Onderstaande is de Nederlandse vertaling van de latijnse teksten van Cicero en Sallustius zoals beschreven in de syllabus
Latijns retorisch proza CE 1999. De vertaler noch uitgever zijn niet aansprakelijk voor eventuele (type, vertaal, grammatica of
enige andere-)fouten in de tekst. De auteur en de uitgever zijn niet verantwoordelijk voor eventuele hiaten in de vertaling
en/of de samenvatting van de achtergrondstof. Veel succes!
-Vertaling latijnse teksten CSE Latijn VWO 1999
-Samenvatting achtergronden
Cicero, Oratio in Catilinam 1.1-5, 11-21, 32-33
1.1 Hoe lang denk jij eigenlijk ons geduld te kunnen misbruiken, Catilina? Hoe lang zal nog die woede van
jou ons bespotten? Tot aan welke grens zal jouw teugelloze brutaliteit zich manifesteren? Hebben jou
helemaal niet bewogen de nachtelijke bezetting van de Palatijn, de wachtposten van de stad, de angst
van het volk, het samenstromen van alle goede mensen, deze zeer versterkte plaats om een senaatszitting
te houden, hebben jou dan helemaal niet bewogen de gezichten en de gelaatstrekken van dezen? Merk jij
niet dat jouw plannen duidelijk zijn, zie jij niet dat jouw samenzwering al aan banden gelegd is door het
weten van al dezen? Van wie van ons meen jij dat hij niet weet, wat jij de afgelopen nacht hebt gedaan,
wat jij de voorlaatste nacht hebt gedaan, waar je bent geweest, welke mensen jij bijeen geroepen hebt,
wat voor besluit jij hebt genomen?
1.2 O tijden, o zeden! De senaat begrijpt deze dingen, de consul ziet ze, en toch leeft deze (Catilina).
Leeft? Sterker nog, hij komt zelfs in de senaat, hij neemt deel aan de openbare beraadslagingen, hij
voorziet van een merkteken en wijst met zijn ogen aan iedereen van ons met het oog op een
moordaanslag. Wij echter, dappere mannen, lijken voldoende voor de staat te doen als wij de waanzin en
de wapens van die vent vermijden. Het was allang nodig geweest dat jij, Catilina, op bevel van de consul
ter dood was gebracht, op jou had het verderf moeten worden overgebracht, het verderf dat jij al lang
tegen ons allen beraamt.
1.3 Een zeer belangrijk man, Publius Scipio, pontifex maximus, doodde als ambteloos burger Tiberius
Gracchus toch zeker, hoewel die de stabiliteit van de staat in beperkte mate ondermijnde: Zullen wij als
consuls Catilina verdragen terwijl hij begeert de aarde te verwoesten met moord en brandstichtingen?
Want ik ga voorbij aan die te oude gebeurtenissen, bijvoorbeeld het feit dat G. Servilius Ahala
eigenhandig Sp. Maelius doodde toen die zich inspande voor een revolutie. Die eens in deze staat
bestaande deugd is er geweest, is er geweest, namelijk dat dappere mannen een staatsgevaarlijke burger
met scherpere lijfstraffen beteugelen dan de bitterste vijand. Wij hebben een senaatsbesluit tegen jou,
Catilina, een heftig en ernstig besluit, en het ontbreekt de staat niet aan beleid, noch is het gezeg van
deze stand (senaat) afwezig: Wij, wij, ik zeg het openlijk, de consuls, wij doen niet mee.
1.4 De senaat besloot eens dat L. Opimius als consul erop moest toezien dat de staat geen schade zou
ondervinden: Geen enkele nacht kwam ertussen. C. Gracchus is gedood, wegens bepaalde verdenkingen
van opstanden, een man met een zeer beroemde vader, een zeer beroemde grootvader en met zeer
beroemde voorouders; Marcus Fulvius, een oudconsul, is gedood samen met zijn kinderen. De staat is
toevertrouwd aan de consuls C. Marius en L. Valerius door een gelijk senaatsbesluit. Toch niet heeft een
dag langer wat betreft de volkstribuun L. Saturnius en wat betreft de praetor G. Servilius de dood en
wel de straf van de staat op zich laten wachten? Maar daarentegen dulden wij al de 20e dag dat de
scherpte van het gezag van dezen (consuls) stomp wordt. We hebben immers een senaatsbesluit van
dien aard, op leien geschreven, hoewel nog verhuld, waarin uit een senaatsbesluit komt dat jij gedood
moet worden, Catilina. Je leeft, en je leeft niet om je brutaliteit af te leggen, maar om hem te versterken.
Ik begeer dat ik clement (manmoedig) zal zijn, ik begeer in de zo grote gevaren van de staat er niet slap
te zien, maar ik veroordeel mezelf al wegens mijn onbekwaamheid en nalatigheid.
1.5 Er is in Italia een legerkamp geplaatst tegen het Romeinse volk, in een bergpas van Etrurie, het aantal
vijanden groeit met de dagen. Jullie zien echter dat legerkamp van de aanvoerrder van hen en wel van de
aanvoerder van de vijanden, die binnen de stadsmuren en zelfs in de senaat dagelijks een of andere
inwendige ondergang voor hem voorbereidt. Als ik reeds zou hebben bevolen jou te doden zal door mij
geloof ik gevreesd moeten worden niet zozeer dat alle goede mensen zeggen dat dat te wreed door mij
gedaan is maar eerder dat het te laat (door mij) gedaan is. Maar ik word wegens een vaste reden er nog
niet tot gebracht om dit te doen wat reeds lang gedaan had moeten worden. Dan pas zul jij gedood
worden wanneer reeds niemand zo slecht (verwerpelijk) en zo gelijk aan jou gevonden kan worden die
meent dat dit niet met recht gedaan kan worden.
1.11 Grote dank moet aan de onsterfelijke goden worden gebracht en aan deze Iuppiter Stator zelf, de
zeer oude bewaker van deze stad, omdat wij als zo vaak hebben ontvlucht deze zo afschuwelijke, zo
huiveringwekkende en voor de staat zo vijandige plaag. Het hoogste welzijn van de staat moet niet vaker
in gevaar worden gebracht door toedoen van een man. Zolang als jij mij als aangewezen consul belaagd
hebt, Catilina, heb ik mij niet verdedigd met staatsbescherming, maar met particuliere
voorzorg(smaatregelen). Toen jij bij de afgelopen consulverkiezingen mij wilde doden op het Marsveld en
jouw mededingers wilde doden heb ik jouw misdadige pogingen de kop ingedrukt met de bescherming
en de mankracht van vrienden terwijl de staat van oorlog op geen enkele manier openlijk was
uitgeroepen; tenslotte, zo vaak als jij mij hebt aangevallen, heb ik mij op eigen kracht tegen je verzet,
hoewel ik zag dat mijn ondergang met grote schade aan de staat verbonden was.
1.12 Jij hebt het nu reeds openlijk gemunt op de hele staat, jij levert de tempels van de onsterfelijke
goden, de huizen van de stad (Rome), de levens van alle burgers en heel Italia over aan ondergang en
verwoesting. Daarom, aangezien ik nog niet dit durf te doen, wat het eerste is (wat ik zou moeten doen)
en wat in overeenstemming met de regels van de voorouders is, zal ik dit doen, wat te mild is voor
strengheid maar het nuttigste is met betrekking tot het maatschappelijk welzijn. Want als ik bevolen zal
hebben dat jij gedood wordt zal er in de staat de overige groep samenzweerders achterblijven; maar als
jij zult zijn weggegaan, iets waartoe ik jou reeds lang aanspoor, zal uit de stad het grote en verderfelijke
uitschot van de samenleving, bestaande uit jouw metgezellen, geloosd worden.
1.13 Wat is het, Catilina? Jij aarzelt toch niet om, nu ik het beveel, dit te doen wat jij al uit eigen
beweging wilde doen? De consul beveelt een staatsvijand om uit de stad weg te gaan. Jij vraagt mij: Toch
zeker niet in ballingschap? Ik beveel het niet, maar, als jij mij raadpleegt, raad ik het aan. Want wat is
het, Catilina, dat jou nog in deze stad kan bevallen? In welke stad er niemand is, buiten die
samenzwering van jou van verdorven mensen, niemand die jou niet vreest, niemand die jou niet haat.
Welk kenmerk van huiselijke schande is niet ingebrand in houw leven. Welke oneer van privezaken kleeft
niet aan jouw reputatie? Welke lust was afwezig in je ogen, welke misdaad kleefde nooit aan jouw
handen, welke schanddaad was van jouw gehele lichaam afwezig? Voor welke jongeman die jij in de
verlokkingen van bederf had verstrikt heb jij niet ofwel het zwaard voor een gewaagde onderneming of
een fakkel voor wellust voorgehouden?
1.14 En verder? Jij hebt toch zeker zelfs door een andere ongelooflijke misdaad deze misdaad
vermeerderd, toen jij onlangs een plaats had vrijgemaakt voor een nieuw huwelijk door middel van de
dood van jouw vorige echtgenote. Ik laat dat passeren en ik duld makkelijk dat het wordt verzwegen,
opdat niet in deze samenleving de monsterachtigheid an zo’n grote misdaad ofwel zich schijnt te hebben
voorgedaan ofwel niet bestraft schijnt te zijn. Ik laat passeren het instorten van jouw vermogen, waarvan
je zult merken dat het in zijn geheel boven jouw hoofd hangt op de dichtstbijzijnde Indus (midden v/d
maand, afbetalingsdag van schulden): Ik kom op die dingen, die geen betrekking hebben op de
persoonlijke smaad van jouw fouten, op dingen die geen betrekking op jouw huiselijke problemen en
schande hebben, maar die betrekking hebben op het hoogste staatsbelang en op het leven en welzijn van
ons allen.
1.15 Kan dit licht voor jou aangenaam zijn, Catilina, of de lucht van deze hemel, hoewel jij weet dat er
niemand is van dezen, die niet weet dat jij op het comitium met een wapen hebt gestaan op de dag
voorafgaande aan het nieuwe jaar terwijl Lepidus en Tullus consul waren, dat jij een groep hebt
voorbereid om de consuls en de voornaamsten van de burgerij te doden? Wie is het die niet weet, dat
niet een of ander moment van bezinning of jouw angst maar dat het Fortuin van het Romeinse volk voor
jouw misdaad en bezetenheid in de weg is gaan staan? En nu laat ik die dingen varen - want ze zijn
ofwel niet onbekend of zijn dingen die niet veel later gedaan zijn - hoe vaak heb jij mij gepoogd te
doden als aangewezen consul, en hoe vaak heb je het toen ik echt consul was geprobeerd? Hoeveel
aanvallen van jou, die zo gericht waren dat ze niet schenen te kunnen worden ontweken met een zeer
kleine lichaamsbeweging zoals ze zeiden? Jij richt niets uit, je bereikt niets, maar toch houd je niet op
met te proberen en te willen (vergelijk: gladiator).
1.16 Hoe vaak al is aan jou die dolk van jou uit je handen ontwrongen, hoe vaak is hij er al bij toeval
uitgevallen en hoe vaak is hij je ontglipt? Ik weet niet voor welke rituelen zij (dolk) dan wel is ingewijd
en als dankoffer beloofd is omdat jij meent dat het nodig is die in het lichaam van de consul te steken.
Nu echter, welk is dat leven van jou? Zozal ik spreken immers inmiddels, niet zodat ik schijn bewogen te
zijn door haat, waardoor ik bewogen zou moeten zijn, maar zo dat ik schijn bewogen te zijn door
medelijden, dat aan jou allerminst verschuldigd is. Jij bent kort tevoren in de senaat gekomen. Wiel uit
deze zo grote opkomst heeft jou begroet, wie uit zoveel vrienden en relaties van jou? Als dit aan
niemand overkomen is sinds mensenheugenis, verwacht jij dan een beschimping met woorden, hoewel jij
onderdrukt bent door het zeer ernstige vonnis van stilzwijgen (doodzwijgen)? En, het feit dat die
zitplaatsen bij jou leeggemaakt zijn door/bij jouw komst, het feit dat alle oudconsuls die zeer dikwijls
door jou zijn aangewezen om gedood te worden dat deel van de zitplaatsen naakt en leeg hebben
achtergelaten zodra jij erbij ging zitten, met welke geestesgesteldheid eigenlijk meen jij dat het door jou
te dragen is?!
1.17 Mijn god, als mijn eigen slaven mij zouden vrezen zoals al jouw burgers jou vrezen zou ik menen dat
mijn huis verlaten moest worden: Meen jij niet dat door jou de stad verlaten moet worden? Ik zou liever
willen dat ik de aanblik van de burgers miste dan dat ik werd aangekeken door de vijandigste ogen van
allen, dat ik zou zien dat ik zo zwaar verdacht bij mijn medeburgers ten onrechte gehaat werd. Twijfel
jij, hoewel jij erkent door het besef van jouw misdaden dat de haat van allen terecht is en al lange tijd
door jou verdiend is, twijfel jij eraan om uit de weg te gaan de aanblik en de aanwezigheid van hen, van
wie jij de gedachten en opvattingen kwetst. Als jouw ouders jou zouden vrezen en haten en als jij hen
niet zou kunnen verzoenen op ook maar een manier, zou jij van hun ogen weggaan zoals ik meen. Nu
haat het vaderland, dat de gemeenschappelijke moeder van ons allen is, jou, en het vreest je en het
oordeelt reeds lang dat jij over niets denkt dan de moord op haar: Zul jij noch het gezag van deze
vrezen, noch het vonnis van haar (vaderland) volgen, en zul jij haar straf niet in hoge mate vrezen?
1.18 Zij gaat op deze wijze met jou in discussie, Catilina, en op een bepaalde manier zegt ze zwijgend: ‚Er
heeft zich reeds sinds enige jaren geen enkele misdaad voorgedaan, behalve door jou, geen enkele
schanddaad zonder jou; voor jou als enige waren de moorden op veel burgers, voor jou was het afpersen
en plunderen van de provinciebewoners ongestraft en vrij; jij bent niet alleen in staat geweest om wetten
en gerechtelijke onderzoeken te negeren, maar ook om ze op hun kop te zetten en te doorbreken. Die
eerdere dingen, hoewel zij niet te dragen waren, heb ik toch verdragen zoals ik kon; nu echter is niet te
verdragen dat ik helemaal in de angst zit wegens jou alleen, dat wat er ook maar aan geluid gemaakt is,
Catilina gevreesd wordt, dat er geen enkel plan tegen mij schijnt te kunnen worden beraamd dat niets
met jouw misdadigheid te maken heeft. Daarom moet je weggaan en aan mij deze angst ontnemen; als
hij gegrond is opdat ik niet overweldigd wordt, (maar) als hij ongegrond is opdat ik eindelijk eens
ophoud te vrezen.‛
1.19 Als het vaderland deze dingen zoals ik zei tegen jou zou zeggen, dan zou het vaderland het toch
zeker gedaan moeten krijgen, ook al zou het vaderland geen geweld kunnen toepassen. Wat ervan te
denken, dat jij jezelf in huisarrest hebt begeven, dat jij gezegd hebt, dat jij bij Manius Lepidus wilt
wonen, met reden ervan argwaan te vermijden? Jij hebt zelfs gewaagd naar mij toe te komen, toen je
door hem niet ontvangen was, en jij hebt gevraagd of ik jou in verzekerde bewaring wilde houden. Toen
jij ook van de kant van mij dit antwoord gekregen had dat ik op geen enkele maneir veilig met jou
binnen dezelfde muren kon verblijven omdat ik in groot gevaar was, omdat wij binnen dezelfde
stadsmuren verbleven, toen ben je gekomen naar praetor Quintus Metellus. Door hem afgewezen ben je
verhuisd naar jouw kameraad Marcus Metellus, een zeer goede man, welke jij natuurlijk beschouwde als
zeer nauwkeurig om jou te bewaken en zeer scherpzinnig om jou te verdenken en zeer energiek om jou
te bestraffen. Maar hoe ver schijnt hij die zichzelf al als bewaking waardig heeft beoordeeld van de
gevangenis en de boeien af te zijn?
1.20 Omdat die dingen zo zijn, Catilina, twijfel jij om weg te gaan, naar landen, welke jij maar wilt, en
om dat leven van jou toe te vertrouwen aan vlucht en eenzaamheid, jouw leven, dat is ontroofd aan vele
terechte en verschuldigde zware straffen. ‚Breng het voor de senaat‛ zeg jij; jij eist dit immers, en jij
zegt, dat jij gehoorzaam zult zijn als deze stand zal hebben besloten dat het haar behaagt dat jij in
ballingschap gaat. Ik zal het niet voor de senaat brengen, iets wat in strijd is met mijn principes, en toch
zal ik ervoor zorgen dat jij begrijpt wat deze (senaat) over jou denken. Jij moet weggaan uit de stad,
Catilina, bevrijd de staat van haar vrees, vertrek in ballingschap, als je zit te wachten op dit woord. Wat
is het? Schenk jij wel aandacht aan het zwijgen van dezen? Bemerk je het eigenlijk wel? Zij dulden en
zwijgen. Waarom zit jij te wachten op het gezag/een uitspraak van sprekenden van wie jij de wil doorziet
terwijl ze zwijgen?
1.21 Als ik dit zelfde echter aan de zeer goede jongeman P. Sestius had gezegd, als ik het de zeer moedige
man M. Marcellus had gezegd, dan zou de senaat geweld en handen naar mij hebben aangedragen (mij
met fysiek geweld hebben belaagd) als consul, in deze tempel zelf, met het volste recht. Ze keuren het
echter goed, nu ik het over jou zeg, Catilina, doordat ze zich rustig houden; doordat zij het dulden,
besluiten zij; doordat zij zwijgen, schreeuwen zij; en niet alleen dezen, van wie het gezag voor jou
natuurlijk dierbaar is en hun leven zeer goedkoop, maar ook die Romeinse ridders, zeer geachte en zeer
goede mannen, en de overige zeer dappere burgers die rond de senaat staan, van wie jij zowel de grote
opkomst kon zien als hun sympathieen kon doorzien, en van wie jij de stemmen kort te voren duidelijk
kon horen. Ik houd de handen en wapens van hen reeds lang met moeite van jou af, dezelfden zal ik er
makkelijk toe brengen dat zij jou begeleiden tot aan de stadspoorten terwijl jij achterlaat deze dingen die
jij reeds lang beoogt te verwoesten.
1.31 Laten daarom de slachten zich verwijderen, laten zij zich afzonderen van de goeden, laten zij zich op
een plaats verzamelen, kortom laten zij van ons worden afgezonderd door de (stads)Muur, wat ik al
dikwijls gezegd heb. Laten zij ophouden de consul te belagen in zijn eigen huis, laten zij ophouden rond
de rechterstoel van de stadspraetor te gaan staan, laten ze ophouden het senaatsgebouw met zwaarden
te belegeren, laten ze ophouden zich brandpijlen en fakkels te verschaffen om de stad in brand te steken:
Laat op het voorhoofd van iedereen zijn ingegrift wat hij over de staat denkt. Ik beloof dit aan jullie,
senatoren, dat er bij ons als consuls zo’n grote nauwkeurigheid zal zijn, dat er bij jullie zo’n groot gezag
zal zijn, dat er zon grote dapperheid bij de Romeinse ridders zal zijn, dat er zo’n grote eensgezindheid
bij alle goede mensen zal zijn, dat jullie zullen zien dat door het vertrek van Catilina alle dingen onthuld
zijn, alle dingen aan het licht zijn gebracht, alle dingen onderdrukt zijn en bestraft.
1.33 Onder deze voortekenen, Catilina, en met het hoogste welzijn van de staat, en met jouw verderf en
ondergang en met het heengaan van hen, die zich met jou verbonden hebben door allerlei misdaden en
broedermoord, moet jij vertrekken naar jouw goddeloze en misdadige oorlog. Jij, Juppiter, zult deze
(Catilina) en de metgezellen van deze afweren van jouw tempels en de overige tempels, van de huizzen
van de stad en de stadsmuren en van de levens en vermogens van alle burgers, jij , die bent gesticht
onder diezelfde tekenen waaronder deze stad is gesticht door Romulus, jij, die wij naar waarheid de
bestendiger (Stator) van de Stad en van dit Rijk noemen, en jij zult de mensen die vijanden van de
goeden zijn bestraffen, vijanden van het vaderland, rovers van Italia, onderling verbonden door een
verdrag van misdaden en door een misdadig bondgenootschap, jij zult hen bestraffen levend maar ook
dood met eeuwige straffen.
Cicero, Oratio in Catilinam 2.17-23
Maar waarom praten wij zo lang over een vijand, en wel over die vijand, die al bekent dat hij een vijand
is, en die ik niet vrees omdat er een muur tussen zit, wat ik altijd heb gewild: Zeggen wij niets over
dezen die doen alsof zij niet staatsvijand zijn, die in Rome blijven, die bij ons zijn? Ik weliswaar streef
ernaar niet zozeer om hen te bestraffen als het ook maar op een manier zou kunnen gebeuren alswel om
hen te genezen in hun eigen voordeel, en om hen met de staat te verzoenen; en ik begrijp niet waarom
dit niet kan gebeuren als zij eindelijk eens naar mij zullen willen luisteren. Ik zal immers aan jullie
uiteenzetten, Burgers, uit welke soorten van mensen die troepen worden gerecuteerd (in Catilina’s leger
in het noorden); vervolgens zal ik aandragen voor hen stuk voor stuk het geneesmiddel van mijn advies
en redevoering, als ik een of andere remedie aan zal kunnen dragen.
2.18 Rijken met veel schulden
Een soort is van diegenen, die bij een grote schuld zelfs nog grotere bezittingen hebben, waaraan ze zo
gehecht zijn dat ze er op geen enkele manier van losgemaakt kunnen worden. De uiterlijke schijn van
deze mensen is zeer fatsoenlijk, ze zijn immers welgesteld, maar hun bedoelingen en de zaak waarvoor
ze staan zijn zeer schaamteloos. Stel dat jij voorzien bent van en rijk bent aan akkers, gebouwen, geld,
personeel ofwel van alle zaken, en zou je dan nog aarzelen iets af te halen van je bezit? En twijfel je er
dan nog aan om meer geld uit te lenen? Wat verwacht jij immers? Oorlog?? Wat is er dus? Zou jij soms
menen dat jouw bezittingen onschendbaar zullen zijn bij de verwoesting van alle dingen? Of verwacht jij
kwijtschelding van schulden? Degenen die die lijsten (schone leien) van de kant van Catilina verwachten,
vergissen zich: Nieuwe lijsten worden naar voren gebracht dankzij mijn ingrijpen, maar het zijn lijsten
van te verkopen goederen. Niet immers kunnen zij die bezittingen hebben op ook maar een andere
manier financieel gezond zijn. Als zij dit eerder hadden willen doen, wat bhoorlijjk dom is, en als zij niet
hadden willen strijden met de rentes door middel van de opbrengsten van de landgoederen, dan zouden
wij nu dezen hebben als rijkere en betere burgers. Maar ik meen dat deze mensen allerminst gevreesd
moeten worden, omdat zij of van hun mening kunnen worden afgebracht, of, als zij erin zullen
volharden, meer aan mij toeschijnen wensen tegen de staat te zullen doen in plaats van de wapens
opnemen.
2.19 De uitgeslotenen
De tweede soort is van hen die, hoewel ze door schulden worden onderdrukt, toch de heerschappij
verwachten, zij willen de macht grijpen, zij menen dat zij, als de staat in verwarring is de erefuncties
waaraan zij wanhopen als de staat rustig is, kunnen bereiken. Aan hen schijnt dit voorgehouden te
moeten worden, natuurlijk een en hetzelfde wat aan alle overigen namelijk moet worden voorgehouden,
dat zij eraan moeten wanhopen dat zij kunnen bereiken dat wat zij proberen: Dat allereerst ikzelf waak,
dat ik aanwezig ben; dat ik zorg voor de staat; dat er vervolgens groot zelfvertrouwen is bij de goede
mannen, dat er een grote eendracht is van de standen, dat er een grote meerderheid is en dat er
bovendien grote groepen soldaten zijn. Dat tenslotte de onsterfelijke goden in eigen persoon hulp zullen
brengen aan dit onoverwinnelijke volk, aan dit zeer beroemde rijk; aan de zeer mooie Stad, hulp tegen de
zo grote uitbarsting van misdaad. Maar gesteld dat zij inmiddels hebben verkregen, wat zij met de
hoogste bezetenheid begeren, dan hopen zij er toch niet op dat zij consuls zullen zijn of dictators of
zelfs koningen temidden van de as van de stad en temidden van het bloed van de burgers, dingen die zij
zijn gaan begeren met een misdadige en goddeloze geest. Zij zien niet in dat zij dit begeren, wat, als ze
het verkregen zouden hebben, afgestaan moet worden aan een of andere weggelopen slaaf of gladiator
(vgl. Spartacus!!).
2.20 Veteranen en berooide boeren
De derde soort is reeds door ouderdom getroffen, maar toch krachtig door geoefendheid; tot die groep
hoort die beruchte Manlius, die nu door Catilina (zelf) wordt opgevolgd. Dit zijn mensen uit de Coloniae
die Sulla heeft gesticht; ik meen dat zij over het algemeen bestaan uit zeer goede burgers en hele
dappere mannen, maar toch zijn het die bewoners van een colonia die hebben gepronkt met
onverwachte en plotselinge geldhoeveelheden, te verkwistend en nogal schaamteloos. Terwijl dezen
bouwen als welgestelden, terwijl zij genieten van uitgelezen landgoederen, grote familia’s
(personeelsaantallen) en van welvoorziene feestmalen, zijn zij in zo’n grote schuld terechtgekomen dat
als ze financieel gezond willen zijn, Sulla (zelf) uit de onderwereld moet worden opgewekt door hen. Zij
hebben zelfs enige arme en behoeftige plattelanders tot dezelfde hoop op de van vroeger bekende
rooftochten gedreven. Ik plaats de beide groepen in dezelfde catagorie van rovers en plunderaars, maar
ik waarschuw hen dit: Dat ze moeten ophouden met waanig zijn, en moeten stoppen te denken aan
vogelvrijverklaringen en dictaturen. Immers er is zo’n pijnlijke herinnering ingebrand aan die tijden bij
de burgers dat niet alleen mensen maar zelfs vee aan mij toeschijnt die dingen niet (weer) te zullen
dulden.
2.21 De hopelozen
De vierde soort is wel zeer gemeleerd en verward: Zij worden reeds lang verdrukt, zij komen er nooit
meer bovenop, zij staan wankel, deels door luiheid, deels door een slecht te runnen zaak, deels zelfs door
uitgaven op basis van een oude schuld. Zij worden gezegd zich in grote aantallen vanuit de stad en vanaf
de akkers te begeven naar dat legerkamp, afgemat door dagvaardigingen, rechtzaken en
verbeurdverklaringen van goederen. Ik meen dat dezen niet zozeer felle soldaten zijn alswel trage
uitvluchtenzoekers. Mogen deze mensen zo snel mogelijk instorten als ze zich niet op de been kunnen
houden, maar zo, dat niet alleen de burgerij maar zelfs de dichtstbijzijnde buren het niet merken. Want
dat begrijp ik niet, waarom zij op schandelijke wijze willen omkomen, als zij niet kunnen leven op een
fatsoenlijke manier, of waarom ze menen dat ze zullen omkomen met minder pijn met velen samen dan
als zij alleen zouden sterven.
2.22 Criminelen en Catilina’s vriendjes
De vijfde soort bestaat uit verwantenmoordenaars, sluipmoordenaars, kortom allerlei misdadigers. Ik
roep hen niet weg van Catilina: Want niet alleen kunnen zij niet losgerukt worden van hem, en laten ze
maar omkomen bij een rooftocht, aangezien ze met zovelen zijn dat de gevangenis ze niet kan bevatten.
De laatste soort is, wat eigen is aan Catilina, niet alleen wat betreft rang maar zelfs wat betreft karakter
en levenswijze, sterker nog het zijn zijn boezemvrienden.
2.23 In deze groepen bevinden zich alle dobbelaars, alle echtbrekers, alle met onkuise en zedenloze
dingen. Deze jongens, deze zo charmante en verfijnde jongens (sarcastisch) hebben niet alleen geleerd
om te minnen en bemind te worden en niet alleen om te dansen en te zingen, maar ook om dolken te
zwaaien en gif te sprenkelen. Als zij niet weggaan en als zij niet omkomen, zelfs als Catilina wel zal zijn
omgekomen, dan moeten jullie weten dat dit een kweekvijver zal zijn in de staat van Catilina’s. Maar
toch: Wat willen die ongelukkigen voor zich zelf? Zij zijn toch zeker niet van plan om hun vrouwtjes met
zich naar het legerkamp te brengen? Op welke manier echter kunnen ze hen missen, vooral tijdens de
nachten? Hoe echer zullen zij verdragen de Appenijnen en die koude en de sneeuwbuien? Tenzij zij
menen, dat ze daarom de winter makkelijker zullen verdragen, omdat zij geleerd hebben naakt te dansen
bij feestmaaltijden.
Sallustius, De Coniuratione Catilinae, 14
1 In de zo grote en zo corrupte maatschappij had Catilina, iets wat zeer makkelijk te doen was, groepen
van schurken en misdadigers rondom zich als begeleiders (bodyguards). 2 Want welke zedeloze
echtbreker en kroegloper ook maar de van zijn vader geerfde goederen had verkwist met dobbelen,
vreetpartijen en sexuele uitspattingen en wie een grote schuld had opgebouwd waarmee hij een schand-
of misdaad kon afkopen, 3 bovendien alle verwantenmoordenaars van alle kanten, alle heiligschenners en
degenen die door vonissen veroordeeld waren of die op grond van hun daden een vonnis vreesden,
bovendien degenen die leefden van hun hand en tong door meineed of moord op medeburgers, tenslotte
allen die een schanddaad, armoede of een schuldbesef opjoegen: Zij waren de naasten van Catilina en
zijn kennissen. 4 Maar als iemand nu zelfs vrij van schuld, bevriend was geraakt met hem, werd hij
gemakkelijk gelijk en identiek aan de overigen gemaakt door de dagelijkse omgang en de verlokkingen. 5
Maar hij streefde vooral naar vriendschappen met jongemannen: Hun nog kneedbare en onstandvastige
geesten werden volstrekt zonder moeite te pakken genomen door listen. 6 Want al naar gelang van
begeerte opvlamde op grond van zijn leeftijd verschafte hij aan sommigen minaressen, voor anderen
kocht hij honden en paarden, kortom: Noch bespaarde hij op de kosten, noch op zijn eigen eerbaarheid,
als hi hen maar onderworpen en trouw aan hem maakte. 7 Ik weet dat er sommigen zijn geweest die
heeft gemeend dat de jeugd, die het huis van Catilina druk bezocht, de zedigheid te weinig in ere heeft
gehouden, maar dit gerucht ontleende zijn kracht meer aan andere zaken dan dat dit was vastgesteld
door ook maar iemand/maar dit verhaal had meer kracht vanuit andere zaken dan dat dit vastgesteld
was voor ook maar iemand.
Sallustius, De Coniuratione Catilinae, 5.1-8
1 Lucius Catilina, geboren in een edele familie, had een groot leven zowel van geest als van lichaam, maar
hij had een slecht en verdorven karakter. 2 Voor deze waren vanaf zijn jeugd aangenaam binnenlandse
oorlogen, slachtpartijen, rooftochten en burgerlijke tweedracht en daarmee bracht hij zijn jonge jaren
door. 3 Zijn lichaam was bestand tegen vasten, tegen kou en niet slapen, meer dan voor iemand
geloofwaardig is. 4 Zijn geest was vermetel, listig en veelzijdig, van welke zaak hij maar wil: Hij was een
voorwender of een verberger, hij was begerig naar het bezit van een ander en kwistig met het bezit van
zichzelf, hij was vurig in zijn begeerten; er was voor hem voldoende van welsprekendheid, van wijsheid
te weinig. 5 Zijn ongeremde geest verlangde altijd naar onmatige dingen, ongelooflijke dingen en naar te
hoge dingen. 6 Na de heerschappij van L. Sulla de zeer grote begeerte hem bevangen om de macht in de
staat te krijgen, en niet beschouwde hij het als iets van gewicht op welke manieren hij die bereikte, als
hij maar voor zich de alleenheerschappij zou verwerven. 7 Met de dag werd zijn onstuimige geest meer
en meer opgejaagd door gebrek aan vermogen en door het besef van zijn misdaden, welek beide dingen
hij met die eigenschappen had vergroot, met de eigenschappen die ik boven heb vermeld. 8 Bovendien
spoorden de corrupte gewoontes van de burgers hem aan, die worden geteisterd door zeer ernstige en
onderling zeer verschillende slechte dingen, door hang naar luxe en hebzucht.
Cicero, Pro Caelio 12-14
12 Maar Caelius steunde Catilina toen hij al enige jaren op het forum verkeerde. En velen deden
hetzelfde, uit iedere stand en van iedere leeftijd. Hij had immers, zoals ik meen dat jullie je herinneren,
zeer vele niet scherp omlijnde maar vage trekken van zeer grote deugden. Hij gebruikte veel verdorven
mensen: Maar wel deed hij alsof hij toegewijd was aan zeer goede mannen. Bij hem was veel verlokking
tot wellust; er waren ook bepaalde prikkels tot ijver en inspanning. Bij hem brandden de ondeugden van
de wellust. Ook was krachtig zijn belangstelling voor het krijgsleven. En niet meen ik dat er ooit op
aarde is geweest ook maar een dergelijk wonderlijk wezen, zo zeer samengesmolten uit tegengestelde en
verschillende en onderling strijdende neigingen en begeerten van zijn natuur.
13 Wie was er op een zekere tijd meer in de smaak vallend bij beroemdere mannen, wie was er nauwer
verbonden met schandelijker mensen? Wie was er eens een aanhanger van betere politieke groeperingen,
wie was er een afschuwelijkere vijand voor deze burgerij? Wie was er ontaarder in zijn genoegens, wie
was er volhardender in zijn inspanningen? Wie was er hebzuchtiger in zijn roofzucht, wie was er royaler
in zijn vrijgevigheid? Die dingen waren bewonderenswaardig, rechters, bij deze man: Velen aan zich
binden door vriendschap, het velen beschermen met toewijding, met iedereen delen wat hij had, het
bijspringen in de ongelukkige omstandigheden van al zijn volgelingen, met geld, met invloed, met
inspanningen van het lichaam, zelfs met een misdaad als het nodig was en met brutaliteiten, het
aanpassen van zijn natuur en haar richten naar de omstandigheden en haar naar alle kanten te draaien
en buigen en te leven met serieuze mensen op een ernstige manier, en om met de losbandigen op een
joviale maier, met de ouden op een waardige manier, met de jeugd op een vriendelijke manier, met de
criminelen op een brutale en met de wellustigen op een uitgelaten manier te leven.
14 Hij had niet alleen met deze zo veelzijdige en complexe aard alle slechte en brutale mensen uit alle
landstreken verzameld, maar zelfs hield hij vele dappere en goede mensen vast met een bepaalde schijn
van een voorgewende voortreffelijkheid. En nooit zou uit hem een zo misdadige aandrang tevoorschijn
zijn gekomen om dit rijk te vernietigen als niet zo’n grote monsterachtigheid van zulke ondeugden
steunde op bepaalde wortels van vriendelijkheid en volharding. Laat daaarom, rechters, deze basis voor
een aanklacht van de hand worden gewezen. En laat niet de beschuldigingen van vriendschap met
Catilina aan hem (Caelius) blijven kleven. Want de beschuldiging is gemeenschappelijk met velen en met
bepaalde goede mensen. Mijzelf heeft hij eens bijna bedrogen, mijzelf (mij zeg ik!), toen hij aan mij
toescheen zowel een goede burger als ook een aanhanger van juist de besten (optimates) te zijn, en een
standvastige en trouwe vriend: Ik heb vastgesteld de misdaden van hem met mijn ogen eerder dan met
mijn mening, met mijn handen eerder dan met mijn achterdocht. Als ook Caelius behoorde tot de grote
groepen vrienden van hem dan ligt het meer voor de hand dat hij zelf betreurt dat hij zich vergist heeft
dan dat hij vreest de beschuldiging van vriendschap met hem. Zoals ik ook menigmaal spijt heb van mijn
vergissing in dezelfde man.
Sallustius, De Coniuratione Catilinae 23
1 Bij die samenzwering nu was ook Quintus Curius, geboren uit een volstrekt niet onedel geslacht,
overladen met schanddaden en misdrijven, die de censoren wegens zijn schandelijke levenswijze uit de
senaat hadden verwijderd. 2 In deze man was niet minder ijdelheid dan vermetelheid: Noch verhulde hij
wat hij gehoord had, noch verborg hij zijn eigen misdaden, kortom het kon hem niet schelen wat dan
ook te zeggen en te doen. 3 Met Fulvia, een adellijke vrouw, had hij een oude buitenechtelijke relatie;
toen hij voor haar minder aantrekkelijk was omdat hij door geldgebrek minder royaal kon zijn begon hij
plotsklaps met opscheppen en beloofde hij zeeen en bergen en dreigde dan weer met een wapen als ze
hem niet ter wille zou zijn, kortom hij begon zich ruiger dan hem normaal was te gedragen. 4 Maar
nadat Fulvia de oorzaak van het onbeschaamde gedrag van Curius had ontdekt hield ze een dergelijk
gevaar voor de maatschappij niet verborgen maar vertelde ze, haar bron geheimhoudend, aan
verschillenden wat ze gehoord had en hoe over de samenzwering van Catilina. 5 Deze zaak in het
bijzonder deed de ijver van de mensen ontbranden om het consulaat aan Marcus Tullius Cicero toe te
vertrouwen. 6 Want daarvoor gloeide het grootste deel van de edelen van jaloezie en meenden dat het
consulaat als het ware bevuild werd wanneer een Homo Novus, hoe goed ook, het zou hebben
verworven; maar toen het gevaar naderde raakten jaloezie en trots op de achtergrond.
Sallustius, De Coniuratione Catilinae 25
1 Sempronia was nu een van hen, die dikwijls vele misdaden had gepleegd, in vermetelheid een man
waardig. 2 Deze vrouw was van afkomst en gestalte en bovendien door voldoende zonen gezegend; ze
had Grieks en latijn geleerd, kon citer spelen en aardig dansen, en was voorzien van veel andere
instrumenten voor een luxeleventje. 3 Maar voor haar waren alle dingen altijd dierbaarder dan eer en
zedigheid; volstrekt niet makkelijk kon je onderscheiden of ze minder zuinig was op haar geld of op haar
goede naam; haar wellust was zo ontbrand dat ze vaker achter mannen aanging dan dat ze achterna
gezeten werd. 4 Maar zij had dikwijls tevoren haar woord gebroken, zij had haar schuld geloochend, zij
was medeplichtig geweest aan moord: Zij was naar de afgrond afgegleden door zucht naar luxe en
geldgebrek. 5 Haar ware aard was volstrekt niet onbeduidend: Ze kon gedichten maken, ze kon grapjes
maken, een gesprek voeren of wel gematigd ofwel mollig ofwel wulps; kortom ze had veel humor en
charme.
Sallustius, De Coniuratione Catilinae 43-46
43.1 Maar in Rome hadden Lentulus en de overigen die leiders waren van de samenszwering besloten,
nadat grote groepen troepen, zoals het scheen, paraat waren gemaakt, dat, wanneer Catilina met zijn
leger in het gebied van Faesolae was gekomen, L. Bestia, de volkstribuun, moest klagen, nadat hij een
volksvergadering had belegd, over de acties van Cicero en dat hij het verwijt van de zeer ernstige oorlog
moest schuiven op de zeer goede consul; op dat teken moest de volgende nacht de overige aanhang van
de samenzwering ieder zijn taak uivoeren. 2 Maar men zei, dat die opdrachten op deze manier waren
verdeeld: Dat de heren Statilius en Gabinius met een grote groep tegelijk 12 geschikte plaatsten in brand
moesten steken opdat door de zo ontstane verwarring een makkelijker toegang tot de consul ontstond en
tot de overigen voor wie aanslagen werden voorbereid; en ze hadden besloten dat Cethegus de deur van
Cicero zou belegeren en dat hij hem met geweld zou aanvallen; de een moest deze, de ander die doden,
maar de zonen van families waarvan het grootste deel uit de adel was moesten hun vaders doden.
Tegelijk moesten zij uitbreken naar Catilina wanneer door moord en brand allen van hun stuk gebracht
waren. 3 Tijdens deze voorbereidingen en besluiten klaagde Cethegus altijd over de lafheid van zijn
bondgenoten: Hij zei dat zij grote kansen verspeelden door te aarzelen en de afgesproken tijdstippen uit
te stellen; hij zei dat een daad, niet een plan in een dergelijk gevaar nodig was; hij zei dat hij een aanval
zou doen op het senaatsgebouw als maar weinigen zouden helpen wanneer anderen het zouden laten
afweten. 4 Hij was van nature onstuimig en heftig, met zijn handen was hij doortastend; Hij meende dat
het grootste goed in snelheid lag.
44.1 Maar de Allobrogen ontmoetten F. Gabinius op grond van een voorschrift van Cicero. Zij eisen van
Lentulus, Cethegus, Statilius, zelfs van Cassius een eed om een handtekening aan hun burgers te kunnen
laten zien; anders zouden zij volstrekt niet makkelijk kunnen worden gebracht tot een zo grote
onderneming. 2 De overigen gaven nietsvermoedend de verklaring, Cassius belooft dat hij zelf in korte
tijd daarheen zal komen, en weinig voor de gezanten vertrekt hij uit de stad. 3 Lentulus stuurt met hen
een zekere T. Volturcius uit Croton opdat de Allobrogen het bondgenootschap met Catilina zouden
bevestigen, voordat zij naar huis zouden gaan, door het geven en krijgen van het woord van trouw. 4
Zelf geeft hij aan Volturcius een brief voor Catilina mee, waarvan een afschrift hieronder geschreven is: 5
‚Jij zult te weten komen wie ik ben uit hem die ik naar jou heb gestuurd. Maak dat je weet/beseft dat je
je in een rampsituatie bevindt, en herinner je dat je een man bent. Je moet overwegen wat jouw
belangen vereisen: Zorg ervoor dat je hulp vraagt van de kant van allen, zelfs van mensen van het laagste
allooi.‛ 6 Hierbij geeft hij opdrachten met woorden: Met welk motief zou hij slaven afwijzen, wanneer hij
door de staat tot staatsvijand verklaard is? Dat in de stad gereedgemaakt waren de dingen die hij had
bevolen; hij moest niet aarzelen om zelf dichterbij te komen.
45.1 Nadat deze dingen zo waren gedaan, en nadat de nacht was vastgesteld waarin zij zouden
vertrekken beval Cicero, nadat hij van alles op de hoogte was gebracht door de gezenten aan de
praetoren L. Valerio Flaccus en C Pomptinus om het gezelschap van de Allobrogen op de pons Mulvius
d.m.v. een hinderlaag aan te houden. Hij onthult de hele zaak terwille waarvan ze gestuurd worden; hij
staat toe dat ze de overige dingen zo doen zoals het optreden nodig is. 2 Zij, mensen met militaire
ervaring, leggen in het geheim een cordon om de brug heen, nadat zonder rumoer wachtposten waren
geplaatst, zoals voorgeschreven was. 3 Nadat de gezanten met Volturcius naar deze plek waren gekomen
en nadat aan weerskanten geschreeuw was ontstaan gaven de Galliers zich aan de praetoren zonder
aarzelen over omdat zij snel het plan doorhadden. 4 Volturcius verdedigde zich aanvankelijk met zijn
zwaard tegen de overmacht nadat hij de overigen had aangespoord, daarna gaf hij zich aan de praetoren
over alsof ze staatsvijanden waren, toen hij door de gezanten in de steek was gelaten en nadat hij eerst
veel dingen had gesmeekt over zijn behoud tot Pomptinus, omdat hij met hem bekend was, angstig en
vrezend voor zijn leven.
Cicero, Oratio in Catilinam 3.5-6, 3.12
3.5 Ik heb de praetoren L. Flaccus en C. Pomptinus, zeer sterke en vaderlandslievende mannen, gisteren
bij me geroepen, ik heb de zaak uitgelegd, ik heb getoond wat ik wilde dat gebeurde. Zij namen de taak
op zich zonder weigering en zonder enig oponthoud, omdat zij in alle opzichten aangaande de staat
schitterende enn aanstekelijke gevoelens hadden, en, toen het avond werd, kwamen zij in ‘t geniep bij de
pons Mulvius aan, en hielden zij zich in de dichtstbijzijnde landhuizen zo in twee groepen verdeeld op,
dat de brug over de Tiber tussen hen in was. Enerzijds hadden zij zelf echter naar dezelfde plaats naar
buiten gebracht veel dappere mannen zonder argwaan van ook maar iemand, anderzijds had ik
verscheidene uitgelezen jongemannen gestuurd uit de proefectuur van Reate, uitgerust met zwaarden,
van wie ik de inspanning bij de bescherming van de staat voortdurend gebruik. 6 Nadat intussen de 3e
wacht bijna verstreken was, toen de Allobrogische gezanten de brug al met een groot gezelschap
betraden en samen met hen Volturcius, wordt er op hen een aanval gedaan; zowel door hen als door de
onzen worden zwaarden getrokken. De zaak was alleen aan de praetoren bekend, maar onbekend aan de
overigen. Toen werd het gevecht, dat begonnen was, tot bedaren gebracht door tussenkomst van
Pomptinus en Flaccus. De brieven worden aan de praetoren overhandigd, met ongeschonden zegels; de
gearresteerden worden zelf weggebracht naar mij, toen het al licht begon te worden. Ik heb tot mij
Cibrus Gabinius geroepen, de zeer verdorven aanstichter van al deze misdaden, terstond, terwijl hij nog
niets vermoedde; vervolgens is eveneens L. Statilius ontboden en na hem Cethegus; het laatste kwam
Lentulus, ik geloof omdat hij de afgelopen nacht had gewaakt bij het opstellen van de brief tegen zijn
gewoonte in.
3.12
Volturcius echter verzocht plotseling dat de brief tevoorschijn werd gehaald en werd geopend, de brief
waarvan hij zei dat hij aan hem door Lentulus gegeven was voor Catilina. En Lentulus herkende zowel
het zegel als zijn handschrift daar, hoewel hij zeer hevig in verwarring was gebracht. De brief was echter
zonder naam, maar (luidde) zo: ‚Wie ik ben zul jij weten uit de man die ik naar jou heb gestuurd. Zorg
dat jij een man bent en bedenk naar welke plaats jij bent voortgegaan. Bekijk wat er nu voor jou nodig is
en zorg ervoor dat jij hulp aan jou toevoegt van allen, zelfs van de laagsten.‛ Nadat Gabinius vervolgens
was binnengeleid, ontkende hij tenslotte niets van die dingen waarvan de Galliers hem beschuldigden,
hoewel hij aanvankelijk begonnen was onbeschaamd te antwoorden.
Cicero, Oratio in Catilinam 4.7-12
4.7 Ik zie dat er tot dusver twee voorstellen zijn, de ene van D. Silanus die meent dat zij met de dood
bestraft moeten worden, zij die deze dingen hebben geprobeerd te verwoesten, het andere (voorstel) van
G. Caesar die de doodstraf afwijst, maar die alle onaangenaamheden van de overige zware straffen
aanvaardt. Elk van beide dringt aan op de hoogste strengheid en in overeenstemming met zijn
waardigheid en in overeenstemming met de ernst van de zaken. De een meent dat het niet behoort dat
zij, die gepoogd hebben ons allen te beroven van het leven, die geprobeerd hebben het Rijk te
verwoesten en de naam van het Romeinse volk uit te wissen, dat zij geen ogenblik behoren te genieten
van het leven en deze lucht die wij allen inademen, enherinnert zich dat deze soort van straf vaak op
verdorven burgers in deze staat is toegepast. De ander meent dat de dood niet door de onsterfelijke
goden is ingesteld bij wijze van zware straf maar dat de dood ofwel als noodzaak van de natuur is
ingesteld of als bevrijding van moeite en ellende. En zo hebben wjizen haar nooit ongewild tegemoet
getreden, de dapperen hebben haar dikwijls zelfs gewillig benaderd. Gevangenschap echter, en die
eeuwig durend, is zeker uitgevonden als een uitzonderlijke straf voor een goddeloze misdaad. Hij beveelt
aan dat zij worden verdeeld onder de steden. Die zaak schijnt een onredelijkheid in te houden, als je het
zou willen bevelen, en een moeizaamheid anderszijds als je het zou willen vragen. Laat er toch toe
besloten worden als het aan de senaat bevalt.
4.8 Ik zal dit immers op me nemen, en ik zal hen, die menen dat het niet in overeenstemming is met
hun waardigheid om te weigeren datgene wat jullie zullen hebben besloten in het belang van het welzijn
van anderen, zoals ik hoop vinden. Hij voegt toe een zware straf voor de steden als iemand van hen de
boeien zal hebben verbroken. Hij plaatst huiveringwekkende wachtposten eromheen en wel passend bij
de misdaad van de verdorven mensen; hij bepaalt dat niet iemand kan verlichten de straf van hen die hij
veroordeelt door de senaat of door het volk; hij neemst zelfs weg de hoop die als enige de gewoonte
heeft om een persoon in ellende te troosten. Hij beveelt bovendien aan dat de goederen verbeurd worden
verklaard; hij laat alleen het leven over aan de misdadige mensen: Als hij dat weggenomen zou hebben,
zou hij wel ellende van geest en lichaam hebben weggenomen door een pijnlijke ervaring en alle straffen
voor de misdaden. Enzo, opdat er in het vooruitzicht was gesteld in het leven voor schurken een
schrikbeeld hebben de mensen van vroeger aangenomen dat er bepaalde zware straffen van dien aard
waren ingesteld in de onderwereld, omdat zij natuurlijk begrepen dat de dood op zichzelf niet gevreesd
hoeft te worden wanneer deze dingen verwijderd zijn.
4.9 Nu, heren senatoren, zie ik wat in mijn belang is. Als jullie het voorstel van G. Caesar zullen hebben
gekozen, aangezien hij in de politiek deze richting heeft gevolgd die voor democratisch wordt gehouden,
zullen misschien de aanvallen van de volkspartij (populares) minder zijn te vrezen door mij omdat deze
de geestelijk vader en verdediger is van dit voorstel. Maar als jullie die andere gekozen zullen hebben,
weet ik niet of misschien wel voor mij meer last wordt veroorzaakt. Maar laat toch het belang van de
staat het winnen van de overwegingen van mijn gevaren. Wij hebben immers van de kant van Caesar
een voorstel, zoals de waardigheid van hemzelf vereiste, en de verhevenheid van zijn voorouders, een
voorstel dat als het ware een waarborg is van zijn voortdurende welwillendheid jegens de staat. Er is
begrepen wat het verschil was tussen de lichtzinnigheid van de volksopruiers en de geest, die gericht is
op het volk en op het welzijn van het volk.
4.10 Ik zie dat menigeen uit die groep afwezig is, van die mensen die willen dat ze als
volksvertegenwoordigers (populares) beschouwd worden, natuurlijk opdat zij niet een vonnis heoven te
vellen over het leven van Romeinse burgers. Zij stelden eergisteren Romeinse burgers in verzekerde
bewaring en hebben tot een dankfeest voor mij besloten, en ze hebben de aangevers (tipgevers) gisteren
van zeer grote beloningen voorzien. Dit is inmiddels voor niemand twijfelachtig dat degene die heeft
besloten tot bewaking voor de aangeklaagden, tot dankbetuiging aan de leider van het gerechtelijk
onderzoek en die heeft besloten tot een beloning voor de aangevers, heeft besloten over het gepleegde
feit en de juridische kwestie in zijn totaliteit. Maar G. Caesar van zijn kant begrijpt dat de Lex
Sempronia is vastgesteld met het oog op Romeinse burgers; maar hij begrijpt ook dat wie een vijand van
de staat is, op geen enkele manier burger kan zijn. Tenslotte begrijpt Caesar dat de indiener zelf van de
Lex Sempronia zonder toestemming van de volksvergadering zijn boete aan de staat betaald heeft.
Dezelfde meent dat Lentulus zelf, een verkwister en omkoper, niet nog vriend van het volk genoemd kan
worden, omdat hij heeft gedacht over het verderf van het Romeinse volk en over de ondergang van deze
stad, zo wrang en zo wreed. Daarom twijfelt de zeer zachtzinnige en milde man er niet over om P.
Lentulus aan eeuwige duisternis en boeien toe te vertrouwen, en hij bepaalt voor later dat niet iemand
zich kan verheffen door de zware straf van deze te verlichten en dat niet iemand hierna vriend van het
volk kan zijn ten koste van dat Romeinse volk. Zelfs voegde hij een verbeurdverklaring toe, opdat gebrek
en diepe armoede direct volgen op alle martelingen van geest en lichaam.
4.11 Daarom, als jullie dit zullen hebben besloten, zullen jullie aan mij gegeven hebben een metgezel naar
de volksvergadering, dierbaar aan het volk en aangenaam, maar als jullie liever het voorstel van Silanus
zullen hebben willen volgen zal het volk makkelijk mij en jullie vrijspreken van het verwijt van wreedheid
en ik zal bewijzen dat dit voorstel veel milder was. Hoewel, heren Senatoren, wat kan een wreedheid zijn
bij het bestraffen van een zo grote misdaad? Ik immers oordeel volgens mijn gevoel. Want moge het zo
toegestaan zijn aan mij te genieten van de behouden staat, zoals ik niet bewogen word door wreedhied
van geest, wat betreft het feit dat ik in deze zaak nogal hard ben, - wie immers is zachtzinniger dan ik -
maar door een bepaald soort menselijkheid en medelijden. Ik schijn (mij) immers toe deze stad te zien,
het licht der wereld en de burcht van alle volkeren, terwijl zij plotseling in een grote brand ineenstort. Ik
zie in mijn geest in het begraven vaderland de ongelukkigen en onbegraven stapels van burgers, voor
mijn ogen zweeft de aanblik van Cethegus in zijn bezetenheid terwijl hij als een Bacchant tekeer gaat
tenmidden van jullie bloedbad.
4.12 Wanneer ik mij echter Lentulus terwijl hij koning is heb voorgesteld, zoals hij zelf heeft bekend dat
hij het uit de voorspellingen gehoopt heeft, en dat Gabinius voor deze een hoveling is, dat Catilina met
zijn leger gekomen is, dan begin ik te huiveren over de vlucht van meisjes en jongens, over de
jammerklachten van de huismoeders, en over de verkrachting van de Vestaalse Maagden en omdat deze
dingen mij zeer ellendig en beklagenswaardig uitzien, daarom zal ik mezelf als streng en hard betonen
jegens hen die deze dingen wilden tot stand brengen. Immers, ik vraag mij af of hij eruitziet als genadig
en medelijdend of zeer onmenselijk en zeer wreed, als een of andere huisvader niet een zo streng
mogelijke straf heeft toegepast op zijn slaven, nadat zijn kinderen door een slaaf zijn gedood, nadat zijn
vrouw gedood is door hem en zijn huis in brand is gestoken. Voor mij echter ziet hij er genadeloos en
van ijzer tegenover zichzelf en zijn familie uit, hij die niet heeft verzacht zijn pijn en marteling; door de
pijn en de marteling van de schuldigen. Zo zullen wij worden beschouwd als barmhartig ten aanzien van
deze mensen, die onze kinderen en echtgenotes, en ons wilden vermoorden, die geprobeerd hebben de
afzonderlijke huizen van ieder van ons en dit algemene huis van de staat te verwoesten, zij die dit
hebben geprobeerd, dat zij het volk van de Allobrogen zouden vestigen in de resten van deze stad en in
de as van het afgebrande rijk, als wij zeer hard zullen zijn geweest (jegens hen).
Sallustius, De Coniuratione Catilinae 52
52.1 Nadat Caesar een einde had gemaakt aan zijn toespraak, stemden de overigen met een enkel woord
in op uiteenlopende manier, de ene met deze, de ander met die. Maar M. Porcius Cato hield een
redevoering van deze aard nadat hem zijn mening gevraagd was. 2 Ik heb een heel andere gedachte,
heren senatoren, wanneer ik onze omstandigheden en gevaren aanschouw, van ons en wanneer ik de
meningen van sommige bij mezelf overdenk. 3 Zij schijnen mij toe gesproken te hebben over de straf van
hen, die een oorlog voor het vaderland hebben voorbereid, voor de ouders, de altaren en de haarden
(huizen; pars pro toto); maar de situatie spoort ons aan op te passen voor hen, meer dan te
beraadslagen, wat wij tegen hen moeten besluiten. 4 Want je zou de overige misdaden dan kunnen
vervolgen, wanneer zij gepleegd zijn. Als jij er niet voor gezorgd zou hebben dat dit niet gebeurt, dan
zou je wel eens tevergeefs de rechtbanken te hulp kunnen roepen, wanneer het gebeurd is. Als de stad is
ingenomen blijft er voor de overwonnenen niets over. 5 Maar, bij de onsterfelijke goden, ik roep jullie
aan, die altijd de huizen, de landgoederen, jullie standbeelden en schilderijen van meer waarde achten
dan de zaak van de staat: Als jullie die dingen willen behouden, van welke soort ook maar de dingen zijn
waaraan jullie gehecht zijn, als jullie rustige omstandigheden willen bieden aan jullie geneugten, dan
moeten jullie wakker worden eindelijk eens en moeten jullie het staatsbestuur aanpakken. 6 Het gaat niet
over de indirecte heffingen, en niet over de onrechten jegens provinciebewoners: Onze vrijheid en ons
leven staat op het spel. 7 Dikwijls heb ik in deze vergadering veel woorden gesproken, heren senatoren,
vaak heb ik geklaagd over de luxe en de hebzucht van onze burgers, en ik heb veel stervelingen tegen
mij door deze oorzaak. 8 Omdat ik aan mij en aan mijn geest nooit vergiffenis had geschonken voor ook
een enkele misstap, vergeef ik niet makkelijker de wandaden van de lust van een ander. 9 Maar hoewel
jullie die dingen van weinig gewicht beschouwen, toch was de staat sterk, de rijkdom was bestand tegen
de zorgeloosheid. 10 Nu echter gaat het niet hierom, of we leven volgens goede of slechte zeden en niet
hoe groot of hoe geweldig het rijk is van het Romeinse volk maar het gaat om deze dingen (van welke
soort ze ook maar schrijven) of ze de onze zullen zijn of van de vijanden samen met ons. 11 Noemt
iemand hier aan mij de woorden mildheid en barmhartigheid? We hebben reeds lang wat mij betreft
verloren de werkelijke namen van de dingen: Omdat het uitdelen van andermans goederen gulheid
wordt genoemd, het wagen van slechte zaken dapper wordt genoemd, daardoor bevindt zich de staat op
de rand van de afgrond. 12 Laten ze dan maar vrijgevig zijn met de bezittingen van de
provinciebewoners, aangezien het zo gesteld is met de zeden, laten ze dan maar barmhartig zijn ten
aanzien van de dieven van de schatkist. Als zij maar niet vrijgevig zijn met ons bloed, en terwijl ze
weinige misdadigers sparen en alle goede mensen te gronde richten. 13 Caesar heeft kort te voren goed
en helder gesproken over het leven en de dood, terwijl hij als onwaar beoordeelt die dingen - geloof ik -
die worden verteld over de onderwereld, namelijk dat de slechte bewoners afschuwelijke, woeste, lelijke
en angstaanjagende plaatsen (vb. R’dam) op een andere manier dan de goeden bewonen. 14 En zo
oordeelde hij dat hun bezittingen verbeurd verklaard moesten worden, en dat zij zelf verspreid over de
municipia (provinciesteden) in bewaring moesten worden gehouden, omdat hij natuurlijk vreest dat als
zij in Rome zijn, ze met geweld worden bevrijd, ofwel door deelnemers aan de samenzwering, of door
een gehuurde menigte; 15 alsof werkelijk slechten en misdadigers alleen maar in De Stad zijn en niet
versprijd over heel Italia, en alsof niet daar brutaliteit meer kan bereiken waar de hulpmiddelen minder
zijn met het oog op het verdedigen. 16 Daarom is wat mij betreft dit voorstel zinloos als hij gevaar van
hun kant vreest; als hij als enige niet vreest bij zo’n grote vrees van allen, des te meer is het van belang
dat ik vrees voor mij en voor jullie. 17 Daarom, wanneer jullie zullen besluiten over P. Lentulus en de
anderen, moeten jullie er zeker van zijn dat jullie een besluit nemen tegelijk over het leger van Catilina
en over alle samenzweerders. 18 Hoe oplettender jullie deze dingen zullen doen, des te zwakker zal het
zelfvertrouwen voor hen zijn; als zij zullen hebben gezien dat jullie slechts een klein beetje zullen
verslappen, zullen zij weldra allen onstuimig aanwezig zijn. 19 Jullie moeten niet van oordeel zijn dat
onze voorouders de staat groot hebben gemaakt uit iets kleins met wapens. 20 Als het zou zou zijn,
zouden wij haar verreweg op haar mooist hebben, immers er is een grotere voorraad voor ons dan voor
hen van bondgenoten en van burgers en bovendien (ook) van wapens en van paarden. 21 Maar er waren
andere dingen die hen groot hebben gemaakt, die er voor ons helemaal niet zijn: Thuis inzet, in het
buitenland een rechtvaardige heerschappij, een geest die vrij is bij het overleggen, en niet onderworpen
aan schuldgevoel en lust. 22 In plaats van deze dingen hebben wij weelde en hebzucht, van staatswege
armoede, particulier rijkdom; wij prijzen rijkdom, wij volgen luiheid; er is geen enkel onderscheid tussen
goeden en slechten; eerzucht heeft alle beloningen van deugd. 23 En geen wonder: Wanneer jullie apart
ieder voor zich plannen maken, wanneer jullie thuis jullie genoegens dienen, en hier geld of invloed
dienen, daardoor komt het dat er een aanval ontstaat op de onbeschermde staat. 24 Maar dit onderwerp
laat ik varen. Zeer aanzienlijke burgers hebben samengezworen om het vaderland in brand te steken, ze
roepen het volk van de Galliers, zeer vijandig tegen alles wat Romeins heet, op tot oorlog, de aanvoerder
van de vijanden hengt ons boven het hoofd met zijn leger. 25 Aarzelen jullie zelf nu en twijfelen jullie
wat jullie moeten doen nu (staats)vijanden gegrepen zijn binnen de muren? 26 Ik oordeel - laten jullie
maar medelijden hebben - jonge mensen hebben een misstap begaan door eerzucht (ironisch!), en laten
jullie ze dan maar gewapend wegsturen. 27 Moge niet die mildheid en barmhartigheid voor jullie op
ellende uitlopen als ze de wapens hebben gegrepen. 28 Natuurlijk, de zaak zelf is ernstig maar jullie
vrezen die niet, integendeel, jullie vrezen zeer, maar jullie aarzelen door luiheid en slapheid van geest
terwijl jullie wachten, de een op de ander, blijkbaar vertrouwend op de onsterfelijke goden die deze staat
vaak hebben gered voor grote gevaren.29 Niet door geloften en niet door vrouwelijke smeekbeden wordt
goddelijke hulp verworven: Door waakzaam te zijn, door te handelen lopen alle dingen voorspoedig af.
Wanneer jij jezelf hebt overgegeven aan laksheid en lafheid, zou jij tevergeefs een beroep kunnen doen
op de goden: Zij zijn boos en vijandig. 30 Bij onze voorouders heeft Aulus Manlius Torquatus in een
Gallische oorlog bevolen zijn zoon te doden omdat hij tegen het bevel met een vijand vocht, 31 en de
uitstekende jongeman betaalde boete voor zijn onbeheeste dapperheid met de dood: Jullie aarzelen wat
jullie moeten besluiten over zeer wrede verwantenmoordenaars? Natuurlijk staat het overige leven van
hen tegenover deze misdaden! 32 Maar jullie moeten de waardigheid van Lentulus sparen, als hij ooit
heeft gespaard goden of ook maar enige mensen; 33 Jullie moeten de jeugd van Cethegus vergeven als
hij niet nogmaals oorlog met het vaderland heeft gevoerd. 34 Want wat moet ik zeggen over Statilius,
Gabinius, Caeparius? Als voor hen ooit ook maar iets van gewicht was geweest zouden zij niet die
plannen hebben gehad aangaande de staat. 35 Tenslotte, heren senatoren, als er bij bij Juppiter, plaats
was voor een onterechte beslissing, dan zou ik het gemakkelijk dulden dat u door de feiten zelf werd
terechtgewezen, aangezien u naar woorden niet wilt luisteren. Maar wij zijn aan alle kanten omsingeld:
Catilina met zijn leger houdt ons bij de keel, andere vijanden zijn binnen de stadsmuren en in de stad
haar schoot en niets kan in ‘t geniep voorbereid of overlegd worden: des te meer haast moet er gemaakt
worden. 36 Daarom men ik van mening: Dat, aangezien door het schaamteloze plan van criminele
burgers de samenleving in de grootste gevaren gekomen is en zij op aangeven van Volturcius en de
Allobrogische gezanten schuldig zijn bevonden en hebben bekend dat zij een bloedbad, vuren en andere
vuile en wrede misdrijven hebben voorbereid tegen burgers en vaderland, degenen die hebben bekend
moeten gestraft worden volgens de gewoonte van onze voorouders, zoals degenen die bij moorden op
heterdaad betrapt zijn.
Wat moet je verder weten?
Het examen bestaat uit een deel tekstverklaren, je krijgt dan een stuk (gelezen, dus waarvan hierboven
de vertaling staat) tekst waarover vragen worden gesteld. Verder is er natuurlijk de vrije vertaling van
een ongeziene tekst. Daarnaast zullen er vragen over achtergronden gesteld worden. Zo moet je iets
weten over retorica, over de voorgeschiedenis, over de gebeurtenissen in het jaar 63 zelf en het staartje
van het verhaal na 63. Ook moet je iets kunnen vertellen over het leven en werk van de beide auteurs,
Cicero en Sallustius, waarbij ook de stijl en stijlmiddelen van de schrijvers aan bod komen.
Voorgeschiedenis
In Rome en Italia was de situatie na het einde van de Tweede Punische Oorlog tegen Hannibal en zijn
Carthagers (218-201) chaotisch en ontwricht. Met name de kleine boeren hadden zware tijden gehad, het
plebs rustica was of gesneuveld als burgersoldaat of naar de stad gevlucht. Het grootgrondbezit nam een
enorme vlucht, doordat de verlaten akkers bij de latifunda gevoegd werden. Deze boerenbedrijven
werden steeds groter doordat de enorme geldhoeveelheden die bij roofoorlogen buitgemaakt waren
geinvesteerd werden.
Er ontstond een tweedeling: Aan de ene kant de rijke senatoren, equites en legerofficieren, aan de andere
kant het stads- en plattelandsproletariaat. De laatsten waren veelal door een clientela-patroni
verhouding gebonden aan welgestelder romeinen.
Tot 139 ging alles voor de toplaag goed. Vanaf dat moment echter waren de lucratieve oorlogen voorbij,
ontstond er een tekort aan (boeren)burgersoldaten en werd de situatie onder de proletariers nijpend.
Een oplossing moest in verband worden gezien met agrarische hervormingen, dat stond vast.
De volkstribuun Tiberius Gracchus diende een akkerwet (lex agraria) in om staatsland (ager publicus)
dat bij latifunda was ingelijfd te verdelen onder ontheemde boeren. De optimaten waren echter - uit
eigenbelang - fel tegen; eerste werd hij tegengewerkt, uiteindelijk in 133 gedood.
Zijn broer, Gaius Gracchus deed in 123 een tweede poging. Hij koppelde de lex agraria aan een heel
pakket andere maatregelen waarmee hij niet alleen de boeren, maar ook de equites, de proletariers en de
bondgenoten (socii) voor zich kon winnen. Ook hij haalde het niet, werd uit zijn ambt gezet en
uiteindelijk gedood.
De Gracchen hadden het volkstribunaat herontdekt als wapen in de politiek tegen het machtsblok van
de senaat. Het was vroeger als middel voor de plebejers tegen de patriciers bedoeld, maar het verschil
was vervaagd en vooraanstaande plebejers hadden langzaam een nieuwe elite gevormd van nobilitas, die
zelfs in de senaat kwamen. Soms lukte het een buitenstaander om in de ontstane toplaag binnen te
dringen en het consulaat te bereiken (homus novus), maar veel waren het er niet.
Door de Gracchen was een splitsing ontstaan tussen hervormers (populares) die met name in de
volksvergadering opereerden en de optimates, de conservatieven uit de senaat.
In 107 werd Marius, een homo novus tot consul gekozen. Hij stelde het leger open voor proletariers en
loste zo het troepentekort op. Zijn soldaten kregen soldij maar ook de toezegging op een stukje land na
hun diensttijd, waardoor ze aan de legerleider gebonden werden door een soort clientela-verhouding, die
Marius een geweldige macht gaf.
Sulla was in 88 consul. Hij kreeg een mandaat om in Asia orde op zaken te gaan stellen, maar Marius
dreef via de volksvergadering zijn eigen benoeming door. Sulla mobiliseerde zijn leger, trok op naar
Rome en doode vele populares, om daarna voor 4 jaar naar Asia te vertrekken.
Marius was intussen tot consul benoemd en vele optimaten waren afgeslacht. Samen met privelegers van
Pompeius en Crassus versloeg Sulla de populares-legers bij terugkomst. Hij herstelde de macht van de
senaat, richtte een slachtpartij aan onder politieke tegenstanders en werd tot dictator voor onbepaalde
tijd benoemd. In 79 trad hij af. De strijd had de samenleving echter diep geschokt. Rome verpauperde
steeds meer en de kans dat iemand met revolutionaire ideeen de proletariers zou weten te mobiliseren
groeide met de dag.
De periode 75-66 was het onrustig. Spartacus, een ontsnapte slaaf, trok met zijn slavenleger in 73 door
Italia maar werd door Crassus en Pompeius uiteindelijk verslagen. Deze laatsten kregen in de staat
steeds meer macht. Ze herstelden de macht van de volksvergadering en volkstribunen. In 66-65 vond de
vermeende eerste Catilinarische samenzwering plaats.
Pompeius werd naar het oosten gezonden voor een oorlog, en tot zijn terugkomst in 62 heerste er een
monetaire crisis: Geldschaarste. Voor alle bevolkingslagen had dit gevolgen. Senatoren konden hun
schulden (aes alienum) niet aflossen, arme boeren en exsoldaten van Sulla raakten in schuldslavernij
(nexum), het plebs urbana was kansloos, winkeliers (tabernarii) en handwekers (opifices) verkochten
door de afnemende koopkracht niets meer.
Velen zagen een oplossing in algehele kwijtschelding van schulden (tabulae novae), desnoods door een
revolutie (res novae).
Het jaar 63 zelf
In dit jaar is Cicero consul. Hij krijgt lucht van de mogelijke bedreigingen door Catilina en laat de
consulverkiezingen voor het jaar erna, in juli, uitstellen. Silanus en Murena worden gekozen, weer niet
Catilina. In oktober wordt het senatus consultum ultimum uitgevaardigd: Het machtigt de consuls tot
speciale maatregelen om Catilina en zijn kompaan Manlius die op 27 oktober in opstand zouden willen
komen in Etrurie te stoppen.
Op 6 november is er een vergadering van de samenzweerders in het huis van Laeca. Twee dagen later,
op 8 november meldt Cicero in de senaat dat er de avond ervoor een aanslag op hem is gepleegd (hij
deed de deur wijselijk niet open voor de moordenaars die op de stoep stonden en ontsnapte zo aan de
dood).
Dit is de eerste Catalinarische redevoering:
-8 november 63 v.C.
-ter informatie van de senaat
-direct in aanwezigheid van Catilina in de tempel van Juppiter Stator uitgesproken
-Cicero raadt Catilina aan in ballingschap te gaan
-Cicero probeert steun in de senaat te krijgen.
Die avond ontvlucht Catilina Rome en voegt zich bij het leger van Manlius.
Op 9 november spreekt hij het volk op het Forum toe in zijn tweede Catilinarische redevoering:
-9 november 63
-ter informatie van het volk over de vlucht van Catilina
-in een contio, een volksvergadering waarin geen besluiten worden genomen uitgesproken
-hij vertelt hoe hij Catilina uit de stad heeft gejaagd, vertelt uit wat voor uitschot zijn leger bestaat,
vertelt dat het volk Catilina niet hoeft te vrezen en vertelt welke maatregelen hij gaat nemen en heeft
genomen.
-hij probeert eventuele samenzweerders uit de stad te jagen
Hierna worden, rond 17 november, Manlius en Catilina buiten de wet geplaatst en tot staatsvijand
(hostes) verklaard. De nieuwgekozen (aangewezen, designatus) consul Murena wordt van
verkiezingsfraude beticht. Cicero verdedigt hem met succes.
In de nacht van 2 op 3 december worden de Allobrogische gezanten en hun gezelschap vastgehouden op
de Pons Mulvius. De dag erna vertelt Cicero erover in de senaat, waar hij ook de arrestanten
ondervraagt.
De Derde Catilinarische redevoering spreekt hij ‘s avonds op het forum uit:
-3 december 63 ‘s avonds
-op het forum
-ter informatie van het volk: Hij meldt hun de stand van zaken m.b.t. de Catiliniers, de arrestanten en de
gezanten uit Gallica
-hij probeert alle overige samenzweerders die niet opgepakt zijn met dit voorbeeld de stad uit te jagen
Hierna zit Cicero met een dilemma: Wat te doen met de arrestanten? Ter dood? Vastzetten? Verbannen?
Het liefst zou hij ze doden, maar omdat hij zich niet van voldoende steun uit de senaat verzekerd weet
begint hij eerst voorzichtig de meningen af te tasten. Op 5 december is er een debat over de strafmaat
voor de samenzweerders: Eerst komen een aantal senatoren, o.a. Silanus aan het woord die voor de
doodstraf (poena ultima) zijn. Daarna neemt de jonge Caesar het woord. Hij is tegen de doodstraf, liever
sluit hij ze levenslang op om ze extra goed te straffen in plaats van kort maar krachtig lijden. Hierna
krabbelen de meesten terug, leggen hun eerdere mening uit als uiterste straf in de zin van levenslange
opsluiting in plaats van de dood.
Dan komt Cato aan het woord. Hij houdt een vlammend betoog voor de doodstraf, waarna hiertoe
uiteindelijk besloten wordt.
Halverwege en tussendoor spreekt Cicero zijn Vierde Catilinarische Redevoering uit:
-5 december 63
-in de senaat
-Doel: Komen tot een passende bestraffing van de bij de Pons Mulvius gearresteerde samenzweerders,
verkrijgen van instemming van de senaat.
Cicero heeft geen duidelijke leiding van dit debat. Hij peilt de stemmingen, probeert wat bij te sturen in
zijn richting (doodstraf) maar wil vooral eenstemmigheid bereiken en voldoende steun verwerven voor
eventuele vergaande maatregelen.
De afloop
De senaat zendt uiteindelijk een leger naar Etrurie. Catilina probeert nog weg te komen, richting Gallica.
Tevergeefs: Hij vindt uiteindelijk de dood bij de slag bij Pistoria.
Essentie van het onderwerp
Catilina was misschien wel een misdadiger, maar hij was zich in ieder geval van de politieke situatie en
de mogelijkheden die daaruit, door de rampzalige toestanden binnen de staat met zijn enorme
proletariaat en financiele crisis alom, ontstonden.
Kan het ooit rechtvaardig zijn om een revolutie te ontketenen? Mag daarbij geweld gebruikt worden? En,
in dit geval, was in 63 een situatie daar waarin het onrecht zo groot was dat een revolutie
gerechtvaardigd kon worden? Zijn de motieven van Catilina, een in zijn ambtelijke loopbaan toch
gedwarsboomde en gefrustreerde kerel, wel zuiver, of misbruikte hij de situatie alleen?
Hebben wij wel een goed beeld van de loop van gebeurtenissen? Zijn onze bronnen objectief genoeg?
Hoe verschilt de informatie die Cicero geeft van die van Sallustius, welke is betrouwbaarder en waarom?
Is ons beeld van Catilina gerechtvaardigd, was het wel zo’n verschrikkelijke verwantenmoordenaar en
verkrachter als Cicero doet geloven?
En tenslotte is daar de discussie over de doodstraf als uiterst middel om de rust in de staat te doen
terugkeren en recht te laten geschieden. Geoorloofd? Onterecht?
Catilina
Lucius Sergius Catilina werd rond 108 geboren uit een oud patricisch geslacht. Hij had een aantal
bekende voorouders, maar de familienaam Sergius moet het vooral van hem hebben.
Na een diensttijd in het leger van de vader van Pompeius duikt hij weer op tijdens de dictatuur van
Sulla. Verscheidene bronnen schilderen hem af als een vreselijke verminker, een wrede aanvoerder van
moordbendes en een medeplichtige in Sulla’s terreur. Hij is nooit veroordeeld en duidelijke aanwijzingen
zijn er niet.
Waarschijnlijk heeft Catilina een verhouding gehad met een Vestaalse maagd, Fabia. Deze halfzus van
Cicero’s vrouw werd vrijgesproken. Ondanks deze affaire werd hij in 68 praetor en in 67 gouverneur
van de provincie Africa.
Weer in Rome begint hij aan zijn campagne voor het consulaat van 65. Maar door een
afpersingschandaal kon hij niet meedoen. Er wordt gesproken over een poging tot moord op de
nieuwbakken consuls - er was in ieder geval een gewelddadige schermutseling op het Forum - maar of
Catilina daar een hand in heeft gehad weten we niet.
Het afpersingsproces sleepte door en blokkeerde ook kandidatuur voor 64. In 64 zette hij dus alles op
alles om eindelijk het consulaat van 63 te kunnen bekleden. Een van zijn tegenkandidaten was Cicero. De
laatste was een optimaat, terwijl Catilina duidelijk via de populares aan de macht wou komen.
Interessant is hoe verschillend Cicero Catalina afbeeldt als hij jaren na de dood van Catilina zijn vriend
Marcus Caelius Rufus verdedigd, die wordt aangeklaagd wegens zijn vroegere vriendschap met Catilina.
Dan heeft hij opeens wel oog voor de goede kanten van Catilina, roemt zijn doorzettingsvermogen en
aanpassingsvermogen en bekijkt de zaak veel genuanceerder. Hieruit mogen we concluderen dat zijn
eerdere karakterschets van Catilina overdreven, aangezet en propagandistisch bedoeld was.
Het is niet duidelijk wanneer Catilina met zijn politieke ideeen is gekomen. In zijn verkiezingsprogramma
lag voor de campagne van 64 in ieder geval uiteindelijk het kwijtschelden van de schulden opgenomen,
maar bronnen melden dat er rond 1 juni 64 een geheime bijeenkomst was waarin samengezworen werd
tegen de burgerij en rijke senatoren. Ondanks deze pogingen om allerlei burgers aan zich te binden
werd hij niet gekozen.
Cicero won de verkiezingen ruim, en Antonius kreeg enige stemmen meer dan Catilina. Hierop liet de
verbitterde Catilina overal wapens klaarleggen en verzamelde hij nog meer samenzweerders om zich
heen. Zelfs via vrouwen probeerde hij steun te krijgen van hun echtgenoten.
Na de eerste redevoering tegen hem in de senaat verlaat hij Rome. Na de executie van de opgepakte
Catilinariers was de rol van de samenzweerders in de stad uitgespeeld: Hun leiders waren dood of in
Etrurie.
De legers van de Senaat drongen Catilina en Manlius steeds verder in de hoek. Aan de ene kant de
troepen van Antonius, aan de andere die van Metellus: Hij kon geen kant op, al wou hij dat wel gezien
het feit dat hij zijn leger niet sterk genoeg achtte om de confrontatie aan te kunnen.
Toen het bericht van de dood van Lentulus half december de heuvels bij Faesulae waar Catilina toen
gelegerd was bereikte lieten velen hem in de steek. Het eten raakte op, strijd was onvermijdelijk. Bij
Pistoria werd in januari 62 gevochten, vrijwel niemand ontkwam. Catilina werd gedood, maar niet
voordat hij met de zijnen tegen de gigantische overmacht dapper strijd had geleverd. Volgens de
bronnen was hij ver voor zijn linies, omringd door dode vijanden gevonden. Zijn hoofd werd naar Rome
gebracht.
Cicero
Marcus Tullus Cicero werd geboren op 3 januari 106. Over hem is veel bekend dankzij de 864 brieven
die van hem bewaard gebleven zijn. Hij kwam uit de ridderorde, de stand net onder de senatorenstand.
Hij was een homo novus.
Hij leerde retorica bij Lucius Licinius Crassus, recht bij Quintus Mucius Scaevola en filosofie bij Philo uit
Larissa, en dan met name sceptische filosofie. Hierbij bekijk je de zaak eerst van alle kanten en kiest dan
het meest plausibele standpunt.
Zijn eerste stap op het carrierepad was de advocatuur. Hij verdedigde ten tijde van Sulla een client met
succes, zonder daarbij de woede van Sulla, de patroon van de aanklager, op zich te laden. Zijn naam was
gevestigd, en om aan de dictatuur te ontlopen ging hij op studiereis naar Griekenland.
Hij was op tijd terug om campagne te voeren voor de eerste van vier grote amten uit de cursus
honorum, de quaestura. Cicero werd questor op Sicilie met de minimumleeftijd voor dat ambt.
Daarna was het eerste waarbij Cicero van zich deed spreken zijn optreden als aanklager tegen Verres.
Deze Verres was gouverneur op Sicilie geweest en had zich daar misdragen. Hij werd door Hortensius,
de beroemdste redenaar van Rome destijds, verdedigd.
Cicero had weinig tijd. De verdediging streefde naar een verdaging, want het jaar erna zou er een
rechter komen die bevriend was met Verres. Bovendien voerde Cicero campagne voor het ambt van
aedillis. Hij hield geen normaal betoog maar opende met een opsomming met zoveel belastende feiten
dat de beklaagde vrijwillig in ballingschap ging.
Na dit korte proces verklaarde Cicero zich aanhanger van de Optimaten. Hij werd aedilis in 69, praetor
met de minimumleeftijd en tenslotte dus in 63 consul.
Cicero dacht dat na de affaire Catilina en zijn voor hem gelukkige afloop dat zijn positie geramd zat.
Hoe zeer vergiste hij zich: Pompeius keerde in 62 terug uit Asia, sloot in 60 het Eerste Driemanschap
met Caesar en Crassus en liet zien dat zij de baas waren. Verder kwam er steeds meer kritiek op
Cicero’s handelswijze tijdens de discussie over de doodstraf voor de samenzweerders, die uiteindelijk
zonder proces omgebracht waren. Om aantijgingen te ontzenuwen bewerkte hij zijn Catilinische
Redevoeringen voor publicatie en gaf ze in 60 uit.
In 58 ging Cicero in ballingschap, de grond in Rome te heet onder zijn voeten, nadat de radicale
volkstribuun Clodius een wet tegen het doden van burgers zonder toestemming van de volksvergadering
had ingediend.
Na zijn terugkomst anderhalf jaar later was er voor Cicero weinig meer te doen. Pompeius en Caesar
waren de belangrijkste figuren geworden, en ook Clodius was er nog. Toen het Driemanschap echt
uiteen viel koos hij partij voor Pompeius die uiteindelijk van Caesar verloor. Cicero ging zich volledig
toeleggen op literaire activiteiten. In zijn geschriften verdedigde en lauerde hij zichzelf.
Nadat Caesar vermoord was keerde Cicero zich nog een keer in volle glorie tegen iemand in 14
toespraken, tegen Marcus Antonius, de man die Caesar wilde opvolgen. Antonius ging met Lepidus en
Octavianus (later kreeg deze de titel Augustus) het Tweede Driemanschap aan en Cicero werd op een
dodenlijst gezet. Op 7 december 43 werd hij vermoord, zijn hoofd en handen werden met een knipoog
naar het verleden aan de rostra (spreekgestoelte op het Forum) opgehangen.
Sallustius
Gaius Sallustius Crispus werd geboren in 86 voor Christus. Over hem is weinig bekend. Hij was een
homo novus, een popularis en heeft tijdens zijn leven vele vijanden gemaakt. Hij wordt questor en in 52
tribunus plebis (volkstribuun). Hij steunde de popularis Caesar, ook nadat hij uit de senaat was gezet op
beschuldiging van onzedelijk gedrag. In 48 zorgt Caesar dat Sallustius weer praetor wordt en zo in de
senaat terugkeert.
Nadat hij in de strijd om Africa als legeraanvoerder een belangrijke bijdrage aan Caesar’s overwinning
levert wordt hij gouverneur van de nieuwe provincie Africa Inferior. Hij plundert in die functie de
provincie gigantisch. Bij terugkomst zorgt Caesar dat er geen zaak over wordt gemaakt, maar zijn
politieke loopbaan is voorbij. Hij koopt een prachtig huis met park in Rome en gaat aan het schrijven als
Caesar in 44 wordt vermoord. Zijn eerste werk is De Coniuratione Catilinae uit 43-42. Hij wordt een
soort fatsoensrakker, bekeerd van zijn eigen zonden en gaat moralistisch beschrijven op welke manieren
mensen en zelfs hele samenlevingen kunnen ontsporen.
De doodstraf?
Strafdoelen: Preventie, vergelding, behoud van de maatschappelijke orde, resocialisatie.
Niet altijd worden deze doelen gehaald, per geval moet worden gekeken welke straf het meeste effect
bewerkstelligt. De doodstraf als uiterste straf heeft voor- en nadelen; de discussie daarover is nog even
actueel als in het jaar 63.
Retorica
Het doel van de retorica is de tegenpartij of de beoordelende instantie te overtuigen of overreden
(persuadere).
Met Cicero werd in Rome het hoogtepunt van de kunst bereikt. Zijn redevoeringen waren technisch
hoogstaand, maar hij heeft ook qua inhoud veel bijgedragen, doordat hij meende dat kennis van filosofie,
recht, cultuur en geschiedenis noodzaak was.
Een rede bestaat uit:
1 exordium, inleiding
2 narratio, uiteenzetting van de toedracht
3 propositio, stellingname en verwijzen naar verdere opbouw argumentatie
4 argumentatio, de argumenten voor en tegen
5 peroratio, conclusie, besluit
In ieder deel doet de redenaar iets anders: Conciliare, docere of movere, respectievelijk het publiek voor
je winnen, de zaak uitleggen en de luisteraar mentaal goed voorbereiden op het besluit.
Stijl
Stijlmiddelen: Tropen
-Litotes: Ontkenning van het tegendeel
-Hyperbool: Overdrijving
-Metonymie: Vervanging door aanverwant woord, pars pro toto, mv-ev wisseling etc.
-Metafoor: vergelijking
-Ironie: Tegenovergestelde zeggen om nadruk te leggen
Stijlmiddelen: Woordfiguren
-Onmiddelijke herhaling
-Verdubbeling
-Anafoor: Herhaling van het beginwoord
-Antithese: Tegenstelling
-Chiasme: Kruisstelling (niet altijd antithese maar vaak wel)
-Herhaling: Synoniemen
-Climax: Opbouw van zwak naar sterker
Kwalitatief: Steeds sterker in betekenis
Kwantitatief: Steeds sterker in woordaantal
-Tricolon: driedelig zinsdeel (kan climax zijn)
-Polysyndeton: Consequente herhaling van voegwoorden
-Asyndeton: Consequente weglating van voegwoorden
-Ellips: Weglaten van vanzelfsprekende woorden in een zin
-Alliteratie: Stafrijm (beginrijm)
-Eindrijm
Stijlmiddelen: Gedachtefiguren
-Retorische vraag: Vraag die niet beantwoord hoeft te worden maar die de luisteraar aan het denken zet
of iets impliceert
-Dubitatio: Twijfel om moeilijkheid te tonen
-Exclamatio: Uitroep, om publiek wakker te houden en aandacht te trekken
-Verzwijging: Je laat een deel weg en impliceert daardoor iets
-Peroratio: Aankondiging van overslaan van iets, maar het daardoor toch kort noemen
-Apostrophe: De redenaar gaat plotsklaps tegen een niet-aanwezig al dan niet fictief persoon praten
-Personificatie: Introduceren van sprekende al dan niet fictieve personen of gepersonificeerde zaken.