maarten
Shared by: HC120109181650
-
Stats
- views:
- 104
- posted:
- 1/9/2012
- language:
- Dutch
- pages:
- 31
Document Sample


BLOK 3.3: BORST
I. Hoest
Hoestmechanisme:
diepe inspiratie sluiten van glottis relaxatie van diafragma spiercontractie tegen gesloten glottis
vernauwing van trachea door positieve intrathoracale druk openen van glottis snelle luchtstroom door
trachea ( veroorzaakt door grote drukgradiënt tussen luchtwegen en buitenlucht en door vernauwde trachea )
eliminatie van slijm en corpora aliena
hoest als defensieve reflex: opbouw van reflexboog:
afferente banen: receptorne in sensorische takken van nn. trigeminus, glossopharyngeus, laryngeus
superior, vagus
efferente banen: n. laryngeus recurrens en ruggemergzenuwen
Ten eerste is het belangrijk te vragen hoe lang het hoesten al duurt en of het al eerder voorgekomen is:
nieuw ontstane hoest dat niet langer dan 4 weken duurt is acuut, hoest langer dan 4 weken of recidiverend is
chronisch
epidemiologisch gezien zijn de belangrijkste oorzaken van chronisch hoesten:
aandoeningen van de bovenste luchtwegen post-nasal drip
gastro-oesofageale reflux
obstructieve longaandoeningen
astma
COPD
chronische bronchitis
chronisch emfyseem
small airways disease
denk bij acute hoest met koorts aan een pneumonie ( vooral in geval van locaal gedempte percussie met
bronchiaal ademgeruis )
Vervolgens is het handig om te vragen naar het al of niet ophoesten van sputum onderscheid productieve
en niet-productieve hoest; daarnaast is het aspect van het sputum van belang:
groen sputum duidt op ontsteking ( kleur veroorzaakt door myeloperoxidase uit granulocyten ); let erop
dat groen sputum dus niet alleen bij infecties past
in geval van grote hoeveelheden groen sputum ( vaak met bloed ) dat onwelriekend is denk aan
bronchiëctasieën
bruin-rode ( roestkleurig ) sputum = sputum rufum pneumokokkenpneumonie
Op grond van anamnese en lichamelijk onderzoek kan je aardig snel erachter komen waar het probleem zit:
bovenste luchtwegen:
neusklachten
tranende ogen
sinusklachten
niezen
bronchiaalboom
benauwdheid
piepende ademhaling
(vesiculair) ademgeruis met verlengd expirium
(vnl. expiratoire) rhonchi
(vnl. inspiratoire stridor) (vrij grote) obstructie haastige spoed is hier wel goed
longparenchym
koorts
benauwdheid
crepitaties
pleura
pleuritische pijn ( scherpe pijn, vastzittend aan ademhaling, vaak kortademigheid door pijn )
pleurawrijven
1
Obstructieve longaandoeningen: 2 ziekten, nl. astma en COPD ( chronic obstructive pulmonary disease );
belangrijkste verschil: pathogenese en klachten bij astma zijn reversibel, bij COPD niet; volgens Harrison is
er bij astma meestal sprake van recidiverende hoest en bij COPD van chronische hoest; dit is echter lang niet
altijd zo
COPD:
epidemiologie: zeer frequent, vooral bij mannen ouder dan 40 jaar
pathogenese: chronische ontsteking van de luchtwegen, longparenchym en pulmonaire vaatbedden
infiltraat van macrofagen, CD8+ TC-cellen en neutrofielen met secretie van mediatoren ( o.a. TNF,
IL-8, LTB4 ); ontsteking veroorzaakt door blootstelling aan geïnhaleerde deeltjes/gassen
naast ontsteking speelt, vooral bij chronisch emfyseem, een relatieve verhoging van proteïnasen
t.o.v. antiproteïnasen een belangrijke rol
pathogenetische factoren:
roken
luchtvervuiling
werk blootstelling aan bepaalde chemicaliën
genetische/familiaire factoren, vnl. bekend bij 1-antitrypsine-deficiëntie ( tekort aan bepaalde
antiproteïnase proteolytische enzymen krijgen de overhand vooral bij chronisch
emfyseem )
kliniek
ten eerste de classificatie
Stadium Beschrijving Kenmerken
0 risicogroep - chronische symptomen
(productieve hoest)
- normale spirometrie
I milde COPD - FEV1/VC < 70%
- FEV1 80%
- met/zonder chronische
symptomen
II matige COPD - FEV1/VC < 70%
- IIA: 50% FEV1 < 80%
IIB: 30% FEV1 < 50%
- met/zonder chronische
symptomen
III ernstige COPD - FEV1/VC < 70%
- FEV1 < 30%
- FEV1 < 50% met
respiratoir falen of
tekenen van rechtszijdige
decompensatio cordis
(cor pulmonale)
denk aan COPD bij aanwezigheid van meer dan 1 van de volgende factoren:
chronisch hoesten ( meestal alleen overdag )
chronisch sputum erbij
dyspnoe:
progressief
persisterend
beschreven als “moeite met ademhalen”
zowel dyspneu d’effort als de repos
verergering bij luchtweginfecties
blootstelling aan risicofactoren:
tabakrook
chemicaliën op het werk
luchtvervuiling
2
COPD: 2 ziektebeelden:
chronische bronchitis: klinisch gedefinieerd als productieve hoest op de meeste dagen van
minstens 3 maanden gedurende minstens 2 opeenvolgende jaren diagnose vrij gemakkelijk
op basis van anamnese te stellen
meestal sprake van toenemende dyspneu d’effort
vaak ook acute exacerbaties:
perioden met toegenomen sputumproductie ( vaak ook groener ) en koorts
betrokken microörganismen meestal Haemophilus influenzae en Streptococcus
pneumoniae
lichamelijk onderzoek:
inspectie: normaal
percussie: normaal (sonoor)
auscultatie: vesiculair ademgeruis met verlengd expirium en diffuus expiratoire
rhonchi (vnl. laagfrequent)
chronisch emfyseem: abnormale volumetoename van alveolaire ruimte door afbraak van
alveoliare wanden ( verlies van elasticiteit “slappe” long luchtwegen collaberen heel
makkelijk vnl. bemoeilijkte expiratie )
vaak al lange tijd dyspnoe waar dan later hoest bij komt; acute exacerbaties ( zoals bij
chronische bronchitis ) komen minder vaak voor
ernstig emfyseem pursed lips breathing hoge druk in de luchtwegen luchtwegen
collaberen moeilijker makkelijker ademhalen
lichamelijk onderzoek:
inspectie: tonvormige thorax ( hyperinflatiestand )
percussie: beiderzijds hypersonoor
auscultatie: verzwakt ademgeruis met verlengd expirium
diagnostiek
longfunctie-onderzoek: bepalen FEV1, VC en FEV1/VC-ratio ( zie tabel COPD-classificatie )
aantonen ( mate van ) obstructie
reversibiliteitstest: toedienen van bronchodilatoren ( en als dat negatief is, corticosteroïden ) en
weer longfunctie bepalen COPD is niet reversibel; de belangrijkste bronchodilatoren die
gebruikt worden bij zulk onderzoek zijn:
2-agonisten, b.v. salbutamol, salmeterol, terbutaline
anticholinergica, vnl. ipratropium
X-thorax: let op hyperinflatie ( afplatting diafragmakoepels )
let ook op hypertrofie van het rechter hart dit kan wijzen op de ontwikkeling van een zgn.
cor pulmonale ( belangrijke complicatie van obstructieve longaandoeningen )
COPD op jonge leeftijd ( < 45 jaar ): 1-antitrypsine meten
RAST-test: ter uitsluiting van allergisch astma
beleid bij COPD bestaat uit een aantal onderdelen:
risicofactoren verminderen: stoppen met roken!
stabiele COPD behandelen: de behandeling van chronische longaandoeningen bestaat uit twee
soorten stoffen:
bronchodilatoren:
2-agonisten: salmeterol, salbutamol, etc.
bijwerkingen:
hartkloppingen
tremoren
anticholinergica: vnl. ipratropium
bijwerkingen:
droge mond
reactieve hoest
xanthine-derivaten: theofylline, aminofylline, etc.
bijwerkingen:
anorexie
misselijkheid, braken
hoofdpijn
3
lichte stimulatie van het CZS
buikklachten
tachycardie en andere aritmieën
insulten bij hoge doses
interacties: vooral toxisch in combinatie met andere geneesmiddelen die dezelfde
metabole pathway ( nl. via de lever ) hebben, o.a.:
macrolide-antibiotica
protonpompremmers
ontstekingsremmers: corticosteroïden in de vorm van inhalatiesteroïden in principe alleen in
de volgende situaties:
nooit gerookt ( waarschijnlijk dus COPD met een astma-component )
vroeger astma
evidente bronchiale hyperreactiviteit
goede reactie op proefbehandeling prednison
Stadium Behandeling
Alle - risicofactoren vermijden
- griepprik
0 - geen
I - kortdurende bronchodilatoren indien
nodig
IIA - regelmatig bronchodilatoren
- inhalatiesteroïden bij gebleken succes
IIB - regelmatig bronchodilatoren
- inhalatiesteroïden bij gebleken succes
en/of bij herhaalde exacerbaties
- rehabilitatie
III - regelmatig bronchodilatoren
- inhalatiesteroïden bij gebleken succes
en/of bij herhaalde exacerbaties
- respiratoir falen O2-toediening
- rehabilitatie
exacerbaties behandelen: meestal infecties van bronchiaalboom met:
toename wanddikte door ontsteking toename obstructie
toename slijmproductie
toename V/Q-mismatch hypoxie
behandeling bestaat in de eerste plaats uit orale steroïden (prednison), evt. met antibiotica en, in
geval van cor pulmonale, met diuretica
diagnostiek bij exacerbaties:
longfunctie: FEV1 < 1,0 L probleem
arteriële bloedgassen: PaO2 < 8,0 kPa ( 60 mm Hg ) en/of SaO2 < 90% respiratoir falen
sputumkweek is niet nodig: purulent ( geel/groen ) sputum bij exacerbatie-klachten is al
voldoende indicatie voor antibiotica ( breedspectrum tegen Streptococcus pneumoniae,
Haemophilus influenzae en Moraxella catarrhalis )
differentiële diagnostiek van COPD:
COPD:
meestal onset op middelbare leeftijd
roken in voorgeschiedenis
langzaam progressief met acute exacerbaties
dyspneu d’effort
irreversibele obstructie ( na toediening bronchodilatoren en steroïden )
astma:
meestal onset op jonge leeftijd
sterk variërende symptomen
ook nachtelijke symptomen
tekenen van allergie en/of bronchiale hyperreactiviteit
vaak positieve familie-anamnese
reversibele obstructie
4
decompensatio cordis:
orthopnoe
oedemen
fijne crepitaties in basale longvelden
X-thorax: hartdilatatie, tekenen van longstuwing ( Kerley-B-lijntjes )
restrictieve aandoening
bronchiëctasieën:
veel purulent sputum ( vaak met hemoptoë )
meestal met bacteriële infecties
ruwe crepitaties en rhonchi
X-thorax/CT-thorax: luchtwegen wijder dan bijbehorende arteriën
tuberculose:
X-thorax: infiltraat ( meestal nodulaire lesie bij de hilus )
positieve sputumkweek met Ziehl-Neelsen-kleuring
hoge tbc-prevalentie
De belangrijkste ziektebeelden bij “hoest” heb ik al genoemd in het stukje over COPD; overal aantal nog
wat aanvullende opmerkingen
Bronchiëctasieën:
belangrijkste oorzaken:
infectieus:
primair ( vooral pneumonie op kinderleeftijd kan bronchiëctasieën veroorzaken )
secundair bij verminderde luchtwegweerstand:
Ig-deficiëntie
stoornissen van de ciliën (trilhaartjes):
primaire ciliaire dyskinesie ( bij mannen ook infertiliteit )
Kartagener-syndroom
cystic fibrosis: denk hieraan bij patiënten met recidiverende bronchitis en darmklachten
( b.v. pancreatitis )
toxisch: o.a. bij allergische bronchopulmonaire aspergillose (ABPA)
diagnostiek:
X-/CT-thorax
Aspergillus-precipitatie
RAST/histamine-provocatie: astma uitsluiten
therapie: indien mogelijk onderliggend lijden aanpakken
optimaliseren van mucocilaire klaring ( o.a. veel bewegen )
evt. antibiotica
resectie bij unilobaire afwijkingen
Tuberculose:
denk hieraan bij malaise, vermagering, koorts, gewichtsverlies in een korte periode in het licht van land
van herkomst, recente reizen of leeftijd ( voor de Tweede Wereldoorlog kwam tbc ook in Nederland
veel voor! ); vooral in combinatie met lymfadenopathie en infiltratiekenmerken bij lichamelijk
onderzoek
diagnostiek:
Mantoux
X-thorax: meestal ronde haarden bovenin de long ( behalve bij miliaire tbc haarden verspreid in
de longen )
sputumkweek met Ziehl-Neelsen-kleuring ( zuurvaste staven )
therapie: 2 maanden intensief met isoniazide (INH), rifampicine en pyrazinamide, dan 4 maanden
continuatietherapie met INH en rifampicine
over het algemeen is een tbc-patiënt al na twee weken behandeling niet meer besmettelijk
5
Luchtweginfecties:
pneumokokkenpneumonie:
verwekker: Streptococcus pneumoniae
anamnese:
acuut begin
hoge koorts met koude rillingen
pijn op de borst
roestkleurig sputum ( sputum rufum )
lichamelijk onderzoek:
lobaire afwijkingen ( gedempte percussie, bronchiaal ademgeruis )
koorts
sputum rufum
X-thorax: lobair infiltraat
risicofactoren:
alcoholisme
splenectomie
hoge leeftijd
hypogammaglobulinemie
onderliggend longlijden
stafylokokkenpneumonie:
verwekker: Staphylococcus aureus
anamnese: “griep”, aanvankelijk verbeterend, daarna slechter
lichamelijk onderzoek:
ernstig zieke patiënt
cyanose
dyspnoe
X-thorax: beiderzijds uitgebreide alveolaire infiltraten
complicaties: zeer hoge mortaliteit
legionellapneumonie:
verwekker: Legionella pneumophila
anamnese:
prodromen met malaise, myalgie, hoofdpijn, diarrhee
koorts
niet-productieve hoest
verwardheid/coma
lichamelijk onderzoek:
tekenen van ( vaak meerdere ) infiltraten
veranderd bewustzijn
X-thorax: ( vaak meerdere ) alveolaire infiltraten
risicofactoren:
reizen
roken/alcohol
verminderde cellulaire immuniteit
complicaties:
overlijden zonder behandeling
abscesvorming
mycoplasmapneumonie:
verwekker: Mycoplasma pneumoniae
anamnese:
klachten van bovenste luchtwegen
hoofdpijn
hardnekkige, niet-productieve prikkelhoest
koorst
lichamelijk onderzoek:
tonsillitis/faryngitis
weinig tot geen tekenen van infiltraat
X-thorax: alveolair infiltraat ( discrepantie met lichamelijk onderzoek )
6
psittacose:
verwekker: Chlamydia psittaci
anamnese:
koorts
hoofdpijn, malaise, myalgie
niet-productieve hoest
huisdieren (vogels!)
lichamelijk onderzoek:
crepiteren
meestal geen tekenen van infiltraat
X-thorax: interstitieel/alveolair infiltraat
risicofactoren: vogels
aspiratiepneumonie:
verwekker:
keelflora
aeroben/anaeroben
anamnese:
koorts
dyspnoe
productieve hoest
verslikken
lichamelijk onderzoek: tekenen van infiltraat
risicofactoren:
alcoholisme
epilepsie en andere neurologische afwijkingen
anaesthesie
complicaties:
abscesvorming
pleura-empyeem
interstitiële pneumonie:
oorzaak:
infectieus verwekker:
virussen, b.v.:
influenza
CMV
Varicella
Pneumocystis carinii ( vooral bij AIDS )
niet-infectieus, o.a.:
sarcoïdose
interstitiële longfibrose
extrinsieke allergische alveolitis
anamnese:
niet-productieve hoest
koorts
dyspnoe
lichamelijk onderzoek:
(droge) crepitaties
verder weinig symptomen
X-thorax: versterkte interstitiële tekening met later ook alveolaire afwijkingen
risicifactoren: verminderde cellulaire immuniteit
complicatie: gestoorde gaswisseling ( beademing )
Bij alle luchtweginfecties bestaat de diagnostiek uit X-thorax en sputumkweek, met evt. serologie, behalve
bij interstitiële pneumonie ( longbiopt )
In Nederland is de top 3 van pneumonieën:
pneumokokkenpneumonie
mycoplasmapneumonie
7
chlamydiapneumonie
Een aantal algemene opmerkingen over hoest
Denk bij aanhoudende hoest met een zeer abrupt begin, vooral bij kinderen en verstandelijk gehandicapten,
aan een corpus alienum
Chronische/recidiverende hoest: 3 vormen van diagnostiek:
X-thorax: infiltraten, hyperinflatie, longstuwing, decompensatio cordis
spirometrie: obstructie/restrictie ( evt. met reversibiliteitstest )
CO-diffusietest: stoornissen van gasuitwisseling
Verergering van hoest bij achteroverliggen denk aan:
decompensatio cordis
gastro-oesofageale reflux
Klachten die niet reageren op standaard antibiotica ( b.v. doxycycline, amoxycylline, e.d. ) denk aan:
maligniteit
tuberculose
Hoest t.g.v. longstuwing bij b.v. decompensatio cordis gaat vaak gepaard met hemoptoë ( klassiek: roze
schuimend sputum )
Hoest is één van de belangrijkste bijwerkingen van ACE-remmers ( naast duizeligheid, electrolyt-
stoornissen, nierinsufficiëntie, angio-oedeem )
II. Hemoptoë
Bloed ophoesten is iets waar je altijd de nodige aandacht aan moet besteden vrijwel altijd wordt er wel
aanvullend onderzoek gedaan
In de anamnese moeten in ieder geval de volgende punten aan de orde komen:
7 dimensies van de hoofdklacht
familiar voorkomen ( met het oog op hemofilie )
medicatie ( vnl. anticoagulantia, NSAID’s )
Het lichamelijk onderzoek levert vaak niets op; bij voldoende obstructie van de luchtwegen door stolsels ( of
door een tumor! ) kan atelectase optreden; pleurawrijven kan er ook nog zijn ( longembolie! )
Het aanvullend onderzoek bestaat in eerste instantie uit een X-thorax:
bij een normale X-thorax ga je over op bronchoscopie ( bij klinische verdenking op longembolie echter
V/Q-scan )
normale bronchoscopie bronchialisangiografie: indien normaal pulmonalisangiografie
zie schema op volgende pagina
8
hemoptoë
X-thorax
afwijking aangetoond normaal
bronchoscopie
afwijking aangetoond
normaal
bronchialisangiografie
pulmonalisangiografie afwijking aangetoond
Volgens het blokboek zijn de zes belangrijkste oorzaken van hemoptoë: longinfarct ( secundair aan
longembolie ), vaatanomalie, longstuwing, bronchuscarcinoom, tuberculose en brochiëctasieën
met vaatanomalie wordt bedoeld dat er ergens anatomische afwijkingen zitten in de capillaire
netwerken van de pulmonalis- en bronchialiscirculatie; hoewel dit vrijwel zeldzaam is, moet je er vooral
aan denken bij jonge volwassenen zonder voorafgaand lijden, die bloed gaan ophoesten
tuberculose en bronchiëctasieën zijn al bij HOEST aan de orde gekomen; lees het daar maar na als je
daarop kickt
Longstuwing:
belangrijkste oorzaken:
links decompensatio cordis ( b.v. door myocardinfarct ) en mitralisinsufficiëntie
klinisch beeld:
ophoesten van roze schuimend sputum ( vooral bij achterover liggen )
auscultatie: beiderzijds eindinspiratoire crepitaties in basale longvelden ( maar bij ernstige
longstuwing ook hoger )
diagnostiek: X-thorax Kerley-B-lijntjes ( versterkte interstitiële tekening van longparenchym
diffuse lijntjes )
therapie:
aanpakken van onderliggend lijden
diuretica
evt. O2-toediening
complicaties: belangrijkste complicatie is astma cardiale: plotselinge extreme kortademigheid met veel
roze schuimend sputum en hyperventilatie-klachten therapie: O2 en nitraten
Het verschijnsel longembolie is jullie niet geheel onbekend; daarom slechts een aantal opmerkingen
belangrijkste klinische gegevens:
dyspnoe
tachypnoe
acute pleuritische pijn
hemoptoë
pleurawrijven
in geval van longinfarct vaak ook koorts
X-thorax: meestal normaal; sterker nog, Harrison beweert dat een normale X-thorax bij een patiënt met
dyspnoe, hemoptoë en/of pijn op de borst een longembolie zeer waarschijnlijk maakt en wie ben ik om
dat tegen te spreken?
9
aanvullend onderzoek: V/Q-scan/CT-thorax, evt. pulmonalisangiografie
therapie: antistolling heparine i.v.
Bronchuscarcinoom
epidemiologie:
incidentie is aan het afnemen bij mannen, maar neemt toe bij vrouwen
gemiddeld in Nederland: 8000-9000 nieuwe gevallen per jaar
zeer hoge mortaliteit
etiologie:
ROKEN!
een bepaalde mate van genetische predispositie
carcinogenen in vervuild lucht ( b.v. asbest veroorzaakt ook mesothelioom )
pathologie: indeling in:
kleincellig (ongedifferentieerd) bronchuscarcinoom (20-25%)
niet-kleincellig bronchuscarcinoom:
plaveiselcelcarcinoom (36%)
adenocarcinoom (20%)
adenosquameus bronchuscarcinoom (<5%)
grootcellig ongedifferentieerd carcinoom (11%)
indeling in kleincellig en niet-kleincellig bronchuscarcinoom heeft belangrijke klinische betekenis:
kleincellig is zeer agressief, metastaseert zeer snel en groeit dwars door anatomische grenzen heen
eerste keus therapie bij kleincellig bronchuscarcinoom is dus chemotherapie, bij niet-kleincellig
bronchuscarcinoom is dat chirurgie
klinisch beeld:
door locale tumorgroei:
hoest
hemoptoë
stridor
dyspnoe
door perifere groei van primaire tumor:
pleuritische pijn ( dyspnoe)
bij complete bronchusobstructie atelectase en/of obstructiepneumonie + locaal gedempte
percussie en opgeheven ademgeruis ( maar bronchiaal ademgeruis bij atelectase van rechter
bovenkwab )
door regionale uitbreiding in thorax:
trachea-obstructie
oesofagus-compressie dysfagie
heesheid door paralyse van (linker) n. recurrens
compressie van n. phrenicus hikken of verhoging van hemidiafragma
Horner-syndroom: druk op ganglion stellatum gestoorde sympathische innervatie van ogen,
speekselklieren en vaten van het hoofd pupilvernauwing, ptosis en vaatverwijding
Horner-syndroom + pijn in arm Pancoast-tumor ( in longtop druk op ganglion
stellatum en plexus brachialis )
ingroei in/druk op v. cava superior v. cava superior-syndroom: dikke hals, vol gevoel in het
hoofd ( vooral ’s ochtends en bij vooroverbuigen ), CVD , oedeem aan bovenste
extremiteiten, verhoogde venetekening in bovenste hemithorax
extrathoracale manifestaties:
metastasering naar:
hersenen
bot:
hypercalciëmie
wervelinzakking
ruggemergcompressie
beenmerg
lever
klier van Virchow
10
paraneoplastisch:
anorexie
cachexie
koorts
malaise
endocriene stoornissen:
hypercalciëmie + hyperfosfatemie bij secretie van PTH-like factor door vnl.
plaveiselcelcarcinomen
hyponatriëmie bij SIADH ( syndrome of inappropriate ADH ) door vnl. kleincellig
bronchuscarcinoom
hypokaliëmie bij ACTH-secretie door vnl. kleincellig bronchuscarcinoom
skelet-/bindweefselafwijkingen
neurologische afwijkingen o.a.:
Eaton-Lambert-syndroom: Ig-gemedieerde kruisreactie met tumorantigen en
onderdeel van presynaptisch Ca2+-kanaal acetylcholine-secretie
stollingsstoornissen verhoogd risico op thrombo-embolie, terwijl de primaire tumor
zelf een verhoogde bloedingsneiging vertoont
diagnostiek:
histologische typering: X-thorax
CT-thorax
centrale lesie perifere lesie
bronchoscopie transthoracale naaldbiopsie of
longbiopsie bij thoracoscopie
stadiëring:
5-Year Survival Rate, %
Surgical-
Pathologic
Stage TNM Descriptors Clinical Stage Stage
IA T1 N0 M0 61 67
IB T2 N0 M0 38 57
IIA T1 N1 M0 34 55
IIB T2 N1 M0 24 39
IIB T3 N0 M0 22 38
IIIA T3 N1 M0 9 25
T1-2-3 N2 M0 13 23
IIIB T4 N0-1-2 M0 7 <5
T1-2-3-4 N3 M0 3 <3
IV Any T any N M1 1 <1
TUMOR (T) STATUS DESCRIPTOR
T0 No evidence of a primary tumor
TX Primary tumor cannot be assessed, or tumor proven by the presence of malignant cells in sputum or
11
bronchial washings but not visualized by imaging or bronchoscopy
TIS Carcinoma in situ
T1 Tumor >3 cm in greatest dimension, surrounded by lung or visceral pleura, without bronchoscopic
evidence of invasion more proximal than lobar bronchus (i.e., not in main bronchus)
T2 Tumor with any of following: >3 cm in greatest dimension; involves main bronchus, 2 cm distal to
the carcina; invades visceral pleura; associated with atelectasis or obstructive pneumonitis extending
to hilum but does not involve entire lung
T3 Tumor of any size that directly invades any of the following: chest wall (including superior sulcus
tumors), diaphragm, mediastinal pleura, parietal pericardium; or tumor in main bronchus <2 cm
distal to carina but without involvement of carina; or associated atelectasis or obstructive
pneumonitis of entire lung
T4 Tumor of any size that invades any of the following: mediastinum, heart, great vessels, trachea,
esophagus, vertebral body, carina; or tumor with a malignant pleural or pericardial effusion, or with
satellite tumor nodule(s) within the ipsilateral primary-tumor lobe of the lung.
LYMPH NODE (N) INVOLVEMENT DESCRIPTOR
NX Regional lymph nodes cannot be assessed
N0 No regional lymph node metastasis
N1 Metastasis to ipsilateral peribronchial and/or ipsilateral hilar lymph nodes, and intrapulmonary nodes
involved by direct extension of the primary tumor
N2 Metastasis to ipsilateral mediastinal and/or subcarinal lymph nodes(s)
N3 Metastasis to contralateral mediastinal, contralateral hilar, ipsilateral or contralateral scalene, or
supraclavicular lymph node(s)
DISTANT METASTASIS (M) DESCRIPTOR
MX Presence of distant metastasis cannot be assessed
M0 No distant metastasis
M1 Distant metastasis present
lymfklierstations:
1. ipsilaterale hilusklieren
2. ipsilaterale mediastinale klieren
3. contralaterale mediastinale klieren of supraclaviculaire klieren
therapie:
Harrison table 90-5: Summary of treatment approach to lung cancer patients
belangrijkste factoren bij het opstellen van een behandelplan zijn:
conditie van de patiënt ( performance score )
contraïndicaties voor chirurgie:
myocardinfarct in afgelopen 3 maanden
ernstige aritmieën
FEV1 1,0 L
ernstige pulmonale hypertensie
tumorstadium
persoonlijke wens van de patiënt
prognostische voorspellers:
tumorstadium
performance score
Algemene opmerkingen over hemoptoë
12
Denk bij progressief bemoeilijkte ademhaling met hemoptoë na thoraxtrauma aan ARDS diagnostiek
m.b.v. X-thorax
Ronde schaduw (coin lesion) in de long op X-thorax:
maligniteit
absces
granuloom
carcinoïd ( kan net als bronchuscarcinoom ook endocrien actief zijn! )
aretrioveneuze malformatie
cyste
tuberculose
klein longinfarct
Spoedbeleid bij massale hemoptoë ( volgens de boeken is massale hemoptoë zoiets als meer dan 100 ml
bloed in 1 keer; dat vind ik een beetje onzin, want ik heb in ieder geval niet standaard een maatbeker bij me
voor het geval iemand bloed gaat ophoesten massale hemoptoë kan beter gedefinieerd worden het
ophoesten van een zodanige hoeveelheid bloed, dat circulatie en/of ventilatie erdoor bedreigd worden ):
massale hemoptoë
stabilisatie circulatie + ventilatie
X-thorax
doorbloeden bloeding is gestopt
fibroscopie/starre bronchoscopie fibroscopie + verder onderzoek
met locale therapie:
- adrenaline
- tamponeren
- laseren
doorbloeden bloeding stopt
angiografie + embolisatie thoracotomie
III. Pijn op de borst
Pijn op de borst heeft erg veel oorzaken ( zowel thoracaal als extrathoracaal ); in dit blok wordt de nadruk
gelegd op throacale problematiek verwacht dus niet oraties en uitwijdingen over het ulcus duodeni
13
Thoracale problematiek: aandoeningen van:
thoraxwand:
huid
spieren
bot:
ribben
sternum
wervelkolom
thoraxorganen:
hart
grote vaten:
aorta
v. cava superior
v. cava inferior
a. pulmonalis
v. pulmonalis
longen/pleura/luchtwegen
oesofagus
diafragma
Voordat ik met mijn uitwijding over pijn op de borst begin, eerst even iets over de principes van
pijngeneratie
Een typische huis-tuin-keuken zenuw in de periferie bevat 3 soorten neuronen:
sensorische afferente neuronen
motorische efferente neuronen
sympathische postganglionaire neuronen
Verschillende typen sensorische neuronen, onderverdeeld o.b.v. diameter en mate van myelinatie:
A--neuronen:
grootste diameter
innerveren vnl. huid
A--neuronen:
kleinere diameter
C-neuronen:
geen myelineschede
De A--neuronen en C-neuronen innerveren zowel huid als diepe structuren en worden de primaire afferente
nociceptoren (pijnreceptoren) genoemd
Sensorische neuronen synapteren in ruggemerg met vezels van tractus spinothalamicus loopt door
anterolaterale witte stof van ruggemerg, laterale medulla oblongata, pons en mesencephalon tot in de
contralaterale thalamus van daar gaan vezels naar somatosensorische cortex ( locatie, intensiteit,
kwaliteit van de pijn ) en naar de frontaalkwab en gyrus cinguli ( emotionele dimensies van de pijn )
Een aantal structuren bevat geen zenuwuiteinden en kan dus geen pijn geven:
longparenchym
pleura visceralis
14
pericard ( pericarditis pijn door prikkeling van pleura parietalis of van diafragma )
bot
Structuren die wel pijn kunnen geven zijn:
pleura parietalis ( sympathicus, n. phrenicus en intercostaalzenuwen )
ontsteking
tumor
periost ( intercostaalzenuwen )
fractuur
kneuzing
tumor
ontsteking
myocard ( sympathicus en n. vagus )
ischemie
synovia van gewrichten ( intercostaalzenuwen )
ontsteking
slijmvlies van grote luchtwegen ( sympathicus en n. vagus )
ontsteking
spasmen
slijmvlies/spierwand van oesofagus ( sympathicus en n. vagus )
ontsteking
spasmen
huid en skeletspieren ( o.a. intercostaalzenuwen )
trauma
ontsteking
diafragma ( n. phrenicus pijn in hals/schouder )
prikkeling door ontstoken organen, b.v. pericarditis, cholecystitis, enz.
Belangrijk verschil tussen thoraxwandpijn en intrathoracale pijn: mate van localiseerbaarheid:
thoraxwand: somatische pijn goed localiseerbaar “pinpointen” mogelijk
thoraxorganen: viscerale pijn slecht localiseerbaar + referred pain
Enkele van de belangrijkste thoraxwandproblemen zijn:
ribfractuur/-kneuzing
Herpes Zoster
syndroom van Tietze: pijn bij kraakbeenovergangen costochondrale/sternochondrale pijn volgens
anatomie-practicum frequentste oorzaak van pijn op de borst ( palperen! )
Ziektebeelden die je niet wil/mag/moet missen zijn de cardiale problemen; zoals al eerder is opgmerkt is de
enige oorzaak van myocardpijn ischemie door eem discrepantie tussen myocardiaal O 2-verbruik en O2-
behoefte
belangrijkste oorzaak: coronairsclerose ( vernauwing van coronairlumen door atherosclerose )
15
daarnaast ook aortaklepstenose en hypertrofische cardiomyopathie
Ziektebeelden die het gevolg zijn van myocardischemie:
stabiele angina pectoris (AP): incomplete afsluiting van een coronairvat door atherosclerotische plaque
instabiele angina pectoris (IAP): ruptuur van atherosclerotische plaque trombusvorming
toenemende afsluiting van coronairvat
myocardinfarct (MI): complete afsluiting van coronairvat door trombus
IAP en MI zijn pathofysiologisch verwant acute coronairsyndromen
Eerst de risicofactoren voor atherosclerose:
hypertensie
hypercholesterolaemie
roken
man
oudere leeftijd
diabetes mellitus ( vnl. type II )
diabetische neuropathie en dyslipidaemie stille ischemie!
familiair voorkomen van coronairvaatlijden
adipositas
Stabiele angina pectoris (AP):
etiologie:
coronairvaatlijden
ernstige anemie
aortastenose
hypertrofische cardiomyopathie
hypertensie
small vessel disease
coronairspasmen Prinzmetal-angina
kliniek:
kortdurende ( meestal 1-3 minuten, max. 30 minuten ), retrosternale pijn ( beklemmend, snoerend,
samentrekkend; niet de scherpe pijn van b.v. aneurysma dissecans aortae )
uitstraling naar hals, onderkaak, schouders ( meestal links ), epigastrium, interscapulair, linker arm
( tot in de pink )
uitgelokt door inspanning, emotie, zware maaltijden overgang warm koud
verlicht door rust en toediening sublinguale nitraten ( nitroglycerine, isosorbidedinitraat, e.d. )
coronaire en veneuze dilatatie
typische anamnese:
retrosternale klachten ( m.n. beklemming ) bij provocatie ( m.n. inspanning )
verdwijnen van de klachten:
in rust
na toediening van sublinguale nitraten
lichamelijk onderzoek: meestal niet erg schokkend; soms tijdens aanval S3 of S4
bij bepaalde oorzaken van AP wel bijzonderheden, b.v. midsystolisch geruis in 2R uitstralend naar
de carotiden bij aortastenose
diagnostiek:
ECG
inspannings-ECG ( fietsergometrie ):
provocatie van klachten die weer verdwijnen in rust
ST-segment depressie
myocardscintigrafie
coronairangiografie absolute zekerheid over coronairvatvernauwing; duur en niet geheel zonder
risico’s
D.D.:
IAP
MI
16
syndroom van Tietze
pleuritische pijn
ulcus pepticum
cholecystitis/cholangitis
pericarditis
aneurysma dissecans aortae
therapie:
niet-medicamenteus:
stoppen met roken
lichaamsbeweging
dieet
goed instellen van evt. diabetes
medicamenteus:
tijdens aanval ( na wegnemen van provocatie ):
sublinguale nitraten vorming NO-radicalen veneuze en coronaire dilatatie;
voorbeelden:
nitroglycerine
isosorbidedinitraat
onderhoudsbehandeling ( verhoging drempel voor toekomstige AP ):
-blokkers: 1ste keus bij begin van behandeling: remming van 1-adrenerge receptoren
hartritme , bloeddruk , myocardcontractiliteit O2-behoefte + perfusietijd bij
inspanning
bijwerkingen: lusteloosheid, gevoel van koude, impotentie, trage hartslag, dyspnoe
door hartfalen of bronchospasmen, hartritmestoornissen
contraïndicaties:
sinusbradycardie
2e/3e graads AV-blok
bronchospasmen
hypotensie
cardiogene shock
voorbeelden: metoprolol, sotalol, nebivolol ( zeer selectieve 1-blokker )
je kan ook Ca2+-antagonisten ( vnl. diltiazem en verapamil ) geven, maar niet in
combinatie met -blokkers ( anders hypotensie, hartfalen, geleidingsstoornissen )
bijwerkingen: perifeer oedeem, hartkloppingen, hartfalen, duizeligheid, hypotensie
evt. behandeling met nitraten toevoegen aan bestaande -blokker-therapie
preventie acuut coronair syndroom (IAP en/of MI):
progressie van coronairvaatlijden tegenhouden met cholesterolverlaging d.m.v. statines
( b.v. simvastatine, pravastatine ) indicaties:
aangetoond coronairvaatlijden
DM type II
familiair voorkomen van coronairvaatlijden
veel roken
antitrombotische therapie: 3 mogelijkheden ( niet combineren ):
acetylsalicylzuur remming cyclo-oxygenase TXA2 activatie + aggregatie
van thrombocyten
als aspirine 80 mg dd
als carbasalaat calcium (Ascal) 100 mg dd
clopidogrel ADP thrombocytenaggregatie
orale anticoagulantia ( heparine, coumarinen ) trombine
ACE-remmers ( b.v. ramipril 10 mg dd ) bloeddruk myocardiaal O2-behoefte
Instabiele angina pectoris (IAP) = “dreigend” MI:
pathofysiologie: ruptuur van atherosclerotische plaque trombusvorming coronaire lumen
kliniek: als AP, maar dan:
snel progressief ( toenemende frequentie/ernst )
17
recent ontstaan
bij steeds minder intensieve inspanning of in rust
niet-reagerend op bovengenoemd AP-therapie
diagnostiek:
ECG
fietsergometrie: wees hier voorzichtig mee
hartcatheterisatie met coronairangiografie
hartenzymen
therapie: AP-therapie, plus:
soms nifedipine ( Ca2+-antagonist, wel te combineren met -blokkers )
meestal ook invasief:
percutane transluminale coronaire angioplastiek (PTCA = dotterprocedure) bij lokale
vernauwing in 1 coronairtak: voerdraad over stenotisch traject balloncatheter over
voerdraad opbalzen met hoge druk stent over opgerekte stenose
coronary artery bypass graft (CABG), bij meer diffuse vernauwingen, vnl. in verscheidene
grote coroniarvaten
Coronaircirculatie:
Sobotta II: blz. 85 + figure from answers POB
Acute myocardinfarct (MI):
pathofysiologie: complete afsluiting van coronairtak door trombusvorming uitgaande van geruptureerde
atherosclerotische plaque locale lyocardnecrose
kliniek:
zelfde pijn als bij AP, maar langer en vaak heviger
geen reactie op rust en nitraten
meestal met vegetatieve verschijnselen: transpiratie, braken, collaps, enz.
bloeddruk en hartritme kunnen afnemen ( parasympathicusprikkeling bij 50% van patiënten met
onderwandinfarct ), toenemen ( sympathicusprikkeling bij 25% van patiënten met voorwand-
infarct ) of gelijk blijven
groot MI acute linker ventrikel-dysfunctie longstuwing roze schuimend sputum +
crepitaties in basale longvelden
diagnostiek:
ECG: de typische ECG-afwijkingen zijn ST-segment-verschuivingen ( meestal ST-elevaties ),
T-golf-inversies, pathologische Q-golven veroorzaakt door abnormale impulsgeleiding in
infarctgebied afwijkende repolarisatie ( ST-/T-afwijkingen ) en depolarisatie ( Q-golven )
plaatsing van 12 ECG-afleidingen afleiden in welke afleidingen je bovenstaande
afwijkingen te zien krijgt bij verschillende infarcten:
anteroseptaal infarct V1 en V2
voorwandinfarct V3 en V4
anterolateraal infarct I, aVL, V5 en V6
onderwandinfarct II, III en aVF
beloop van ECG-afwijkingen:
begin en 1ste paar uur: ST-elevaties
na enkele uren: pathologische Q-golven
na 1-2 dagen: T-inversie
weken-maanden: alles normaal, maar Q-golven blijven pathologisch
veel MI’s geen pathologische Q-golven: non-Q-golf MI; ruwweg gezien zijn Q-golf MI’s
transmuraal, non-Q-golf MI’s subendocardiaal; non-Q-golf MI’s hebben een slechte lange-
termijn prognose
hartenzymen: 2 enzymen zijn het belangrijkst:
creatinefosfokinase (CK): stijging na 6 uur, piek bij 24-36 uur
niet erg specifiek CK-MB-fractie wel: piek bij 16-22 uur
troponine (cTnI en cTnT): stijgen langzaam, blijven lang verhoogd
18
coronairangiogram
diagnose MI berust op minstens 2 van de volgende factoren:
typische anamnese
typische ECG-afwijkingen
verhoogde hartenzymen
D.D.:
IAP
pericarditis
aneurysme dissecans aortae
longembolie
acute cholecystitis
pneumothorax
maagbloeding
diffuse oesofageale spasmen
acute pancreatitis
therapie:
acuut:
ambulance
acetylsalicylzuur (aspirine), met evt. heparine i.v.
sublinguaal nitraat
pijnstilling met morfine
O2-toediening
na acute fase:
beperking van infarctgrootte met reperfusietherapie:
thrombolyse met tPA, streptokinase of APSAC
contraïndicaties:
interne bloedingen
langdurige (>10 minuten)/intensieve CPR
recente (<2 weken) trauma/operatie
ooit een hersenbloeding
CVA in afgelopen jaar
vermoeden op aneurysme dissecans aortae
ernstige hypertensie ( Psyst > 180 mm Hg of Pdiast > 110 mm Hg ) tijdens acute
presentatie
cerebrale neoplasmen
zwangerschap
ooit ernstige hypertensie gehad
ulcus pepticum
bloedende diasthese
gebruik van anticoagulantie (INR > 2 of 3)
complicaties:
allergische/anafyactische reacties
bloedingen hersenbloeding
PTCA bij contraïndicaties voor thrombolyse ( maar steeds vaker als primaire
reperfusietherapie spoed-PTCA )
bij PTCA vaak ook abciximab toegediend ( mAb tegen GPIIb/IIIa-receptor op
thrombocyten ) met acetlylsalicylzuur en/of heparine
CABG i.p.v. PTCA als meerdere coronairtakken dichtzitten en/of als patiënt een
ongeschikte coronairanatomie heeft
onderhoudsbehandeling secundaire preventie:
acetylsalicylzuur ( 80-100 mg dd, evt. als carbasalaat calcium )
-blokkers, vnl. metoprolol of propanolol
ACE-remmers, b.v. captopril, ramipril
19
statines
als een stent is ingebracht clopidogrel gedurende 4 weken
complicaties in beloop van MI:
pompfunctiestoornis hartfalen:
forward failure van linker ventrikel bloeddruk , hartritme
backward failure van linker ventrikel linksdecompensatie
Killip-classificatie van hartfalen
Klasse Beschrijving Mortaliteit
I geen tekenen van 0-5%
pulmonaal/perifeer oedeem
II lichte tekenen van hartfalen: 10-20%
crepitaties over basale longvelden,
S3-galopritme, tachypnoe, CVD ,
leverstuwing, perifeer oedeem
III ernstig hartfalen: 35-45%
longstuwing, astma cardiale
IV shock: Psyst < 90 mm Hg, 85-95%
perifere vasoconstrictie,
perifere cyanose, verwardheid
ritmestoornissen:
sinustachycardie
atriale/ventriculaire extrasystolen
ventriculaire tachycardie
ventrikelfibrilleren
atriumfibrilleren
atriumflutter
geleidingsstoornissen :
AV-blok
bundeltakblok
myocardruptuur harttamponade bloeddruk , hartritme , collaps
septumruptuur
klepbeschadiging, vnl. mitralisinsufficiëntie
Nu iets over een aantal andere oorzaken van pijn op de borst
Aneurysme dissecans aortae:
etiologie :
hypertensie en atherosclerose
coarctatio aortae
bindweefselziekten ( b.v. syndroom van Marfan )
pathofysiologie: intimascheur bloed tussen lagen van aortawand vals lumen dilatatie kans
op ruptuur
kliniek:
acute, zeer hevige, scheurende pijn op de borst en interscapulair
eventueel verschijnselen van shock
D.D.:
MI
massale longembolie
diagnostiek: transoesofageale echocardiografie indien niet mogelijk: spiraal-CT indien niet
mogelijk: MRI
therapie:
in aorta descendens: conservatief met antihypertensiva ( -blokker en diureticum )
in aorta ascendens opereren
Pericarditis:
20
etiologie:
infectie:
viraal: vaak recentelijk bovenste luchtweginfectie, “griep” gehad
bacterieel
schimmels
MI
bestraling
trauma
tumor pericarditis carcinomatosa
autoïmmuun: SLE, rheumatoïde arthritis, e.d.
medicatie: hydralazine, procaïnamide
kliniek:
recente virale infectie
retrosternale, soms zeer hevig epijn op de borst, soms uitstralend naar kaken, schouders, arm,
epigastrium
houdingsafhankelijk: verergering bij achteroverliggen, verlichting bij ietsje voorovergebogen zitten
pericardwrijven langs sternumrand
D.D.:
AP
MI
longembolie
pleuritis
refluxoesofagitis
diagnostiek:
X-thorax: vergrote, tentvormige hartschaduw
ECG: ST-elevaties in alle afleidingen
echocardiografie
therapie: zo mogelijk causaal
pijnbestrijding
evt. corticosteroïden
bij ontwikkelen harttamponade ( instroombelemmering van het hart CVD , pulsus paradoxus ):
pericardiëctomie
Pneumothorax:
etiologie:
idiopathisch: vnl. bij jonge volwassenen ( lang en astheen; man:vrouw = 4:1 )
secundair: tbc, sarcoïdose, emfyseem, e.d.
kliniek:
plotselinge pijn vast aan de ademhaling
dyspnoe
hyeprsonore percssie en verzwakt ademgeruis aan aangedane hemithorax
diagnostiek: X-thorax
therapie: thoraxdrain
complicaties:
instroombelemmering van het hart
spanningspnoe:
bol staan van hemithorax
verminderde thoraxexcursies
deviatie van hart/trachea naar niet-aangedane kant
deze drie symptomen kunnen ook bij een “gewone” pneumothorax aanwezig zijn
specifiek voor spanningspnoe: hoog hartritme, lage bloeddruk
Pleurale pijn:
kliniek:
pijn aan de ademhaling
pleurawrijven, tekenen van longinfiltraat
21
D.D.:
pleuritis
pneumonie
longinfarct
pneumothorax
tumor
Functionele klachten:
kliniek:
pijn diffuus op de borst, vaak met kortademigheid, tintelingen, hartkloppingen, misselijkheid,
hoofdpijn
therapie:
geruststellen, evt. sedativa
evt. psychotherapie, gedragstherapie
IV. Hartkloppingen en collaps
Collaps kan 2 oorzaken hebben:
cerebraal: meestal normale vitale tekenen ( alhoewel bij hersenstamlesies abnormaliteiten kunnen
optreden ); vaak langzaam herstel met desoriëntatie
epilepsie: gekenmerkt door herhaalde insulten/convulsies/stuipen met bewustzijnsdaling
metabole stoornissen: o.a. hyperventilatie ( ook psychogeen ), hypoglycaemie ( diabetes! )
intoxicatie
trauma capitis
CVA
cardiovasculair: vaak wel afwijkingen van bloeddruk/pols en/of ventilatie met vaak spontaan herstel (
zonder desoriëntatie; behalve bij langdurige cerebrale hypoxie )
circulatoire collaps: onvoldoende ECV:
vasovagale collaps:
emotionele stress, angst, warmte, extreme vermoeidheid, pijn
perifere vasodilatatie + bradycardie hypotensie
reversibel bij liggen met benen omhoog
orthostatische hypotensie: bij snel opstaan of langdurig rechtop staan
hypovolemie
toxische shock
medicamenten, b.v. nitraten en -blokkers
cardiale collaps: plotselinge afname van hartminuutvolume, meestal door aritmieën:
bradycardie (HR < 60 s/min) Adams-Stokes-aanvallen ( zeer plotselinge, kortdurende
bewusteloosheid ): asgrauwe kleur, geen voelbare pols of meetbare bloeddruk kenmerkend:
rood worden bij herstel van bewustzijn; oorzaken:
hoog-gradige AV-blok
sinusknoopstoornissen
tachycardie (HR > 100 s/min):
supraventriculaire tachyaritmieën:
AV-nodale reentry
concealed bypass
WPW-syndroom
atriumfibrilleren
atriumflutter
ventriculaire tachycardie, vnl. als late complicatie van MI
ventrikelfibrilleren
Bradyaritmieën: stoornissen van sinusknoopfunctie of AV-geleidingsstoornissen afwijkingen van:
impulsvorming = automatie
geleiding
22
Sinusknoopstoornissen:
etiologie: meestal geïsoleerd fenomeen bij ouderen
manifestaties:
paroxysmale duizelingen en (near-)collaps, door abrupte sinuspauzes, veroorzaakt door:
sinusarrest
SA-blok:
1ste graads SA-blok: geleiding van SA-knoop naar omliggend atriumweefsel vertraagd
niet zichtbaar op ECG
2e graads SA-blok: intermitterende uitval van P-golven zichtbaar op ECG
Harrison fig. 230-5: second-degree sinoatrial exit block
3e graads SA-blok: geen atriale impulsen ECG niet te onderscheiden van sinusarrest
sick sinus syndrome: sinusbraducardie, SA-blok of sinusarrest duizelingen, verwardheid,
vermoeidheid, collaps
diagnostiek:
ECG, evt. 24h-ECG (Holter-ECG)
electrofysiologisch onderzoek
indicatie: symptomen van sinusknoopdysfunctie zonder bewijs voor aritmie op ECG
metingen:
sinus node recovery time (SNRT): tijd tot sinusherstel na kunstmatig pacen
( normaal < 550 ms )
sinoatriale geleidingstijd: normaal 45-125 ms
intrinsiek hartritme (IHR): vastellen van hartritme na autonome blokkade ( vagolyse met
atropine en sympathicolyse met propanolol )
therapie: pacemaker
AV-geleidingsstoornissen: klinisch beeld en prognose bepaald door:
locatie van stoornis:
AV-knoop
bundel van His
kans op ontwikkelen van complete blok
ritme en stabiliteit van escape ritme:
uit proximale bundel van His stabiele escape ritme van 40-60 s/min en normale QRS
uit distale His-Purkinje-systeem instabiele escape ritme van 25-45 s/min en brede QRS
Etiologie van AV-geleidingsstoornissen:
acute processen:
MI ( vooral van onderwand )
Prinzmetal-angina
digitalis-intoxicatie
overdosis -blokkers en/of Ca2+-antagonisten
degeneratieve ziekten:
Lev’s disease: calcificatie/sclerose van fibreus hartskelet ( aortaklep, mitralisklep, centraal
bindweefselnetwerk, bovenste rand van ventrikelseptum )
Lenegre’s disease: primaire degeneratieve ziekte van alleen geleidingssysteem
hypertensie
aortastenose
mitralisstenose
AV-blok:
1ste graads AV-blok:
vertraagde AV-geleiding PR > 0,20 s
vertraging in atrium, AV-knoop of His-Purkinje-systeem
2e graads AV-blok: intermitterende blok:
type Mobitz I ( = Wenkebach ): progressieve PR-prolongatie gevolgd door uitval van QRS-
complex
ECG-book page 70
23
bijna altijd een AV-nodale stoornis
etiologie:
onderwandinfarct
intoxicatie
digoxine
-blokkers
Ca2+-antagonisten
complete blok ongewoonlijk behoeft meestal geen therapie
type Mobitz II: uitval QRS zonder voorgaande PR-afwijkingen
ECG-book page 71
meestal His-Purkinje-afwijking in geval van complete blok: instabiel hartritme
profylcatische pacemakerimplantatie
etiologie:
anteroseptaal MI
degeneratieve aandoeningen
3e graads AV-blok: geen voortgeleiding van atriale impulsen naar ventrikel AV-dissociatie
ECG-book page 72
belangrijkste symptoom: Adams-Stokes-aanvallen
kans op acute hartdood is groot pacemaker
etiologie:
congenitaal
geleidingsstoornis bij ouderen ( vaak samen met sick sinus syndrome )
Diagnostiek bij AV-geleidingsstoornissen:
(Holter-)ECG
electrofysiologisch onderzoek:
niet nuttig bij symptomatische 2e/3e graads AV-blok ( krijgen sowieso een pacemaker )
nuttig bij:
collaps en bundeltakblok zonder AV-blok op ECG
2:1 AV-geleiding: onderscheid tussen Wenkebach en Mobitz II niet mogelijk op ECG
asymptomatische 3e graads AV-blok
Tachyaritmieën: stoornissen van impulstransmissie ( meestal ) of impulsvorming
Impulstransmissieproblemen reentry: voorwaarden:
electrofysiologisch heterogene pathways (f en s) die samen een gesloten kring ( reentry-circuit ) vormen
langzame geleidning + korte refractaire periode in s-baan; snelle geleiding + lange refractaire perioden
in f-baan
ECG-book page 112
Eigenschappen van reentry-aritmieën:
abrupt begin en einde ( paroxysmaal )
meestal geïnitieerd door premature slag
indien 1 duidelijke reentry-circuit ( dus bij atriumflutter, supraventriculaire tachycardie en ventriculaire
tachycardie ) regulair ritme
terminatie door mechanismen die het circuit gedeeltelijk refractair maken:
vagale maneuvers ( b.v. sinuscaroticusmassage ) bij supraventriculaire tachycardie (SVT)
stomp op de borst bij ventriculaire tachycardie (VT)
farmacologische cardioversie bij de meeste reentry-aritmieën
electrocardioversie bij alle reentry-aritmieën
De belangrijkste reentry-aritmieën:
atriumfibrilleren (AF): meest voorkomende ritmestoornis:
etiologie en pathogenese:
meest voorkomende oorzaak: atrial pressure overload, meestal door:
24
systolische LV-dysfunctie bij o.a. coronairvaatlijden en mitralisinsufficiëntie
diastolische LV-dysfunctie bij o.a. hypertensie en ventrikelhypertrofie (cardiomyopathie)
ook bij hyperthyreoïdie
atrial pressure overload atriumhypertrofie meerdere atriale reentry-circuitjes
ECG-book page 113
kliniek:
vaak asymptomatisch
hartkloppingen, collaps, systemische embolisatie
compleet irregulaire pols
v. jugularis: cannon a waves
typisch beloop: eerst paroxysmaal, later persisterend/permanent
diagnostiek:
ECG: chaotische atriale activiteit zonder duidelijke P-toppen en irregulaire QRS-complexen
atriumritme = 400-600 s/min en ventrikelritme = 150-180 s/min
ECG-book page 114
vagusprikkeling: vertraging van ventrikelritme
complicaties:
stolselvorming embolisatie
als ventrikelritme opeens regulair wordt denk aan VT
therapie:
ernstige cardiovasculaire toestand electrocardioversie
anders:
ventrikelritme met digoxine
farmacologische cardioversie met:
flecaïnide
ibutilide
sotalol
amiodaron ( laatste keus )
als farmacologische cardioversie niet lukt binnen 24 uur electrocardioversie
als AF al meer dan 48 uur bestaat eerst minstens 2 weken antistolling voor cardioversie
als cardioversie niet lukt permanente AF therapiedoel: ventrikelritme reguleren met
digoxine en -blokker of diltiazem/verapamil
natuurlijk ook antistolling
als reguleren van ventrikelritme niet lukt electroablatie met pacemakerimplantatie
als cardioversie lukt preventie met o.a. flecaïnide
atriumflutter ( boerzemfladderen ):
etiologie en pathogenese:
atrial pressure overload zie AF
openhartoperaties
pericarditis
acuut respiratoir falen
mechanisme: 1 duidelijkereentry-circuit: tegen de klok in in rechter atrium en atriumseptum
ECG-book page 115
kliniek: hartkloppingen en collaps
diagnostiek:
ECG: regulair ritme:
atriumritme = 250-350 s/min en ventrikelritme = 150 s/min ( 2:1 geleiding, maar variatie
is mogelijk ) elk volstrekt regulaire regulaire SVT met ritme 150 s/min is atriumflutter
met 2:1 blok totdat het tegendeel bewezen is
typische zaagtandgolven in II, III, aVF en V1
ECG-book page 116
vagusprikkeling vgl. AF
therapie: vergelijkbaar als bij AF
paroxysmale supraventriculaire tachycardie (SVT):
AV-nodale reentry-tachycardie: AVNRT ( meest voorkomende SVT ):
25
reentry-circuit in de AV-knoop (f en s) retrograde atriumactivatie + anterograde
ventrikelactivatie ( via de normale geleidingsbanen ) P-golf in of vlak na het regulaire,
smalle QRS-complex; ritme 120-220 s/min
ECG-book page 118
symptomen ( meestal vanaf jong volwassen leeftijd ): hartkloppingen, dyspnoe, duizeligheid,
cannon a waves
vagusprikkeling plotseling termineren van SVT in 80% van de gevallen
therapie:
vagale maneuvers
cardioversie met adenosine
evt. electroablatie
concealed bypass-tachycardie:
groot reentry-circuit met anterograde transmissie via AV-knoop en retrograde transmissie via
een extra AV-verbinding P-golf meestal ruimschoots achter het smalle QRS-complex
symptomen, vagusprikkeling, therapie vgl. AVNRT
WPW-syndroom:
anterograde transmissie via bypass-baan en retrograad via AV-knoop kort PR-interval
(< 0,12 s ), langzame upstroke QRS-complex (-golf), brede QRS
ECG-book page 171
1 van de kenmerkende symptomen van SVT is polyurie na de aanval ( dilatatie van rechteratrium tijdens
aanval ANP diurese )
ventriculaire tachycardie (VT):
etiologie en pathogenese:
myocardbeschadiging, vnl. post-MI ( vroeg of laat )
cardiomyopathie
myocarditis
reentry-circuit gedeeltelijk in beschadigd deel van myocard
ECG-book page 119
kliniek:
“hartjagen”, angineuze klachten
tekenen van AV-dissociatie:
cannon a waves
variërende intensiteit van S1
diagnostiek:
ECG: brede QRS-complexen met P-toppen die geen relatie hebben met QRS ( AV-
dissociatie )
ECG-book page 120
vagusprikkeling: geen effect
therapie:
farmacologische cardioversie met amiodaron, procaïnamide of sotalol
steeds vaker: ICD ( ter voorkoming van VF )
electroablatie mogelijk
ventrikelfibrilleren (VF):
etiologie en pathogenese:
meerdere chaotische reentry-circuits in gehele ventriculaire wand
ECG-book page 121
complicatie van VT
primair bij:
coronairvaatlijden en complicaties daarvan (vnl. MI)
myocardhypertrofie (cardiomyopathie)
myocarditis
hartklepziekten
stoornissen van het autonome zenuwstelsel
electrocutie
spanningspneumothorax
trauma
verdrinken
26
longembolie
hypoxie, acidose
diagnostiek:
ECG: zeer chaotisch beeld
ECG-book page 121
vagusprikkeling: geen effect
therapie:
resuscitatie
defibrillatie
ICD
Overzicht van ECG-kenmerken van reentry-aritmieën:
Aritmie Reentry-ritme ECG-beschrijving Vagusprikkeling
AF 400-600 irregulaire baseline, irregulaire vertraging
geen P-golven, van ventrikelrespons
irregulaire ventrikelrespons
atriumflutter 250-350 regulaire zaagtand P-golven, regulaire vertraging
regulaire ventrikelrespons van ventrikelrespons
( meestal 2:1, 4:1 of variërend )
paroxysmale SVT: 120-220 P-golf in/vlak na QRS-complex, abrupte terminatie
AVNRT meestal P-inversie
VT 120-220 brede QRS-complexen met geen effect
AV-dissociatie
VF - irregulaire baseline met geen effect
chaotische ventrikelactiviteit
27
Smalle QRS altijd supraventriculair
Brede QRS:
VT
SVT met aberrante geleiding ( b.v. bundeltakblok )
ECG Criteria That Favor Ventricular Tachycardia
1. AV dissociation
2. QRS width:
>0.14 s with RBBB configuration
>0.16 s with LBBB configuration
3. QRS axis:
Left axis deviation with RBBB morphology
Extreme left axis deviation (northwest axis) with LBBB morphology
4. Concordance of QRS in precordial leads
5. Morphologic patterns of the QRS complex
RBBB: Mono- or biphasic complex in V1
RS (only with left axis deviation) or QS in V6
LBBB:
Broad R wave in V1 or V2 0.04 s
Onset of QRS to nadir of S wave in V1 or V2 of 0.07 s
Notched downslope of S wave in V1 or V2
Q wave in V6
NOTE: AV, atrioventricular; BBB, bundle branch block.
Je kan ook de beslisboom van Brugada gebruiken:
28
brede QRS
RS afwezig in een borstwandafleiding?
ja nee
VT
RS > 100 ms?
ja nee
VT
AV-dissociatie?
ja nee
VT
morfologische criteria voor VT?
ja nee
VT
SVT met aberrantie
29
V. Iets korts over hartgeluiden
Er zijn drie houdingen mogelijk:
rugligging
zijligging
voorovergebogen vooral voor de grote vaten
Harttonen:
laagfrequent
hoogfrequent
ste geruis ( crescendo-decrescendo )
1 harttoon ( vooral bij apex ): sluiten mitralis en tricuspidalis begin systole
2e harttoon ( vooal bij basis, 2L en 3L ): sluiten aortaklep en pulmonaalklep einde systole
2 componenten: aorta-component en pulmonaal-component
bij inspiratie: fysiologische splijting 2e harttoon ( eerst aorta, dan pulmonaal )
persistente splijting van S2 pulmonaalklep sluit later:
pulmonale hypertensie
rechter bundeltakblok
VSD/ASD
paradoxe splijting S2 ( dus geen splijting bij inspiratie ) aortaklep sluit later:
hoge hypertensie
linker bundeltakblok
aortastenose
3e harttoon: diastolische harttoon bij hartdilatatie ( hart is al maximaal uitgerekt )
4e harttoon: diastolische harttoon bij stijve ventrikelwand ( b.v. na myocardischemie )
Systolisch geruis:
holosystolisch:
mitralisinsufficiëntie
tricuspidalisinsufficiëntie
VSD in membraneus deel
midsystolisch:
aortastenose uitstraling naar carotiden
pulmonalisstenose
holosystolisch met openingssnap:
aorta-insufficiëntie
30
VI. Iets korts over longgeluiden
Ademgeruis:
vesiculair ( normaal over perifere longvelden ): laagfrequent, inspirium > expirium
bronchiaal ( normaal over centrale luchtwegen, pathologisch over perifere luchtwegen duidt op
infiltraat, b.v. tumor, pneumonie ): hoogfrequent, expirium > inspirium
verzwakt bij:
longemfyseem
obstructie
pneumothorax
adipositas
verlengd expirium bij obstructieve longaandoeningen
Bijgeluiden:
rhonchi ( meestal expiratoir ): obstructie in kleine luchtwegen
kan hoogfrequent (piepend) of laagfrequent (brommend) zijn
crepitaties ( meestal eindinspiratoir ): parenchymateuze afwijkingen
grof: luide knalletjes, ver uit elkaar longstuwing
fijn: dicht bij elkaar (klitteband) longfibrose
veroorzaakt door adhesie van alveolaire wanden ( verdikte wanden bij longfibrose, stuwing,
pneumonie )
vroeginspiratoire crepitaties ernstig longemfyseem
pleurawrijven zowel in- als expiratoir duidt op pleuritis
stridor:
inspiratoir: hoge luchtwegobstructie NIET PLUIS
expiratoir: lage luchtwegobstructie
31
Get documents about "