetgeving ( CONTROLE )

DRIEHOEKSPROCES: Commissie, Raad en Parlement

Raad maakt voornaamste wetten en doet afkondigingen.

1. De wetgeving wordt uitgedacht door de Commissie ( wetsvoorstel ).
                                                                                            4



2. Het Parlement geeft daarbij zijn advies en wijzigt eventueel iets. ( amendementen )

3. De Raad beslist vervolgens ( via gemeenschappelijk standpunt ): goed of slecht ( zij maakt
   dus de wetten ).

4. Toch kan het Parlement (met 2/3 meerderheid van stemmen) het ontwerp nog weigeren.
   Als het Parlement verwerpt, dan gaat het terug naar de Raad.

5. De Raad neemt terug een voorstel van de Commissie aan en dan terug naar het Parlement.
   De Raad kan enkel nog met eenparigheid van stemmen werken.

6. Dan keurt het Parlement het goed of definitief af.

Het Parlement moet ook zijn toestemming geven voor :
       - toetreding / uittreding van lidstaten
       - staatssteun
       - verkiezingsprocedures


3. Algemene controle ( = theoretische controle )

   Het Parlement controleert de Europese Commissie
    Het EP kan de Commissie ontbinden met 2/3 meerderheid van stemmen.
        OPM: De Commissie moet steeds in zijn geheel aftreden, nooit slechts één
         commissaris.

    Er wordt een verslag opgemaakt van alles wat de Commissie gedurende een jaar gedaan
    heeft. Dat komt bij het Parlement terecht die er vragen over stellen.

   Het Parlement controleert de Raad
    Om de 6 maanden is een ander land voorzitter van de Raad. Bij aanvang van die periode
    stelt het land een programma met doelstellingen op, dat voorgelegd wordt aan de
    voorzitter van het Parlement. Na verloop van die 6 maanden moet er ook een verslag
    opgemaakt worden van wat er bereikt werd.
    Geen formele wetgeving, wel impulsen.


4. Enquêterecht = onderzoeksrecht

Sinds het Verdrag van Maastricht kan het Parlement met 1/4 meerderheid van de stemmen
ook een commissie oprichten ( = enquête-commissie ) voor het onderzoek van één bepaald
probleem ( waar nog geen enkel orgaan onderzoek naar gedaan heeft )
Deze onderzoekscommissie heeft bijna de bevoegdheid van een onderzoeksrechter.


MAASTRICHT NU
Het EP zal meer beslissingsrecht hebben voor bepaalde gebieden die de interne markt
aangaan, bv. - vrijheid van werknemers en diensten
             - vrije vestiging
                                                                                           5

              - erkenning van diploma's



1. De Commissie moet een voorstel aan de Raad en het Parlement geven.
2. In het EP bekijkt men dit en geeft men advies. Binnen de 3 maanden moet het EP het
    voorstel goed- of afkeuren.
3. Gebeurt dit niet, dan kan de Raad stemmen. Wordt het voorstel verworpen, dan wordt er
    een bemiddelingscomité gevormd.
4. Hierna heeft het Parlement nog veto-recht, maar met 2/3 meerderheid.
    Het Parlement zal bepaalde amendementen indienen en vragen voor een aanpassing. Als
   dit niet gebeurt, dan kan het bemiddelingscomité weer ingeroepen worden om er spoed
   achter te zetten.
   Als de Raad als 1 blok achter iets staat, dan heeft het Parlement weer 2/3 meerderheid
   nodig.

De bevoegdheid van het Parlement is nu uitgebreid:
      Bv.    - gemeenschappelijke verkiezingsprocedures
             - belangrijke interne akkoorden




2.De Europese Commissie

Wat
-   20 commissarissen met elk een bevoegdheidvoorzitter = Prodi
-   dagelijks bestuur van Europa
-   zetel is in Brussel

Samenstelling

Van ieder land is er 1 commissaris die bevoegd is voor zijn departement en benoemd wordt
voor 5 jaar. ( herbenoeming mogelijk ). Benoeming gebeurt in overeenstemming door de
regeringen.

Vorige commissaris voor concurrentiebeleid: Karel Van Miert
Huidig commissaris voor wetenschapsbeleid: Philippe Busquin

De commissarissen moeten volledig onafhankelijk zijn van hun partij en staat, in het
algemeen belang van hun gemeenschap: ze moeten de nationaliteit bezitten van de lidstaten,
maar ze zijn geen vertegenwoordigers van hun land, ze vertegenwoordigen Europa.

De commissaris is vast benoemd en kan niet individueel ontslagen worden door de
Commissie ( om de onafhankelijkheid te waarborgen ).
      UITZ.: Enkel het Hof van Justitie kan een commissaris ontslaan in geval van grote
                tekortkomingen of fouten van zijn kant.

De Commissie:        - treedt op als college ( dagelijks bestuur ).
                     - beslist bij gewone meerderheid van stemmen ( geheime stemming: ze
                                                                                           6

                        mogen geen verslag uitbrengen, enkel de beslissing wordt bekend-
                        gemaakt ).

Bij gelijkheid van stemmen hakt de voorzitter de knoop door.


Taken (6)
-   Spil communautaire besluiten
-   Betrokken bij alle aspecten
-   Neemt initiatieven wetgeving


1. Toezicht houden
Ze controleren of de lidstaten de Europese wetgeving ( = Verdrag van Rome) in acht nemen.(
ook toezicht op vennootschappen en personen )

Indien ze een fout vinden, brengen ze verslag uit (waarschuwing). Als er geen verandering
komt, komt er een dagvaarding van de lidstaat voor het Hof van Justitie.

Bij vennootschappen en personen mag de Commissie direct boetes en dwangsommen
opleggen,
       Bv.   - subsidies die niet aangewend worden zoals het hoort (Beaulieu)
             - het overschrijden van productiequota
             - recht om iedere onderneming inlichtingen te vragen: indien de onderneming
               weigert, kan onmiddellijk een boete opgelegd worden.
                     Bv. 1% van jaaromzet + 5% van de dagomzet per dag vertraging.

Die VS en personen kunnen in beroep gaan bij het Hof van Justitie om een vermindering van
de boete te bekomen.

2. Eigen beslissingsbevoegdheid (BEPERKT)
De Commissie mag verordeningen, richtlijnen,… opstellen in het belang van Europa. (zonder
de Raad of het Parlement)
Een eigen beslissingsrecht in onbelangrijke zaken. (bv. verkeersborden)


3. Deelname aan de besluitvorming bij voorstel (niet bij beslissing of stemming)
De Commissie beslist wanneer de Raad moet bijeenkomen en over welke voorstellen
gediscussieerd moet worden.
        initiatiefrecht

( vaak: komt het van het Parlement, dan giet de Commissie het voorstel in een tekst )


4. Optreden in de externe betrekkingen( niet-EG)
- Initiatief nemen voor het sluiten van verdragen
- Bij de onderhandelingen van internationale organisaties, wordt Europa vertegenwoordigd
   door de Commissie
- Commissie is een onderhandelaar
                                                                                          7




5. Oriënterende bevoegdheid
Aanbevelingen doen aan EP en adviezen geven aan de lidstaten.
Bv. een land staat achter op een bepaald vlak tov andere landen ( deze handelingen zijn niet
bindend of verplichtend)

Kan data uitzetten waarbinnen samengekomen moet worden.


6. Opstellen van het jaarlijks verslag
De Commissie moet jaarlijks een verslag geven aan het Parlement ivm de beleidsvoering. Dit
moet gedetailleerd en degelijk zijn.
Het Parlement mag dan vragen stellen en adviezen geven aan de commissarissen.
        Ev. motie van afkeuring + ontslag gehele Commissie


3.De Raad

Wat

-   De Raad neemt de belangrijkste beslissingen in Europa (dus niet Parlement of Commissie)
-   Bestaat uit de vertegenwoordigers ( ministers of staatssecretarissen ) van de lidstaten.
    Iedere regering vaardigt 1 persoon af die de volledige volmacht krijgt.
-   Bv. er zijn problemen ivm de landbouw. Dan komen alle ministers van landbouw samen .
    De samenstelling van de Raad is dus afhankelijk van het te bespreken onderwerp.
-   De Raad neemt alle besluiten ivm betwiste zaken, waar men geen oplossing voor
    gevonden heeft op een lager niveau oa de Commissie.
-   De Raad wordt bijgestaan door een Secretaris-Generaal

Men spreekt over de Europese Raad als de staatshoofden bijeenkomen ( regeringsleiders )

Er is ook een Comité van permanente vertegenwoordigers
= ambtenaren die de voorbereidingen doen. Het is de Raad die beslist.
        KRITIEK:     De wetgeving geschiedt op ambtenarenniveau. De Raad voert geen
                     diepgaande discussies.
 Taken (2)

1. Beslissingsbevoegdheid op intern en extern niveau

De Commissie doet het voorbereidende werk. De Raad beslist.

2. Opstellen van het ontwerpbudget en beslissen over de begroting

Dit gebeurt in samenspraak met het Parlement.          Ook hier doet de Commissie de
voorbereiding, terwijl de Raad beslist.
                                                                                             8

Stemmingsprocedure:
- Er wordt beslist met meerderheid van stemmen; maar niet elk land vertegenwoordigt
   evenveel stemmen.( cfr. Belangrijkheid van het land )
    vaak groot land tegen klein; 4 landen hebben 40 van de 87 stemmen
- Éénparigheid van stemmen



4. Het Hof van Justitie

Wat

NIET het Hof van Straatsburg; dit waakt over de eerbiediging van de mensenrechten

-   zetelt in Luxemburg
-   waakt over de eerbiediging van het Europees Verdrag, het gemeenschapsrecht

Samenstelling

-   1 rechter van elk land die niet de nationaliteit van het land zelf bezitten. Bv rechters,
    advocaten, … Zij moeten het Europees recht goed kennen.
-   Een aantal advocaten-generaal (vroeger 6 ) bestuderen ieder dossier en maken een verslag
    + eventueel advies over aan de rechter van het hof
-   De leden moeten onafhankelijk zijn
-   Griffie voor het administratief werk
-   De rechters werken in verschillende kamers
-   zetelt soms in kamers van 3, soms voltallig ( afh. van de materie )

 Taken (7)

-   Waken over de eerbiediging van de Europese Verdragen door de lidstaten,
    vennootschappen en personen.
-   Het Hof is de hoogste rechtsinstantie, dus zaken in beroep komen uiteindelijk hier. De
    rechtbanken in België moeten het Europees recht laten voorgaan op het nationaal recht
     van rechtstreekse werking

1. Beroep wegens niet-nakoming van de verplichting
Wanneer de Commissie vaststelt dat een lidstaat een zekere verplichting niet nakomt, dan zal
ze die lidstaat verzoeken om zich aan te passen. Als de lidstaat dit niet doet, dan kan de
Commissie, na een bepaalde termijn, de zaak voorbrengen bij het Hof van Justitie.
Ook een andere lidstaat kan dit initiatief nemen, maar ze moet de zaak dan eerst voorleggen
aan de Commissie.

Het Hof zal de lidstaat dagvaarden en deze moet zich dan verantwoorden. Is de lidstaat toch
in fout, dan krijgt ze opnieuw de tijd om alles in orde te brengen. Als de lidstaat de wens van
het Hof negeert, dan komt de zaak opnieuw voor.

Vóór het Verdrag van Maastricht kon het Hof niets doen. Het Hof kon enkel de lidstaten
veroordelen, maar geen sancties opleggen. Nu kan ze na een tweede beslissing boetes,
dwangsommen, …opleggen.
                                                                                             9



Vb: België:    - verkoop van goederen; samenstelling moet op label, maar brengt extra kosten
                 mee.
               - vergelijkend examen architect: België weigert te erkennen.

2. Beroep tot nietigverklaring
Dit beroep kan ingeroepen worden tegen alle communautaire besluiten die bindend zijn voor
een land en die strijdig zijn met het Verdrag van Rome. Men kan zich dan richten tot het Hof
om zulk besluit teniet te laten verklaren. Bv. in België bestaat dit beroep wanneer een wet
indruist tegen de grondwet.

Dit wordt niet zoveel door lidstaten gebruikt, maar eerder door ondernemingen die schade
ondervinden van een bepaald besluit. Bv. % melkpoeder in veevoeder

Ook personen (handelaars) kunnen dit beroep gebruiken maar ze moeten aantonen dat de
persoonlijke belangen buitenmatig worden geschaad. ( rechtstreekse, individuele schade ).

Ondernemingen de beboet geweest zijn door de Commissie kunnen naar het Hof stappen om
opheffing of vermindering te vragen = " in beroep gaan ". In de meeste gevallen blijft het feit
waarvoor men gestraft is bestaan, maar de boete kan wel verminderd worden. (tot 1/2 of 3/4 )

Het is een middel om de besluiten van de Raad en Commissie te toetsen aan geldigheid.

3. Beroep wegens onrechtmatig niet-handelen
Wanneer een Europese instelling weigert een bepaald onderwerp te behandelen, dan kunnen
bepaalde belangen geschaad worden.
Men kan zich dan tot het Hof richten om de instelling te dwingen dat onderwerp aan te
pakken. ( gebeurt zeer uitzonderlijk )
( Door de Commissie indien de Raad weigert, en door lidstaten indien de Commissie weigert )

Bv.    In 1982 heeft het Parlement de Raad ( met ministers van verkeer ) voor de rechters
       gedaagd omdat zij geen gemeenschappelijk vervoersbeleid wilden opstellen. De Raad
       is toen veroordeeld geweest, enkel bedoeld als aansporing.


4. Beroep wegens aansprakelijkheid

Een Europese instelling (= rechtspersoon) die bepaalde mensen of ondernemingen schaadt
door bepaalde handelingen te stellen, kan daarvoor aansprakelijk gesteld worden en moet
schadevergoeding betalen.

Indien buitencontractuele fouten: aansprakelijk stellen (nat. rechter kan dat niet)

Bv.    Adams: werkte bij Nestlé ( Zwitserse multinational) . Hij kwam in aanvaring met de
       ondernemingsraad en werd ontslagen. Adams bracht Europa op de hoogte van
       wanpraktijken.
       MAAR: Zwitserland is geen lid van de EU. De Franse dochteronderneming wel;
       hierdoor kon toch een miljardenboete gegeven worden.
       Adams werd echter veroordeeld voor het publiek maken van productiegeheimen. Dit
       werd beschouwd als het onrechtmatig toebrengen van schade aan Nestlé.
                                                                                              10

               Adams trok naar het Hof van Justitie tegen de Commissie; deze had immers
                zijn naam bekend gemaakt. De Commissie moest een boete betalen aan
                Adams.


5. Beroep door Europese ambtenaren
Het Hof treedt op als arbeidsrechtbank wanneer de ambtenaren ( = werknemers ) in een
sociaal conflict geraken met een Europese instelling.


6. Prejudiciële beslissing ( voorrechtelijk )
Geschillen die opgelost moeten worden alvorens het recht wordt toegepast.

Nationale rechters moeten ook het Europees recht toepassen. Als een bepaalde zaak nu
betrekking heeft op het Europees recht, maar het artikel is onduidelijk, dan kan de rechter aan
het Hof vragen hoe hij dit artikel moet interpreteren, toepassen. ( uitleggen van de wet of
geldigheid van een beslissing )

Het Hof bestudeert het dossier en stuurt haar beslissing naar de rechter. Als de nationale
rechter dit advies ontvangt, moet hij zich er ook aan houden.
        "Het Hof zegt voor recht dat …": bindend voor de nationale rechter, maar die mag
           nog wel bijkomende vragen stellen.

!!!Enkel nationale rechters mogen een prejudiciële beslissing vragen aan het Hof.


7. Raadgeven ( adviesbevoegdheid )
De basisverdragen geven het Hof de mogelijkheid advies te geven aan de Europese
instellingen en de lidstaten afzonderlijk. (geen bindende kracht )

 Ivm akkoord dat een land wil aangaan met een land buiten de EU: kan indien in
overeenstemming met de EU-wetgeving.

Soms vraagt men ook aan het Hof om als scheidsrechter op te treden.


Procedure in het Hof
 Er wordt een verzoekschrift neergelegd door de partij ( lidstaat, onderneming of een
natuurlijk persoon ) die een procedure wil inspannen. Het vermeldt uitvoerig waarover het
gaat en wat men wil bereiken. Dit verzoekschrift moet aangetekend opgestuurd worden.

De tegenpartij wordt gevraagd te verschijnen en krijgt een bepaalde periode om te
antwoorden.

Dan krijgt de vragende partij een periode om zijn besluiten op papier te zetten. Een
Advocaat-Generaal bestudeert het dossier en geeft dit door aan één van de Kamers, waar een
rechter-verslaggever het dossier ook doorneemt.

Beide partijen mogen alles inzien en het Hof neemt de zaak in beraad, neemt een beslissing.
                                                                                              11



TAAL:In de taal van het land van de partij die de procedure inleidt( vertalingen).
     In zoveel talen als er rechters zijn die een verschillende taal spreken.


ARRESTEN: - gewone meerderheid
          - welk zijn de feiten
          - rechtsoverwegingen
          - beschikkend gedeelte: beslissing




VOORLOPIGE MAATREGELEN
Men kan bij het Hof voorlopigen maatregelen bekomen. Er wordt over de grond van de zaak
nog niets beslist, maar er dringen zich onmiddellijke maatregelen op. Meestal leidt dit tot
stopzetting van de handeling.(in kortgeding)
Bv.    Van Hool: contract met Waalse bussenbouwer: opschorting contract

Normale concurrentie is hier niet van toepassing.


Arresten:     1. Uiteenzetting van de feiten
              2. Rechtsoverwegingen
              3. Beschikkend gedeelte: beslissing


Procedure kan kosteloos zijn, bv. indien 1 van de partijen door de uitspraak geruïneerd is.
                                                                                           12


2. DE EUROPESE HANDELINGEN.
De EH zijn de handelingen die door de Eur. instellingen gemaakt worden en die dan gelden
als wet.
Europese wetten zijn gebaseerd op de Europese verdragen ≈ grondwet


Verordeningen

Besluiten van algemene werking, die bindend ( in al haar onderdelen ) zijn voor iedereen die
handelt in Europees verband.( lidstaten, ondernemingen, personen )

Deze besluiten worden bekendgemaakt in het publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen. Later verschijnen ze ook in ons Belgisch Staatsblad (samenvatting).

Zulk besluit geldt vanaf ze verschenen is. Als er geen datum bijstaat, geldt ze vanaf de 20 e
dag volgend op de bekendmaking.

Een verordening       - is supranationaal
                      - is algemeen bindend
                      - is van rechtstreekse werking: ze zijn geldig voor iedereen ( iedereen
                        kan zich erop beroepen )
                      - moet toegepast worden door nationale rechters ( voorrang op nationale
                        wet ).


Beschikkingen

Een beschikking verbindt in al haar onderdelen, maar enkel voor diegene tot wie ze
uitdrukkelijk gericht is, dwz. dat de beschikking geen algemene strekking heeft. ( tot 1 of
meer staten of ondernemingen bv. tot alle veevoederbedrijven )
Voor de bestemmeling geldt ze dus als wet.

Ze moet niet gepubliceerd worden in het publicatieblad, maar wel in het Staatsblad van de
desbetreffende lidstaat.

Ze is ook van rechtstreekse binding.


Richtlijnen

Een richtlijn is bindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar de lidstaat krijgt de
bevoegdheid om middelen te kiezen en zo het doel te bereiken. ( wetgeving aanpassen om
gelijk te staan met de andere lidstaten ). En dit binnen de kortst mogelijke tijd.
Bv. aanpassing van de wet op reclame.
Bekendmaking gebeurt via een brief aan de betrokken regering.
Ook hier is er een rechtstreekse werking.( vanaf 1970 in de meeste gevallen )
Bv. Wij worden veroordeeld door een Belgische rechter. Als we nu weten dat er een richtlijn
bestaat tegen de Belgische, die iets anders zegt, dan moet de Belgische rechter deze richtlijn
volgen.
                                                                                         13

Aanbevelingen - adviezen

Aanbeveling: dynamisch element; u moet het doen!

Advies: het geven van een opinie - u mag het doen

Als deze niet opgevolgd worden, dan maakt men er meestal een richtlijn van.
Ze hebben geen bindende kracht, geen rechtstreeks gevolg, worden niet betwist door het Hof.


Wat is een resolutie?

Een politieke afspraak om streefdoelen, procedures en tijdschema's vast te leggen voor de
toekomst op een moment dat men onbekwaam is om een juridische oplossing te geven aan het
probleem.
Bv. Maastricht: niets is bindend
                                                                                               14


3.. EUROPEES ECONOMISCH RECHT..
3 EUROPEES ECONOMISCH RECHT
Wat is economisch recht?

Het ER behandelt de regels die van overheidswege worden opgelegd om handel te drijven.
De overheid moet een kader scheppen binnen hetwelke concurrentie kan plaatsvinden en
handel gedreven mag worden.
Het handelsrecht is deel van het ER.


1. Geschiedenis niet kennen, enkel workable competition

   MEDEDINGING VRIJE CONCURRENTIE
      = waarborg van eerlijke concurrentie op de markt, wordt beschermd in alle lidstaten.

Wat wil men bereiken op de Europese markt? (art. 3 )
       1 gemeenschappelijke markt oprichten; tov buitenland als 1 binnenlandse markt.

       1. Afschaffing van douanerechten, kwantitatieve beperkingen bij in- en uitvoer van
          een goed en afschaffing van maatregelen met gelijke werking.

       2. Afschaffen van hinderpalen van vrije verkeer, personen, diensten en kapitalen
          tussen de lidstaten;

       3. Toezien dat concurrentie op de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.

        Basis: gezonde concurrentie ( neo-liberale theorie )
         = WORKABLE COMPETITION
         = het toezien dat vrije concurrentie gewaarborgd wordt MAAR ervoor zorgen dat
           het niet naar een monopolie leidt. ( niet naar laisser faire, laisser passer )

Statistische prijstheorie: modellen VM en monopolie
        VM: Er is altijd concurrentie, al is het van de zwarte markt.
                1. Massa (ver)kopers, maar niemand heeft macht om prijs en hoeveelheid te
                    beïnvloeden.
                2. Alle verkopers produceren gelijkaardige producten.
                3. Iedereen wordt toegelaten tot concurrentie.
                4. Geen beperkingen in vraag en aanbod.
                5. Alle (ver)kopers zijn volledig ingelicht.

               VM leidt tot ideale toestand. Indien 1 zich toch verbetert, dan verslechtert
                de situatie van alle anderen.
                      Pricetakers

       Monopolie:
            1. 1 verkoper bepaalt prijs en hoeveelheid.
            2. Verschillende producten op de markt.
            3. Barrières voor de toegang.
            4. Beperking aanbod.
                                                                                             15

              5. Beperking informatie.

               Monopolie leidt tot globaal welvaartsverlies: de consument profiteert niet
                van het monopolie.
                      Pricesetter

        Workable competition: dynamisme in concurrentie. Het zijn de grote
         ondernemingen die de vooruitgang creëren.
             DUS: - vrijheid concurrentie asa economische vooruitgang
                   - concurrentiebeperkende maatregelen om concurrentie beleid te stellen.


Freiburger Schule
       Economische vrijheid
       Competitieve geest

       1. vrijheid handelspartner.
       2. ongehinderd deelnemen aan proces van voorsprong en navolging.


   Basis Eur. Econ. Recht ( workable competition ) komt voor in verschillende arresten:
    Art.3 Europees Verdrag
               Het totstandbrengen van de gemeenschappelijke markt, door het invoeren van
               een regime waarbij de mededinging op die markt niet kan, mag vervalsd
               worden.

    Art.85 en 86

       Geen nummers van artikels van buiten kennen, behalve 85 en 86



2. Art. 85 en art. 86
DOEL: Alle handelsbelemmeringen tussen de lidstaten en de ondernemingen afschaffen;
      Vrije handel.

2 mogelijkheden:
      1. Verbodstelsel :    er worden verboden opgelegd door nationale wetgevers
      2. Misbruikstelsels : men laat alles toe wat niet verboden is, maar als er misbruik van
                            gemaakt wordt, dan gaat men er tegen optreden.

Wat is een verbod?
       = een overeenkomst wordt ongeldig verklaard vanaf het ontstaan. ( bij vaststelling dat
         men de wet overtreedt )
       = EX TUNC

Wat is een misbruik?
       = bepaalde ondernemerspraktijken zijn wel geldig, maar wanneer er misbruiken
         ontstaan, dan grijpt men in.
                                                                                               16

       = EX NUNC

Europa beschermt de concurrentie: één interne markt door een verbod- of misbruikstelsel op
te leggen.


Artikel 85

Zeer belangrijk artikel in het EER:
       - Wat is verboden?
       - Wat is van rechtswege nietig?
       - Wanneer kan het verbod opgeheven worden?

Art. 85 Verbod
Dit artikel legt een verbod op
        1. handelingen van ondernemingen die de concurrentie beperken
        2. handelingen die de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.

Wat zijn handelingen?
1. Overeenkomsten tussen ondernemingen ( allen OK naar burgerlijk recht )
   OK: wat afgesproken wordt; ≠ contract : wat van de afspraak op papier gezet wordt.
   De vorm is niet van belang; Concreet: veel kartels dmv afspraken

2. Besluiten van ondernemingsverrichtingen

3. Onderling afgestemde feitelijke gedragingen
   = men volgt gewoon mekaar; maar men maakt geen echte afspraken en toch stemt men
     dus ook de productie op elkaar af. Niet makkelijk vast te stellen.
      Bv. autoindustrie
   = vorm van coördinatie, gentlemen's agreement


Deze hoeven niet schriftelijk opgesteld te zijn; het is voldoende dat men kan aantonen dat er
een overeenkomst bestaat.
Ook standaardcontracten zijn mogelijk ( toetredingscontracten, mondelinge,… )

2 producenten kunnen mondeling overeenkomen dat een 3e producent uit de markt
weggewerkt zal worden. ( moeilijk te bewijzen, maar wordt vaak gebruikt )
      = gentlemen's agreement
      ≈ onderlinge afgestemde gedragingen. Maar bij dit laatste wordt er geen
        overeenkomst afgesloten.
        Van Miert wilde deze opsporen door "verklikkers" te belonen.

Het verbod geldt alleen als de handelingen concurrentievervalsend zijn, binnen de lidstaten.

!!! Concurrentiebeperkende afspraken zijn NIET verboden voor gespecialiseerde producten en
selectieve verkopen ( op de vooruitgang niet in de weg te staan en omdat het in het belang
van de consument is )
        Selectief = exclusief door agenten, vb. auto's
                                                                                           17



Wat zijn ondernemingen?
Elke entiteit die bij machte is de concurrentie te belemmeren: NV's, BVBA's, meerderheden
van aandeelhouders, verenigingen van VS, verenigingen van vrije beroepen.

Deze ondernemingen zijn dus groot genoeg om de markt te schaden.
Overeenkomsten tussen kleine ondernemingen noemt men BAGATELovereenkomsten.
        Kleine ond.= gezamenlijk max. 5% markt en omzet max. 300 mio ECU
Dus kleine ondernemingen worden niet als concurrentievervalsend beschouwd, ook al doen
zij hetzelfde als grote ondernemingen.


" De handel ongunstig beïnvloeden"
Dit houdt een bevoegdheidsregeling in.
De Commissie is ONbevoegd op te treden als een kartel enkel afspraken behelst binnen één
lidstaat.

!!!!!!! Bv. Brouwerijcontracten (boek)
        Als een café verboden wordt om bepaalde bieren te schenken door iemand anders dan
        diegene die in het contract vermeld staat : concurrentievervalsing.

Als men misbruiken vaststelt, dan zijn alle handelingen nietig vanaf het moment dat ze zijn
afgesloten. EX TUNC
Dan wordt er nagegaan of de schade vergoed wordt of niet. Hiervoor wordt de zaak soms
teruggestuurd naar de nationale rechter, die moet bepalen of er schade is.
( De nationale rechter verklaart de overeenkomst nietig. De Commissie legt boetes op, maar
kan niet nietig verklaren. )


Artikel 85 - 2 ( nietig vanaf ontstaan )
Al wat u gedaan hebt volgens art.85 wordt nietig vanaf het ontstaan van de overeenkomst.
         retro-actieve werking.
Het betreft enkel die onderdelen die niet overeenstemmen met art. 85-2

Artikel 85 - 3 ( ontheffing )

Zowel individuele ontheffing ( tussen 2 ondernemingen ) als groepsvrijstelling ( alle
ondernemingen in 1 sector ) is mogelijk.

   HOE?       Dmv een verordening die door de Commissie wordt opgesteld. Bv. bij
    verbetering van de productie of distributie ( zodat de consument ervan kan profiteren. )

   VOORWAARDEN om een vrijstelling te bekomen.
      1. Ze moet aangevraagd worden bij de Commissie.
      2. Men moet aantonen dat het om een verbetering van de productie of verdeling gaat
         (meestal aanvaarding bij hoogtechnologische goederen, exclusieve verkoop,…)
      3. Een redelijk aandeel van verbetering moet naar de verbruiker gaan.
         Bv. regelmatige bevoorrading, ruimer assortiment, goede service, bekwame
         leveranciers,…
      4. Concurrentiebeperking (door afspraken) moet de enige mogelijkheid zijn om de
                                                                                            18

          consument te dienen.
       5. De concurrentie wordt niet uitgeschakeld op de relevante markt. ( betreffende 1
          product dat niet kan vervangen worden door andere producten)
          Bv. een banaan; volgens het Hof is er geen ander fruit dat de banaan kan
          vervangen.


 Hoe gebeurt de ontheffing van een verbod in de PRAKTIJK?
Overeenkomsten tussen ondernemingen die in strijd zijn met art. 83-1 zijn nietig.
Wanneer men nu zeker wil zijn over de geldigheid van de gesloten overeenkomsst, kan elke
betrokken onderneming aan de Europese Commissie vragen om een negatieve verklaring af te
leggen. Er bestaat dan geen aanleiding om tegen die afspraak op te treden ( geldt definitief ).

Als deze negatieve verklaring geweigerd wordt door de Commissie, dan kan de betrokken
onderneming een vrijstelling vragen = voor een bepaalde tijd een bepaalde overeenkomst
mogen sluiten. ( individueel of in groep )

Beide aanvragen moeten tegelijkertijd gebeuren door het invullen van een A/B formulier:
         A-kant:      negatieve verklaring
         B-kant:      tijdelijke vrijstelling
Als je een negatieve verklaring wil: ook de B-kant invullen, zodat je minstens een vrijstelling
krijgt!!

Dit formulier bevat 9 artikels (zie copies)

 AANVRAAG
Indien een negatieve verklaring (cfr. vrijstelling) wordt aangevraagd (aanmelding), dan zal de
Commissie dit bekendmaken opdat de concurrenten op de hoogte zouden zijn en opdat
iemand die een vrijstelling vraagt niet beboet kan worden (ook al is men enkel begonnen met
de aanvraag).

Deze aanmelding geldt niet voor bagatelcontracten, wel voor alleenverkoopovereenkomsten
met handelsagenten en toeleveringscontracten.

 INBREUKEN
Inbreuken op het kartelverbod (wanneer er geen aanvraag of vrijstelling gevraagd werd)
kunnen aan het licht komen door benadeelde concurrenten, ondernemingen die aan de
afspraak deelnemen of de Commissie die ambtshalve zelf een onderzoek instelt, procedure
van nationale rechters.

Bij het vaststellen van de inbreuken heeft de Commissie een vrij uitgebreide onderzoeks-
bevoegdheid. Ze kan alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij nationale regeringen,
bevoegde autoriteiten van de lidstaten, binnen de Gemeenschap gevestigde ondernemingen,
concurrenten… iedereen die over relevante informatie beschikt.

De Commissie kan ook onderzoeken inrichten zonder voorafgaande verwittiging (= bij
beschikking ) en dat de onderneming onverwacht een boete (dwangsom) krijgt (vooral
wanneer het duidelijk om een kartel gaat).
Ook wanneer men bv. niet voldoende, onjuiste, onvolledige informatie geeft, kan de
Commissie een geldboete opleggen.
                                                                                            19



De Commissie kan ook ter plaatse controles komen uitvoeren. De controleurs hebben niet de
bevoegdheid van onderzoeksrechter, maar een onderneming mag hen geen toegang weigeren,
anders krijgen ze een boete opgelegd.
De controleurs mogen het personeel ondervragen, copies maken, controleren van de boeken,
alles van de onderneming betreden.

De Commissie kan ook voorlopige maatregelen nemen, alvorens over te gaan tot een
definitieve beschikking ( in kortgeding ):
(werd geweigerd bij Van Hool)
Er moet voldaan worden aan 3 voorwaarden:
        1. voldoende bewijs dat er een inbreuk werd gepleegd (dat het dus om een kartel
            gaat)
        2. ernstige en onherstelbare schade (indien geen maatregelen)
        3. hoogdringend

De Commissie kan in geval van opzettelijk begane inbreuken geldboetes opleggen, in
verhouding tot ernst en duur van de inbreuk. Opzet wordt meestal zwaar gestraft: van 1 000
tot 1 000 000 ECU. Ze kan ook dwangsommen opleggen.

Bij verlening van een vrijstelling of negatieve verklaring:
        1. Bekendmaking (aanmelding) van de aanvraag.
        2. Publicatie in het publicatieblad van de verlening.

Vrijstelling en ontheffing gebeuren per verordening in het publicatieblad.

De nationale rechter kan de nietigheid uitspreken van afspraken die onder het kartelverbod
vallen en die geen vrijstelling hebben gekregen.
Bij een eis van sanctionering heeft de nationale rechter 5 mogelijkheden:
        1. Als hij vaststelt dat er een vrijstelling werd bekomen ( groeps of individueel),
            dan is het kartel geldig. (rechter kan niets doen)

       2. Afspraken die onder kartelverbod vallen, waarvoor geen vrijstelling werd
          bekomen, zijn nietig. ( = handelen tegen art.85 )
          In praktijk: ondernemingen zeggen dat ze bij een bepaalde sector behoren die een
          groepsvrijstelling bekomen heeft. De nationale rechter richt zich tot het Hof van
          Justitie om te vragen of dit zo is. ( = prejudiciële vraag )

       3. Een afspraak valt onder het kartelverbod, maar de onderneming zegt dat ze die
          aangemeld heeft met het oog op het bekomen van een vrijstelling, maar de
          Commissie heeft nog niet geantwoord. Hier mag de nationale rechter vrij
          oordelen. Hij kan zich richten tot het Hof (blijft vrij in zijn keuze) of wachten tot
          de Commissie geantwoord heeft.

       4. Een afspraak heeft een negatieve verklaring gekregen van de Commissie, de
          nationale rechter is hieraan niet gebonden. Hij kan de afspraak nog steeds nietig
          verklaren.
                                                                                             20

       5. De Commissie antwoordt dat het een bagatel-kartel is dat niet wordt onderzocht.
          (dossier werd op formele manier afgesloten). Ook hier is de nationale rechter niet
          gebonden. Hij mag weer vrij oordelen.
   Bepaalde categorieën van afspraken:

    A.Geen toelating tot ontheffing ( ALTIJD verboden )

    1. Marktverdelingsafspraken:
       = territoriale afgrendeling tussen de ondernemingen
       = concurrentievervalsing, soort monopolie

       Ondernemingen komen overeen om de markt onderling te verdelen:
       Bv.   - Grundig in Duitsland en Benelux, Contenz in Frankrijk
             - Engelse whisky: korting als ze niet meer uitvoerden


    2. Prijsafspraken:
       Zowel horizontale als vertikale prijsafspraken zijn verboden wanneer ze de handel
       tussen de lidstaten merkbaar ongunstig kunnen beïnvloeden.
                Horizontaal: gezamenlijk vastleggen van uniforme winstmarges, van
                   minimumprijzen, bepalen van kortingen en richtprijssystemen?

               Vertikaal: het vastleggen door de leveranciers van de verkoopprijs van zijn
                  producten ( men moet dus tegen die prijs verkopen ).

       Bv. Nederlands-Vlaams boekenkartel: de uitgevers hadden zich verenigd in een kartel
       en bepaalde afspraken gemaakt. De prijzen werden vastgelegd voor beide landen,
       zodat andere uitgevers dus uitgesloten werden. Zo zagen ze de mogelijkheid om
       grotere subsidies te krijgen voor cultuur, maar dit werd geweigerd.


B. Wel toelating tot ontheffing

1. Alleenverkoopovereenkomsten:
Bepaalde ondernemingen krijgen rechtstreeks van de fabrikant het recht alleen te verkopen.

Voor deze overeenkomsten had de Commissie reeds in 1967 een groepsvrijstelling gegeven.
Dit vooral om KMO's de mogelijkheid te geven door te dringen op de grote markten.

 VOORWAARDEN voor groepsvrijstelling
1. Geldt slechts voor overeenkomsten tussen 2 ondernemingen
2. Het moet gaan om een wederverkoop van producten
   (de fabrikant produceert ijskasten en de verkoper verkoopt ze)
3. Alleenverkoopovereenkomsten moeten betrekking hebben op "producten" en geen
   diensten
4. De door de wederverkoper verkochte producten moeten gelijk zijn aan de geleverde
   "economische identiteit": men mag er wel iets aan toevoegen, bv. verpakking, bottelen,
   overtappen, maar men mag er geen ander product van maken.
   Bv. van een Engelse auto een Europese auto maken door het stuur te veranderen
                                                                                         21

        van tafel geveegd, was betwiste zaak
    Bv. wijn in vaten overtappen in flessen is toegelaten

    Er mag slechts een kleine waardevermeerdering aan toegevoegd worden. (verandering van
    smaak, het uiterlijk,…)

 CONCURRENTIEBEPERKINGEN
-   Wat de leverancier betreft: indien hij zich verbindt GEEN producten te verkopen aan
    gebruikers binnen die bepaalde markt.
-   Wat de alleenverkoper betreft: hij moet zich ertoe verbinden geen gelijke producten te
    verkopen die concurrentieel zijn voor zijn leverancier.

 VERVAL van de groepsvrijstelling
-   Als een concurrent ook overeenkomsten gaat afsluiten; dit verhindert de vrije markt
    (nadelig voor de consument)
-   Wanneer uw fabrikant zijn exclusiviteit verkoopt ( cedeert)
-   Als de Commissie vaststelt dat de consument enkel nog kan gaan kopen bij die ene
    producent ( er bestaan geen alternatieven meer )
-   Als concurrentie binnen bepaalde gebieden volledig onmogelijk is. Alleenverkoop wordt
    gebruikt voor absolute gebiedsbescherming.


2. Exclusiviteitscontracten ( exclusieve afname-overeenkomsten )
= overeenkomst waarbij een koper zich verbindt om bij één bepaalde leverancier te kopen.
(omgekeerde van alleenverkoop, want hier neemt de verkoper het initiatief )

 VOORWAARDEN groepsvrijstelling
1. De leverancier mag zich contractueel verbinden om NIET te verkopen in het
   contractsgebied.
2. De wederverkoper wordt verboden om concurrerende producten te maken of te verkopen.


 GEEN GROEPSVRIJSTELLING
1. Voor wederkerige exclusieve contracten tussen fabrikanten mbt concurrerende goederen.
   ( ze komen overeen mekaar niet te beconcurreren )
2. Voor niet-wederkerige exclusieve afnamecontracten tussen fabrikanten van concurrerende
   producten ( niet als één van de partijen een jaaromzet van ten hoogste 100 miljoen ECU
   haalt ).
3. Exclusieve afnameplicht voor producten die niet verwant zijn met elkaar.
4. Contracten van onbepaalde duur of van meer dan 5 jaar ( beperking is dus verplicht )

Voor bier- en tankstationcontracten : speciale regelingen

Individuele of groepsvrijstelling: de Commissie kan deze vrijstelling altijd individueel
intrekken na een grondig onderzoek. Bv. wanneer de leverancier verschillende prijzen toepast
bij verschillende wederverkopers zonder grondige reden.
                                                                                          22


 NUT? Is deze vorm wel economisch efficiënt
Als het lokaal aspect belangrijk is, dan is het wel nuttig voor reclame, promotie…De markt
wordt intensiever bewerkt, dealers worden beschermd tegen free-riders. De producenten
verdienen misschien minder omdat ze hun markt verkleinen. De promotie wordt berekend in
groothandelsprijzen. Er is ook een stimulering van de globale handel (KMO's). Zo komt er
voor de consument ook een meer overzichtelijke markt.


 VOORBEELDEN
1. Whisky-producenten in Engeland werden beboet, want zij gaven geen kortingen aan
   wederverkopers die de producten wensten uit te voeren
    discriminatie

2. Grundig-Contzen: In Frankrijk kan niemand anders producten van Grundig bekomen,
   tenzij bij Contzen. Contzen mocht zelf ook niet uitvoeren, daarom hield Contzen zijn
   prijzen hoog tov het buitenland. Dit stimuleerde de kopers om in het buitenland te kopen.
   Men legde klacht neer en het contract werd afgekeurd.


3. Selectieve distributie
= een product wordt verdeeld door bepaald gekozen dealers en sub-dealers, dus de leverancier
levert slechts aan erkende dealers die zelf niet aan niet-erkende dealers mogen doorverkopen.
Bv. de auto-industrie

Dit is toegelaten en valt niet onder toepassing van art. 85.
VOORWAARDE: het selecteren van wederverkopers moet objectief en zonder discriminatie
gebeuren.

Wanneer nog meerdere eisen gesteld worden ( voor het bekomen van een erkenning ) dan kan
selectieve distributie vrijgesteld worden van het kartelverbod. (ontheffing)

Kwalitatieve selectie: de wederverkopers moeten aan eisen voldoen die betrekking hebben op:
- vakbekwaamheid ( ervaring, scholing )
- inrichten van de verkooppunten
- klantenservice

Wanneer deze criteria objectief voor alle mogelijke wederverkopers voldaan zijn, dan kan ook
een negatieve verklaring worden afgeleverd. Ook hier moet men een A/B-formulier invullen
en aanvraag doen. Men moet verantwoording afleggen voor een doelmatige afzet ( kwaliteit
van het goed en goed gebruik ) in het voordeel van de consument.

Er worden dealers aangesteld, omdat niet eender wie op de hoogte kan zijn van een bepaald
product.

Als men hogere eisen stelt voor de wederverkopers, dan kan de Commissie optreden na een
onderzoek. Dan moeten die eisen uit het contract verwijderd worden of het contract wordt
geweigerd.
                                                                                           23

Deze weigering komt vaak voor bij de "amusementselectronica" (onderhouden en plaatsen
van flipperkasten ) en de computermarkt. Eerst was er een enorme bloei van deze sectoren,
maar nu sneuvelen er velen.
Bv. een Europees bedrijf koopt licenties van Digital. Een Amerikaans bedrijf vraagt hen hoe
ze aan deze licentie gekomen zijn die ze niet hebben gekocht. Het Amerikaanse bedrijf kent
Digital niet, maar Digital meent van wel en zegt dat ze wel een contract hebben.

 NUT van selectieve distributie?
De Commissie heeft als bedoeling dat de consument in heel Europa dezelfde wagen kan gaan
kopen voor eenzelfde prijs behalve de BTW.

! Geen omzetverplichtingen
! Geen samenwerkingsverplichtingen

Arrest Hof van Justitie 1996 (ons Hof van Cassatie heeft dezelfde houding aangenomen )
       Overeenkomst selectieve distributie waarbij de fabrikant zich verbindt tov zijn agenten
       niet tegen derden aan te voeren.

       Vooral automerken: Citroën, Ford, Honda, Peugeot
        netten van selectieve distributie
       De agenten stelden vast dat er toch nog wagens van die merken verkocht werden door
       niet-agenten: " valse concurrentie".

       HvJ: de anderen konden van niets weten. Ze hadden de auto's op rechtmatige wijze
       gekocht om zo verder te verkopen.

       VWDE: onafhankelijke verkopers moeten kunnen aantonen dat ze de auto's direct bij
       de fabrikant gekocht hebben.

Selectieve distributie geldt slechts tussen de contracterende partijen.


BMW: hadden een circulaire verspreid; de dealers mochten niet exporteren naar een land waar
     de prijzen hoger zijn.

Ford (Engeland): weigerde auto's met stuur rechts aan het vasteland te verkopen.

British Lyland:        registratie voertuigen gekocht op vasteland: duurde veel langer. BL
                       weigerde eenvormigheidsattest af te leveren.

Pioneer: afspraken met de verdelers: niet uitvoeren buiten dat bepaalde land.

Doel Commissie: een auto in elk land laten verkopen aan dezelfde prijzen (idem voor service)
Probleem: BTW


4. Franchising
Zie handboek: zelf lezen en leren
= economische exploitatie know how zonder zelf echt te investeren.
                                                                                            24

In principe toegelaten, maar er mag geen gebiedsverdeling van de markt ontstaan.
 Commissie: - witte lijst gemaakt van de toegelaten verplichtingen van franchisegever
               - zwarte lijst van wat niet toegelaten is.

 VOORWAARDEN GROEPSVRIJSTELLING
   1. Handel binnen het net moet vrij blijven.
   2. Gever: eist garanties van de nemer ivm kwaliteit die voor ALLE nemers gelden.
   3. Nemer moet zijn hoedanigheid van onafhankelijk ondernemer vermelden.


5. Octrooilicentieovereenkomst
Octrooi = tijdelijk monopolie van fabricage, gebruik, verkoop of alledrie wordt verleend.
Vooral betreffende de technologische overdracht.

Principes: Het in exploitatie geven van een licentie is geen verboden overeenkomst (niet in
strijd met art. 85) MAAR men moet opletten of er geen bijkomende clausules zijn die wel
strijdig zijn.

Een groepsvrijstelling is wel mogelijk voor slechts 2 verbonden ondernemingen.
2 belangrijke onderdelen:
       1. Territorium moet afgebakend zijn ( 7 clausules worden vrijgesteld, als één van de
           11: vrijstelling blijft behouden.)
       2. Wat niets te maken heeft met het territorium: ook hier zijn clausules 11 toegelaten
           en 11 verboden ( bv. royalties mogen niet betaald worden )

Als men ziet dat 1 clausule nietig is, dan wordt er GEEN vrijstelling gegeven; het hele
contract moet opnieuw opgesteld worden.


6. Samenwerkingsovereenkomsten ( joint ventures )
= bv. vliegtuigindustrie Airbus
      computerindustrie

 Verboden: - monopolie
              - misbruik van machtspositie

 Toegelaten: - specialisatieovereenkomsten
               - onderzoek en ontwikkelingovereenkomst

 VRIJSTELLING voor:
   1. Specialisatieovereenkomst = overeenkomst waarbij ondernemingen wederzijds
      overeenkomen om voor bepaalde tijd een bepaald product niet te vervaardigen of te
      laten maken en dit aan de andere partij over te laten. De andere partij verbindt zich
      dan het product te vervaardigen of te laten maken.

       Voorwaarden voor vrijstelling:
            - gezamenlijk marktaandeel van minder dan 20 %
            - totale jaaromzet van minder dan 500 miljoen ECU
                                                                                          25

   2. Onderzoeks- en ontwikkelingovereenkomst
      3 soorten:   a. O&O van producten en procédé's die gezamenlijk gaan geëxploiteerd
                      worden door de ondernemingen.
                   b. Idem, maar zonder gezamenlijke exploitatie.
                   c. Samenwerking om vroegere resultaten van vroeger onderzoek te gaan
                      exploiteren.

       Tijdens het programma worden alle gegevens uitgewisseld, daarna bepaalde fabricage
       geheimen, niet misbruiken en daarna mag men voor 5 jaar mekaars macht niet
       afschuimen.

       NIET: - U verbindt u om geen onderzoeken te doen in andere domeinen
             - Prijzen onderling bepalen
             - Klanten onder elkaar verdelen

       VRIJSTELLING wordt verleend voor elk van de gevallen APART, indien:
       - alle partijen toegang hebben tot de resultaten
       - iedere partij vrij zelfstandig de resultaten van het onderzoek kan exploiteren
       - iedere partij het recht heeft het product in de handel te brengen

       PRAKTIJK: Vooral gericht op de lancering van een product in een bepaald gebied
                 en bepaalde periode. Daarna vervalt de overeenkomst.


       Er wordt geen vrijstelling gegeven indien:
                     De ondernemingen elkaars concurrenten zijn
                     De ondernemingen een marktaandeel groter dan 20% hebben




Artikel 86

Grote ondernemingen mogen een machtspositie hebben, waarbij ze de marktvoorwaarden
kunnen bepalen, maar ze mogen deze machtspositie niet misbruiken.

De concurrentie moet ook beschermd worden tegen ondernemingen die veel macht hebben en
die die macht misbruiken.
Bv.     1. Producten bevriezen tot de nood hoger is (en de prijs stijgt)
        2. Een klant meer of minder laten betalen dan een andere
        3. Geen ongelijke voorwaarden opleggen


 MISBRUIK VAN MACHT
Het onderzoek begint naar aanleiding van klachten van (kleinere) concurrenten

Hoe wordt misbruik van macht vastgesteld?
3 fasen:     1. Afbakening van de relevante markt ( kan het product door iets anders
                vervangen worden?)
             2. Is er een machtspositie?
                                                                                          26

                     Heeft die onderneming een kwalitatief voordeel?
                     Kan deze firma de prijzen doen schommelen?
              3. Is er misbruik van machtspositie?

1. Afbakening van de relevante markt.
- Bestaat er een relevante markt?
- Is er een markt voor dat product?
- Is er een constante vraag naar dat product?
- Is dat product substitueerbaar door andere producten?
         Soms wordt er gesproken van kruiselasticiteit: het product wordt vervangen door een
         ander product waarmee men hetzelfde kan doen.
- Gaat het om een bepaald territorium?
         Bv. Chiquita-bananen: UCB had conflict met de rijpers. Deze hadden samengewerkt
         voor een publiek met veel concurrenten. Is er een markt voor de banaan?
          Banaan kan perfect vervangen worden door andere vruchten
          Hof van Justitie: banaan is niet vervangbaar, dus er is wel degelijk een relevante
            markt.


Hoe bakent men een markt af?
- Productsgewijs
- In de ruimte ( geografisch, territoriaal )
- In de tijd ( voor producten die aan een bepaalde tijd gebonden zijn )


2. Vaststelling van de machtspositie.

A.     Het bezit van een belangrijk marktaandeel is van groot belang:
       - hoge marktaandelen: regel = machtspositie
       - lage marktaandelen: geen machtspositie
       ( soms kan een onderneming 40 tot 50 % van de markt in handen hebben )

B.     Bijkomende factoren die de onderneming grote concurrentievoorsprong geven.
       ( kwantitatief of kwalitatief )
       Bv. door technologie of het afzetgebied

C      Hoe is het gedrag van de onderneming? Doet ze aan prijsdiscriminatie?
       Voorbeelden uit arresten:
              a) 10% marktaandeel is duidelijk dat de onderneming geen machtspositie
                  heeft.
              b) Naast het marktaandeel moeten ook interne kwalitatieve bijkomende
                  factoren bekeken worden.
              c) 40 tot 50% van de markt bezitten is op zichzelf geen criterium. Hoeveel
                  concurrenten zijn er en wat is de onderlinge verhouding?
              d) Hoewel het aandeel van één onderneming groter is dan alle andere samen,
                  spreekt men toch niet van een machtspositie. Men bekijkt ook de positie
                  van de concurrenten.
                                                                                          27

Voorbeelden
      1. Rijpingshangars bananen
       bep. onderneming huurde 90% van de hangars = misbruik.


       2. Zaak Hofmann
       La Roche: grootste van de wereld, toch geen machtsmisbruik
        houding tov andere concurrenten is van belang.


3. Misbruik van de machtspositie.
3 vragen:    1. Gaat de onderneming de behoeften beïnvloeden?
             2. Gaat de concurrentie zo beïnvloed worden dat de markt zal verslappen?
             3. Wat is de invloed van dat misbruik op de volledige concurrentie?

Wat kan de consumenten beletten om naar de concurrenten te gaan?
Welk zijn de misbruiken?

1. Leveringsweigering
   Mag niet indien er geen objectieve gronden voor bestaan . ( men mag dus niet éénzijdig
   beslissen wie wel of niet krijgt ).
   Bv. grote onderneming weigert aan andere ondernemingen die afnemer zijn te leveren.
   Weigeren mag indien er nooit betaald wordt.

2. Onaanvaardbare voorwaarden
   Men mag de afnemer geen onaanvaardbare voorwaarden opleggen.
   Bv. minimum opleggen ivm verplichte hoeveelheid af te nemen per jaar, of anders krijgt
   men niets meer, tenzij aan duurdere prijs.

3. Getrouwheidskortingen - klantenbinding
   = kortingen geven aan een klant die belooft om alleen bij u af te nemen.
   Willekeur: ongelijke voorwaarden opleggen aan verschillende klanten.

   Getrouwheidskorting enkel toestaan bij minimumafname of bv. enkel indien alles bij de
   onderneming gekocht wordt of bij minimum jaaromzet.

4. Discriminatie
   Ongelijke voorwaarden opleggen aan verschillende klanten, bij gelijke prestaties.

5. Vrijstelling voor onderzoek en ontwikkeling
   Men mag niet afspreken om geen onderzoek te doen in gebieden die niet in het contract
   staan. Men mag ook niet de klanten onderling verdelen en prijzen bepalen.

6. Opleggen van onbillijke prijzen
   Te hoog ( geen woekerwinsten ) of te laag (prijs staat niet in verhouding tot de geleverde
   prestatie ). Een te lage prijs zal de concurrenten wegdrijven. De Commissie kan dan in
   kortgeding optreden.
   Voorwaarden:       - Duidelijke aanwijzingen van de concurrenten.
                      - (Onherstelbare) schade aangebracht aan de concurrenten
                      - Hoogdringendheid
                                                                                        28




7. Concentraties
   Opslorpen van bedrijven mag, maar dit mag niet leiden tot het bestaan van nog slechts
   enkele bedrijven.
   Het is voldoende als men bewijst dat een er potentiële invloed is. Alles wat de
   mededingingsstructuur afbakent is verboden.
   = ondernemingen of groep van ondernemingen kopen anderen op en hebben zeggenschap
     zodat er giganten bestaan.

   CONTROLE:          a) Bedrijven met een omzet (over heel de wereld) van meer dan 5
                         miljard ECU.
                      b) De afzonderlijke ondernemingen moeten zelf ook een omzet hebben
                         van meer dan 250 miljoen ECU. ( 1 van de ondernemingen binnen de
                         EU omzet meer dan 250 mio ECU)
                      c) Elke onderneming behaalt meer dan 2/3 van de omzet in éénzelfde
                         staat van de EU: geen controle nodig


       Om vast te stellen dat het om een concentratie gaat, moet men nagaan:
             1. Is er een relevante markt?
             2. Is er misbruik van machtspositie?
                 De potentiële invloed op de markt door de concentratie is reeds genoeg
                 voor de Commissie om in te grijpen.
                 In 99% van de gevallen worden concentraties gemeld, dus heeft de
                 Commissie daar een zicht op. (bij melding: wel onderzoek, geen boetes)
             3. Bevoordeling plaats en gedrag van de macht van anderen

Indien een fusie tussen ondernemingen EU en USA: waarschijnlijk wel controle, bv. vanuit
USA.+


Artikels 85 en 86 zijn toepasselijk op alle sectoren, maar enkele nuances:
Bv. verzekeringen, kernenergie, kolen en staal, landbouw, vervoer
Dus ook van toepassing op overheidsbedrijven.



3. Artikel 90.
Overheidsbedrijven en bedrijven met overheidssteun vallen ook onder artikel 85 - 86 maar er
wordt een onderscheid gemaakt:
       Ondernemingen met of zonder een "bijzondere dienst-taak"
       Bv.   Post, Belgacom, NMBS
             Sabena: niet langer overheidsond.; overheid heeft wel participatie.

Deze bijzondere taak moet meegedeeld worden aan de Commissie. Men moet meer inzicht
hebben in de structuur van die onderneming. (transparantie)
                                                                                          29

 onvervangbaar voor de goede werking van de staat. (parastatalen); moet aangetoond
worden dat het in het belang van de burger is.


4. Steunmaatregelen
= Steun van Europa of de Staat aan ondernemingen.

PRINCIPE:       overheidssteun die de mededinging vervalst wordt verboden door art. 92
                (heeft geen rechtstreekse werking).

UITZ.:          enkele uitzonderingen kunnen toegelaten worden, mits goedkeuring van de
                Commissie.

a) Overheidssteun waarbij de concurrentie vervalst wordt is verboden Art.92 - 1
    Gratis staatsmiddelen (steun) aan bedrijven ter beschikking stellen.
      Bv.    Kapitaalinbreng door de overheid
             Vrijstelling van sociale bijdragen
             Leningen zonder interest
             ( werkloosheidsuitkeringen ed mag wel )

          Het concurrentieel uitgangsniveau mag niet worden verhoogd door de staat. De
           gevolgen worden niet onderzocht; het feit dat het gebeurt is al verboden. De
           mogelijkheid van steun op zich is reeds voldoende.

b) Maatregelen die wel toegelaten zijn Art. 92 - 2
    Sociale steun aan verbruikers ( koopkracht van de individuen blijft gelijk )
     Bv. werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslag
      laat de economie draaien.
    Steun om schade te herstellen
      bv. een overstroming, na brand bij IJsboerke

    Steun aan Oost-Duitsland ( om dit weer op het Europees niveau te brengen ). Door de
         éénmaking zijn er weer problemen ontstaan, hier mag men dus tussenkomen.
          Niet meer van toepassing

    Steun aan gebieden met een abnormaal lage levensstandaard of waar een ernstig
         gebrek aan werkgelegenheid heerst, bv. Spanje of Portugal


c) Maatregelen die toegelaten kunnen worden mits de nodigen toelatingen, onderzoekingen
   Art. 92-3 ( moeten heel de gemeenschap dienen )

    Europese projecten: spitstechnologie ( bv. Airbus )
         Bedrijven uit verschillende landen gaan samenwerken aan 1 project
         Bv. luchtvaartindustrie, milieuprojecten, projecten van de energiesector,…

    Verstoring van de economie van een staat: geen lege putten blijven vullen. Wanneer
         een economie stilvalt, dan is er soms steun nodig.
                                                                                         30

       Bv. koolmijnen
        de steun moet zin hebben en opbouwend zijn

Verstoring van de economie: de steun kan regionaal of sectorieel zijn, maar de steun moet
verantwoord zijn. ( 1. steun voor herstructurering en 2. duurzame sanering )

       Regionale steun: 4 voorwaarden
             1. Steun moet meetbaar en transparant zijn: duidelijk over een bepaald aantal
                 jaren en bepaalde bedragen.
             2. Een absoluut maximum moet worden gehandhaafd: geen extra'tjes.
             3. Een specifieke steun: voor een bepaalde tak, ontwikkeling.
             4. Voortdurend toezicht van de overheid.

              Bv.     Beaulieu heeft steun gehad van de overheid voor 1 bepaalde tak van de
                      onderneming, maar Beaulieu gebruikte deze steun voor iets anders en
                      moet de steun nu terugbetalen. (In plaats van het machinepark te
                      vernieuwen, werd propaganda in het buitenland gemaakt)


       Sectoriële steun: 3 voorwaarden
              1. Steun mag enkel dienen om de normale concurrentie terug te krijgen.
                  Bv. niet om de prijzen te verlagen.
              2. Selectief zijn: enkel als men zeker is dat de steun op termijn vruchten zal
                  afwerpen.
              3. Tijdelijk en degressief zijn.


 PROCEDURE EN RECHTBESCHERMING Art. 93
-   Als men steun wil geven, dan moet men dit op voorhand melden bij de Commissie. Deze
    zal binnen de 2 maanden een oordeel vellen.
-   Als de Commissie niet binnen de 2 maanden reageert, dan mag er steun gegeven worden.
    De Commissie kan ook zeggen dat men moet wachten.
-   Als men binnen de 2 maanden steun gegeven heeft, en de Commissie weigert, dan moet
    de steun teruggegeven worden.
-   Als de steun dermate belangrijk is, dan zal de Europese Raad erover beslissen.

    Probleem: Misdragingen van lidstaten
               Als de steun gegeven wordt en moet aangewend worden zoals op papier
                stond, dan wordt deze teruggevorderd.

Voorbeelden van steunmaatregelen.

1. Maribel.

= soort onrechtstreekse steun

1981: Maribel I
       TWS veilig stellen door verlagen patronale bijdragen in alle ondernemingen met
        handarbeiders.
                                                                                             31

        Hangt af van de grootte van de onderneming
            < 20 werknemers:       1e 5 arb.:   - 3 000 ,- per kwartaal per arbeider
                                   overige:     - 1 875 ,- per kwartaal per arbeider

              > 20 werknemers:      allemaal:      - 1 875 ,- per kwartaal per arbeider
1993 - 1994 Maribel bis en ter
        uitbreiding systeem
        bijkomende lasten voor:    - industriële bedrijfstakken die onder concurrentie lijden.
                                    - tuinbouw
                                    - internationaal vervoer

       -3 000,- werd -9 000,- per kwartaal per arbeider
       -1 875,- werd -8 437,- per kwartaal per arbeider

1997 Maribel quater
 770 000 arbeiders
  Alle arbeiders uit verwerkende en bewerkende nijverheid.

 Min 20 000,- per arbeider per jaar
 RSZ-vermindering; max. 33 200,- per werknemer per jaar;
  Behalve < 6 werknemers: 34 000,-



Met Maribel I had de Commissie geen bezwaar, wel met Maribel bis en ter ( = tegen art. 92).
 Ze waren té selectief
       bis en ter aanpassen tot quater, dat wel goedgekeurd werd.

       1. Verwijt dat bis en ter niet aangemeld werden.
       2. Uitsluitend toekennen vermindering van de bijdragen aan bepaalde sectoren: dan is
          dat staatssteun. Hun kosten dalen en zo hebben ze financieel voordeel en staan ze
          concurrentieel sterker.


2. Forges de Clabeq
- Breedbandstaal, warm gewalste platen.
- Staalbedrijf

1996: - nog slechts 2 149 werknemers
      - eigen vermogen 51 mio
      - financiële schulden 3 444 mio
      - sociale en fiscale schulden 1 997 mio

Waals Gewest: SWS ( overheidsholding )
 1,5 mia in Forges ingebracht, zonder dat dat werd gemeld.

       1. Particuliere aandeelhouders hadden er geen deel in. (particuliere banken zouden
          zoiets nooit gedaan hebben.
       2. Particuliere aandeelhouders hadden zich teruggetrokken.
                                                                                            32

 injectie 200 mio voorschot om toch lonen uit te betalen.

 Kwijtschelding schulden
      = toegeven dan de situatie het niet toeliet om schulden terug te betalen.

De Commissie: - besliste dat schulden toch betaald moesten worden.
              - zei dat sectoriële / regionale steun mogelijk was onder bep. voorwaarden.

       * Waals Gewest wilde regionale steun geven aan 2 steden.
              Commissie: mag niet, moet aan echt een regio gegeven worden + bepaald
                aantal inwoners.

       * Waals Gewest wilde sectoriële steun geven
              Commissie: mag niet, want problemen in de staalindustrie

Duferco (Zwitsers bedrijf) heeft overgenomen/geïnvesteerd.


België heeft dus nagelaten Europa in te lichten.




5.a Vrij verkeer van goederen binnen de EG.
1. Doel

De concurrentie vrijmaken en vrije handel bevorderen door beperkingen op te heffen.
!!! Als de binnengrenzen wegvallen, wil dit niet zeggen dat het verkeer vrij is.

Douanerechten = belastingen op goederen die in- of uitgevoerd worden.

Invoerrechten = GEEN belastingen, maar een percentage van de waarde of een forfaitair
                bedrag ( hierdoor worden buitenlandse producten duurder in het binnenland )


 Heffingen van gelijke werking ( zijn bijna volledig afgeschaft in Europa )
   Invoerrechten:   - bescherming van de nationale markt
                    - heffingen
    hebben weinig te maken met douanerechten

   DEFINITIE:
   éénzijdig opgelegde geldelijke lasten die opgelegd worden bij in- en uitvoer in die toch
   geen douanerechten zijn. ( eender welke lasten die de staat oplegt )

    Belastingen
       Deze zijn toegelaten indien:
                                                                                            33

              1. De maatregelen die opgelegd worden deel uitmaken van binnenlandse
                 belastingen.
              2. Het slechts een vergoeding is voor de invoerder.

       Bv. NIET: invoer ruwe diamant met heffing als bijdrage voor een fonds voor arbeiders
            discriminatie


2. Kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen.

Voorbeelden:
1. U voert iets in en dit moet gecontroleerd worden, terwijl men in het eigen land die tol niet
   oplegt.
2. Het versnijden van vlees moet hetzelfde gebeuren.

Wat mag dan wel? Uitzonderingen: als de beperkingen worden opgelegd om de eigen burgers
te beschermen.
Redelijkheidstoets: ( rules of reason )
       - Openbare zeden beschermen.
         Bv. maatregelen voor invoer en uitvoer van pornografisch materiaal
       - Bepaalde producten die in strijd zijn met de openbare veiligheid.
         Bv. wapens
       - Dieren / planten : uitvoer verboden indien beschermd
       - Gezondheid, vb. farmaceutische producten (medicijnen)
       - Beperkingen voor bescherming van het kunstpatrimonium
         bv. duiken in Griekenland
       - Beschermen van het milieu
       - Staatsveiligheid, bv. vreemdelingenverkeer (terroristen)

Men moet steeds aantonen dat het algemeen belang geholpen is.



Zijn deze maatregelen gerechtvaardigd?
Als er geen richtlijnen of verordeningen over bestaan dan zal het Hof van Justitie nagaan of er
een redelijkheidstoets is. (Bv. wordt de maatregel genomen omwille van de gezondheid en
veiligheid van de consumenten?)
Men mag geen maatregelen nemen om de concurrentie van andere landen te schaden.

Men maakt bij de uitzonderingen een onderscheid tussen maatregelen die discriminerend zijn
of andere die toepasbaar zijn op nationaal geïmporteerde producten.


Wat is discriminatoir?
Invoerbeperkingen, vergunningsysteem, belemmeringen, …

Onrechtstreeks: de staat legt geen heffingen op, maar er wordt een systeem ingevoerd
waardoor de invoer bemoeilijkt wordt.
Bv. vergunningsysteem, controlemaatregelen, maatregelen die de verkoop kunnen hinderen
(verpakking, opmaak,…), maatregelen van publiciteit.
                                                                                            34



Men kan ook maatregelen nemen wat betreft de binnenlandse producten. De staat maakt het
de eigen ondernemingen moeilijker dan de buitenlandse.

Wanneer de Staat een maatregel oplegt, dan moet de Staat:
- aantonen dat het voor iedereen geldt, en niet voor enkelen ( van algemeen belang zijn )
- aantonen dat ze de weg gevolgd heeft van de minste schade
- er moet een noodzaak bestaan

De redelijkheidstoets moet bestaan voor diverse landen.
Optreden van de Commissie bij:
       1. Ierland: "Buy the Irish" promotie die Ierland gevoerd heeft na de toetreding tot de
           EU. Ierland werd veroordeeld en de affiches moesten weg.
       2. Duitsland: Wat "bier" genoemd wordt, mocht enkel gerst,…bevatten. Bieren die
           iets anders bevatten, mochten geen bier heten: moeilijkheden bij invoer, maar
           Duitsland kreeg geen gelijk.
       3. Italië: idem Duitsland, maar met pasta.

Ander probleem: zondagsluiting. Dit mag in sommige landen en in andere niet.
       Dit mag niet, want het schept een onevenwicht.

Is het een regel die al dan niet discriminatoir is? 5 VRAGEN
1. Is de maatregel gelijk van toepassing op nationale en geïmporteerde producten?
2. Is de maatregel ingegeven door dwingende eisen van algemeen belang?
3. Is er een communautaire harmonisatie? ( bestaan er richtlijnen, verordeningen; zoniet:
    redelijkheidstoets)
4. Is de maatregel noodzakelijk voor het bereiken van het doel van algemeen belang?
5. Is de maatregel niet onevenredig?

Stap voor stap is men aan het harmoniseren = Positieve integratie
1992: harmonisatie in Europa via een lijst van handelsbelemmeringen opgesteld door de
lidstaten.




5.b. Vrij verkeer van diensten binnen de EG.
Bv. vestiging van ambachtslieden

Er bestaan verschillen tussen werknemers en zelfstandigen. Iedere Europeaan mag gaan
werken waar hij wil.
Hier: zowel natuurlijke als rechtspersonen, die een ambacht uitoefenen of ondernemer zijn.

2 mogelijkheden
      1. vestigen in het buitenland.
      2. beroep occasioneel in het buitenland uitoefenen.

Basisregels:
                                                                                            35

-   Iedere Europese burger heeft het recht om het beroep uit te oefenen onder voorwaarde van
    de staat waar men zich vestigt.
    Bv. een numerus-clausus in Duitsland, maar niet in België
-   Vreemdelingenwetten mogen toegepast worden inzake openbare veiligheid en
    gezondheid. Bv. een bordeel

DOEL:Realisatie van een vrij aanbod van diensten en beroepsuitoefening. Discriminatie
        moet verdwijnen, maar dit is niet eenvoudig.
Ieder land heeft bepaalde voorwaarden/richtlijnen die nageleefd moeten worden.
Bv.     - minimumkapitaal om een onderneming te beginnen.
        - architect die huis in Frankrijk wil bouwen, moet Franse regels volgen.


De toegangsregels tot de beroepen moeten gelijkgeschakeld worden. Iedereen mag zich
vestigen waar hij wil om een beroep uit te oefenen, maar onder de voorwaarden die gelden
voor de inwoners van dat land zelf.
       Bv. advocaat in België:      - licentiaat in de rechten
                                    - 3 jaar stage gevolgd hebben
                                    - aanvaard worden aan de balie

Problemen ( bij het voorbeeld )
- verschillende studieduur in verschillende landen
- in Engeland: verschillende advocaten:
                      advocaat die pleit ( met pruik )
                      advocaat die de dossiers bestudeert ( sollicitor )
                      ( beiden zijn lawyers )

Er zijn al veel gelijkschakelingen gebeurd:
        Bv.     Erkenning van diploma's
                Richtlijnen voor alle vrije beroepen

Ook voor de ambachten bestaan er reglementeringen. De voorwaarden die men stelt binnen
de eigen lidstaat, gelden ook voor de andere Europeanen die zich daar willen vestigen.
Bv. fietswinkel, bakker. De vreemdelingen moeten zich steeds aanpassen.


UITZONDERINGEN
1. Handelingen van openbaar gezag
   Bv. optreden als plaatselijk rechter: hier gelden oude plaatselijke wetten, dus bijkomende
   eisen stellen.

2. Vreemdelingenwetten ter beveiliging van de openbare orde
   Bv. wie een bordeel uitbaat in Nederland kan dat niet zomaar in België komen uitbaten.


Al wat het vrij verkeer in de weg staat, behalve de 2 uitzonderingen, wordt stilaan
weggeveegd. Wie zich benadeeld voelt, wendt zich tot de nationale rechter.
Bv. een Nederlandse arts mag men geen bijkomende studie opleggen omdat die in België wil
werken. Daarom is er een gelijkschakeling van diploma's in verschillende landen.
                                                                                         36

Sinds de gelijkschakeling zijn verschillende advocatenkantoren zich in Brussel komen
vestigen (vooral Engelse). Omdat ze zich hier vestigen, moeten ze ook ingeschreven zijn aan
een Belgische balie en kunnen ze ook door een stafhouder op het matje geroepen worden.
Geldt ook voor andere beroepen, bv. artsen.
OPM: - Repertorium (= van alle verschillende verschenen verordeningen)
              1. analytisch (per onderwerp)
              2. chronologisch en alfabetisch
       - Handboek Europese Gemeenschappen van Verboven en Kaptain
BELGISCH ECONOMISCH RECHT
BELGISCH ECONOMISCH RECHT
Wat zijn de instellingen waar u mee in contact kan komen als u zich in België komt vestigen?
N.K.: ministeriële commitées, planbureau's, centrale raad voor bedrijfsleven, voorleggen
       controlecommissie, Belgisch instituut voor de normalisatie.
       Regionaal: GIMV

Het economisch recht is terug te vinden in het Wetboek van Koophandel, administratieve
wetten, strafwetten enz.

Inleiding
-   zeer overvloedige reglementering
-   economisch recht is onsamenhangend, inconsistent
-   economische welvaarttheorie: enkel reguleren daar waar onvolkomenheden zich voordoen
    op de markt
    In praktijk: werkt de regulering vaak onvolkomenheden in de hand, bv. vestigingswetten
-   economische reguleringstheorie: deze theorie benadrukt de rol van de drukkingsgroepen
    bij het tot stand komen van economische reglementen (wetten).

     De nadruk zou moeten liggen op de bescherming van de consument, maar meestal gaat
      men de eigen belangen van de sector trachten veilig te stellen.
      Bv. geen medicijnen in de GB, enkel bij apothekers

     De toegang tot bepaalde beroepen wordt in het voordeel van de belangengroepen
      geregeld, en in het nadeel van de nieuwkomers en de consumenten.


De belangrijkste regels die van invloed zijn op de uitoefening van particuliere economische
activiteiten:
        a) mededingingsrecht
        b) wet op handelspraktijken
        c) prijsreglementeringen
        d) vestigingsrecht


1. Mededingingsrecht.
Vroeger: beperkte wetten en besluiten ( die nu nog van kracht zijn )
                                                                                           37

1924 Strafwet: wie op de binnenlandse markt een abnormale stijging of daling van de
     prijzen van levensmiddelen, koopwaren of handelspapieren vrijwillig bewerkt, is
     strafbaar.
     Bijzondere opzet nodig: wil tot wederrechtelijke speculatie

13/01/1935 kartelvriendelijke bepalingen
       = beroepsverenigingen van producenten of verdelers ( met RP ) mogen verplichtingen
       ( ivm productie, distributie, uitvoer of invoer ) algemeen bindend laten verklaren voor
       de hele sector, INDIEN ze in algemeen belang zijn en de meerderheid deze
       verplichtingen uitvoert.

22/01/1945 ondernemingen dreven kunstmatig de prijzen op door stockering
       - verlichten stockage
       - leveringsweigering verboden, geen selectieve weigering
        strafbaar: in strijd met de reglementering
       !! Deze wet wordt nog steeds toegepast!!

14/07/1976 overheidsopdrachten worden gereglementeerd (eerste volwaardigen kartelwet)
       3 hoofdlijnen van het Europees recht vindt men ook terug in het Belgisch recht:
              1. Verbod op kartelvorming (art. 85 )
              2. Verbod van misbriuk van machtspositie ( art. 86 )
              3. Verbod van concentraties van ondernemingen

       Deze wet richt zich in de eerste plaats tot ondernemingen ( verbod op kartel )
       Onderneming = alle natuurlijke en rechtspersonen die op een duurzame wijze een
       economisch doel nastreven ( VZW ≠ onderneming ).

       Deze mogen geen kartelafspraken maken, de sanctie is nietigheid. De Belgische wet
       kent ook de mogelijkheid van negatieve verklaringen en vrijstellingen.
       Een negatieve verklaring wordt gegeven door de Raad voor Mededinging. Een
       vrijstelling bekomt men bij de Dienst voor Mededinging ( na aanmelding van de
       overeenkomst ).

5/08/1991 Wet tot bescherming van de economische mededinging.
       Van kracht sinds 1/04/1993
             1. Verbod kartelafspraken (cfr. art. 85)
             2. Verbod misbruik machtspositie (cfr. art. 86)
             3. Controle concentraties


EX:    Vergelijk instellingen België en Europa: wie doet wat.
       1. Ondernemingen die geen kartelafspraken mogen maken en dit toch doen
               nietig
              Cfr. art.85: negatieve verklaring;
                      - Belgische staat: geen aanleiding tot afwijzing
                      - Vrijstelling ( individueel of groep )

       * Voordeel tov Europees Verdrag: men zegt wat men met ondernemingen bedoelt.
        Art.2 Belgische wet = art. 85 Europese wet.
                                                                                             38

       * Wie treedt op?
              Europa: Commissie beteugelt en controleert

              België: 2 instellingen
              - Raad voor Mededinging houdt zich bezig met onderzoek: inbreuken opsporen
                en vaststellen.
              - Dienst voor Mededinging

       OPM. art. 85 - 1 en 85 - 2 : over beschikking niets kennen
       OPM. ambtenaren van de Commissie ≠ deurwaarders
             Dienst voor Mededinging ≠ deurwaarders

       Dienst voor Mededinging :
       Samenstelling: beroepsmensen en gespecialiseerde ambtenaren ( econ. geschoold )
       Taak: Staat in voor het vaststellen en opsporen van inbreuken.
       Gecoördineerd ( met ambtenaren van de Commissie ) zullen in bepaalde gevallen
       samen onderzoeken.

       Raad voor Mededinging :
       Samenstelling:     - 6 beroepsmagistraten
                          - 6 experten ( door de Koning voor bepaalde tijd benoemd )

       taak : - wijst inbreuken op de wet van 1991 aan ( neemt beslissing )
              - geeft negatieve verklaringen
              - geeft vrijstellingen ( individueel en groep ) nadat de Dienst onderzocht heeft.

       Groepsvrijstelling: enkel bij Ministerieel Besluit ( in Europa: verordening )

       OPM. Een Europese vrijstelling geldt ook voor de Belgische markt, men moet dus
            niet opnieuw een vrijstelling aanvragen.

              In België geldt een vrijstelling ook voor KMO's, terwijl die in Europa enkel
              voor de grote ondernemingen telt.
              VWDE: moet ten goede komen van de consumenten en de concurrentie niet
              verdringen ( productie en distributie verbeteren ).


Het verbod van misbruik van machtspositie wordt overgenomen uit het EEG-verdrag. De
term misbruik wordt niet gedefinieerd, dus neemt men de definitie van de Europese wet.

Controle van de concentraties:
- In België zijn concentraties verboden, ≠ Europa
- Hier moeten concentraties met een gezamenlijke jaaromzet van 3 miljard en/of 20% van de
  Belgische markt gemeld worden.
         moet aangemeld worden bij de Dienst, die deze overmaakt aan de Raad. Eenzelfde
           onderzoek wordt verricht als in Europa. ( machtsmisbruik,…)

Concentraties zijn toegelaten als de productie of distributie verbeterd wordt ( de consument
wordt er beter van). Ze moeten dit zelf aantonen.
                                                                                           39

De Raad kan ook adviezen of aanbevelingen geven aan ondernemingen, zodat deze de kans
krijgen om zich aan te passen voor er een definitief besluit genomen wordt.

De Raad stelt misbruiken vast en legt boetes op ( ≈ Commissie: max. 10% van de jaaromzet)
of dwangsommen ( max. 250 000 frank per dag voor het niet naleven van een beslissing ).
Geldboetes kunnen ook opgelegd worden wanneer ondernemingen weigeren inlichtingen te
geven of onjuiste, onvolledige info geven ( max. 1 000 000 fr.).


2. Misbruik van machtsposities:
België : niet gedefinieerd; Raad voor Mededinging neemt beslissing.
Europa: Art. 86

3. Concentraties
 door fusies
   door zeggenschap over andere ondernemingen

Europa: art. 85 en 86

Aanmelding - België: Dienst voor Mededinging; enkel indien jaaromzet groter is dan 3 mis
             en/of samen 25% van de relevante markt in handen.
           - Europa: Commissie; enkel grote ondernemingen.

 Mag indien distributie/ productie verbeterd wordt.



2. De wet op de handelspraktijken.
Inleiding

Deze wet vormt de basis van het recht ivm onrechtmatige mededinging.

HOOFDDOEL:              Verzekeren van eerlijkheid van de handelstransacties in het belang van
                        de consumenten en concurrenten.

1971: eerste wetgevende initiatieven op verzoek van de detailhandel en de consument.

Wetswijziging van 1971 legt nadruk op 2 zaken:
      1. decriminalisering
      2. bescherming van de consument

Men heeft getracht om zo weinig mogelijk boetes op te leggen en zo weinig mogelijk
strafwetten in te voeren wanneer de wet niet wordt nageleefd. ( bv. soldenwet ).

Benaming van oorsprong wordt beschermd.
Bv. Hasseltse jenever moet van Hasselt zijn.

Subliminale reclame:
= reclame die gemaakt wordt zonder dat de consument weet dat het reclame is, bv. een film.
                                                                                     40

( Niet enkel van verkoper aan consument, ook van producent aan leverancier )
Belgische wet: reclame wordt gemaakt in de taal van de verkoper.
Europese wet: " Belgische wet is in strijd met de vrije concurrentie ".

Vroeger moest men zelf bewijzen dat men door een bepaalde reclame geschaad werd. Nu
dient men een aanklacht in en moet de producent bewijzen dat er geen schade zou kunnen
zijn. ( doch in praktijk: ± zelf bewijzen )

NIEUW:        1. De Koning heeft de bevoegdheid gekregen om bepaalde reclame te
                 reglementeren ( bij KB ), bv. verbieden, beperken,…

              2. Bevoegdheden aan de Raad van het Verbruik met een speciale Commissie
                  in het voordeel van de reclamemaker; deze kan op voorhand zijn
                     reclame toetsen aan de wet door ze voor te leggen aan de Commissie.

              3. Document van verkoop is verplicht.


Verkopen aan een consument buiten de onderneming, bv. demonstratie-avonden.

Vordering tot staking:
      Iedereen die geschaad wordt door handelingen van een bepaald product kan naar de
      Rechtbank van Koophandel stappen zoals in kortgeding.

Kritiek op wet:
       - moet meer aan regulering doen.
       - consumentenrecht wordt niet geglobaliseerd.

WET bestaat uit:
a) Toepassingsgebied: klare definities om verwarring te voorkomen.

b) Voorlichting van de consument door
              Prijsaanduiding
              Kortingen
              Hoeveelheidsaanduidingen
              Benaming en samenstelling van producten en diensten
              Etikettering
              Benaming van oorsprong

c) Reclame: definitie
            wat verboden is

d) Bescherming van de consument
            Lijst van de onrechtmatige bedingen = factuurvoorwaarden
            ( worden nu uitgesloten )
e) Verboden handelpraktijken
            Vb. solden, openbare verkopen

f) Oneerlijke handelspraktijken
              Oneerlijke concurrentie + alles wat de consument kan schaden.
                                                                                             41



g) Vordering tot staken


1. Toepassingsgebied.

Om dit toepassingsgebied af te bakenen, worden er een aantal definities gegeven:

1. Producten:
       = alle lichamelijke roerende goederen of zaken ( ook gassen, vloeistoffen ) die een
         handelsdaad uitmaken ( of een ambachtsactiviteit )
         !!! GEEN onroerende goederen !!!

2. Diensten
      = alle prestaties die een handelsdaad uitmaken of een ambachtelijke daad.

       Alle personen die objectieve ( handelsdaden verricht door niet-handelaars ) daden van
       Koophandel stellen, verrichten ook diensten.
       OPM: bij vrije beroepen: prestaties worden NIET beschouwd als diensten. Zij vallen
       niet onder de wet van de handelspraktijk. Activiteiten van financiële instellingen
       vallen wel onder deze wet.

3. Homogene diensten
   = alle diensten waarvan de eigenschappen, de modaliteiten hetzelfde zijn, ongeacht de
   duur, tijd, plaats van uitvoering, of persoon waarvoor ze bestemd zijn.

   = diensten die altijd hetzelfde zijn en door iedereen uitgevoerd kunnen worden ( men kan
   er een vast tarief opplakken )
   Bv. cafés, wasserijen, slotenmakers,…

4. Etikettering
   = alles wat vermeld staat op het etiket, buiten de prijs.

5. "Op de markt brengen" ( ≠ verkoop )
   = alle fasen vanaf de productie tot het ogenblik van de verkoop.

6. Verkoper: veel ruimer dan "koopman"
   = iedereen die iets verkoopt, bv. student, VZW, NV,…, ongeacht tot wie de verkoop
   gericht is.

       1) Iedereen die iets verkoopt met de bedoeling winst te maken. ( handelaren of
          ambachtsman)

       2) Overheidsinstellingen in rechtspersonen waarin de overheid betrokken is, bv.
          NMBS, Regie der Posterijen, VRT,… die een commerciële of industriële activiteit
          uitvoeren en producten of diensten verkopen.


       3) Personen met of zonder winstoogmerk die een commerciële activiteit uitvoeren in
          eigen naam of voor een derde:
                                                                                         42

               - geen overheidsinstellingen of rechtspersonen
               - wel tussenpersonen die buiten hun werkuren bepaalde producten of diensten
               verkopen (desnoods ten voordele van een vereniging of zonder winstoogmerk).

7. consument
   = iedere natuurlijke of rechtspersoon die diensten verwerft of producten koopt voor NIET
   beroepsmatige doeleinden DUS om zelf te gebruiken.

   OPM:        Men kan tegelijk consument als producent zijn.
               Bv. een cafébaas die zelf ook drinkt.



2. Voorlichting aan de consument.

1. Prijsaanduiding.

REGELS:
     1. Prijsaanduiding moet schriftelijk en ondubbelzinning ( geen twijfel ) zijn.

       2. Prijsaanduiding moet leesbaar zijn.

       3. Prijsaanduiding moet goed zichtbaar zijn.

Opmerkingen:
     1. Enkel in geval van openbare verkoop gelden deze regels niet.

       2. Voor dezelfde producten die te koop worden uitgestald in één rek: de prijs moet
          slechts eenmaal aangeduid worden.

       3. Voor producten die niet te koop uitgestald zijn ( bv. in een magazijn ): de prijs
          moet wel schriftelijk en ondubbelzinnig vermeld staan, maar hij moet niet leesbaar
          en niet goed zichtbaar zijn.


2. Te koop aanbieden van diensten.

Hier spreekt men niet van prijzen maar van tarieven.

 schriftelijk, leesbaar, ondubbelzinnig, goed zichtbaar

Dit geldt enkel voor HOMOGENE diensten, bv. pint in een café.

Over gewone diensten wordt niets vermeld in de wet; voor deze kan bij KB bepaald worden
welke regels gelden ivm prijsaanduiding. Het is beter om eerst een bestek mee te delen aan
de koper zodat hij op voorhand weet wat hij moet betalen, bv. verzekeringen.



Opmerkingen:
                                                                                              43

       1. Iedere prijs moet de totale prijs zijn ( of het totaaltarief ), dwz de BTW moet
          inbegrepen zijn, evenals alle andere taksen, kosten die de consument opgelegd
          worden.
          Bv. bij een reisagentschap: alle leveringskosten, plaatsingskosten en
          verzendingskosten moeten in de prijs inbegrepen worden.

       2. Iedere prijs moet in BEF worden weergegeven ( maar hier mag ook een andere
          Europese munt bijgeplaatst worden.)

       3. Als er prijsaanduidingen zijn in een reclameblaadje, dan geldt deze prijs ook voor
          de producten in de winkel.

       4. Als er op een goed 2 of meerdere prijzen vermeld staan, dan mag men kopen aan
          de laagste prijs.

       5. Er bestaan vrijstellingen voor 2 groepen: ( om de prijs zichtbaar aan te duiden )
              1. juwelen voor een prijs hoger dan 35 000 BEF ( tegen inbraak )
              2. antiek voor een prijs hoger dan 60 000 BEF

       SANCTIES: - burgerrechtelijk ( vordering tot staken = stopzetten activiteit )
                 - strafrechtelijk


3. Aankondiging van prijs- of tariefverminderingen.

Bv. bij verse producten die snel bederven mag men een lagere prijs hanteren, maar niet met
verlies!!!

1. Hoe aanduiden? 4 manieren

1. de oude prijs doorhalen, de nieuwe prijs ernaast vermelden.

2. vermelding " oude prijs " en " nieuwe prijs " naast bedragen vermelden.

3. oude doorgehaalde prijs + kortingspercentage en nieuwe prijs.

4. vermelding eenvormig kortingspercentage ( bv. -10% op alles ). Men moet dan ook
   duidelijk vermelden of de prijsvermindering al werd doorgevoerd.

Men mag prijsverminderingen van -10% tot -30% doorvoeren, maar men mag de koper niet
misleiden ( het ene product -10%, het andere -20% en nog een ander -30%)


Prijsverminderingen in de vorm van gratis diensten of producten is verboden.
Bv. 3 kopen = 2 betalen.
Bv. 100 gr. + 10 gr. voor 100 BEF: hier mag men niet zeggen dat men korting geeft, want
                                      eigenlijk geeft men 10% gratis.
Bv. 100 gr. voor 90 BEF:              hier krijgt men dus 10% korting.
Enkel de eenheidsprijs mag dalen:
        3 flessen voor de prijs van 2
                                                                                             44

                Dit is toegelaten, want hier wordt de prijs verminderd. Dit mag op
                  voorwaarde dat het product ook apart geleverd kan worden.
       2 flessen + 1 gratis
                Dit is niet toegelaten, want men krijgt hier gratis een bepaalde hoeveelheid.

       1 liter gratis: niet toegelaten, behalve wanneer prijsvermindering niet tot
       oorspronkelijke aanbod behoort.


2. Wat is verboden?

Gezamenlijk aanbod: ieder product moet ook afzonderlijk te koop zijn tegen een normale prijs
( in de praktijk : geen eenvormigheid )

Opmerkingen.
1. aangekondigde prijsvermindering moet reëel zijn.

2. Aanvangsdatum moet vermeld worden, indien dit niet gedaan wordt, mag de consument er
   van uitgaan dat de vermindering al is ingegaan.

3. De oude prijs mag vermeld worden, maar hij moet minstens één maand van kracht
   geweest zijn, nl. de laatste maand.

4. De prijs moet aangeduid worden gedurende minstens één maand; de prijsvermindering
   moet minstens een maand duren.
   Als deze maand voorbij is, dan mag de winkel deze prijs niet meer aanduiden als een
   vermindering, want dan wordt deze de normale prijs.

5. In enkele gevallen: minimum 1 dag ( ipv 1 maand ), behalve voor bederfbare producten.


3. SPECIAAL GEVAL: prijsvermindering zolang de voorraad strekt.

Men mag reclame maken voor een voorraad die aan een verminderde prijs weg moet. Als er
geen tijd bepaald werd, dan moet men aan de koper een bon geven, die recht geeft om het
goed tegen die verminderde prijs te kopen, van zodra het goed terug in voorraad is.
Als dit product niet meer gemaakt wordt, dan moet men een gelijkwaardig product aan die
prijs aanbieden. Dit moet dan gebeuren binnen een redelijke termijn, bepaald door de rechter.

Wanneer het onmogelijk is om onder dezelfde voorwaarden eenzelfde goed te leveren, dan
vervalt dit aanbod. Bij een geding, zal de verkoper moeten bewijzen dat hij dit goed niet meer
bij zijn leverancier of andere leveranciers kan kopen.

Als je enkel reclame maakt in uw winkel, dan gelden al deze voorwaarden NIET!!! Dus
wanneer je vermeldt: " tot uitputting voorraad " enkel in je winkel, en niet in een
reclameblaadje, dan telt dit niet.

Een bepaalde referentieprijs moet in één bepaalde winkel een maand vermeld geweest zijn.
                                                                                          45



3. Hoeveelheidsaanduiding.

A. PRODUCTEN:

1. los verkochte producten:         gewogen of gemeten in aanwezigheid van de koper of
                                    door de koper zelf.

2. per stuk verkocht:               kan niet apart verkocht worden zonder de eigenschappen
                                    te verliezen, bv. pakje boter.

3. geconditioneerde producten:      ondergaan een meting,…, tijdens fabricageproces zodat
                                    dit bij de aankoop niet meer nodig is ( al dan niet
                                    gevolgd door een verpakking ).

4. voorverpakte goederen:           geconditioneerde goederen die geheel of gedeeltelijk
                                    verpakt zijn en waarvan de inhoud niet gewijzigd kan
                                    worden zonder dat de verpakking geopend of beschadigd
                                    wordt. In variabele hoeveelheden: bv. voorverpakt vlees.

5. meeteenheid:                     kilo, cm, m, l,…, liggen vast in wetten. De meeteenheid
                                    moet worden aangeduid.

6. nominale hoeveelheid:            de hoeveelheid zelf, maar niet de verpakking
                                    bv. 1 kg = biefstuk + plastiek verpakking

Voor geconditioneerde producten: nominale hoeveelheid op het product zelf. De hoeveelheid
van wat verkocht wordt, moet duidelijk vermeld worden .
bv. 3 l, 250 gr.,…
Bij detailverkoop moet op iedere verpakking de nominale hoeveelheid staan.

Niet rechtstreeks van producent naar consument: op product, op verpakking of op de factuur
( bv. bij groothandelaars ).

In vrachteenheden: bv. een boer verkoopt 1 000 kilo aardappelen aan een handelaar: een
aanduiding op de factuur volstaat, maar er moet wel een weeg- of meetdocument zijn.

Wie moet voor aanduiding nominale hoeveelheid zorgen?
       het vulbedrijf ( bv. Rombouts ) of de conditioneerder ( bv. supermarkt )
         Dus niet de koffieleverancier!!
         Verkoper moet controleren.

Opmerkingen:
1. Het meetinstrument dat gebruikt wordt in het bijzijn van de consument moet goed door
   hem gelezen kunnen worden.
   Bv. een weegschaal moet aan 2 kanten gelezen kunnen worden.

2. Cultuurgoederen ( bv. boeken, CD's, videospelletjes,..) NIET BELANGRIJK

3. Men moet de taal gebruiken waarin het verkocht wordt. ( taal van de verkoper/markt )
                                                                                         46

    BXL= Ndl. + Fr.

B. DIENSTEN.
Voor diensten moet er een prijslijst hangen.
Bv. in café, kapsalon, car-wash,…



4. Benaming en samenstelling van producten en diensten.

De Koning kan voorwaarden van menging, samenstelling, presentatien, kwaliteit, veiligheid
vastleggen. Hij kan ook verbieden dat producten onder een bepaalde benaming op de markt
worden gebracht. Hij kan het gebruik van een bepaalde benaming opleggen. …

Op overtreding van deze besluiten staan strafsancties.


5. Etikettering.

De vermeldingen moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en duidelijk onderscheiden van
reclame, bv. "krimpt niet in de was" doet het dit wel, dan kan men de onderneming aanklagen.

De etikettering mag ook geen verwarring mogelijk maken met een kwaliteitscertificaat. De
vermelding moet in de taal of talen van het gebied waar het product op de markt wordt
gebracht.
Brussel = Nederlands + Frans

6. Benaming van oorsprong.

Benamingen van oorsprong duiden aan dat een product van een bepaalde geografische streek
afkomstig is en wijzen er ook op dat het product bepaalde specifieke kenmerken heeft ivm de
streek waar het gemaakt wordt.

Namen van producten die van een bepaalde streek afkomstig zijn, zijn beschermd!! ( Zo is er
geen misbruik meer mogelijk )
Bv. Ardeense ham: als dit er op staat, moet het ook zo zijn!
Sommige namen zijn niet beschermd; desondanks mag er toch geen misbruik van gemaakt
worden.



3. Reclame.

1. Definitie.

= elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks als doel heeft de verkoop van
  producten of diensten te bevorderen met inbegrip van onroerende goederen, rechten en
  verplichtingen, ongeacht de plaats of aangewende communicatiemiddelen.

Mededeling: niet informatieve reclame
                                                                                             47



        + informatieve reclame:      verschaft informatie over een product of dienst.

        + subliminale reclame:       reclame waarvan de koper niet weet dat het reclame is
                                     bv. cola drinken in een film.

        + suggestieve reclame:       de consument beseft dat het reclame is; meer dan louter
                                     informatie. Er wordt iets gesuggereerd.

De auteur van de reclame speelt geen rol, iedereen valt onder deze reglementering. Reclame
moet ook nog verspreid worden, maar vanaf het ontstaan valt het reeds onder het begrip
" reclame " en valt het dus ook onder de wet.

Vrije beroepen mogen ook reclame maken.


2.   Verboden vormen van reclame.

De verboden worden gegroepeerd in 5 (4 + 1) categorieën:

1. Misleidende reclame: ( mbt goederen en diensten )

     Elke misleiding die het gevolg is van beweringen, gegevens of voorstellingen over de
     identiteit, aard, samenstelling en beschikbaarheid van producten en diensten, is verboden.

     De misleiding wordt niet enkel vastgesteld dmv feitelijke gegevens, de mogelijkheid tot
     misleiding is al voldoende.
     = obj. + subj.(in de geest van de consument)

     Hyperaerbolische publiciteit: overdrijvingen in reclame zijn toegelaten indien er geen
     gevaar is voor misleiding ( als het duidelijk om een overdrijving gaat ). Ook leugens zijn
     toegelaten indien niemand er door misleid wordt.

     Voorbeelden:
     a) Misleiding mbt oorsprong van producten:
               Het verhandelen van een mengsel Scotch Whisky met alcohol van niet-Schotse
               oorsprong in flessen met Schotse afbeeldingen.

     b) Misleiding mbt identiteit van een product:
               Verkopen van Britse Ariel, en daaraan de eigenschappen geven die het product,
               verkocht onder dezelfde Beneluxnaam, bezit.

     c) Misleiding mbt voorwaarden waaronder een product verkregen wordt
               x kopen, 1 x betalen, terwijl men eigenlijk maar 30% korting krijgt.

     d) Reclame doen voor voedingsmiddelen waarop stond " cholesterol-arm"
        klacht afgewezen gebaseerd op:
                - onjuistheid van boodschap kon niet aangetoond worden.
                - er werd niet beweerd dat er geen effect is
                - ……………
                                                                                          48



     e) Andere producten in reclame dan in de winkel staan.


Verboden:
- Subliminale reclame ( reclame die niet als reclame wordt voortgebracht ).
   !! Presentatie: vb. redactionele reclame

-    TV-reclame:       Specifieke regels: elke film of serie komt tot stand door sponsors.
                       Sommige sponsors betalen in het zwart en komen dus niet voor in de
                       generiek; eigenlijk is dit verboden. Bv. een auto die veel voorkomt in
                       de film.

-    Reclame op etiketten die verwarring brengt met de kwaliteit.

 Al wat niet overeen komt met de realiteit, is verboden!!!!

Men kan ook misleidende reclame hebben ivm kwaliteit / identiteit van de verkoper.
Bv. verkoper zegt dat hij gediplomeerd is op Harvard.

Men mag ook geen essentiële zaken uit de reclame weglaten.
Bv. kledingstukken die 3 keer verkleinen na de eerste wasbeurt.
Men mag geen fictieve testen vermelden.

Alle beweringen ivm het milieu die misleidend zijn, zijn verboden.
Bv. gevolgen voor het milieu: "biologisch afbreekbaar", "schaadt het milieu niet".

Resultaten van het gebruik mogen niet misleidend zijn.
Bv. shampoo voor snellere haargroei.


Vonnissen uit de praktijk:
1. Hogere prijs in de winkel dan in de reclamefolder.
2. Reclame boter: "cholesterol-arm"
   Rechtbank Brugge: is misleidend, want boter heeft altijd cholesterol, soms in mindere
   mate. Maar het kan een verkeerd beeld geven aan de consument.
   Hof van Beroep Gent: 1. Onjuistheid van de verlaging kan niet aangetoond worden,
                                dus cholesterol-arm is juist.
                             2. Effect werd niet aangetoond.
                             3. Men kan niet aantonen dat men met vermindering te maken
                                heeft.
                             4. Product werd aangeduid als boter: dat doet de gedachte
                                oproepen aan cholesterol.
                             5. Aandacht op verlaging cholesterol is juist.


2.    Vergelijkende en afbrekende reclame.

3 vormen van vergelijkende reclame zijn verboden:
      1. Bedrieglijke vergelijkende reclame
                                                                                           49

           Bv. France Secours International Benelux vergeleek haar verzekering met die van
           Touring Club Royal Belge.

       2. Afbrekende vergelijkende reclame; mag zelfs niet indien de verstrekte gegevens
          juist zijn!!
          Bv.- Reclame van de NMBS waar het wegvervoer ongunstig werd voorgesteld.
              - Reclame vruchtennectar  limonade: limonade kan dorst niet lessen en bevat
                niet zoveel fruit.

              Aankondiging bouwstof die hard hout kan vervangen
               mag, is niet verboden
               zou verboden zijn indien er slechtmaking bij was.

              Probleem anti-reclame: is moeilijk aan te tonen dat het een reactie is tegen een
              concurrent.

              Fluistercampagnes: worden door de mensen die er belang bij hebben opgezet.
              "Ik heb gehoord dat…"
              Bv. Duvel zou Vlaams Blok sponsoren.

       3. Vergelijkende reclame die het zonder noodzaak mogelijk maakt één of meer
          andere verkopers te identificeren. !! Is nu genuanceerder.
          Bv. zeggen dat bepaalde verkopers banden hebben met dictators in het buitenland,
          of zeggen dat iemand nazistische theorieën genegen is. De concurrent zal zulke
          roddels verspreiden om er zelf beter van te worden.

De handelaar met wie men de vergelijking maakt, mag niet geschaad worden + informatie
moet juist zijn.

Vergelijkende reclame moet impliciete vergelijkingen bevatten.
Bv. Advertentie van Pepsi maakte gebruik van smaakproeven. De consument wist meteen dat
het ging om een vergelijking met Coca Cola.
Pepsi had 5% van de markt, Coca Cola 95%. Pepsi: "We verkopen minder, maar toch zijn we
beter" = laatdunkend. Wat wel zou mogen, is dat Pepsi de marktaandelen toont.
         Verboden: men mag niet verwijzen naar testen ( vb. Test Aankoop )


3.   Verwarringstichtende reclame.

Verboden: elke reclame die gegevens bevat waardoor er verwarring kan ontstaan met een
andere verkoper, zijn diensten, producten of activiteiten. Mogelijkheid tot verwarring
volstaat.

Verwarring kan ontstaan tussen: namen en benamingen, verpakkingen, slogans,…( vooral op
vlak van handelsnamen)
Bv. - Prince-koek: iemand anders kan hetzelfde koekje maken met ook een prins op de
       verpakking.
    - Garage die "Benz" op gevel plaatst = verwijzing naar Mercedes en kan dus verwarring
       veroorzaken.
                                                                                          50




4. Publiciteit die een verboden handelspraktijk in de hand werkt.

Bv.    sneeuwbalverkoop, kettingverkoop, verkopen met verlies, gezamenlijk aanbod,
       lokvogelpolitiek (vb. reclame voor producten die men niet heeft)…
       Praktijk = verboden  reclame ervoor is ook verboden.


5. Specifieke verboden.

a) Reclame ivm aanbod van producten of diensten, als de verkoper niet meer over voldoende
   voorraad beschikt, of niet werkelijk de diensten kan verlenen.
   = verbod van lokvogelreclame + " zolang de voorraad strekt "

b) Reclame in de vorm van een sweepstake: reclame die bij een consument de hoop of
   zekerheid wekt een product of dienst of een ander voordeel te kunnen winnen.
   Bv. 3 Suisses: mag enkel onder bepaalde voorwaarden.

c) Reclame die verwijst naar vergelijkende testen, uitgevoerd door consumentenorganisaties.

d) Reclame mbt producten of apparaten die geen geneesmiddelen zijn en waarvan ten
   onrechte beweerd wordt dat ze de toestand van de consument zouden verbeteren.
   Bv. armbanden met heilzame werking

e) Reclame voor onwettige daden.
   Bv. voor diefstal


Aansprakelijkheid voor verboden reclame. (= getrapt)

We moeten enkel aanklagen en niet bewijzen, dat is voor de andere partij. In de praktijk ligt
de bewijslast bij de consument.

Als geschade persoon van reclame kunnen wij iedereen dagvaarden die iets met reclame te
maken heeft, zelfs de persoon die de reclame ronddraagt. Die heeft wel de mogelijkheid om
vrijwaring in te roepen.

 In de eerste plaats moet de vordering tot staking ingeroepen worden tegen de adverteerder
van de gewraakte reclame. De adverteerder is diegene aan wie de reclame ten goede komt, de
initiatiefnemer. Hij staat dus op de hoogste trap van aansprakelijkheid.

Op de tweede plaats komt de uitgever van de geschreven reclame of de producent bij
audiovisuele reclame. Uitgever is vaak de fabrikant of iemand anders die zich op het product
als uitgever aanduidt.

Op de derde plaats komt de drukker zelf of een reclamebureau.

Op de laatste plaats staat de verdeler, diegene die de kranten ronddraagt.
                                                                                          51

De Koning kan op alle mogelijke producten en diensten boodschappen laten afdrukken.
Bv. " Tabak schaadt de gezondheid ".
De Koning kan ook bijkomende KB's opstellen ivm reclame.

Er moet steeds in BELGIE een aansprakelijke gevonden worden. Indien buitenlander: toch
Belgisch adres of Belgische naam opgeven.
Bv.    VT4: Engelse licentie, toch te ontvangen in België
        toch aansprakelijk

4. Onrechtmatige bedingen.

Verkopen, diensten aan de consument:
In het verleden werd de consument bijna vogelvrij verklaard; dwz hij kocht iets. Bij de
levering kreeg hij dan een factuur met voorwaarden en bedingen die nadelig waren en
waartegen hij niets kon beginnen.
Dit alles probeerde men aan banden te leggen in de rechtspraak. België was één van de
laatste landen met deze wetgeving. De wet dateert van 1990.

Voorliching aan de consument:
Op het ogenblik dat de consument iets gaat kopen, moet hij volledig ingelicht worden ( anders
kan hij gaan reclameren ). De consument heeft dan ook het recht om aan de verkoper alle
uitleg te vragen over algemene verkoopsvoorwaarden ed., alhoewel de verkoper dit eigenlijk
zelf al zou moeten doen.

De nieuwe wet gaat enkel over:
1. De contractuele relatie tussen verkoper en consument. De verkoper kan dus 2
   voorwaarden stellen: 1 voor de consument en 1 voor de handelaar-koper.

2. Alle mogelijke overeenkomsten waarbij de consument betrokken is ( ook diensten ).


3. De rechter krijgt een algemene bevoegdheid over het al dan niet nietig verklaren. Hij zal
   zien of er een onevenwicht bestaat tussen koper en verkoper. Wat niet in de 21 bedingen
   staat, daar mag de rechter zelf over oordelen.


Artikel 31
Onrechtmatig beding:
= clausule die onevenwicht schept tussen koper en verkoper.
Bv.    In het contract staat dat de consument bij eventueel defect niet het recht heeft om te
       reclameren.
Beide partijen hebben het recht vrij iets af te spreken, zolang de consument er maar geen
schade van ondervindt.

Onrechtmatige bedingen zijn nietig verklaarbaar. De consument moet naar de rechter gaan
zodat deze de nietigverklaring kan uitspreken. Hij zal dan schadevergoeding toekennen aan
de consument.


Algemene bedingen ( gereglementeerd door de wet ):
                                                                                              52

De wetgever heeft meer dan 21 bedingen verboden, die samen te vatten zijn in 5 categorieën.

1. Totstandkoming en éénzijdige wijziging van de overeenkomst.

Bedingen zijn verboden als in de algemenen voorwaarde staat dat wat er ook gebeurt, de
consument altijd gebonden is tot betaling, maar de verkoper heeft het recht om anders te
beslissen.

       De totstandkoming van de overeenkomst wordt afhankelijk gesteld van de wil
       van de leverancier of fabrikant.

-   Een prijs die afgesproken is, doen schommelen op basis van elementen die afhankelijk
    zijn van de wil.
    De consument was gebonden, maar bij levering bleek de prijs hoger te zijn.
     verboden
    De prijswijziging is enkel toegelaten bij uitzonderlijke omstandigheden die de rechter
    vaststelt.

-   Als consument wil men een bepaald product kopen. Dan moet men ook dat product
    krijgen en niet een product dat lichtjes gewijzigd is en eventueel iets duurder is. Dit geldt
    enkel voor wezenlijke kenmerken ( wijzigingen ). De rechter beslist wat wezenlijk is en
    wat niet.
    Bv. plaats van de antenne van een auto: niet wezenlijk

-   Afspraken ivm termijn
    bv. in het contract: " voorziene leveringstermijn van 3 maand, behalve als de verkoper niet
    kan leveren" verboden.
    De consument heeft het recht te weten wat die termijn is. Als hij niet akkoord gaat, mag
    hij zelfs het contract ontbinden.

-   Art. 1184: contracten moeten ter goeder trouw uitgevoerd worden. Als er één partij tekort
    schiet, dan kan de andere partij:
       - toch uitvoeren OF
       - ontbinding van het contract vragen, met schadevergoeding.
     Het is verboden in het contract te zetten dat art. 1184 niet van toepassing is.


2. Alle bedingen die de verweermiddelen van de consument beperken.

De consument moet in principe evenveel rechten hebben als de verkoper. Bedingen die de
consument verbieden het contract te verbreken bij niet-levering zijn verboden.

-   Bedingen die de consument geen recht geven tot herstelling bij verborgen gebreken
    ( garantie ) zijn verboden; wel een beperkte termijn van toepassing.

-   Bedingen die de consumenten verplichten om zijn verplichtingen na te komen en de
    verkoper niet, zijn verboden.

Compensatie van beide schulden moet altijd kunnen en mag niet verboden worden door bep.
clausules.
                                                                                          53



3. Beperkingen van de plichten van de verkoper.

EXONERATIE- probleem
Bv. in de haven op de kaai staat dat wie dat gebied betreedt, het doet op eigen risico.

Bij de verkoop is de verkoper aansprakelijk voor wat hij verkoopt. Op de factuur mag er niet
staan dat de verkoper niet aansprakelijk is, want dat is verboden. Grove nalatigheden van de
verkoper zelf of zijn werknemers kan hij zich niet ontlasten.

Verborgen gebreken.
= gebreken die niet zichtbaar waren op het ogenblik van de verkoop.

In zulk geval moet de verkoper aangesproken worden en deze moet een nieuw product geven
of het oude herstellen.
Vroeger was de verkoper niet aansprakelijk. Er waren exoneratieproblemen: men had het
product nagezien en het contract getekend, dus was men ook gebonden.
Ook hier moet men rekening houden met bepaalde termijnen, waarover de rechter oordeelt.
De verkoper is aansprakelijk!!!!


4. Beëindiging van de overeenkomst.

In geval van niet-uitvoering of late uitvoering mag er geen beding worden ingelast dat de
consument verplicht om schadevergoeding te betalen.

Vroeger:
Als de consument niet betaalde binnen een bepaalde termijn, dan moest hij …%
schadevergoeding betalen. Dit is niet verboden, MAAR het percentage moet gelijk zijn aan
de geleden schade.
Bv. 20% schadevergoeding betalen, dan moet men ook bewijzen dat men voor 20% schade
geleden heeft.

Een forfaitaire verhoging bij niet-betaling mag wel, MAAR het mogen geen onevenredige
bedragen zijn. In het algemeen passen de rechtbanken in Antwerpen 10% toe. In andere
provincies is dit nog meer, daarom vermelden handelaars vaak op de factuur dat de zaak zal
voorkomen in een andere provincie.

Nu is dit niet meer het geval:
Wanneer de verkoper niet zou leveren, dan heeft de koper ook recht op 10%. Als dit niet
vermeld staat in de algmene voorwaarden, dan zijn deze nietig.

De consument mag ook niet meer gebonden worden voor een bepaalde termijn die hij niet
kent. Dus onbepaalde verlenging of onredelijke termijnen zijn niet toegelaten.


5. Betwisting ( geschillenbeslechting ):

De rechten van de consument mogen niet beperkt worden.
Bv.    - in contract: consument mag bepaalde bewijsmiddelen niet gebruiken.
                                                                                              54

       - bedingen die zeggen dat de consument geen enkel recht heeft in geval van
         betwisting.




Welke rechtbank is bevoegd?

De rechtbank van de plaats waar de koper woont, maar dit kan ook anders zijn. Voor een
bedrag minder dan 75 000 BEF kan ook de vrederechter van de woonplaats van de koper
optreden, of, als het in het contract staat, de vrederechter van de verkoper of van de plaats van
levering of van de plaats waar de overeenkomst is ontstaan.
Het contract kan ook bepalen dat het een andere rechtbank of rechter ( van een andere
provincie ) moet zijn, bv. omdat die andere rechtbank hogere intresten toelaat.



De Koning kan via KB deze bedingen nog aanvullen. Er wordt dan een minister aangewezen
die beslist of er een aanvullend beding moet komen. Hij zal hiervoor de Commissie van
Onrechtmatige bedingen en de Hoge Raad voor de Middenstand raadplegen.
De Commissie onderzoekt alle clausules waarover eventueel een klacht werd neergelegd of
waar bij het opstellen ontdekt werd dat het niet kan.

De Commissie geeft raad; ze zegt of bepaalde clausules in strijd zijn met de Wet op
handelspraktijken en schrapt ze dan. Ze kan ook bepaalde clausules toevoegen omdat ze nog
ontbreken of bepaalde clausules laten aanpassen.

Verkopers, kopers, bedrijfsorganisaties kunnen zich richten tot de Commissie, maar deze
geeft enkel advies.
Als de Commissie zegt dat iets nietig is en geschrapt moet worden, en de onderneming
behoudt deze clausule, dan moet de consument naar de rechter stappen. Die zal dan beslissen
en maatregelen nemen.

Voor diensten eist men dat er altijd een document wordt geleverd aan de consument ( door de
verkoper ).

EXAMEN
5. Verboden handelspraktijken.

1. Verkoop met verlies.

Alg. principe: Verkoop met verlies is verboden. Het verbod slaat op verkoop met verlies in
               de eigenlijke zin, maar ook op verkoop met uitzonderlijk beperkte winstmarge.

Het verbod ontstond om de lokvogelpraktijken te voorkomen: klanten worden gelokt door
middel van het toestaan van hoge kortingen op producten voor alledaags gebruik.
Het verlies dat hierbij geleden wordt, wordt dan gecompenseerd door de gelijktijdige verkoop
van andere producten die worden aangekocht.
       Dit verbod geldt enkel voor producten, niet voor diensten.
                                                                                            55

Wanneer is er verlies?
      van het moment dat men levert ( verkoopt ) onder de bevoorradingsprijs.

Op dit verbod bestaan 6 uitzonderingen.
       1. Voor producten verkocht bij uitverkoop.
       2. Solden of opruiming.
       3. Voor het afzetten van producten waarvan de waarde snel kan verminderen en de
           bewaring niet meer kan worden verzekerd.
       4. Voor producten die speciaal aangeboden worden om een momentele behoefte van
           de consument te bevredigen.
       5. Voor producten waarvan de handelswaarde gevoelig gedaald is door beschadiging,
           inkrimping der gebruiksmogelijkheden of grondige technische wijziging.
       6. Wanneer de verlieslatende prijs afgestemd werd op die van de concurrentie.


2. Uitverkopen.

Men mag enkel een uitverkoop organiseren indien bepaalde materiële en administratieve
voorwaarden vervuld worden.
Men moet door een NOODZAAK verplicht worden om een uitverkoop te doen. (  solden:
geen noodzaak).


8 gevallen waarin uitverkoop mag ( worden in de wet vermeld )

1. Uitverkoop ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing.
   Bv. verkoop door de curator ter vereffening van een faillissement.

2. Uitverkoop van de gehele of gedeeltelijke voorraad bij een erfenis door de erfgenamen.

3. Uitverkoop door de overnemer van een handelszaak ( geen faillissement ).

4. Uitverkoop in geval van stopzetting van de handelszaak. Volledige stopzetting, dus
   schrapping uit het handelsregister of men bewijst dat men met een totaal andere
   handelsactiviteit bezig is.
   Men mag niet een gelijke activiteit verderzetten op een ander adres en onder een andere
   naam. ( de eerste 3 jaar na de stopzetting mag je niet opnieuw beginnen )

5. Uitverkoop wegens verbouwingen of herstellingen.
   Voorwaarden:    - verbouwing moet meer dan 40 werkdagen duren.
                   - werken moeten uitgevoerd worden in de lokalen waar normaal de
                     verkoop plaatsvond.
                   - de werken moeten de verkoop onmogelijk maken.
                   - mag niet indien dezelfde eigenaar binnen de 3 jaar ook uitverkoop
                     hield voor dezelfde reden.

6. Uitverkoop in afwachting van een verhuis mag, MAAR er moet minstens een jaar tussen 2
   verhuizingen in zijn.
                                                                                         56

7. Uitverkoop indien ( een deel van ) de voorraad beschadigd werd door een ramp:
   bv.overstroming, brand,…overmacht.

8. Uitverkoop indien de verkoopsactiviteit gehinderd wordt door overmacht. Dwz dat je de
   klanten niet normaal kan bedienen.
   Bv. bij metrowerken in de stad konden de winkels slechts 20% verkopen.
       PS: overmacht ≠ solden
Voorwaarden bij uitverkoop ( 6 ):
1. Uitverkoop moet aan het Ministerie van Economische Zaken (NIET Min. van
   Middenstand) per aangetekende brief meegedeeld worden ( met vermelding van datum,
   reden (1 van de 8 gevallen) , opsomming producten,…). Bij deze aanvraag moet men
   bewijsstukken leveren, bv. bij erfenis: overlijdensakte, bij overname: akte van overname,
   op pensioen: pensioenaanvraag,…
   Na dit aangetekend schrijven moet men minstens 10 werkdagen wachten om met de
   uitverkoop te beginnen ( behalve wanneer de uitverkoop gebeurt wegens schade door
   ramp of overmacht ). Vb. etenswaren = bederfbaar

   Dit is opdat de minister zich zou kunnen verzetten tegen de uitverkoop.
   Indien de minister niet antwoordt en de handelaar kan zijn aangetekend schrijven
   bewijzen, dan is de handelaar toch in zijn recht.

2. Verkoop moet worden aangekondigd als "uitverkoop", "liquidation", of een gelijkaardige
   benaming.

3. Plaats van uitverkoop: in lokalen waar verkoop voor dezelfde producten gebeurde.

4. Uitverkoop mag niet langer duren dan 3 maanden; men kan een verlenging aanvragen:
   2 keer voor 2 maanden.

5. Welke producten? Enkel diegene die werden opgesomd in het aangetekend schrijven
   verzonden aan de minister. + die toen ook in voorraad waren of besteld waren.

6. Elk product dat verkocht wordt moet een reële prijsvermindering ondergaan.
   Geen bedrog, bv. -25% maar het zijn nog steeds dezelfde prijzen.

3. Opruiming of solden. ≠ uitverkoop

Wat? Verkopen van producten met het oog op de seizoensvernieuwing van het assortiment.
     Verkopen met verlies mag.

Hoe? Door versnelde afzet en tegen verminderde prijs. Aangekondigd met " solden ",
     "opruiming ", " Schlussverkauf ", of iets gelijkwaardig.

Seizoensgebonden producten:
Bv. kleding, behangpapier, … alles wat aan mode gebonden is.
PROBLEEM: welke goederen zijn nu seizoensgebonden en welke niet?
                ruim genomen: alle kleding is seizoensgebonden.
                 Vb. joggingpakken, shoes: seizoengebonden.

Voorwaarden voor het houden van solden ( 8 ).
                                                                                         57

1. Verkoop aan de consumenten.
2. Verkoop moet gebeuren in de lokalen waar de producten ook daarvoor verkocht werden.
3. Alleen producten die de verkoper in het begin van de soldenperiode in zijn bezit had,
   mogen uitverkocht worden.
4. Enkel de producten die de handelaar gewoonlijk verkoopt buiten de soldenperiode.
5. Prijzen tijdens de soldenperiode moeten werkelijk lager liggen dan die buiten deze
   periode. ( voor dezelfde producten ), dwz reële prijsvermindering.
6. Verkoop moet worden aangekondigd.
7. Opruimingen mogen slechts gebeuren in bepaalde periodes ( vastgelegd in de wet ). Deze
   periodes kunnen aangepast worden, want er is nog geen gelijkenis tussen de Europese
   landen.
       - 1e periode: eerste zaterdag januari
       - 2e periode: eerste zaterdag juli
                tot einde van de maand.

8. Van 15 november tot 31 december en van 15 mei tot 1 juli mogen nog geen
   aankondigingen van prijsverminderingen gebeuren = SPERPERIODE.
   Er mogen wel prijsverminderingen worden toegestaan, niet aangekondigd ( indien de
   producten na afloop ook nog in solden worden aangeboden, zal er een reële
   prijsvermindering moeten worden toegestaan ). De koper mag niet de indruk krijgen dat
   de solden al begonnen zijn.
   Er mag dan ook geen reclame gevoerd worden, maar er mogen wel waardenbonnen
   uitgedeeld worden tijdens de sperperiode ( niet ervoor ).

PROBLEEM: de meeste handelaars beginnen reeds vroeger aan de soldenperiode. De
          concurrenten kunnen wel een vordering tot staken indienen, maar dan is de
          soldenperiode meestal al begonnen.
          Nu staan er wel sancties op: - zware geldboetes
                                       - burgerlijke zaak


4. Gezamenlijk aanbod van producten en diensten.

Voorbeelden
- Men is verplicht een boek te kopen, om er gratis een bril bij te krijgen: VERBODEN.
- Men koopt een bril en krijgt een 2e reservebril gratis: VERBODEN.
- Men moet 2 jaar lang boeken kopen om lid te kunnen worden: VERBODEN.
- Om een lening voor een auto te verkrijgen, is men verplicht een verzekering af te sluiten:
   VERBODEN.
- Lening voor een huis bij een maatschappij asa verzekering: VERBODEN
   UITZ.: vraag tot levensverzekering (= soort garantie) = geheel.

Men mag wel gratis iets geven, maar het mag niet afhangen van de koop van een ander
product ( dit geldt zowel voor producten als voor diensten ).


Uitzonderingen:
A. Aanbieden tegen een gezamenlijke prijs.( 2 )
1. Producten of diensten die één geheel vormen:
   Bv. - Het lenen bij een verzekeringsmaatschappij voor een huis: hypotheek nemen, maar
                                                                                              58

        als men ook een familiepolis moet nemen: geen geheel meer.
      - Kristallen whiskyfles + whisky zelf
   De rechtbank beslist of iets een geheel is of niet.

2. Gelijke producten of diensten.
   Grotere hoeveelheden van gelijke producten mogen tegen een lagere prijs worden
   aangeboden.


B. Aanbiedingen waarbij een bijproduct of dienst wordt aangeboden. ( 11 )
1. Toebehoren die het gebruik van het hoofdproduct uitbreiden of vergemakkelijken.
   Bv. hulpstukken bij boormachine

2. Verpakkingen die als zodanig voor de erin vervatte producten geschikt zijn.
   Bv. mosterd in een glas ( geschenkwaarde ) : glas kan nog gebruikt worden.

3. Kleine diensten en onbeduidende voorwerpen door het handelsgebruik aanvaard +
   levering, nazicht, plaatsing en onderhoud van de verkochte producten.
   Bv. cadeautjes benzinestation (sleutelhanger,…). Reactie: "mensen voelen zich verplicht
   om meer te kopen om de sleutelhanger te krijgen. = gezamenlijk product"
    uitspraken in beide richtingen.

4. Proefmonsters in de hoeveelheid die nodig is om kwaliteit te bepalen.

5. Chromo's, vignetten en andere prenten met kleine handelswaarde.

6. Titels tot deelneming aan regelmatig toegestane loterijen ( doel: verkoopsbevordering ).

7. Voorwerpen met reclameopschriften.

8. Titels die recht geven op een identiek product of dienst.

9. Titels die recht geven op chromo's, vignetten of op loterijbiljetten.

10. Ristornozegels.

11. Klantenkaarten: titels die recht geven op het gratis aanbod of aanbod aan verminderde
    prijs van een identiek of gelijkaardig product of dienst.


5. Waardebonnen.

Wat? Documenten die door een handelaar ( producent of invoerder ) worden verspreid en
     die de houder de mogelijkheid geven een korting in geld te ontvangen.
      te verkrijgen in winkels of via de reclame

Verplichte meldingen.( 5 )
1. Geldwaarde ( in grote letters in niet in procenten )
2. Voor welke producten of diensten de bon geldig is.
                                                                                           59

3. Verkooppunten waar men de bon kan gebruiken. (1 vestiging of allemaal; als er niets over
   staat: overal)
4. Geldigheidsduur.
5. Identiteit van de uitgever: wie kan aangesproken worden?
   Bv. uitgever = Royco, verkopers = Delhaize



6. Openbare verkopen.

Regelen ivm prijsaanduidingen en verkopen met verlies zijn hier niet van toepassing.

Wat? De verkoop door een notaris of gerechtsdeurwaarder van vervaardigde producten
     volgens het procédé van opbod of afslag.
     Bv. op een veiling

Openbare verkopen zijn enkel toegelaten als ze betrekking hebben op GEBRUIKTE ( = 2 e
hands) producten.( verboden als het om nieuwe goederen gaat)
Bv. stonewash jeans is geen gebruikt goed, want ze is bewerkt om ze gebruikt te doen lijken,
    Nepantiek

" Als gebruikt wordt beschouwd enkel goederen die tekenen van gebruik vertonen, behalve
 wanneer ze een kunstmatige behandeling hebben gehad. "

Uitzonderingen ( 5 )
1. Verkopen en tekoopaanbiedingen zonder handelskarakter.
   Bv. Vlaamse kermis

2. Beurzen bv. computers: er wordt slechts aan bepaalde mensen verkocht.

3. Kunst: slechts in speciale en gehuurde zalen.

4. Verkopen in uitvoering van een wettelijke bepaling of gerechtelijke beslissing.

5. Verkopen ingeval van gerechtelijk akkoord met boedelafstand.



7. Afgedwongen verkoop ( van producten en diensten ).

Het is verboden om iemand, zonder dat deze erom gevraagd heeft, een product toe te zenden,
het te laten gebruiken en daarna te betalen of gratis terug te zender.

Je mag het product houden, zonder ervoor te betalen, want ze kunnen je toch niets doen!!


8. Verkopen op afstand.

Wat? Verkopen die buiten de fysieke en gelijktijdige aanwezigheid van de verkoper en
     consument tot stand komen + communicatietechniek op afstand.
                                                                                                 60

       Bv.     postorderbedrijven zoals 3 Suisses
               Telemarketing

Het is nu toegelaten, maar wel streng gereglementeerd.

Op een document moet vermeld staan:
      - identiteit van de verkoper.
      - alles wat de producten aangaat: prijs, hoeveelheid, identificatie, wijze van betaling,
         leveringstermijn, geldigheidstermijn, bedenktermijn,…


Op de catalogus moet duidelijk vermeld staan dat de consument een bedenktermijn krijgt.

Bij de levering van het product moet men een document krijgen waarop staat:
        - hoe men van de koop kan afzien ( voorwaarden )
        - duidelijk verzakingsbeding, dwz dat men X dagen bedenktijd heeft en dat men het
          product steeds kan terugsturen als het niet naar wens is.
         wordt dit niet vermeld, dan moet de consument het goed niet betalen, noch terug
           zenden.

Men wordt niet gehouden vanaf de ondertekening, maar vanaf 7 (werk)dagen na de dag van
de levering.

De kosten van terugzending mogen ten laste gelegd worden van de consument, als hij besteld
heeft, MAAR niet als een ander goed geleverd werd dan besteld, of als men te laat geleverd
heeft. (na 1 maand vervalt de verkoop).

Bewijslast van wel of niet-overeenstemming en van levering berust op de verkoper.

Indien het product onmogelijk kan geleverd worden, dan is de koop onmiddellijk ontbonden.
De verkoper mag niet zomaar iets anders in de plaats leveren. De verkoper moet dit melden.

Indien de consument afziet van de koop, dan mogen hem geen kosten aangerekend worden,
BEHALVE wanneer blijkt dat hij het product heeft verbruikt of beschadigd.



9. Onwettige handelspraktijken. (strafbaar)

Kettingverkoop is verboden:

Methode:       Men bouwt een netwerk op van al dan niet professionele verkopers, waarbij
               iedereen voordeel heeft, meer door de uitbreiding van het net dan door de
               verkoop.
                men heeft dus winst omdat men verkopers vindt en het net zich uitbreidt.

Sneeuwbaleffect van verkopen is ook verboden:

Wat? Een soort van klantenwerving, waarbij aan de consument een product wordt
     aangeboden als hij of zij nog leden werft of aandelen koopt…
                                                                                           61




10. Verkopen buiten de onderneming van de verkoper.

1. Verkopen ten huize van de consument.
2. Verkopen tijdens een door of voor de verkoper georganiseerde excursie.
3. Verkopen op salons, beurzen, tentoonstellingen.
    Voor bedragen meer dan 8 600 BEF en bij niet-contante betaling.
4. Verkoopavonden bij andere consumenten.
5. Verkopen op de arbeidsplaats van de consument.

Voor al deze verkopen moet een geschreven document ( contract ) bestaan. Hier moeten
bepaalde elementen op staan: datum, naam, producte, leveringstermijn,… MAAR vooral het
beding met 7 dagen bedenkingstijd: op de voorzijde en in duidelijke letters.

Binnen de 7 werkdagen moet er een aangetekende brief verstuurd worden aan de firma die het
product verkoopt en niet de verkoper die bv. de verkoopavond inrichtte. Dus het contract
komt pas tot stand NA de 7e dag. ( geen uitzonderingen ). De koper moet ook slechts betalen
na die 7 dagen.
Indien de consument afziet van de koop, kunnen hem wel kosten aangerekend worden, maar
geen schadevergoeding.
De verzending gebeurt op kosten van de consument. Als er geen geschreven contract bestaat,
dan kunnen zij de consumenten niet verplichten tot betaling. Men kan ook geen voorschotten
vragen.




6. Praktijken strijdig met de handelspraktijken.

Eerlijke  oneerlijke handelspraktijken
Oorspronkelijk artikel waaruit 93 en 94 voortkomen:
        " Alle oneerlijke praktijken, gepleegd door ambachtsman of handelaar, waarmee een
         ander handelaar geschaad werd of waarmee schade berokkend wordt, zijn verboden."

Art. 93 ( behoort nog tot WHPC ) + handboek ivm art. 93

Dit artikel verbiedt: - Elke daad waardoor een verkoper anderer verkopers schaadt of kan
                        schaden.
                      - Elke daad waardoor een verkoper de belangen van andere verkopers
                        schaadt of kan schaden.

Het gaat hier dus niet meer om handelaars, maar om verkopers.
Het gaat hier om iets dan KAN schaden (mogelijkheid), en niet tracht schaden.

Bv. Chaudfontaine: heeft op basis hiervan vordering tot staking geëist toen Coca Cola gratis
drank gaf nav slechte blikjes.

Art. 94 verbiedt alles wat de consument schaadt of kan schaden.
                                                                                             62

Benaming: catch-all bepaling, dwz dat men praktisch alles aan banden kan leggen. Men kan
dus alles wat als oneerlijk beschouwd wordt, bestraffen of doen ophouden.

We kunnen iets doen ophouden dmv een vordering tot staking in te leiden bij de Rechtbank
van Koophandel
       Is dus een direct wapen om op te treden en geen slepende rechtzaak.

Vroeger beschikte men enkel over art. 1384 en 1382 waar men moest bewijzen dat men
schade had geleden. Nieuwe zorgvuldigheidsnorm.


Type gevallen van onrechtmatige mededinging.
Mogelijkheden om te schaden:

1. Het stichten van verwarring.

a) Verwarring betreffende de handelsbenaming.
   Bv. iemand neemt een naam aan zoals die van ons en verkoopt ook ongeveer hetzelfde.
   "Philips": in Limburg verkocht iemand elektrische apparaten onder de naam "Hugo
   Philips". Philips heeft ervoor gezorgd dat deze man die naam niet meer mocht gebruiken.

   Naam wordt gebruikt voor de etalage, briefpapier, etiketten,…
   Het gaat hier zowel om familienamen, vennootschappen, verzonnen namen, …
   Bv. er bestaat een NV met een naam en iemand wil een BVBA oprichten met dezelfde
   naam.

b) Verwarring betreffende de producten.
Bv. de ronde koeken van Prince.
Bv. het Hilton is erin geslaagd om iemand die hemden verkocht met het merk "Hilton" te
stoppen, anders zou men kunnen denken dat het hotel ook hemden verkoopt.

c) Verwarring in het gebruiken van slogans.

HB: samenloop merken en octrooien niet kennen.


2. Parasitaire mededinging.

a) Copiëren of nabootsen.
Copiëren is een principieel recht, zolang je niet laat uitschijnen dat het van jou is. Vanaf het
moment dat men iets copieert en de consument in verwarring wordt gebracht, mag het niet
meer.

Bv. men copieert reclamefolders. De schuld ligt bij de ontwerper; als een concurrent zelf
    copieert, is hij schuldig.
Bv. nabootsen van speelgoed, zoals bv. monopolie, barbie
Bv. merk "champagne": badschuim dat verkocht werd in een champagnefles met de naam
"champi" werd verboden.
                                                                                         63

b) De faam van de concurrent uitbuiten, iemand anders' vruchten plukken.
Bv. Guide Michelin. De hotelhouders mochten op de buitenkant een logo aanbrengen dat
verwees naar het aantal sterren dat zij in de gids kregen. Er was een man die deze logo's
verkocht. Michelin heeft die man aangeklaagd en gewonnen omdat die man gebruik maakte
van Michelin.


3. Afwerven van cliënteel ( lokvogelpolitiek).

De wet bepaalt wat niet mag. De rechter zal nagaan op welke manier men cliënteel afsnoept.
Bv.   Vertellen van onwaarheden, zwartmaken van de concurrenten, cliëntenlijsten van
      concurrenten gebruiken, fabrieksgeheimen ontfutselen van vroegere werknemers,
      folders uitdelen voor deur van concurrent.


4. Wegkopen van personeel ( voor bepaalde tijd of werk aangeworven).

Dit mag in principe wel, maar niet als het is om te schaden.

Dit is moeilijk te onderscheiden, want wat is nu concurrentie?
Het bewust afwerven van personeel beschouwt men als een oneerlijke handelspraktijk.
Vooral dan als het gaat om mensen met een sleutelfunctie.
Bv. iemand die fabrieksgeheimen kent of klantenlijsten heeft.

Als de nieuwe werkgever gebruik maakt van die lijsten en de oude werkgever merkt dit, dan
kan hij die nieuwe aanklagen.




Voorbeelden.
1. Bijna alle personeelsleden worden aangeworven bij de concurrent, bv. 20 van de 25
   personeelsleden die hun ontslag geven en beginnen te werken bij de concurrent.
    De rechtbank ziet dit als een daad om de oude werkgever te ondermijnen.

2. Verzekeringsmaatschappij die enkel wil verzekeren als men een bepaald
   veiligheidssysteem installeert. Ze weigert zelfs bepaalde systemen van bepaalde firma's.
    De rechter beschouwt dit als zwartmaking van bepaalde firma's.

3. Kredietverzekeraars die van bepaalde ondernemingen de kredietwaardigheid verloren
   hadden.
    Als men dit niet kan bewijzen, moet men het ook niet rondvertellen, volgens de rechter.

4. Behindering: werking van het aanbod belemmeren; proberen te verhinderen dat het
   aanbod van de concurrent de kooplustigen zou bereiken.
   Bv. relletjes uitlokken in een café van de concurrent.

5. Seca: wij schenken benzine gratis weg, mits de afnemer de accijnzen en belastingen
   betaalde ( 14 ipv 17 BEF ).
    Misleiding, want men kan dit gewoon afslag noemen ipv iets gratis weggeven.
                                                                                          64



6. Garagisten zijn onafhankelijk, maar ze specializeren zich in herstellingen of verkoop van
   bepaalde merken; zo hangen ze bv. een bordje van Mercedes, zodat het lijkt alsof ze
   officieel dealer zijn, terwijl ze er geen recht op hebben. De merken zijn ertegen
   ingekomen en kregen gelijk.


7. Derde is medeplichtig aan contractbreuk:
   1 en 2 hebben een contract. 2 verbreekt het contract en persoon 3 helpt hem daarbij.
   Voorwaarden:       - er moet tussen 2 partijen een contract zijn.
                      - de derde moet op de hoogte zijn van dit contract.
                      - de schending van het contract moet gebeuren.
                      - er moet een doelbewuste medewerking zijn door de derde aan de
                        contractbreuk.
       1 zal 2 en 3 voor de rechter dagen.

       Meestal gebeurt dit met brouwerijen en cafés. De brouwerij heeft een contract met
       een café, dat de verplichting heeft minimum X jaar het bier af te nemen omdat men
       door de brouwerij wordt gesteund. Na enkele jaren neemt iemand het café over en
       neemt een andere brouwerij in dienst. De eerste brouwerij dient klacht in en noemt
       hem medeplichtig, want hij moest wel op de hoogte zijn van het oorspronkelijk
       contract.
       Nu: bij overname laat de brouwerij het contract bij een deurwaarder betekenen aan de
       kandidaat-overnemer, zodat de nieuwe overnemer niet meer kan zeggen dat hij niet op
       de hoogte was van het contract.
       Vroeger zag de caféhouder dat hij bij een andere brouwerij betere voorwaarden kon
       krijgen. Dus liet hij de zaak over aan vrouw en kind, die dan beweren dat ze van niets
       wisten. De rechter zal dit niet aanvaarden.



8. Het uitbaten van een zaak zonder toestemming van de eigenaar.
   Bv. werknemers bezetten een onderneming en met de winst betalen ze zichzelf, dit
   wanneer een faillissement in zicht is.
    wordt niet geaccepteerd in Vlaanderen, wel in Wallonië

9. Eénzijdig weigeren aan een afnemer te leveren mag enkel wanneer die afnemer zijn
   facturen niet betaalt.


De voorzitter is bevoegd om een aantal praktijken onmiddellijk te verbreken, stop te zetten.
Deze worden opgesomd in de wet:
      - oneerlijke reclame.
      - alles wat te maken heeft met octrooien, licenties, ( art. 96 ).
      - uitoefenen van een handelsactiviteit zonder inschrijving in het handelsregister.
        ( art. 97 noemt 12 voorbeelden )
      - uitoefenen van een handelsactiviteit zonder inschrijving BTW-nummer.
      - niet naleven van collectieve arbeidsovereenkomsten.
                                                                                            65

De verkoper moet een normale economische activiteit kunnen ontwikkelen. Er moet schade
zijn of een mogelijkheid om schade te veroorzaken. Wanneer iemand geen vergunningen
naleeft, dan kan men ze ook onmiddellijk doen stoppen.

Ook de consument kan naar de voorzitter gaan om bepaalde praktijken te laten stopzetten.
Maar in praktijk doet bijna niemand dit ( enkel consumentenvertegenwoordigers ).
Bv. milieuverenigingen die de verkaveling stopzetten.
Vroeger konden de consumentenverenigingen niet als partij optreden om de belangen van de
consument te verdedigen, nu wel.


EXAMEN
7. Vordering tot staken.

Hier gaat men dus aan de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel vragen om het
stopzetten te bevelen van een handeling die een tekortkoming is aan één van de bepalingen
van de wet op handelspraktijken.

Er is dus slechts 1 rechter bevoegd om op te treden tegen oneerlijke praktijken: Voorzitter van
de Rechtbank van Koophandel = STAKINGSRECHTER.

De vordering wordt door de voorzitter ingeleid op de wijze van het kortgeding, maar het is
geen kortgeding ( zeer snelle zaak; kan al tegen de volgende dag, MAAR meestal is er 48 h
tussen ).
Dit kan op 2 manieren gebeuren ( duur en goedkoop ):
        1. goedkoop: verzoekschrift indienen met naam, adres en naam en adres van de
           andere partij + samenvatting van wat je wilt, wat je wil doen stoppen.
                2 000 BEF; Griffie: kosten, rechten

       2. duur:      per dagvaarding bij een deurwaarder
               5 à 6 000 BEF


Bijna altijd zal een advocaat een verzoekschrift opstellen. Hij moet minstens een
verzoekschrift ondertekenen, om te controleren of de vorm wel correct is.                De
belanghebbende of de advocaat brengt die dan naar de griffie, waar men een datum + uur
krijgt wanneer de zaak voorkomt.
Eenieder die belang heeft kan een vordering tot staking inroepen. Meestal is het de Minister
van Economische Zaken die naar de rechter stapt.

Als de zaak voor de voorzitter voorkomt, dan zal de gedagvaarde partij in de meeste gevallen
om uitstel vragen. Dit uitstel wordt meestal toegestaan. Zo heeft de partij de tijd om te zien
waarvan hij beschuldigd wordt en wat hij ertegen kan doen. De verwerende partij zal al zijn
argumenten en conclusies op papier zetten, die onmiddellijk overgemaakt worden aan de
eisende partij. Deze onderzoekt ze en doet hetzelfde.
Altijd moet een copie geleverd worden aan de andere partij, zodat deze kan optreden. Zo
wordt de "oorlog" voorbereid, wat veel tijd in beslag kan nemen.
Na de pleidooien leggen de partijen hun dossier neer en de zaak wordt in beraad genomen.
                                                                                           66

Meestal doet de voorzitter een uitspraak binnen enkele dagen tot 1 maand. Als het zeer
dringend is, dan kan het zelfs nog de dag zelf. Meestal echter 1 week.

De voorzitter beslist:
      - Als de eisende partij geen gelijk heeft, dan wijst hij de vordering tot staking af. De
        partij moet dan alle kosten betalen.
      - Als de eisende partij wel gelijk heeft, dan moet de verwerende partij die reclame of
        andere daad stopzetten.
         De voorzitter beveelt de staking van die partij. Hij kan de verwerende partij
               ook tijd geven om zich aan te passen.

Als men opgelegd wordt om met een bepaalde daad te stoppen en men doet dit niet, dan kan
de voorzitter:
       - dwangsommen opleggen voor iedere dag dat men nog verder doet ( 100 000 tot
         miljoenen, afhankelijk van de grootte van de onderneming ).
       - publiceren: mag in gewone taal gebeuren en slechts een samenvatting zijn ( kan in 1
         of meerdere kranten gebeuren).
         De rechter kan ze bij naam noemen.

Vroeger gebeurden de publicaties van vonnissen in rechtzaal en zeer uitgebreid met veel
details.

Nu mag men dit zelf bekendmaken op radio, tv,… op eender welk kanaal. Men kan het
vonnis ook uithangen aan de poort, etalage van de concurrent die in overtreding is gegaan,
zodat de klanten zien dat hij een oneerlijke handelaar is.

De voorzitter kan geen boetes opleggen, dus geen schadevergoeding doen betalen!! Als men
schadevergoeding wil krijgen, dan moet de partij weer naar de rechtbank stappen ( Rb van Kh
of Rb 1e Aanleg ). Deze procedure duurt zeer lang.



Voorbeeld
Een wasserij gaat faillliet. Een andere wasserij neemt een werknemer van de failliete wasserij
over en zet het werk voort. De nieuwe wasserij gebruikt ook de naam van de vorige. Na een
tijdje gaat hij naar een andere wasserij en die nemen ook een naam die erop lijkt en nemen
ook dezelfde klanten. Men moet hier de handelingen staken. Later dient de wasserij ook een
klacht in voor schadevergoeding. De laatste wasserij en de werknemer worden aangeklaagd,
maar men moet bewijzen dat men schade leed. ( bv. door de boekhouding )



Waarschuwingsprocedure
 Deze procedure gaat uit van de Minister van Economische Zaken. Vanaf het moment dat
deze op de hoogte is van oneerlijke praktijken, dan stuurt men een brief naar die bepaalde
ondernemer om hem te zeggen wat hij verkeerd gedaan heeft ( soort waarschuwing ).
Men krijgt een bepaalde termijn om zich aan te passen. Doet men dit niet, dan zal de
procureur een klacht indienen als het om overtredingen gaat waar straffen op staan.
                                                                                        67

Dit gebeurt raar of zelden, omdat weinig concurrenten een brief naar de Minister gaan
schrijven: ambtenaren moeten de zaak onderzoeken en dat duurt zeer lang.
Ze zullen eerder de snelle weg verkiezen, nl. vordering tot staken.

Consumentenorganisaties zullen dit eerder doen, omdat zij vinden dat de Minister op de
hoogte moet zijn van zulke praktijken.

Als de Minister een vordering tot staken indient, gebeurt dit op dezelfde manier als eerder
besproken. Voordeel: de minister betaalt alle kosten.



Strafbepalingen.

Straffen op overtredingen van bepaalde artikels van de wet op handelspraktijken.
In dit geval heeft de Minister van Economische Zaken de zaak overgemaakt aan het parket.
Deze kan een minnelijke schikking voorstellen. Maar het parket kan de zaak ook overmaken
aan de politierechtbank of de correctionele rechtbank.

Boetes die opgelegd kunnen worden:
       Geldboete van:       200 - 500     voor bepaalde artikels
                            500 - 1000
                            1000 - 20000
       !!! deze bedragen moeten steeds vermenigvuldigd worden met 100 !!!

Ook gevangenisstraffen worden voorzien. ( van 1 maand tot 5 jaar )
In de praktijk gebeurt dit enkel als men in herhaling valt.

Het schrappen van inschrijvingen in handelsregister ( BTW,…)
Zo krijgt een persoon het verbod opgelegd om nog handel te drijven.
Bv. als men de BTW-voorschriften niet heeft gevolgd.



3. Belgisch vestigingsrecht.
1. Algemeen.

Wat zijn vestigingswetten?
Rechtsregels die nadere voorwaarden stellen mbt aanvang en uitoefening van bedrijvigheden
uit handel en nijverheid.

Wat is het vestigingsrecht ( ruim gezien )?
Alle wettelijke voorschriften die toegangsvoorwaarden of uitoefeningsvoorwaarden voor
welbepaalde werkzaamheden uit handel en nijverheid opleggen.



Er zijn dus heel wat voorwaarden om zich te kunnen vestigen, niet enkel voor dokters en
advocaten, maar ook voor andere beroepen.
                                                                                         68

In het totaal zijn dit 7 verschillende sectoren.

1. KMO's = kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen.


2. Dienstverlenende intellectuele beroepen.
   Bv. fiscale raadgevers, immobiliënmakelaars,…
   ( er bestaat hiervoor een wetgeving die nog niet is uitgewerkt )

3. Detailhandelsondernemingen met grote oppervlakte

   Bv. supermarkten zoals Makro, GB, Inno, Brico,…

   Hier moet een sociaal - economische exploitatievergunning worden aangevraagd. De
   plaats is van belang.
       - Aanvraag richten tot college van burgemeester en schepenen.
       - Advies inwinnen bij het Sociaal - Economisch comité voor de distributie. Dit comité
         beslist of het verantwoord is de supermarkt daar te plaatsen.
       - Na goedkeuring van het comité komt het dossier bij de Provinciale Commissie voor
         Distributie.
                dan pas zal het college van burgemeester en schepenen beslissen. Vaak
                  weigert het college ondanks de vorige adviezen, door de druk van de
                  middenstand ( vooral op het platteland ).


4. Financiële sector: banksector, spaarkassen,…

   Vroeger kon iedereen met veel geld een bank beginnen. Nu moet men zich laten
   inschrijven bij de Commissie voor Bank- en Financiewezen; zij zal de bank ook blijven
   controleren.
   Het Gemeentekrediet, oorspronkelijk opgericht om de gemeenten van leningen te
   voorzien, is later overgeschakeld naar een gewone bank, maar moet ook aan de
   voorwaarden voldoen.


5. Verzekeringssector.

   Vroeger begonnen bepaalde verzekeringsmakelaars een eigen maatschappij; vaak met
   weinig geld, maar met veel verwachtingen: risico's. Velen gingen daardoor ook over kop.
   Nu moet men eerst een machtiging bekomen van de Minister van Economische Zaken,
   over voldoende kredietwaardigheid beschikken,…


6. Registratie van aannemers.

   Hier bestaat er een vermoeden van sociale en fiscale betrouwbaarheid.
   Doel: bedrieglijke praktijken van koppelbazen bestrijden.
   Een particulier die zijn werken laat doen door een niet-geregistreerde aannemer moet zelf
   afhoudingen doen voor belastingen en RSZ.
                                                                                             69

   De registratie is ook belangrijk voor de aansprakelijkheid. Als de aannemer niet
   geregistreerd is, dan is het moeilijk om bij schade de aansprakelijkheid te achterhalen.


7. Toeristische nijverheid, vervoersector, farmaceutische nijverheid, ontginningsnijverheid
   en energiesector.




2. Vestigingswet van 1970 op KMO's en individuele handelaars.

Sinds 1980 groeide het aantal zelfstandigen enorm door de werkloosheid. Als gevolg groeide
ook het aantal faillissementen. Enkel in de categorieën waar men aan bepaalde voorwaarden
moest voldoen, kwamen er minder faillissementen voor.
Sinds 1958 is er een kaderwet opgericht in de hoop beroepen meer en meer te reglementeren.
In 1970 werd deze wet enerzijds uitgebreid en anderzijds ingekort.

Sinds 1990 is ook de kleinhandel gereglementeerd door het verlenen van een distributieattest.
Hiervoor moet men minstens een zekere kennis van bedrijfsbeheer hebben ( geen
beroepskennis ) zoals beginselen van handelscorrespondentie, boekhouding, rekenen en
handelsrekenen, handel en handelsbeheer.


Kleine beroepen en KMO's:

KMO's zijn ondernemingen met niet meer dan 50 personen, waaronder er zich vakbekwame
mensen moeten bevinden.


Bureau's:

Provinciale kamers van ambachten en neringen (kleinhandel drijven) vragen om de wet op
KMO's te wijzigen.


DOEL VAN DE WET:

Door een grote bekwaamheid de promotie van KMO's verbeteren (niet gemakkelijk failliet
gaan, stem in economisch gebeuren,…)

Dit zagen we al in het Verdrag van Rome van 1957. De wet van 1958 reglementeerde
beroepen van schrijnwerkers en timmermannen. Deze wet was hier eigenlijk niet nodig, want
zo iemand zou zelf klanten verliezen in geval van slecht werk.
        vorm van corporatisme ( toegang beperkt )

Wet van 1970

Vereisten: - Handelaar zijn (handelsregister), dus VZW kwam niet in aanmerking.
               Bv. beschutte werkplaats die louter handel deden en toch niet in aanmerking
                                                                                           70

                  kwamen omdat ze geen handelaar waren.

           - Industrieel en ambachtelijk: ≤ 50 werknemers

           - Dienstensector: ≤ 20 werknemers

Er ontstond veel misbruik: in de eerste maand nam men 51 werknemers aan en ze later
afdanken. Zo is er geen vestigingswet vereist, maar tegen dat men deze zaak doorheeft, is het
te laat.

Hoe een beroep reglementeren?

Het initiatief werd overgelaten aan beroepsverbonden (ook in 1958). In 1970 heeft ook de
Koning de mogelijkheid dit te doen als hij het nodig vindt.

Welke verbonden?
       volgens het beroep: bv. bakkers, kappers,…
       interprofessionele verbonden zijn uitgesloten!!

Voorwaarden waar een verbond aan moet voldoen om te kunnen eisen dat een beroep moet
worden gereglementeerd:
      - Rechtspersoon zijn.
      - Uit de statuten moet blijken dat de activiteit van het verbond enkel gericht is op het
          beschermen en bevorderen van het beroep.
      - Minstens in 4 provincies gevestigd zijn.
      - Onafhankelijk tov politieke partijen en overheid.
      - Voldoende representatief zijn: X jaren bestaan (ervaring), X leden,…



Een beroepsvereniging wil dat een beroep streng gereglementeerd wordt.
Wat moet zij doen? Wat is de te volgen procedure?

       1. Aan de Minister van Middenstand een verzoekschrift richten.
          In het verzoekschrift moet staan:
                     - vraag (eis) dat zou moeten voldaan worden aan een minimum van
                        bedrijfskennis (brevetten, diploma's, getuigschriften,…)
                     - termijn waarin men minimum in dat beroep gewerkt heeft
                     - minimum leeftijd (indien nodig voor beroep)

       2. De Minister beslist over de publicatie van het verzoekschrift in het Belgisch
          Staatsblad na raadpleging van de Hoge Raad voor Middenstand.

       3. Na publicatie heeft men 30 dagen de tijd om te protesteren bij de Minister.

       4. Verzoekschrift wordt voorgelegd aan Hoge Raad = overlegorgaan van
          vertegenwoordigers uit professionele en interprofessionele middenstands-
          organisaties. Zij bepaalt wat er gebeurt met het verzoekschrift.
                     - Gunstig advies: reglementering in vorm van KB.
                     - Ongunstig advies: verzoek wordt afgewezen.
                                                                                       71

                      - Ten dele gunstig: verbond kan verzoek aanpassen.


Na het verzoek komt er een onderzoek van de Minister van Middenstand. De minister kan
hierbij toelichting vragen (binnen 15 dagen).
De Minister zal dit voorleggen aan de Hoge Raad van Middenstand. Bij een positief advies
zal hij een besluit nemen over de opportuniteit. Dit moet gemeld worden aan het Belgisch
Staatsblad, want de mensen moeten op de hoogte zijn.
Dan vraagt de Minister opnieuw advies aan de Hoge Raad, die op haar beurt nog andere
adviezen zal nemen. Dan wordt weer de opportuniteit en de omschrijving van dat beroep
onderzocht.
Er volgt een grondig onderzoek van de argumenten die de beroepsvereniging heeft
voorgelegd. (binnen de 2 maanden)

Dan zijn er 3 gevolgen mogelijk:
       1. Gunstig advies van de Hoge Raad
            KB met - criteria (aantal werknemers,…)
                      - eisen voor beroepskennis
                      - kennis van bedrijfsbeheer

       2. Gedeeltelijk gunstig advies
            Er wordt de beroepsvereniging meegedeeld dat er iets gewijzigd moet worden.
             Bv. meer details, vereiste kennis inkrimpen,… Hierop moet men antwoorden,
             nog eens 3 maanden om te beslissen en dan kan er een KB komen.

       3. Ongunstig advies
           beroepsvereniging moet 3 jaar wachten alvorens weer iets te ondernemen.

De Minister kan zelf een vestigingswet wijzigen bij misgroei; de Koning kan dit ambtshalve
na het verschijnen van een KB.


Wie moet in het bezit zijn van een vestigingsgetuigschrift?

* Individuele ondernemingen

Het ondernemingshoofd moet dit getuigschrift hebben. Heeft hij dit niet, dan moet hij een
aangestelde aanduiden, die dan ook moet deelnemen aan het dagelijks beheer (als zijn
hoofdberoep). Dit om te voorkomen dat er stromannen zouden optreden.
In sommige ondernemingen mag de aangestelde dit als bijberoep doen, maar enkel bij
beroepen door de Koning vastgesteld.


* Rechtspersonen

Fysische personen die hier deel van uitmaken, moeten over de nodige beroepskennis
beschikken. Ze moeten zich bezighouden met het dagelijks beheer. Hun kennis kan gesplitst
zijn, bv. de een de boekhouding en de ander bv. fietsen maken.
Beiden moeten dit doen als hoofdberoep en aanwezig zijn.
                                                                                         72



* Zelfstandige filialen

Principe: hier wordt de inrichting beschouwd als een aparte onderneming en het hoofd als een
aparte ondernemer. Maar bij geschillen doen rechtbanken toch niet allemaal dezelfde
uitspraken; sommige besluiten bedienden uit.
Indien men verschillende ondernemingen uitoefent moet men voor elk een vestigingsattest
hebben of over mensen beschikken die dit hebben.
Voorwaarden
1. Algemene kennis van handel, algemene ontwikkeling: taalkennis, rekenen,
     natuurwetenschappen,…
2. Beroepskennis: boekhouding
3. Beheerskennis: technische vaardigheid
4. Stage (beroepskennis)
5. Technische uitrusting

In de nieuwe wet heeft men dit herleid tot slechts 2 voorwaarden: nl. de stage valt weg en
algemene kennis werd sterk verminderd.
Dus alleen kennis van handel en beroep blijven over (wet 1990)
       Bedrijfskennis  handel bv. boekhouding
       Beroepskennis de stiel bv. haar knippen


BEHEERSKENNIS

Voorwaarden:

1.   handelscorrespondentie
2.   kunnen rekenen (handelsrekenen)
3.   iets kennen van handel in het algemeen; handelaar, eenmanszaak, koop-verkoop
4.   handelsdocumenten kunnen gebruiken
5.   betaalmiddelen kunnen gebruiken (cheques,…)
6.   verplichtingen van boekhouden kennen (inventaris, balans)


Hoe kan men deze beheerskennis bewijzen?

1. Voorleggen van akten:
            getuigschrift min eerste 3 jaar middelbaar onderwijs richting moderne afdeling
            (latijn-grieks komt niet in aanmerking)
     of     diploma technische school
     of     getuigschrift van één jaar ondernemersopleiding (met vrucht geslaagd)
     of     elementaire kennis van boekhouden en handel bewijzen door een examen voor
            de centrale examencommissie
     of     volledige humaniora

2. Als men geen diploma's heeft, kan men toch nog in aanmerking komen dmv
   getuigschriften die bewijzen dat men voldoende kennis heeft door beroepspraktijk.
                                                                                        73

   Dit attest kan worden geleverd door een ondernemingshoofd bij wie men heeft gewerkt,
   een vennoot, of iemand die zich bezighoudt met het dagelijks beheer en zelf een
   vestigingsakte heeft.

        Bewijs van werkzaamheid door een uittreksel van handelsregister…door het
         ondernemingshoofd afgegeven. (facturen, boekhouding, aansluiting bij sociale
         kas…)

3. Personen die in dienstverband staan, maar een leidende functie hebben.
       Moeten min 5 jaar zelf gewerkt hebben van de 10 jaar die de aanvraag van het
         geschrift vooraf gaan.
       Stukken afleveren waaruit blijkt dat men een leidende functie had.

4. Meerderjarig zijn.


BEROEPSKENNIS

Men moet dat specifieke beroep kennen. Beroepskennis is niet altijd verplicht bij verkoop,
wel bij ambachten, nijverheden,…
Bv. Verkoper van brood:     geen
    Bakker zelf:            wel

Bewijsmogelijkheden:
      - door onderwijs
      - door een bep. periode bij iemand gewerkt te hebben
              vereisten hangen af van het beroep:
                       stage mag niet meer dan 2 jaar bedragen
                       geen bewijs voor mensen > 35 jaar


Er wordt een vestigingsraad ingesteld door Kamer van Ambachten en Neringen.


Als men zijn beroepskennis wil bewijzen door ervaring:
      2 jaar stage full-time gevolgd hebben
      leeftijd 16 - 18 of 21 jaar naargelang het beroep


Welke bewijzen?
      - studie: diploma's
      - ervaring: attesten door werkgevers


Geen misbruiken:
      Bv. een garagist die 5 jaar gewerkt heeft en geen vestigingsbewijs had, mag zich niet
      beroepen op die 5 jaar ervaring.
                                                                                            74

Als men een aantal jaren gewerkt heeft zonder dat er toen een vestigingsakte nodig was, maar
deze wordt wel later ingevoerd, dan mag men die vorige jaren wel als stage aanrekenen.


Bewijs door de werkgever:
Er moet duidelijk in een attest staan welke taak de werknemer uitgeoefend heeft in die jaren.
Bv. een bediende heeft dus geen ervaring met fietsen te maken.




VRIJSTELLINGEN

Er zijn vrijstellingen voorzien voor:

A. Definitieve vrijstellingen in 4 gevallen
   1. Overlevende echtgenoot van het ondernemingshoofd, laatste die in bezit was van een
      vestigingsattest, mag de zaak verderzetten.

    2. Bij een vennootschap waar de zaakvoerder sterft (de overlevende echtgenoot van de
       zaakvoerder, in bezit van vestigingsattest, moet in het bezit zijn van minstens de helft
       van het maatschappelijk kapitaal.

    3. Als men voldoet aan eisen van internationale verdragen.

    4. Als iemand op het ogenblik van de bekendmaking van een nieuw reglementerings-
       besluit dat beroep al meer dan een jaar uitoefent, moet deze niets meer voorleggen.

B. Tijdelijke vrijstellingen (4; voor een bepaalde periode)

    1. Wanneer men een zaak overneemt die een vestigingsattest heeft. De nieuwe eigenaar
       mag dan overnemen en heeft een jaar tijd om in orde te komen met de voor te leggen
       attesten.

    2. iemand die het dagelijks beheer doet, krijgt ook een jaar om in orde te komen, zonder
       door een dienstcontract gebonden te zijn.

    3. Kinderen van een ondernemingshoofd: bij overlijden krijgen ze 3 jaar om alles in orde
       te maken (termijn begint bij overlijden; indien het kind minderjarig is, begint de
       termijn bij zijn 18 jaar)

    4. Aangestelde beschikt over een vestigingsattest, maar verlaat de zaak. De anderen
       mogen verderwerken, maar voor 6 maanden. De 7e maand moet er iemand
       aangenomen worden die wel over een attest beschikt.



Strafbepalingen

-   Iemand oefent een beroep uit zonder de nodige attesten voor te leggen.
                                                                                          75

-   Iemand oefent een beroep uit zonder een vestigingsakte.
-   Men moet eventuele vrijstellingen kunnen bewijzen.
     hier staan straffen op, niet enkel geldboetes, maar ook gevangenisstraffen.


De dienst "Inspectie" van de Minister van Middenstand controleert dit alles. Ze onderzoeken
en stellen proces-verbaal op. Maar ook de politie, rijkswacht mogen in een zaak
binnenstappen en een vestigingsakte vragen. Als de persoon dan niet over zo een akte
beschikt, wordt een proces-verbaal opgesteld.
Er bestaan slechts 3 controleurs in heel Vlaanderen.


Procedure

Indien minder dan 50 werknemers of minder dan 20 werknemers:
- Licht opsteken bij Kamer van Ambachten en Neringen (in iedere provincie) ivm nodige
    vereisten.
- Aanvraag richten tot secretariaat van Kamer van Ambachten en Neringen per
    aangetekende brief: met welk beroep, plaats.
- Kamer stuurt nodige formulieren op met vermelding van welke attesten men moet
    binnenbrengen.
- Als alles binnenkomt bij de Kamer, legt men het dossier voor de Vestigingscommissie van
    dat beroep, waarbij ook een afgevaardigde zit van de Middenstand.
    3 mensen die meestal hetzelfde beroep uitoefenen dat je wil uitoefenen.
- De commissie heeft een termijn van 60 dagen om uitspraak te doen.
    De aanvrager wordt uitgenodigd om te horen wat hij kan, om toelichting te geven over
    technische vaardigheden. Zowel bij positieve als negatieve uitspraak kan men in beroep
    gaan (uzelf of de afgevaardigde van de middenstand).
- Bij beroep gaat het dossier naar de Vestigingsraad (Brussel) dat bestaat uit een voorzitter
    en magistraten of advocaten + 2 personen aangeduid door de minister + griffier.
- Weer komt een grondig onderzoek en een ondervraging van die persoon op basis van zijn
    beheerskennis (onderzoek van de attesten die hij inleverde). Geen praktisch examen zoals
    bij de vestigingscommissie.
- Vestigingsraad beslist: gaat deze nog niet akkoord, dan kan men nog naar de Raad van
    State gaan (zeer trage procedure).



1978-1987: versoepeling om de werkloosheid te verminderen.

Wet van 1978: 2 versoepelingen
  - Stage mag minder dan 2 jaar zijn
  - Personen > 35 jaar moeten geen aanvullende beroepspraktijk voorleggen.


Wet van 1987
  - Beheerskennis werd versoepeld
  - Bij beroepskennis werden heel wat vrijstellingen verleend voor personen > 30 jaar ipv
      35 jaar.
                                                                                        76

   -   Houders van diploma's van hoger middelbaar onderwijs moesten niet meer voldoen
       aan de eisen die vroeger gesteld werden
   -   Aan de Minister van Middenstand werd het recht gegeven om beroep te
       reglementeren.
   -   Advies van de Hoge Raad van de Middenstand moet niet gunstig zijn.




Distributie-attest (1993)

= uitvloeisel van de vestigingswet (voor de kleinhandel)

1. Vooral ontstaan onder Europese druk, bedoeld om de kleinhandel te beschermen tegen
   monopolie.

2. Vorming en concentratie: alles is nu heel complex, dus moet men over de nodige
   beheerskennis beschikken.

3. Minimum aan kennis, anders zou dit tot te veel faillissementen leiden.
    verwijderen van onbekwame concurrenten.


Wat?

Een document dat een minimum van beheerskennis bewijst. Zowel voor natuurlijke als
rechtspersonen die kleinhandelaar zijn zoals beschreven in de wet van het Handelsregister.


Tabak, schoenen, meubelen, auto's,… praktisch alles BEHALVE
- Indien men > 50 werknemers heeft
- Voor leurhandelaars, ambulante handel
- Voor wie handel dreef voor 1990
- Voor wie reeds een vestigingsattest had voor 1990
- Voor wie nu een vestigingsattest behaalt, moet geen distributieattest hebben.


Procedure

Aanvraag richten tot de Kamer van Ambachten en Neringen via een aangetekende brief.
Het duurt ook hier 60 dagen en men kan in beroep gaan.
Het inrichtingshoofd bewijst de beheerskennis (doet het dagelijks beheer) of diegene die de
dagelijkse leiding zal hebben of aangestelde of wie een zaak wil starten.


Vrijstelling (zie eerder)
                                                                           77

Overlevende echtgenoot is vrijgesteld.


Bewijs

Voorleggen van aktes, diploma's.
Getuigschrift van de werkgever.
(soepeler dan vestigingsbesluit)

Vreemdelingen binnen de EU

Voor hen geldt dezelfde toepassing van de wet (dezelfde attesten nodig).

								
To top