WERKEN MET HET STARRT-MODEL by NHm35kr

VIEWS: 280 PAGES: 4

									WERKEN MET HET STARRT-MODEL




Het STAR-model, dat vaak gebruikt wordt bij assessments, wordt vaak
star toegepast. In principe hoeven in een gesprek de situatie, de taak, de
actie en het resultaat niet in die volgorde gehanteerd te worden, vandaar
dat de vier hoeken van ‘het huis’ door diagonalen zijn verbonden, men
kan bijvoorbeeld starten met:
        Wat is (was) je doelstelling (Taak)?
        Op welke wijze wilde je die doelstelling bereiken
          (Actie)?
        Waarom heb je deze context gekozen om de
          doelstelling uit te proberen (situatie)?
        Wat was het resultaat?
Als een ‘dak op het huis’ is ‘reflectie’ aangegeven en als
vlag ‘transfer’.




Werken met het STARTT-model                                           pag 1
Het STARRT-ers model

In de figuur staat het STARRT-ers model schematisch weergegeven.

Aan de basis van het STARRT-ers model staat de gesprekstechniek
STARRT.
STARRT werkt als volgt. Student en begeleider bespreken een situatie (S),
de taak (T) die de student daarin had, de actie (A) die hiji heeft
ondernomen en het al dan niet gewenste resultaat (R). Door tijdens het
gesprek op dit alles te reflecteren (R) ontdekt de student of hij zijn taak
en/of actie goed had ingeschat en hoe hij in de toekomst moet handelen
in een vergelijkbare situatie (T = transfer).



STAR als basis

Door uit te gaan van constructivisme en competentiegericht leren komen
studenten vanaf het begin van de opleiding in allerlei levensechte
beroepssituaties terecht. De reflectie op deze ervaringen vindt zeker in
het begin vooral tijdens intervisiebijeenkomsten en een-op-een
begeleiding plaats.
In de praktijk komt daar eerst het resultaat (R) ter sprake, vervolgens de
situatie (S) en de ondernomen actie (A). Zeker in het begin zal de student
geholpen moeten worden met te bedenken wat nu eigenlijk zijn taak (T)
in deze situatie was en waarom het uiteindelijke resultaat (R) ontstaan is.
Tijdens de reflectie (R) zal de ervaring nogmaals doorgenomen worden.
Naar gelang de omstandigheden kan dan een andere volgorde de
voorkeur hebben. De volgorde van het STAR-deel van het STARRT-ers
model is dus niet vast.
De ervaring (STAR) vormt de basis van het leerproces. Daarom vormen
deze vier componenten ook de basis van de STARRT-ers woning (zie
figuur 2). Het enige wat de student werkelijk zelf in de hand heeft, is de
keuze van de taak (T) en de actie (A). Deze twee componenten vormen
dan ook het fundament van het huis. Met deze twee componenten kan hij
natuurlijk wel de andere twee componenten (S,R) sturen.



Reflectie, transfer en TAR

Door te reflecteren op de ervaring leert de student van de ervaring. Als de
ervaring positief is, ontdekt hij door STAR wat hij vast moet houden. Als
de ervaring negatief is, ontdekt hij hoe het niet moet en waarom het niet
zo moet. Op basis van de ervaring ontstaat dus een nieuwe leeropdracht:
   1. Wat wil ik leren, wat is mijn leertaak in zo’n situatie (T)
   2. Welke actie hoort daarbij (A)
   3. Welk resultaat wil ik bereiken (R)



Werken met het STARTT-model                                           pag 2
De leertaak is gericht op het verwerven van een ontbrekende
competentie. De student kan deze competentie verwerven door zich de
onderliggende kennis eigen te maken, vaardigheden te oefenen en/of zijn
attitude te veranderen. De student en/of begeleider moet hiervoor de
omstandigheden creëren, afwachten of opzoeken.
Door weer te reflecteren (R) op de zo ontstane nieuwe ervaring kan de
leeropdracht bijgesteld (en de cyclus nogmaals doorlopen) worden of kan
geconstateerd worden dat de student nu weet hoe adequaat te handelen
in dit soort situaties. In het laatste geval is transfer (T) ontstaan en is het
tijd om te verhuizen naar een nieuwe STARRT-ers woning. Wel zal tijdens
het vervolg van de studie af en toe gekeken moeten worden of de transfer
er werkelijk nog wel is.
De reflectie vormt het dak op de STARRT-ers woning. Door reflectie ziet
de student wat de invloed van zijn handelen op een situatie is en hoe hij
het resultaat naar zijn hand kan zetten.

Streven is om de student te leren zelfstandig met het STARRT-ers model
te werken. Als hij dat kan is hij behoorlijk competent in reflectie en
ontwikkeling. Begeleiding door mensen die begrijpen hoe het model werkt
en die ermee om kunnen gaan is noodzakelijk.



Een overzicht van de instrumenten bij het STARRT-ers model

Stap 1: situatie
Beschrijf de situatie zo gedetailleerd en objectief mogelijk.

Stap 2: taak
Beschrijf de taak / het doel SMART:
              Specifiek
              Meetbaar
              Ambitieus / acceptabel
              Reëel
              Tijdgebonden

Zorg er voor dat er GROW is:
             Goal
             Reality
             Options
             Wrap up

Gebruik voor het bepalen van de opties het SPINNEN.

Gebruik de kernkwadranten van Ofman om te bepalen wat je
kernkwaliteiten zijn.

Maak een SWOT-analyse:
                           SWOT     Kansen     Bedreigingen
                           Sterk
                           Zwak



Werken met het STARTT-model                                               pag 3
Stap 3: actie
Beschrijf je actie(s) in termen van gedrag.

Gebruik het model van Thomas en Kilman.

Stap 4: resultaat
Beschrijf het resultaat zo objectief mogelijk. (Gebruik Leary.)
Je hebt een beeld nodig van de competenties. In welke competentie is
iemand sterk en in welke zwak?
Koppel het resultaat aan een competentie: WAKKER:
              Waarnemen
              Aantekeningen maken
              Koppelen aan competentie(s)
              Kwantificeren
              Evalueren (Is wat je waargenomen hebt incidenteel of
                 structureel?)
              Resultaat weergeven

Stap 5: reflectie
Gebruik Korthagen of de RET-methode:
            Terugblikken:
             Wat wilde ik? / Wat wilden zij?
             Wat dacht ik? / Wat dachten zij?
             Wat voelde ik? / Wat voelden zij?
             Wat deed ik? / Wat deden zij?
            Essentiële aspecten:
             Begrijp ik wat er gebeurde?
             Wat was belangrijk in die situatie?
             Wat was belangrijk voor mij?
             Wat zegt de theorie er over?

Stap 6: transfer
Gebruik Kolb en Korthagen en ga vooral ook SMART te werk, zorg voor
GROW, SPIN, SWOT en zet je kernkwaliteiten in:
            Formuleer alternatieven:
             Wat wil ik anders doen?
             Wat ga ik anders doen?
             Welke mogelijkheden heb ik?
             Welke voornemens kan ik formuleren?
             Hoe ga ik dat aanpakken?
             Waar ga ik speciaal op letten?
             Waar ga ik het uitproberen?




Werken met het STARTT-model                                        pag 4

								
To top