Docstoc

publicaties Zaal sociaal emotionele ontwikkeling en begeleidingsadviezen

Document Sample
publicaties Zaal sociaal emotionele ontwikkeling en begeleidingsadviezen Powered By Docstoc
					 Sociaal-emotionele ontwikkeling
    Omschrijving fasen en bijbehorende begeleidingsstijl




Sandra Zaal, gz-psycholoog Cordaan
Margriet Boerhave, video-interactie begeleider Cordaan
Marianne Koster, gz-psycholoog Amsta


tweede oplage
februari 2008
                            Sociaal-emotionele ontwikkeling
                     Omschrijving fasen en bijbehorende begeleidingsstijl



Inleiding
In de praktijk is gebleken dat kennis van het niveau van de sociaal-emotionele ontwikkeling
van een cliënt nodig is om de begeleidingsstijl goed bij hem te kunnen laten aansluiten. Bij
veel cliënten zien we een zogeheten disharmonisch ontwikkelingsprofiel. Dit betekent dat de
verschillende aspecten in de ontwikkeling van de persoon niet in evenwicht met elkaar zijn.
Een disharmonisch profiel maakt een cliënt, vooral emotioneel, kwetsbaar en juist vanuit die
emotionele kwetsbaarheid ontstaat bij veel cliënten psychische problematiek en/of moeilijk
verstaanbaar gedrag.
Het gevaar van overschatting is groot wanneer niet duidelijk is op welk sociaal-emotioneel
niveau een cliënt functioneert. Draagkracht speelt hier een belangrijke rol, naast het kunnen,
is het aankunnen essentieel voor een evenwichtige ontwikkeling.

Om een cliënt aan te spreken op het niveau dat bij hem past is het dus noodzakelijk een
goed beeld van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling te hebben. Wij geven in deze publicatie
een omschrijving van de verschillende fasen van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Als
uitgangspunt hebben we de fasen van de sociaal-emotionele ontwikkeling genomen zoals
beschreven door Prof. dr. A. Došen. Došen heeft in zijn ontwikkelingsdynamische
benadering meerdere inzichten gecombineerd, onder andere de ideeën van Piaget, Luria,
Mahler en Bowlby. Deze heeft hij verwerkt in een vragenlijst die als leidraad genomen kan
worden bij het maken van een inschatting van de sociaal-emotionele ontwikkeling (SEO,
Schaal voor Emotionele Ontwikkeling).

De vragen in de SEO beslaan verschillende aspecten van de sociaal-emotionele
ontwikkeling. Er wordt gekeken in welke ontwikkelingsfase een kind/cliënt zich bevindt met
betrekking tot:
     omgaan met eigen lichaam;
     omgaan met volwassenen;
     beleving van zichzelf in interactie met de omgeving;
     ontwikkelen van permanentie van object;
     angsten;
     omgang met leeftijdsgenoten;
     omgang met materiaal;
     verbale communicatie;
     affectdifferentiatie;
     agressieregulering.

We zijn ons ervan bewust dat het hier gaat om een vragenlijst die helaas nog steeds in een
experimenteel stadium verkeert. Wij zien de SEO echter toch als een bruikbaar hulpmiddel
om de sociaal-emotionele ontwikkeling te beschrijven daar er nog niet zoveel op dit gebied


    in verband met de leesbaarheid is voor „hem‟ gekozen. Lees: „hem/haar‟.


                                                                                              2
    voor handen is. Er blijkt een grote behoefte te zijn aan een concrete uitwerking van de
    ontwikkelingsfasen. Bij de uitwerking van de verschillende fasen hebben we de
    bovenstaande opsomming uit de SEO als leidraad gebruikt. Daarnaast bleek er een
    duidelijke vraag te zijn naar de begeleidingsstijl per fase. Wij hebben de begeleidingsstijl per
    fase toegevoegd en vooral uitgewerkt in praktische handvatten. Tot slot eindigen we iedere
    fase met een beschrijving van de kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een
    inadequate begeleidingsstijl. Deze beschrijving is wederom gebaseerd op materiaal van
    Došen.

    Bij de beschrijving van de fasen wordt veelal de term „kind‟ gebruikt omdat van een gewone
    sociaal-emotionele ontwikkeling wordt uitgegaan. Bij de beschrijving van de begeleidingsstijl
    en de kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleiding, is voor
    de term „cliënt‟ gekozen omdat in dit deel de vertaalslag naar de begeleidingsbehoeften
    wordt gemaakt. Voorbeelden die gebruikt zijn in de begeleidingsstijl komen voort uit de
    doelgroepen kinderen en volwassenen.

    In de beschrijving van de sociaal-emotionele ontwikkeling worden de volgende fasen
    onderscheiden:

       1.   Eerste Adaptatiefase         :        0   - 6 maanden
       2.   Eerste Socialisatie fase     :        6   - 18 maanden
       3.   Eerste Individuatiefase      :       18   - 36 maanden
       4.   Eerste Identificatiefase     :        3   - 7 jaar
       5.   Realiteitsbewustwording      :        7   - 12 jaar

1   EERSTE ADAPTATIEFASE (0 – 6 MAANDEN)
    In deze fase is een kind voornamelijk bezig zich fysiek aan te passen aan het leven buiten de
    baarmoeder: gewenning aan voeding, waak-/slaapritme, geluiden, aanraking, bewogen
    worden, temperatuursregulatie, et cetera. Het contact met de volwassene verloopt nog
    geheel via de nabijheidzintuigen tast, reuk en smaak. Huilen is in deze fase de belangrijkste
    manier om aandacht te vragen of contact te bewerkstelligen. Huilen staat voornamelijk nog
    voor lichamelijk ongemak (honger, dorst, pijn, vermoeidheid, te veel prikkels, gespannen
    sfeer).


    Het kind laat lichamelijke spanning en ontspanning zien en toont zich lichamelijk
    opgewonden als het zich niet prettig voelt. Het kind toont angst en woede bij vreemde of
    intensieve sensorische prikkels. Deze woede is gericht naar zichzelf en zijn omgeving.
    Verder ontdekt het kind in deze fase zijn eigen lichaamsdelen.

    Het kind heeft nog geen besef dat iets nog bestaat op het moment dat hij het niet meer ziet
    („weg = weg‟). Het kind heeft nog geen of slechts beginnende interesse in materiaal, hooguit
    toevallig ontdekkend. Er is geen gericht contact met leeftijdsgenootjes. Het hechtingsproces
    begint al vanaf de geboorte maar daadwerkelijk hechtingsgedrag (huilen bij weggaan, lachen
    bij terugkeer, volgen met de ogen) is vanaf circa vijf maanden te zien.

1.1 Passende begeleidingsstijl bij de eerste adaptatiefase (0-6 maanden)
    De begeleiding is er op gericht om te zorgen voor een psychofysiologisch evenwicht: een
    evenwicht tussen lichamelijke en psychische gesteldheid. Het inbrengen van rust en



                                                                                                   3
    ontspanning, en het aanbrengen van regelmaat in activiteit en inactiviteit, staan centraal.
    Dit betekent een individuele benadering. Hierbij is het volgende belangrijk: lichamelijk
    contact, masseren, waarbij een afstemming plaatsvindt en er op de signalen wordt
    gereageerd (responsiviteit). Volg het tempo van de ander. Neem pauzes als dit aangegeven
    wordt. Koesteren, troosten en steunen brengen vaak weer rust bij huilen dat veelal duidt op
    lichamelijk ongemak (honger/dorst, pijn/ongemak, vermoeidheid of angst door teveel
    vreemde of intensieve prikkels/gespannen sfeer).


    Lichaamstaal (mimiek, intonatie, tempo, et cetera) is belangrijk en dient in overeenstemming
    te zijn met de uitgezonden boodschap. Dat betekent dat je, als je zelf gespannen bent, de
    verzorging beter aan een collega kan overdragen.

    De ondersteuning moet gericht zijn op bescherming tegen te intensieve of te veel
    verschillende prikkels. Op deze manier kunnen sensorische prikkels verwerkt worden.

    Daarnaast is een overzichtelijke en eenvoudige structuur van ruimte, tijd en personen van
    belang. De leefruimte moet betrekkelijk klein zijn en in deze ruimte moeten er geen
    veranderingen zijn. Binnen deze ruimte dient een grote mate van voorspelbaarheid,
    regelmaat en een vast ritme van rust en activiteit te zijn.

    Lichamelijke verzorging staat veelal centraal: eten, drinken, verschonen, wassen, et cetera.
    Hiervan dienen herhalende activiteiten gemaakt te worden waarbij wisselwerking op de
    voorgrond staat: om beurten bewegen (wiegen, bewegingen spiegelen), geluiden over en
    weer, wisseling in geluidritmes en intonatie (liedjes, rijmpjes). Door goede zorg en
    bevrediging van basale behoeftes, wordt vertrouwen opgebouwd. Met vertrouwen wordt de
    basale emotionele veiligheid bedoeld. Deze veiligheid is onverbrekelijk verbonden met een
    gezonde hechting. Er moet een emotioneel neutrale benaderingswijze zijn, geen confrontatie
    met gedrag. Houding is niet corrigerend maar toedekkend, ondersteunend en begeleidend.
    In deze fase wordt de omgeving nog voornamelijk via de mond verkend. Zorg daarom voor
    passend materiaal.

    Kernwoorden eerste adaptatiefase
            -      sensorische integratie;
            -      lichaamstaal, lichamelijke verzorging en lichamelijk contact;
            -      individuele benadering;
            -      rust, ontspanning;
            -      prikkelregulering;
            -      constantheid in omgeving;
            -      responsiviteit (stimulatie van hechtingsgedrag);
            -      eenvoudige structuur van ruimte, tijd (regelmaat), personen en activiteiten.

1.2 Kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleidingsstijl
    Problemen met (psycho)fysiologische regulatie (psychofysiologische stress) hetgeen bij lang
    aanhouden kan leiden tot volledige uitputting.
    Mogelijke gedragskenmerken: de stress uit zich in onrust, angst, woede-uitbarstingen,
    automutilatie (zelfverwondend gedrag), stereotypen, teruggetrokkenheid, passiviteit,
    verstoring dag-/nachtritme, zelfstimulatie, ontregeling bij verandering in omgeving,
    problemen met sensorische integratie.


                                                                                                  4
    Aspecten van bejegening bij problematisch gedrag in deze fase:
    Weinig       : affectiviteit, stimulering, uitbreiding, confrontatie, verantwoordelijkheid
    Regelmatig : nabijheid
    Veel         : individueel en begrenzing



2   EERSTE SOCIALISATIEFASE (6 – 18 MAANDEN)
    In deze fase staat het hechtingsproces tussen het kind en zijn belangrijke verzorgers
    centraal. Het kind voelt zich veelal nog één met de verzorger die als een soort verlengstuk
    van het kind functioneert. Er is nog geen differentiatie tussen het kind en de ander. Het kind
    denkt en voelt sterk egocentrisch. Het opbouwen van basale emotionele veiligheid is
    cruciaal. Het kind kan in paniek raken bij afscheid van die vertrouwde figuur of wanneer die
    uit zicht is. Het heeft nog weinig besef dat het een zelfstandig wezentje is en „weg‟ is nog
    steeds „weg‟. Omdat het kind daarnaast wel een besef begint te krijgen dat dingen en
    personen bestaan, ervaart het ook gemis als de vertrouwde persoon er even niet is. De
    nabijheid van de vertrouwde volwassene biedt veiligheid en daarbinnen durft het kind zijn
    activiteiten te doen. Het kind is in deze fase ook eenkennig.

    Het kind ontdekt dat het zijn eigen lichaam kan gebruiken om iets te pakken, aan te raken et
    cetera. Het kind gaat op zoek naar voorwerpen die het kort daarvoor nog gevoeld heeft.
    Vooral vorm en geluid van materiaal worden ontdekt. Het kind kent lust- en onlustgevoelens
    en kan liefde, angst en woede tonen. Agressie toont het kind nog heel ongecontroleerd naar
    de omgeving. Er is een beginnende interesse in leeftijdsgenootjes. Het kind begint naar
    voorwerpen te wijzen en te benoemen met “die!” of soms, heel beginnend, het voorwerp bij
    de naam te noemen.

2.1 Passende begeleidingsstijl bij de eerste socialisatiefase (6-18 maanden)
    De begeleiding is gericht op het bewerkstelligen van basale emotionele veiligheid die
    gebaseerd is op vertrouwen in de voorspelbare begeleider. Een individuele benadering, met
    veel nabijheid en met veel begrenzing vanuit de omgeving, is hier van toepassing.


    Lichamelijk contact, in het zicht zijn, voorspelbaarheid in doen en laten, vaste rituelen en
    ritmes dragen hieraan bij. In deze fase is het, net als in de vorige fase, belangrijk dat de
    omgeving veel structuur en veiligheid biedt.

    Vanuit een veilige nabijheid dient de cliënt gestimuleerd te worden om op onderzoek uit te
    gaan: eenvoudig in/uit materiaal, actie/reactiespel, sensorisch ontdekken. Zorg wel dat je
    zichtbaar en beschikbaar blijft tijdens activiteiten. Spelletjes als kiekeboe, verstopspelletjes
    en contactspelletjes (rijmpjes, eenvoudige liedjes zingen zonder achtergrondmuziek) passen
    ook goed in deze fase.

    De communicatie bestaat uit lichaamstaal en korte zinnetjes (één- of tweewoords) gekoppeld
    aan het hier en nu. Aanraken en oogcontact maken alvorens je de boodschap overbrengt, is
    belangrijk.




                                                                                                     5
    Confrontatie met het eigen (ongewenste) gedrag wordt nog steeds weinig gebruikt. Op deze
    ontwikkelingsleeftijd wordt de betekenis van het woordje “nee” wel begrepen maar kan nog
    niet worden uitgevoerd. Dat betekent dat je nog niet de verantwoordelijkheid bij de ander kan
    neerleggen voor zijn doen en laten. Hulp bieden is belangrijk. Leg de verantwoordelijkheid bij
    jezelf. Boos worden helpt niet, uit de situatie halen of de handeling onderbreken is een
    betere optie. Het is belangrijk dat het gedrag actief veranderd wordt; je moet zelf optreden.

    Kernwoorden eerste socialisatiefase
            -      lichamelijk contact;
            -      hechtingspersoon;
            -      vertrouwen;
            -      voorspelbaarheid: structuur en veiligheid;
            -      hechting;
            -      individuele benadering en nabijheid;
            -      begrenzing en actief ingrijpen;
            -      sociale stimulatie;
            -      omgaan met materiaal.

2.2 Kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleidingsstijl
    Basale emotionele onveiligheid. Verstoring van de hechting: geen, onvoldoende, onveilige of
    angstige hechting.
    Mogelijke gedragskenmerken: vasthouden van lichamelijk contact, contactstoornis, bizar
    gedrag, agressiviteit t.o.v. hechtingsfiguur, hevige angsten, angst voor vreemden, apathie in
    bedreigde situatie, wanen, angst voor verandering, snelle stemmingswisselingen (o.a.
    depressiviteit), impulsief reageren bij frustratie, regressief gedrag, zelfverwondend gedrag bij
    hoge frustratie, dwangmatig bezig met materiaal, ontwikkelt rituelen.

    Aspecten van bejegening bij problematisch gedrag in deze fase:
    Weinig       : stimulering, uitbreiding, confrontatie, verantwoordelijkheid
    Af en toe    : affectiviteit
    Veel         : individueel, begrenzing



3   EERSTE INDIVIDUATIEFASE (18 – 36 MAANDEN)
    Het kind beseft in deze fase steeds meer dat het een eigen persoontje is dat los van de
    vertrouwde volwassene bestaat. Autonomie en individuatie staan centraal. Het kind krijgt een
    eigen wil, ontdekt het woord „nee‟ en het woord „ik‟, wil alles zelf doen, wil invloed op zijn
    omgeving uitoefenen, maar heeft toch nog steeds graag de volwassene op een afstandje.
    Het liefst in zicht. Dat heeft het kind nodig om zich veilig te voelen.


    Deze leeftijdsfase is niet gemakkelijk: zelf doen en zelf ontdekken staan centraal, ook die
    dingen die het nog niet zelf kan. Beperking van de eigen wil leidt makkelijk tot frustratie en
    driftbuien. Soms zo hevig dat ze er zelf bang van worden. Bang voor de boze woorden die er
    dan vallen, bang om afgewezen te worden en bang je te verliezen.

    Het is in deze fase nog moeilijk om te onthouden wat er wel en niet mag. Dit wordt in kleine
    stapjes geleerd. Als er dan toch gedaan wordt wat niet mag is dat vaak niet opzettelijk: de
    drang om zelf te doen is sterker dan de wil van de opvoeder. Van intern geweten is nog geen


                                                                                                   6
    sprake dus ook niet van echt schuldgevoel achteraf, hooguit besef dat het iets verkeerd
    deed.

    Het kind zoekt de nabijheid van andere kinderen maar van samenspel is nog geen sprake.
    Het kind kan zich nog niet verplaatsen in de ander. Het gaat steeds meer onderzoekend om
    met spelmateriaal.

    Het kind heeft gevoelens van trots, angst, verdriet, jaloezie en liefde. Woede en agressie zijn
    op personen gericht, vooral op diegenen die het belemmeren in het uitvoeren van zijn eigen
    wil, maar is nog heel ongericht. Verder is het kind in deze fase bang voor beschadiging van
    eigen lichaam.

3.1 Passende begeleidingsstijl bij de eerste individuatiefase (18-36 maanden)
    Begeleiding is in deze fase gericht op het vergroten van autonomie, echter binnen duidelijke
    grenzen en een aangegeven structuur. Een evenwicht vinden tussen zelfbepaling van de
    cliënt en het aanbieden van grenzen is van groot belang. In de eerste individuatiefase
    overheerst de individuele benadering maar met bewust gehanteerde leermomenten in de
    groep. Nabijheid is nodig zonder als onnodig betuttelend te worden ervaren. Deze dient om
    te corrigeren of bij te sturen op basis van gemaakte regels en afspraken. Tijdens momenten
    van begeleiding op afstand kan er ervaring opgedaan worden met meer zelfstandig
    functioneren.

    De omgeving biedt nog duidelijk begrenzing, al is tevens stimulering van gedrag punt van
    aandacht. Een vertrouwensrelatie wordt opgebouwd en in stand gehouden door een
    benadering die een zekere houvast biedt. Een dergelijke relatie kan in de begeleiding bewust
    gebruikt worden. Duidelijkheid voorkomt verwarring. Je bent voorspelbaar en waardoor de
    ander zich veilig voelt. Bij die duidelijkheid hoort ook dat je geen verzet oproept door een
    handeling te vragen als je wilt dat het gebeurt. Bijvoorbeeld “kom we gaan” in plaats van “ga
    je mee?” of “kom, we gaan eten” in plaats van “kom je eten?”. Zorg dat de boodschap
    duidelijk en helder is; geef aan welke handeling je verwacht.

    De kunst is om de eigen wil in banen te leiden. De strijd aangaan en op je strepen staan als
    begeleider heeft vaak een averechts effect. Dit betekent niet dat je alles maar moet laten.
    Ieder mens heeft een eigen wil (wil is een belangrijke drijfveer in het leven en in de
    ontwikkeling) maar wat iemand wil, mag zo min mogelijk ten koste gaan van een ander. Pak
    het diplomatiek aan, leid af.

    Omdat er nog geen sprake is van een intern geweten, wordt de boosheid van de begeleider
    alleen op dat moment vervelend gevonden. Verwacht dus geen blijvend schuldbesef. De
    aanwezigheid van de begeleider en de begeleiding van het gedrag blijven nodig, elke dag
    weer opnieuw. Het weten dat iets niet mag, verandert langzaam door herhaling, in „ik heb het
    eerder gehoord, ik heb het ge-weten‟. Van daaruit ontwikkelt zich het geweten. Om de ander
    te kunnen confronteren met ongewenst gedrag is een vertrouwensband nodig en een
    benadering die een zekere houvast biedt.

    Er kunnen nog geen oplossingen of alternatieven bedacht worden. Doe dat samen. Help
    weer op weg door de activiteit rustig te hervatten op de gewenste manier. Geef gedoseerde


                                                                                                   7
    verantwoordelijkheid. Benoem kort dát het niet mag en waarom niet: “Niet slaan, dat doet
    pijn”. Formuleer kort het alternatief: “Ga maar vragen of je het hebben mag” en voer samen
    de handeling uit. Niet te veel confronteren met gedrag. Realiseer je dat er nog niet zelf een
    oplossing/ alternatief bedacht kan worden.

    Scheidingsangst speelt in deze fase een belangrijke rol. Het hoogtepunt wordt bereikt in de
    eerste helft van het tweede jaar maar loopt door tot in het derde levensjaar. Aanwezigheid
    hoeft weliswaar niet meer zo letterlijk nabij als in de voorgaande fase, maar het is belangrijk
    dat er gereageerd wordt op signalen. Vertel, als je weggaat, duidelijk waar je naar toe gaat,
    wat je gaat doen en dat je weer terugkomt. Een knuffel of lievelingsvoorwerp kan
    behulpzaam zijn om je afwezigheid te overbruggen. In deze periode kunnen er door
    scheidingsangst slaapproblemen voorkomen. Behalve scheidingsangst zijn er ook andere
    angsten die een rol gaan spelen (zie volgende fase).

    Kernwoorden eerste individuatiefase
            -      autonomie (ik – ander, eigen wil, de „nee‟ fase);
            -      scheidingsangst;
            -      vertrouwensband;
            -      houvastbiedende benadering;
            -      duidelijke boodschappen;
            -      bijsturing op basis van gemaakte regels en afspraken;
            -      beloning van sociaal gedrag;
            -      gedoseerde verantwoordelijkheid;
            -      evenwicht zelfbepaling – grenzen;
            -      valkuil machtsstrijd (diplomatie).

3.2 Kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleidingsstijl
    Verstoorde autonomieontwikkeling. Waarbij te veel of te heftig gereageerd wordt
    (geldingsdrang) en negatieve gevoelens worden ontvlucht. Het kan ook uitmonden in het
    zich volledig over geven aan de omgeving, zich volledig afhankelijk en passief tonen.
    Mogelijke gedragskenmerken: constant om aandacht van belangrijke anderen vragen, niet
    alleen kunnen zijn, geen of weinig interesse voor materiaal, geen interesse voor
    leeftijdgenoten, onrustig, overbeweeglijk chaotisch, koppig, negatief, opstandig, uitdagend,
    ontremd, destructief, geïrriteerd, overwegend ontstemd, agressief, asociaal, reagerend
    vanuit lust-onlustprincipe of juist passief, weinig eigenheid, imitatie van anderen,
    teruggetrokken, bang.
    Aspecten van bejegening bij problematisch gedrag in deze fase:
    Weinig       : affectiviteit
    Af en toe    : stimulering, uitbreiding, verantwoordelijkheid
    Veel         : individueel, nabijheid, begrenzing



4   EERSTE IDENTIFICATIEFASE (3 – 7 JAAR)
    Het kind wordt steeds meer een zelfstandig persoontje dat initiatief neemt in het zich actief
    durven opstellen ten opzichte van anderen en activiteiten. Aan het begin van deze fase is de
    peuter (3 tot 4 jaar) nog erg afhankelijk van de aanwezigheid van belangrijke anderen om
    zich te gedragen volgens bepaalde normen en waarden. Zonder de volwassene wordt de
    verleiding soms te groot om iets te doen wat niet mag. Aan het eind van de eerste
    identificatiefase heeft de kleuter (4 tot 7 jaar) besef van regeltjes en kan zich in toenemende



                                                                                                      8
    mate aan deze regeltjes houden, ook als de volwassene niet in de buurt is. Het spiegelt zich
    steeds meer aan belangrijke anderen die een rolmodel vervullen en voelt zich tegelijkertijd
    almachtig.


    Kleuters kunnen ook ineens weer bang zijn om alleen gelaten te worden; vastklampen als je
    weggaat of als er zich een nieuwe situatie voordoet. Het kind kan zich zonder vertrouwde
    persoon wel staande houden in een vertrouwde omgeving.

    Het contact met de volwassene verloopt vooral via taal en spel. Kleuters vragen non-stop
    naar het waarom. Deels uit nieuwsgierigheid, deels gewoon om het babbeltje. Peuters zijn
    nog niet in staat om dingen vanuit het perspectief van de ander te bekijken. Ze zien alles
    vanuit hun eigen positie: egocentrisch (wat niet hetzelfde is als egoïstisch). Ditzelfde geldt
    voor het aanvoelen van emoties bij de ander. Dit tekort in denken zorgt ervoor dat ze elkaar
    kunnen kwetsen of pijn doen. Ze hebben nog onvoldoende zicht op hoe hun doen en laten
    overkomt op de ander. Dit vermogen is pas vanaf ongeveer het zesde jaar aanwezig en
    ontwikkelt zich steeds verder. Het kind is veelal nog impulsief: denken en doen gaan vaak
    gelijk op. Consequenties worden nog niet (peuters) of onvoldoende (kleuters) overzien en
    afgewogen.

    In de peuterperiode kunnen kinderen bang zijn voor “de gekste dingen”: bang om te vallen,
    want stel je voor dat je in honderd stukjes breekt. Bang voor douchewater, straks spoel je
    door het putje. Bang in het donker. Bij peuters en kleuters lopen fantasie en werkelijkheid
    makkelijk door elkaar: fantasie is werkelijkheid (zelfbedachte enge monsters en dergelijke).
    Het vermogen om onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te maken, ontwikkelt zich in
    de loop der jaren onder invloed van denkontwikkeling en ervaring. Aan het eind van de
    kleuterperiode is het steeds meer mogelijk om uit elkaar te houden wat echt en wat maar een
    bedenksel is. Dit realiteitsbesef levert wel een nieuwe angstbron op, want die werkelijkheid is
    vaak ingewikkeld en onoverzichtelijk.

    Peuters spelen nog voornamelijk naast elkaar, kleuters steeds meer met elkaar. Ook kleuters
    zijn nog erg gericht op vervulling van eigen wensen. Dit, tezamen met het nog onvoldoende
    ontwikkelde invoelingsvermogen, zorgt ervoor dat het samenspel nog niet op de manier
    plaatsvindt zoals dat aan het eind van deze fase (6-7 jarigen) behoort. Spelletjes met
    duidelijke regels zijn in de kleuterperiode geliefd.

    Het kind kent aan het eind van deze fase gevoelens van spijt en (beginnende) schaamte en
    kan in toenemende mate praten over zijn eigen gedrag. Het kind heeft angst om niet
    geaccepteerd of gewaardeerd te worden door belangrijke anderen en kent faalangst. Het
    kind kent ook gevoelens als geluk. Het gevoel voor goed en fout is nog heel zwart/wit.
    Boosheid en agressie kan het heel gecontroleerd richten op de persoon. In de omgang met
    materiaal toont het kind creativiteit en fantasie. Ook in de taal wordt fantasie duidelijk.

4.1 Passende begeleidingsstijl bij de eerste identificatiefase (3-7 jaar)
    De cliënt is in deze fase afhankelijk van belangrijke anderen wat betreft het bijbrengen en
    corrigeren van zijn gedrag en zijn denken. Dit kan hij nog niet zelf. Alleen jouw boosheid bij
    afkeuring op dat moment wordt vervelend gevonden. Dit houdt in dat jouw aanwezigheid en



                                                                                                     9
    begeleiding (correcties) in het gedrag steeds nodig zijn, elke dag weer. De impulsiviteit aan
    het begin van deze fase is met wat afleiding vaak wel op een ander spoor te brengen. Uitleg
    wordt, naarmate de fase vordert, steeds belangrijker.
    Begeleiding is gericht op het stimuleren van initiatiefname, verantwoordelijkheid leren dragen
    (op basis van succeservaringen) en het vormen van identiteit. Rolmodelling is dan ook
    belangrijk. Nabijheid zonder betutteling.

    Bied ruimte voor fantasie. Corrigeer alleen als de fantasieverhalen een gevoel van
    onveiligheid geven. De cliënt leert rekening te houden met anderen door ingrijpen van de
    begeleider, door te benoemen wat er niet goed is en waarom niet. Het waarom wordt steeds
    belangrijker en brengt de realiteitszin op gang. Het gedrag is onder andere te corrigeren door
    in te grijpen, door uit te leggen, iedere keer weer, dat jij dit (wat hij net deed) niet wilt hebben.
    Bijvoorbeeld omdat je een ander geen pijn moet doen. Jouw correcties en woorden brengen
    de realiteitszin op gang. Daardoor wordt het vermogen om rekening te houden met een
    ander ontwikkeld. Sociaal leren staat in deze fase centraal. Kijken hoe anderen iets doen.

    Een groepsgerichte benadering met het oog op sociaal leren is in deze fase aan de orde.
    Een uitnodigende (uitdagende), stimulerende benadering waarbij groepsregels een
    algemeen kader aangeven is belangrijk. Bij stressvolle of nieuwe situaties wordt tijdelijk
    individuele ondersteuning geboden. Confrontatie met sociaal gedrag kan plaatsvinden
    binnen de groep, terwijl meer inzichtgevende of persoonlijke confrontatie individueel gebeurt.
    Affectiviteit in de relatie is enerzijds een voorwaarde voor het sociaal leerproces, anderzijds
    is het belangrijk deze relatie professioneel te hanteren (losmakingproces).

    Verantwoordelijkheid leren dragen is een centrale doelstelling (op basis van
    succeservaringen). Het accent in de begeleiding verschuift in deze fase steeds meer van
    samen doen naar stimuleren tot zelf doen en zelf oplossingen bedenken.

    Kernwoorden eerste identificatiefase
            -      stimuleren van initiatiefname;
            -      sociaal leren staat voorop;
            -      identificatiefiguur;
            -      individuele benadering tijdens stressmomenten;
            -      invoelen emoties komt op gang;
            -      internalisatie normen en waarden komt op gang;
            -      aanwezigheid en begeleiding (correcties) blijven nodig;
            -      fantasie – werkelijkheid; realiteitsbesef groeit;
            -      naast elkaar spelen – samen spelen.

4.2 Kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleidingsstijl
    Herhaalde initiatiefname met negatieve sociale consequenties kan leiden tot angsten,
    schuldgevoel, verlaagde zelfwaardering, en tot verschillende vormen van
    compensatiegedrag: overdrevenheid, onechtheid, dwangmatigheid, opstandigheid en
    ontremdheid.
    Mogelijke gedragskarakteristieken: depressiviteit, passiviteit, tekort aan creativiteit,
    teruggetrokkenheid, starheid, fobieën, dwangmatigheid, overdreven zelfvertrouwen en
    ondernemingslust, motorische onrust of geremdheid en apathie. Afhankelijk van de
    supervisie van belangrijke anderen, egocentrisch, autoriteitsconflict, faalangst, zwakke


                                                                                                      10
    interactie met leeftijdgenoten, tekort aan zelfregulatie, vluchten naar fantasiewereld,
    somatische klachten bij psychische spanningen, gebrek aan initiatiefname naar de omgeving
    in contacten en activiteiten, stelen en ander crimineel gedrag.

    Aspecten van bejegening bij problematisch gedrag in deze fase:
    Af en toe    : individueel, nabijheid, begrenzing, confrontatie
    Regelmatig : uitbreiding, stimulering, affectiviteit, verantwoordelijkheid



5   REALITEITSBEWUSTWORDING (7 – 12 JAAR)
    De meeste kinderen zitten tussen hun 7e en 12e op de basisschool. De wereld gaat steeds
    meer voor hen open. Er zullen eisen aan het kind gesteld gaan worden die bij deze leeftijd
    passen. Zij gaan ook nieuwe vaardigheden leren waardoor hun leefwereld toegankelijker
    voor hen wordt. Als eerdere fasen goed doorlopen zijn, heeft het kind in toenemende mate
    zelfvertrouwen en voldoende eigenwaarde om tot prestaties te komen. Er is interesse en
    belangstelling voor de omgeving. Een kind dat voldoende gevoel van eigenwaarde heeft, zal
    gemakkelijker aansluiting vinden bij andere kinderen en invulling kunnen geven aan vrije tijd.
    Ook zullen teleurstellingen gemakkelijker geaccepteerd kunnen worden; hun
    frustratietolerantie is toegenomen.

    Het kind maakt zich sociale regels eigen, leert verantwoordelijk te zijn, heeft een
    geïnternaliseerd geweten, kan samenwerken en ontwikkelt vriendschappen. Vanaf het zesde
    levensjaar worden de relaties met leeftijdgenoten belangrijker en sterker. Voor de sociale en
    emotionele ontwikkeling zijn goed verlopende relaties met leeftijdgenoten onontbeerlijk. In
    groepsverband leren kinderen zich aan te passen aan de groepsregels, met elkaar te
    onderhandelen en met elkaar conflicten aan te gaan en op te lossen.
    Het kind krijgt in deze leeftijdsfase op school steeds nieuw materiaal aangeboden dat hij
    vervolgens moet proberen te begrijpen en in te passen in datgene dat hij al weet en ervaren
    heeft. Ieder kind is wel eens bang om te mislukken, fouten te maken of het verkeerd te doen.
    Sommige kinderen zijn echter zo vaak bang om te falen, dat hun prestaties hierdoor
    beïnvloed worden. Kinderen die onzeker zijn over hoe de dingen en zijzelf in elkaar zitten,
    zijn minder goed toegerust om nieuwe leerstof aan te kunnen. Zij overzien niet wat je van
    hen vraagt en worden daardoor angstig en onzeker. En als je angstig en onzeker bent, kun
    je niet goed presteren en ben je niet creatief in het bedenken van mogelijke oplossingen. Op
    die manier ontstaat faalangst. Kinderen in de basisschoolleeftijd die bang zijn, laten dat over
    het algemeen merken door lichamelijke klachten of via gedrag. Bange kinderen kunnen hun
    angst ook uiten door overdreven druk te zijn of door juist heel stil te worden. Het kind heeft
    angst om niet gewaardeerd te worden, het kent sociale angst. Zij kunnen ook moeite krijgen
    met in- en/of doorslapen of hun eetlust kan verminderen.

    Indien er sprake is van agressiviteit is deze gecontroleerd en heeft soms zelfs iets
    bestraffends, vanuit zwart/wit denken en strenge gewetensvorming. De nuancering ontbreekt
    vaak nog. Kinderen maken daardoor nog wel eens verkeerde interpretaties waardoor ze
    eigen ervaringen negatief labelen (“Ik ben stom, ik kan het toch niet”).

    In het omgaan met materiaal wordt de realiteit nagebootst; fantasiespelletjes zijn niet meer
    zo intensief. Daarnaast is het kind creatief en gericht op productiviteit. Als kinderen op de


                                                                                                    11
    basisschool zitten, gaan zij steeds meer spelen in groepsverband en meer associatief
    spelen, wat wil zeggen dat zij spelletjes en attributen van elkaar afkijken en overnemen en
    dat zij ook spelmateriaal van elkaar lenen of gebruiken. Naarmate kinderen ouder worden
    gaan zij meer coöperatief spelen, met als doel samen iets te bereiken. In de omgang met
    leeftijdsgenootjes kan het kind steeds beter geven en nemen, onderhandelen en
    samenwerken. Daarnaast speelt sociale competitie een toenemende rol. Kinderen in deze
    fase willen hun eigen lichamelijke prestaties meten.
    De omgang met volwassenen wordt vormgegeven in sociale en cognitieve prestaties. De
    wereld van het kind speelt zich in toenemende mate buiten het huis af. „De juf/meester weet
    het beter dan vader/moeder.‟ Het taalgebruik kenmerkt zich door realiteitszin.

5.1 Passende begeleidingsstijl bij de realiteitsbewustwording (7-12 jaar)
    Cognitieve vermogens groeien naarmate de cliënt daarvoor de gelegenheid, de rust, de
    ruimte en de tijd krijgt. Als cliënten voldoende geleerd hebben (onder andere door een
    consequente, voorspelbare, duidelijke, gestructureerde, liefdevolle en op de cliënt gerichte
    begeleiding) zijn zij over het algemeen goed voorbereid en kunnen zij de bredere sociale
    wereld aan waarin zij nu terecht zijn gekomen.
    Ook is het van belang om tijdig te signaleren wanneer een cliënt vastloopt in zijn relaties met
    anderen en na te gaan hoe dat komt (Is hij onzeker, egocentrisch, te weinig weerbaar,
    ontbreken er sociale vaardigheden?).

    Begeleiding in deze fase is met name gericht op stimuleren van zelfstandigheid en
    zelfvertrouwen. Begeleiding en ondersteuning op afstand, steunend en
    voorwaardenscheppend voor maximale zelfverantwoordelijkheid, maar niet betuttelend.
    Opdoen van positieve leerervaringen. Begeleiding dient ook te ondersteunen in de
    interpretaties die de cliënt maakt en soms dingen anders of genuanceerder labelen voor de
    cliënt. Een begeleider speelt een belangrijke rol: rolvoorbeeld, inzichtgevend, vanuit
    vertrouwensrelatie positieve feedback geven, helpen bij het maken van existentiële keuzes,
    loyaliteitsconflicten.

    Kernwoorden realiteitsbewustwording
            -      wereld speelt zich meer buitenshuis af;
            -      relaties met leeftijdsgenoten worden belangrijker en sterker;
            -      zelfvertrouwen en eigenwaarde;
            -      frustratietolerantie neemt toe;
            -      begeleiding voorwaardenscheppend en op afstand, hulp bij keuzes;
            -      erkenning van eigen prestaties;
            -      sociale competenties;
            -      sociale angst;
            -      volwaardigheid;
            -      productiviteit en creativiteit in het omgaan met de materiële wereld;
            -      vaste regels in sociaal gedrag.


5.2 Kenmerkende problematiek die voor kan komen bij een inadequate begeleidingsstijl
    Als een cliënt in eerdere fasen veel onduidelijkheid, onzekerheid en onveiligheid heeft
    ervaren, heeft het al zijn energie nodig om zich te handhaven in een voor hem bedreigende
    omgeving. Er blijft te weinig energie over om te leren, te groeien en zich te ontwikkelen.
    Cliënten die piekeren, angstig zijn, onzeker (gebrek aan zelfvertrouwen), antisociaal en/of


                                                                                                 12
niet over voldoende zelfrespect (minderwaardigheidsgevoelens) en eigenwaarde
beschikken, worden in die denkgroei belemmerd.


Door constante ervaringen van niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen, ontstaat
faalangst die de prestaties opnieuw negatief beïnvloedt. Daarnaast kan er een uitgesproken
behoefte bestaan zich waar te maken. In gevallen waar dat niet lukt kunnen
uitputtingsverschijnselen, angsten, paniekaanvallen, antisociale gedragingen, et cetera
ontstaan.
Mogelijke gedragskarakteristieken: negatief zelfbeeld, faalangst, zich bedreigd voelen, zich
benadeeld voelen, fobieën, crimineel gedrag, alcohol, drugsmisbruik.

Aspecten van bejegening bij problematisch gedrag in deze fase:
Weinig       : individueel, nabijheid, begrenzing
Af en toe    : uitbreiding, confrontatie
Regelmatig : affectiviteit
Veel         : stimulering, verantwoordelijkheid




Samenvatting
In deze publicatie hebben wij getracht een praktisch bruikbare weergave van de
verschillende fasen in de sociaal-emotionele ontwikkeling te geven. De SEO, ontwikkeld door
Došen, heeft gediend als uitgangspunt. Met behulp van deze vragenlijst kan een inschatting
gemaakt worden van de sociaal-emotionele ontwikkeling van een cliënt. Vervolgens kan
beoordeeld worden of deze ontwikkeling al dan niet in overeenstemming is met het totale
niveau van functioneren. Dit kan in verband gebracht worden met eventuele gedrags- en
psychische problemen.
Naast de weergave van de verschillende fasen, biedt deze publicatie praktische handvatten
voor de begeleiding.




                                                                                          13
Bronvermelding omschrijving fase en begeleidingsstijl
    Prof. Dr. A. Došen: SEO (Schaal Emotionele Ontwikkeling) en materiaal
      scholingsdagen SEO, ontwikkelingspsychiatrische diagnostiek en behandeling (2001-
      2002);
    Prof. Dr. A. Došen: materiaal scholing Post Academisch Onderwijs: Psychopathologie
      bij verstandelijk gehandicapten (2000);
    Nanda van Loen, artikel “Overschatting maakt kwetsbaar” (oktober 1996);
    Gitty Feddema en Aletta Wagenaar, “En als we nou weer eens gewoon gingen
      opvoeden” (juli 1999);
    Het groeiboek van het consultatiebureau, GVO Den Haag (2000);
    Peuterbrieven uitgegeven door: Stichting Thuiszorg Midden-Brabant.




Suggesties voor bruikbaar materiaal
    Totale communicatie hulpmiddelen (Weerklank gebaren/Vijfhoek pictogrammen e.d.);
    „Een doos vol gevoelens‟, Centrum voor ErvaringsGericht Onderwijs;
    „Ervaar het maar‟, Thyra Koeleman;
    „Doen, denken, durven‟, programma sociale ontwikkeling voor kleuters;
    Serie therapeutische kinderboeken van Martine Delfos;
    Serie „Hartenboeken‟ van Ann de Bode en Rien Broere;
    Serie „Kijk en Beleef‟;
    Project „Ik ben Bas‟.




tweede oplage
februari 2008

Sandra Zaal, GZ-psycholoog Cordaan
Margriet Boerhave, Video-Interactie Begeleider Cordaan
Marianne Koster, GZ-psycholoog Amsta




                                                                                    14

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:12
posted:1/15/2012
language:
pages:14