“Autonomie versus verwaarlozing”
Willeke Bosse-de Jong
Inge Maas
Margo Nieuwlaat-Theunis
Marsha Steur
Autonomie versus Verwaarlozing 1
Productverslag
“Autonomie versus verwaarlozing”
Namen projectleden:
Willeke Bosse-de Jong
Inge Maas
Margo Nieuwlaat-Theunis
Marsha Steur
School : Avans hogeschool
Opleiding : HBO-V deeltijd/duaal
Klas : DUD2A1
Schooljaar : 2006/2007
Projectdocent : J. Bonants
Locatie project : GGZ WNB, landgoed Vrederust
Projectmanager : A. Hemmelder
Datum : 26-04-2007
Autonomie versus Verwaarlozing 2
Ervaring moeder psychiatrische cliënt
Een psychiatrisch ziekenhuis…is een ziekenhuis voor geestelijke zieke mensen …een
ziekenhuis!!!
Waarom is het met de lichamelijke (somatische) zorg van een patiënt dan zo slecht gesteld?
Kamers die smerig zijn, patiënten die geen goed inzicht hebben in de verzorging.
Vele patiënten die erbij lopen met ongekamde haren, vieze kleren, open ritsen,
ondervoeding. Glasscherven in een kamer, stapels vieze was, matrassen die zo dun zijn dat
je er rugpatiënt van zou worden. Wie niet in staat is zijn eigen bed op te maken slaapt maar
op het plastic.
Dit, omdat men alles terug wentelt op de eigen verantwoording van de patiënt …die dus ziek
is !!!!
Autonomie versus Verwaarlozing 3
Voorwoord
Een heel jaar de tijd om met je projectgroep tot een eindproduct te komen. Fijn om zo lang
de tijd te hebben, maar dus wel een heel jaar op elkaar aangewezen.
We kunnen nu terugkijken op een zeer leerzaam jaar waarin; regelmatig felle discussies zijn
gevoerd, kritisch naar elkaar is gereflecteerd, steunende en oppeppende woorden zijn
uitgesproken en de nodige dosis humor is gebruikt. Kortom op een professionele
samenwerking tussen ons vieren.
Een jaar wat niet helemaal vlekkeloos is verlopen en waarin we gesteund zijn door Aimee
Hemmelder, onze projectmanager en Joost Bonants, onze projectdocent. Daarvoor onze
dank. Ook Trees Asselbergs willen wij bedanken voor al haar “geregel”, zodat we prettig en
ongestoord konden werken.
26-04-2007
Willeke Bosse-de Jong
Inge Maas
Margo Nieuwlaat-Theunis
Marsha Steur
Autonomie versus Verwaarlozing 4
Inhoudsopgave
Inleiding 1
Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ontwikkeling 3
1.1 De geschiedenis 3
1.2 Huidige ontwikkelingen 3
Hoofdstuk 2 Zorgvisie GGZ WNB 4
2.1 Kern zorgvisie GGZ WNB 4
2.2 Holistische mensvisie 4
2.2.1 Biopsychosociaal model 4
2.3 Rehabilitatie 5
2.3.1 Integrale rehabilitatie benadering (IRB) 6
2.3.2 Systematisch rehabilitatiegericht handelen (SRH) 6
2.3.3 Bejegening 7
2.3.4 Basisprincipes; holding, handling en object presenting 7
2.3.5 Communicatiestrategieën 8
2.3.6 Bejegeningstijlen 8
Hoofdstuk 3 De praktijk 9
3.1 Het interview 9
3.2 Conclusies 10
Hoofdstuk 4 Aanbevelingen 11
4.1 Aanbeveling 1: Training onderhandelings- en motivatiestrategieën
binnen de cursus rehabilitatie 11
4.2 Aanbeveling 2: De methodiek van de 10 levensgebieden 11
Nawoord 13
Literatuurlijst 14
Bijlagen 17
Bijlage 1 Interviews
Bijlage 2 Beroepscompetenties
Bijlage 3 Onderhandelings- en motivatiestrategieën binnen de rehabilitatie-
gedachte
Bijlage 4 Methodiek van de 10 levensgebieden
Autonomie versus Verwaarlozing 5
Inleiding
Het voor u liggende product, is het resultaat van ons project in het kader van de opleiding
HBO GGZ verpleegkunde aan AVANS Hogeschool te Breda
En dan zit je op een bepaald moment met een groepje en moet je samen een onderwerp
voor het project bedenken. Een onderwerp waarin ieder van ons zich kan vinden, affiniteit
mee heeft, wat herkenbaar is en waar wat in te verbeteren valt.
Een probleem hierbij was vooral het feit, dat we allemaal op een andere afdeling en ook nog
binnen verschillende sectoren binnen GGZ WNB werkzaam zijn.
Om een goede keuze te kunnen maken hebben we enkele thema‟s op papier gezet en de
voors en tegens besproken.
Vrij snel kwamen we tot verschraling van basiszorg en het tekort aan aandacht voor
somatische aspecten binnen de psychiatrie. De casus die we hiervoor hebben beschreven,
heeft tot deze keuze bijgedragen. Ieder van ons kent soortgelijke situaties en het blijkt een
heel herkenbaar thema voor andere collega‟s te zijn, ook binnen andere GGZ-instellingen.
Verantwoordelijkheid wordt in het kader van rehabilitatie steeds (meer) bij de individuele
cliënt gelegd, maar hier zitten ook grenzen aan. Wat als een cliënt die verantwoordelijkheid
niet kan nemen, als deze de juiste vaardigheden niet bezit?
Gedurende het project bleek dat de hulpverlening niet altijd correct kan inschatten in
hoeverre de cliënt autonoom kan zijn. In de praktijk blijkt dat het doel van de
rehabilitatiegedachte voorbij wordt geschoten, met verwaarlozing tot gevolg. Zodoende zijn
wij gekomen tot de titel van ons project: “Autonomie versus Verwaarlozing”.
Autonomie betekent voor ons als projectgroep, zelfbeschikking, het recht hebben om voor
jezelf te beslissen.
L. de Waal, humanist geeft aan dat er twee kanten aan autonomie zijn. Aan de ene kant het
positieve; de mens als individu, die eigen normen en waarden ontwikkelt en hanteert. De
mens wil sociaal en economisch zelfstandig behandeld worden in de samenleving en in wet-
en regelgeving. Aan de andere kant beschrijft hij; wat als er sprake is van doorgeschoten
autonomie, egoïsme, onverschilligheid over het lot van anderen. Het einde van solidariteit.
Voor hem, en hier kunnen wij onszelf goed in vinden; is autonomie de betrokkenheid van een
ontwikkeld individu bij andere individuen en de samenleving.
Verwaarlozing betekent voor ons geen of te weinig aandacht schenken aan …, hetgeen
overeen komt met de betekenis van het woord verwaarlozing in het zakwoordenboek.
Wilma Boevink, ervaringsdeskundige en onderzoeker bij het Trimbos instituut, geeft aan dat
er soms te lang wordt gewacht met ingrijpen bij een zieke cliënt met zijn/haar lijden tot
gevolg en noemt dit ook verwaarlozing.
De doelstellingen voor het project zijn tijdens het proces steeds wat bijgesteld, maar
uiteindelijk kwamen we tot de volgende doelen die we met dit project willen bereiken;
Het duidelijke hoofddoel is het bewerkstelligen van een attitudeverandering bij de
verpleegkundigen, dit ten aanzien van basiszorg. Zij moeten kunnen inschatten in hoeverre
de cliënt autonoom kan zijn om zodoende verwaarlozing te voorkomen.
Verder als subdoelen;
De verpleegkundige kan inschatten wanneer zij de zorg voor de cliënt over moet
nemen en kan dit verantwoorden
De verpleegkundige is alert op de basiszorg van de cliënt, signaleert tijdig
veranderingen in de somatische gezondheidstoestand en past zonodig interventies
toe
Autonomie versus Verwaarlozing 6
De verpleegkundige weet door onderhandeling en motivatie de cliënt te stimuleren tot
gewenst en gezond gedrag met betrekking tot ADL activiteiten, teneinde zijn
autonomie te vergroten
Dit product begint met een korte beschrijving van de ontwikkeling welke de Geestelijke
Gezondheidszorg de laatste jaren heeft doorgemaakt.
In hoofdstuk 2 beschrijven we de zorgvisie van de GGZ WNB. Hierin wordt ingegaan op de
fundamenten voor de benadering en het handelen van de begeleider; de holistische
mensvisie en de rehabilitatiegedachte.
In hoofdstuk 3 beschrijven we de praktijksituatie met betrekking tot ons onderwerp en
beschrijven we de drie belangrijkste conclusies. Om tot een inventarisatie te komen hebben
we de afgelopen weken aan de hand van een casus en stellingen verschillende interviews
gehouden. Hiervoor hebben we vertegenwoordigers van diverse disciplines en uit
verschillende sectoren binnen GGZ WNB uitgenodigd. Om een idee te krijgen of het
probleem ook herkenbaar is binnen andere GGZ-instellingen hebben we contact gehad met
Marian de Jong coördinator rehabilitatie Altrecht en Ruud Halfens,
gezondheidswetenschapper te Maastricht.
De informatie die we hierdoor hebben gekregen, hebben we afgezet tegen de
beroepscompetenties van de HBO GGZ-verpleegkundige. (zie bijlage)
Op deze manier kwamen we tot de nodige aanbevelingen en verbetervoorstellen. De twee
meest essentiële aanbevelingen worden in hoofdstuk 4 uitgewerkt.
De literatuurlijst complementeert het geheel.
Autonomie versus Verwaarlozing 7
Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ontwikkeling
De maatschappij is in de loop der jaren veranderd en dit heeft ook invloed gehad in de
psychiatrie. De behandeling en bejegening van cliënten in de GGZ is daardoor ook
veranderd. In dit hoofdstuk beschrijven wij de ontwikkeling die de GGZ de laatste jaren heeft
doorgemaakt.
1.1 De geschiedenis
Vanaf de 12e eeuw werd vooral vanuit een kerkelijk standpunt naar de psychiatrie gekeken.
Als mensen afwijkend gedrag vertoonden waren zij bezeten door satan. Deze mensen
werden verbannen van de samenleving en buiten de stadspoorten gezet. Mensen met
afwijkend gedrag werden in die tijd dollen en dwazen genoemd.
In de 19e vond er een verschuiving plaats van kerkelijk standpunt naar medisch standpunt
over de psychiatrie. In 1841 is er voor het eerst in Nederland een krankzinnigenwet en kwam
er in Sandvoort het eerste krankzinnigenhuis. De medische wereld ging er vanaf die tijd op
vooruit in de psychiatrie. Er waren veel dokters die onderzoek deden en psychiaters werden.
In de geestelijke gezondheidszorg deed halverwege de twintigste eeuw het medisch model
zijn intrede. Dit is een denkmodel waarin klachten en symptomen werden herleid tot een
orgaan of systeem dat slecht functioneerde en waarop alle aandacht werd gericht.
Tussen de jaren vijftig en zeventig is er sprake van een periode in de geschiedenis waarin
maatschappelijke ontwikkelingen invloed op de psychiatrische zorg uitoefenen. Het is een
periode waarin emancipatie, vrijheid en individuele ontwikkeling centraal staan. Je kunt dan
denken aan vrouwenemancipatie, burgerrechten en de positie en rechten van de zwarte
bevolkingsgroepen. Een logische ontwikkeling binnen de psychiatrie was de emancipatie van
de psychiatrische cliënt. Belangrijk daarbij is een ontwikkeling die de anti-psychiatrie is gaan
heten. De kern van die ontwikkeling was verzet tegen de onmondigheid van de cliënt en de
grote instituten waar je nauwelijks meer uitkwam. Belangrijk uitgangspunt is dat cliënten niet
meer in de grote instituten in bossen en de duinen verblijven maar in hun oude omgeving
kunnen wonen of behandeld worden. Er komt een nieuwe denkwijze over de psychiatrie: het
„sociale model‟.
1.2 Huidige ontwikkelingen
De laatste jaren is er sprake van vermaatschappelijking van de zorg. Onder
vermaatschappelijking van de GGZ-zorg wordt verstaan: „ het streven naar een zo min
mogelijke institutionalisering van de zorg en een zo groot mogelijke maatschappelijke
integratie van de psychiatrische cliënt.‟ De definitie van vermaatschappelijking van de zorg
bestaat uit 2 elementen. Ten eerste gaat het bij vermaatschappelijking om de verschuiving
van intramurale opvang naar zorg dichtbij huis (extramuralisering). Cliënten mogen niet meer
opgesloten worden in instellingen buiten de samenleving. Ze horen bij de samenleving en
dienen er een plaats in te kunnen krijgen. Als het echter alleen blijft bij een fysieke plaats in
de samenleving, dan is het mogelijk dat de cliënt nog steeds buiten de samenleving blijft
leven. Het tweede element van vermaatschappelijking is daarom '(re)integratie of
rehabilitatie' van de cliënt in de samenleving. De cliënt dient begeleid te worden om
daadwerkelijk een plaats te krijgen in de samenleving.
Voor de laatste ontwikkeling werd en in de GGZ voornamelijk gewerkt vanuit het medisch
model. In de loop der jaren zijn er meerdere benaderingswijzen ingevoerd binnen de GGZ
die aansluiten bij de vermaatschappelijking van de zorg. In het volgende hoofdstuk
beschrijven wij de zorgvisie van GGZ WNB en de benaderingswijzen die de laatste jaren
ontwikkeld zijn en in gebruik zijn genomen binnen GGZ WNB.
Autonomie versus Verwaarlozing 8
Hoofdstuk 2 Zorgvisie GGZ WNB
In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de zorgvisie van de GGZ WNB inhoudt. Vervolgens
worden de holistische mensvisie en de rehabilitatiegedachte verder uitgewerkt. Deze vormen
samen het fundament voor de benadering en het handelen van de begeleider binnen GGZ
WNB.
2.1 Kern zorgvisie GGZ WNB
“GGZ WNB is er voor mensen met psychische problemen en psychiatrische stoornissen.
Ons zorgaanbod richt zich op het voorkomen, behandelen of draaglijk maken van. Wij bieden
allround, klantgericht, deskundige GGZ via een naadloos op elkaar aansluitend ambulant en
klinisch zorgaanbod dat overzichtelijk en toegankelijk is.”1
Deze missie, is het fundament voor de zorgvisie van GGZ WNB. Hierin staat beschreven dat
de instelling zorg levert op deskundige en cliëntvriendelijke wijze, met oog voor de
autonomie van de cliënt en aandacht voor diens naasten. De hulpverleners binnen GGZ
WNB respecteren de autonomie en burgerrechten van de cliënt, maar reageren ook passend
en professioneel op de ernst en de dreigende gevolgen van psychiatrische stoornissen.
Daartussen kan een spanningsveld bestaan.
Tussen vrijwillige en gedwongen hulpverlening ligt een terrein waarvoor termen als „drang‟
en „bemoeizorg‟ gebruiken. Hierbij wordt de cliënt gestimuleerd en gemotiveerd om
noodzakelijke hulp te accepteren.
De GGZ WNB onderzoekt actief wat de cliënten willen, al is het niet simpel “u vraagt, wij
draaien”. Het gaat altijd om een goede balans tussen keuzevrijheid van de cliënt en de
afweging van de professional.
De zorg strekt zich uit over vele levensgebieden. Hulpverleners letten niet alleen op de
psychiatrische stoornissen, maar ondersteunen de cliënt ook om zich maatschappelijk te
herstellen en zich te handhaven in zijn rollen als burger. De zogeheten psychiatrische
rehabilitatie. Dit is te definiëren als; mensen met psychiatrische beperkingen helpen beter te
functioneren, zodat ze met succes en naar tevredenheid kunnen wonen, werken, leven en
sociale contacten kunnen hebben in een zelf gekozen omgeving met zo min mogelijk
professionele hulp.
De GGZ WNB handelt naar de laatste stand van wetenschap, zo praktisch mogelijk en
onderkennen dat er meerdere oorzaken zijn van psychiatrische stoornissen. Zo kan de
oorzaak liggen in het lichaam of de hersenen (biologisch), in de persoonlijke ontwikkeling
(psychologisch) of in de wisselwerking met de omgeving (sociaal). Veelal is er sprake van
een combinatie van oorzaken en gevolgen op deze drie gebieden. De problematiek waar we
mee te maken krijgen is dan ook zeer verschillend en vaak gecompliceerd.
2.2 Holistische mensvisie
De gangbare mensvisie in de hedendaagse verpleging is holistisch. Dit wil zeggen dat de
mens wordt gezien als een denkende, wetende en handelende eenheid bij wie een
lichamelijke, sociale, psychische en spirituele component is te onderscheiden. Daarbij vindt
een continue wisselwerking tussen deze vier gebieden plaats. In de verpleegkunde scharen
we de spirituele component onder de psychische en sociale component. Dit betekent dat we
de mens als sociopsychosomatische eenheid benaderen.
2.2.1 Biopsychosociaal model
Dit model gaat ervan uit, dat het functioneren van mensen niet alleen wordt beïnvloed door
biologische factoren, maar ook door persoons- en omgevingsgebonden factoren.
Het biopsychosociaal model past binnen de holistische mensvisie. Beiden kijken naar het
totaalbeeld van de mens.
1
Zorgvisie GGZ WNB 2006-2010
Autonomie versus Verwaarlozing 9
Ook binnen de GGZ wordt dit model toegepast. Wanneer een cliënt somatische klachten
heeft, zal het behandelend team nagaan of er naast somatische aspecten ook psychische of
sociale factoren zijn die een oorzaak kunnen zijn voor de somatische klachten.
De mens wordt benaderd als een zelfstandig denkend en handelend wezen met eigen
verantwoordelijkheid. Een logisch gevolg hiervan is dat deze mens behoeften kent. Het zijn
de behoeften die hij wil bevredigen om zinvol te leven. Het zijn namelijk de drijfveren van ons
bestaan als mens. Vanuit een holistische mensvisie betekent dit een gelijkwaardigheid
inzake lichamelijk, psychisch en sociaal bestaan. Er zijn verschillende indelingen van
behoeften ontwikkeld. Een belangrijke is dat van Orem. Deze is gebaseerd op de
behoeftehiërarchie van Maslow.
Maslow beschrijft dat mensen zich lichamelijk en geestelijk goed voelen als zij aan een
aantal noodzakelijke voorwaarden kunnen voldoen. Deze heeft hij figuurlijk in een piramide
weergegeven. Daarin onderscheidt hij vijf behoefteniveaus in menselijk gedrag. Pas wanneer
iemand de behoeften op een niveau bevredigd heeft kan deze doorgaan naar het volgende
niveau. Als er niet aan een behoefte voldaan kan worden, kan men zich niet verder
ontwikkelen naar het volgende niveau. Het uiteindelijke doel is zelfverwezenlijking.
2.3 Rehabilitatie
De cliënt die het eigen leven vorm wil geven, staat binnen de rehabilitatie gedachte centraal.
Rehabilitatie richt zich op het bevorderen en ondersteunen van het herstel van mensen met
een psychiatrische problematiek. Afhankelijk van de herstelfase waarin de cliënt zich bevindt,
ligt het accent op symptoombestrijding en het verkrijgen van handelingscontrole of op
persoonlijke ontwikkeling en het stellen van (nieuwe) doelen. Het uiteindelijke doel is dat de
cliënt de gewenste kwaliteit van leven bereikt. Hij kan de persoonlijke en maatschappelijke
rollen vervullen waaraan hij zingeving en betekenis ontleent.
Rehabilitatie richt zich dus op herstel. Herstellen is iets anders dan genezen. Herstel houdt
een actieve acceptatie van de eigen problemen en beperkingen in. Hoop en
toekomstperspectief spelen een centrale rol in het herstelproces. Ook de mogelijkheden om
de eigen autonomie te versterken zijn van belang. Hierbij gaat het om het maken van eigen
keuzes, het nemen van beslissingen en het aangaan van risico‟s.
Ervaringsdeskundigen (cliënten die langdurige psychiatrische problemen hebben) formuleren
hun herstel vaak in termen van; overwinnen van gevoelens van diepe wanhoop en
hulpeloosheid, leren anticiperen op stressvolle gebeurtenissen, leren hanteren van
symptomen, het hervinden van controle over het eigen leven, het weer nemen van eigen
verantwoordelijkheden, het toenemen van eigenwaarde en als persoon erkend te worden.
Autonomie versus Verwaarlozing 10
Herstellen eist een actieve vorm van accepteren, dus uitgaan van de mogelijkheden die zich
nog aandienen.
Herstellen kun je zien als iets dat mensen met een handicap zelf doen, rehabilitatie is wat
hulpverleners doen om het herstelproces te bevorderen.
Bij rehabilitatie wordt gezegd, dat de nog aanwezige capaciteiten van de cliënt benut dienen
te worden. Op deze manier is het mogelijk kleine terugvallen van het functioneren te
voorkomen of te verminderen, waardoor men stabiel kan blijven functioneren. Daarnaast kan
de eigenwaarde van de cliënt wordt versterkt.
2.3.1 Integrale rehabilitatie benadering (IRB)
In Nederland domineren drie Rehabilitatiestromingen:
Milieugerichte benadering; de integratie van de cliënt in een (sociale) omgeving of
levensgebied staat centraal. De interventies zijn erop gericht om de cliënt in zijn
omgeving en zijn rol te behouden
Ontwikkelingsgerichte benadering; het vertrekpunt hier is de wens en de behoefte
van de cliënt en richt zich op de vaardigheden die deze nodig heeft om zijn wensen
en doelen in een specifieke omgeving te bereiken
Probleemgerichte benadering; het uitgangspunt hier zijn de problemen van de cliënt
en benadrukt het aanleren van vaardigheden en copingstrategieën. De interventies
zijn gericht op het oplossen van problemen
Binnen GGZ WNB beperken we ons niet tot het werken volgens een specifieke benadering,
maar onderdelen van elke benadering, de zogenaamde Integrale benadering (IRB). Deze
kun je omschrijven als het proces waarin activiteiten plaatsvinden, die helpen om iemand
met psychosociale beperkingen zijn kwaliteit van leven en zijn zelfzorgmogelijkheden zo
groot mogelijk te laten zijn. Dit om tot tevredenheid van zichzelf en de maatschappij te
kunnen functioneren op gebied van wonen, werken en binnen andere gebieden.
Deze benadering richt zich zowel op de cliënt zelf als diens leefomgeving. Zij kan zowel tot
doel hebben herstel van de cliënt te bevorderen als om hem te leren omgaan met langdurige
beperkingen. Het kan zowel gaan om herstel van de omgeving, het sociaal netwerk als om
aanpassing van de omgeving of om de omgeving te leren omgaan met de beperkingen van
de cliënt. De uitdaging is om per cliënt te komen tot een optimale mix, afgestemd op de hier-
en-nu situatie en gericht op de toekomst.
De IRB kan ook een toegevoegde waarde hebben in de zorgverlening aan cliënten die als
gevolg van cognitieve en/of ernstige psychiatrische stoornissen onvoldoende in staat zijn hun
wensen en zorgbehoefte verbaal te uiten. De IRB kan het milieu/ de omgeving en/of de
psychosociale kwetsbaarheid als uitgangspunt nemen in het contact met de cliënt.
Het uitgangspunt blijft, dat cliënten zelf aangeven wat zij belangrijk vinden, welke aspecten
de kwaliteit van hun leven bepalen en welke doelen daarvoor (in samenwerking met de
begeleiding) bereikt moeten worden. De rehabilitatie richt zich op de keuze, behoud en/of het
verkrijgen van sociale rollen en soms op verandering, maar ook op bijvoorbeeld de rouw die
kan ontstaan bij het verwerken van niet behaalde wensen op bijvoorbeeld het terrein van
werk en gezin.
2.3.2 Systematisch rehabilitatiegericht handelen (SRH)
Wilken en Den Hollander (1999) beschrijven in de methodiek systematisch
rehabilitatiegericht handelen (SRH) een werkwijze waarin de Integrale Rehabilitatie
benadering toegepast wordt. De SRH is een methodische cyclus van diagnostiek, planning
en interventies. Komt overeen met de fasen van het verpleegkundig proces.
De drie sturingsprincipes
In de methodiek SRH staat de kwaliteit van leven van de cliënt centraal. Vanuit de
mogelijkheden en beperkingen van de kwaliteit van leven kunnen hulp-, ondersteunings- of
ontwikkelingsvragen voortkomen. Ze kunnen voortkomen uit:
De wens van de cliënt (gericht op kiezen, verkrijgen en/of behouden)
De psychosociale kwetsbaarheid
Autonomie versus Verwaarlozing 11
De kwaliteit van het sociale milieu en het sociale netwerk
Het is mogelijk om een accent in de sturing aan te brengen. Als een cliënt een wens
uitspreekt, kan deze wens als leidraad dienen voor het rehabilitatiegericht werken. In
sommige gevallen is er geen sprake van een wens, maar wordt het milieu of de
kwetsbaarheid van de cliënt als uitgangspunt genomen.
Fasen van het herstelproces
Rehabilitatie richt zich op het bevorderen en ondersteunen van herstel. Binnen de methodiek
SRH worden drie fasen onderscheiden; crisis-stabilisatie, heroriëntatie en reïntegratie.
Vanuit een crisissituatie moet eerst gezorgd worden van stabilisatie van dezelfde situatie. De
cliënt heeft hier vooral behoefte aan veiligheid en geborgenheid. Vanuit de stabiliteit kan de
cliënt zich (evt samen met ondersteuning van de begeleiding) heroriënteren. Wat is er
gebeurd, waar sta ik nu en waar wil ik naartoe?
In de reïntegratiefase zal de cliënt zich actief gaan bezighouden met het vervullen van voor
hem belangrijke rollen en vaardigheden.
Bemoeizorg
In het contact tussen cliënt en de hulpverlener is er niet altijd sprake van een duidelijk
omschreven wens. In sommige gevallen wil de cliënt niets met de hulpverlening te maken
hebben en voelt hij de aangeboden hulp als opgedrongen.
Wanneer er sprake is van een zeer ernstige dreiging van gevaar voor de cliënt en/of diens
omgeving (bijvoorbeeld ernstige verwaarlozing of suïcidaliteit) en er hulpverlening
noodzakelijk is, spreken we van bemoeizorg.
Als hulpverlener is het van belang bewuste keuzen te maken voor het gebruik van drang
en/of dwang en de juiste begeleidingsstijl en communicatiestrategieën te hanteren.
2.3.3 Bejegening
Binnen het rehabilitatiegericht werken en de manier waarop de hulpverlener zich opstelt in
het contact met de cliënt zijn erg belangrijk.
Landelijke patiënten- en bewonersraden (LPR) formuleren bejegening als “de mate waarin
zorgverleners de cliënten en diens naasten als gelijkwaardige beschouwen en hun
waardigheid en eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt nemen”. De LPR benadrukt het
belang van het gebruik van ervaringsdeskundigheid. Slechts in dialoog met de cliënt en
familie, gebruik makend van hun ervaringsdeskundigheid kan een goede zorg tot stand
komen. Het gaat hierbij om een respectvolle benadering.
De basis van een rehabilitatieproces moet gezocht worden in het ontwikkelen van een
gemeenschappelijke relatie (Petry, 1997). Belangrijk hierbij zijn het onderling vertrouwen,
echtheid, gelijkwaardigheid en openheid.
Het scheppen van een band is het aangaan van een vertrouwensrelatie op basis van
gelijkwaardigheid waarin de cliënt en hulpverlener zich veilig en geaccepteerd voelen. De
cliënt en de hulpverlener bespreken in een open sfeer aan de ene kant de wensen en
behoeften van de cliënt (ervaringsdeskundige) en aan de andere kant de ondersteuning die
de hulpverlener kan bieden (professionele deskundigheid). Hierbij maakt men gebruik van
een aantal basis communicatievaardigheden, namelijk begrip tonen (empathie en
onvoorwaardelijke acceptatie van de cliënt) jezelf laten zien (authenticiteit van hulpverlener) ,
de ander inspireren (ondersteunen en helpen keuzes maken).
2.3.4 Basisprincipes; holding, handling en object presenting
Binnen de Integrale rehabilitatiebenadering wordt er gesproken van drie basisprincipes van
begeleiding:
Holding; het bieden en ervaren van basisveiligheid. Vanuit deze veiligheid kan er
sprake zijn van ontwikkeling, verandering, herstel. Holdingaspecten zijn erg belangrijk
in de crisissituatie van het herstelproces
Handling; de hulpverlener speelt adequaat in op datgene wat nodig is. In de situatie
wanneer de cliënt zich kan heroriënteren op zijn situatie
Autonomie versus Verwaarlozing 12
Object presenting; wanneer de hulpverlener zich ook laat zien als “ander”, als
persoon. De cliënt re-integreert en heeft contacten met de buitenwereld.
2.3.5.Communicatiestrategieën
Het is belangrijk om als hulpverlener de juiste communicatiestrategie te kiezen in het contact
met de cliënt. Dit om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen en mogelijkheden van de
cliënt. De communicatiestrategie wordt afgestemd op het gedrag van de cliënt. De
hulpverlener zal zich bewust moeten zijn, welke strategie in welke fase van het
rehabilitatieproces het best aansluit bij de cliënt. Binnen de integrale rehabilitatie benadering,
onderscheidt men acht communicatiestrategieën, namelijk; ontwijken, faciliteren, informeren,
ondersteunen, open overleg, overtuigen en afdwingen.
2.3.6 Bejegeningstijlen
In het contact met de cliënt heeft de hulpverlener te maken met de herstelfase waarin de
cliënt zich bevindt en de mate van veiligheid die de cliënt nodig heeft. Er moet bewust een
keuze gemaakt worden welke communicatiestrategie er op een bepaald moment gebruikt
moet worden. Verder moet er een begeleidingsstijl gekozen worden.
Er zijn twee dimensies te onderscheiden in het gedrag van de hulpverleners:
Geven van sturing, geven van instructies, verdelen van werk, plannen en controleren
(taakgericht gedrag)
Ondersteuning bieden, aanmoedigen, overleggen, adviseren, luisteren (relatiegericht
gedrag)
Ook het gedrag van degene die “leiding” krijgt, zijn twee dimensies te onderscheiden:
Bekwaamheid; is de mate waarin iemand beschikt over de nodige kennis en ervaring
om de vereiste taak uit te voeren. Bij het begeleiden van een cliënt met een actiepunt
of leerdoel, moet de begeleider in kunnen schatten in hoeverre de cliënt beschikt over
mogelijkheden (bekwaamheid) om aan het doel te werken.
Bereidheid; komt neer op de gemotiveerdheid bij het uitvoeren van een taak, zijn
bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen, zijn doorzettingsvermogen.
Voor informatie betreffende dit onderwerp (onderhandelings- en motivatiestrategieën), zie
bijlage 3.
In dit hoofdstuk hebben we beschreven volgens welke gedachten er binnen GGZ WNB
gewerkt wordt. In de praktijk is het merkbaar, dat het niet eenvoudig is om op deze manier te
werken.
In het volgende hoofdstuk beschrijven we ervaringen uit de praktijk met betrekking tot
autonomie en verwaarlozing. Deze informatie hebben we door middel van interviews
verkregen.
Autonomie versus Verwaarlozing 13
Hoofdstuk 3 De praktijk
In de zorgvisie van de GGZ WNB staat beschreven dat de instelling zorg levert op
deskundige en cliëntvriendelijke wijze, met oog voor de autonomie van de cliënt en aandacht
voor diens naasten. Het gaat hierbij echter wel om een goede balans te vinden tussen de
keuzevrijheid van de cliënt en de afweging van de professional2. Hoe wordt hier vorm
aangegeven op de werkvloer? Om hier een idee van te krijgen, hebben we diepte-interviews
gehouden aan de hand van een casus en stellingen (zie bijlage 1).
3.1 Het interview
Om meer diepgang in ons onderwerp te krijgen, hebben we gekozen voor interviews. Het is
gebleken dat ons onderwerp gevoelig kan liggen en moeilijk bespreekbaar is, mensen
worden tenslotte op hun beroepshouding aangesproken. Door het creëren van een veilige
sfeer is het ons gelukt veel bruikbare informatie middels de interviews te verkrijgen.
Om een zo compleet mogelijk beeld te kunnen krijgen hebben we voor de interviews
vertegenwoordigers van verschillende disciplines gekozen, zowel binnen als buiten de
instelling.
De casus hebben we voorgelegd aan een gezondheidswetenschapper en de coördinator
rehabilitatie van Altrecht (als externe deskundigen) en binnen GGZ WNB aan een
verpleegkundig specialist, welke deskundig is op het gebied van rehabilitatie, een avond-
weekend- en nachthoofd, de huisarts, een verpleegkundige van het mobiel verpleegkundig
team, een verpleegkundige die zich gespecialiseerd heeft in recht en ethiek en een aantal
verpleegkundigen die werken binnen verschillende sectoren. Op deze manier hebben wij het
onderwerp autonomie versus verwaarlozing vanuit verschillende invalshoeken kunnen
bekijken.
Tijdens het afnemen van de interviews was het opvallend dat vaak dezelfde thema‟s naar
voren kwamen. Voorbeelden hiervan zijn communicatie en grenzen aan eigen
verantwoordelijkheid van de cliënt. Tijdens de interviews zijn er meerdere hiaten in de zorg
voor en de begeleiding van cliënten genoemd die betrekking hebben op ons onderwerp.
De belangrijkste zijn:
- De indruk bestaat dat de normen en waarden omtrent basiszorg lijken te vervagen.
Dat er nauwelijks met de cliënt wordt gesproken over zelfverwaarlozing en wat dit
voor hem/haar betekent.
- Verpleegkundigen lijken veel af te schuiven op de eigen verantwoordelijkheid van de
cliënt. Het wordt als een soort alibi gebruikt om niet tot handelen over te hoeven
gaan. Het is echter belangrijk om soms zaken van de cliënt over te nemen, wanneer
hij/zij het niet kan, om vervolgens weer rehabiliterend verder te kunnen gaan. Er moet
eerst een goede basis van welbevinden zijn.
- Alle disciplines vinden het moeilijk om aan te geven waar de grens van autonomie/
zelfbeschikking ligt. Tot hoever heeft de cliënt inspraak in zijn behandelproces en
waar mag de verpleegkundige ingrijpen? In de gesprekken kwam duidelijk naar voren
dat deze grens voor iedereen anders ligt.
- Verpleegkundigen gaan er te snel vanuit dat een cliënt iets niet wil, terwijl er vaker
sprake is van het niet kunnen van de cliënt vanwege zijn ziektebeeld.
Na het afnemen van de interviews, hebben we onze bevindingen gekoppeld aan de
beroepscompetenties van de GGZ HBO verpleegkundige. Zo hebben we schematisch weer
kunnen geven wat de hiaten zijn in de zorg betreffende het onderwerp autonomie versus
verwaarlozing (zie bijlage 4).
2
Zorgvisie GGZ WNB 2006-2010
Autonomie versus Verwaarlozing 14
3.2 Conclusies
Op basis van de literatuurstudie, de afgenomen interviews en de gemaakte koppeling met de
beroepscompetenties van de GGZ HBO verpleegkundige, zijn we tot een aantal conclusie
gekomen.
Dit zijn de drie belangrijkste;
- De aandacht van de GGZ verpleegkundige gaat bij het verlenen van zorg, vooral uit
naar de psychische en sociale aspecten van het ziekzijn van de cliënt en veel minder
naar de somatische aspecten, basiszorg en ADL. Signalen van het niet zelfstandig
kunnen uitvoeren van ADL activiteiten worden niet of te laat opgevangen, opgemerkt
of worden verkeerd geïnterpreteerd. Er wordt niet altijd goed gekeken naar de
oorzaak van het niet kunnen komen tot goede zelfzorg van de cliënt.
Het niet uitvoeren en/of weigeren van uitvoeren van ADL activiteiten wordt te snel
gezien als het niet willen van de cliënt, terwijl het vaker een kwestie van niet kunnen
is, veroorzaakt door het ziektebeeld. De cliënt kan vaak geen of moeilijk zelfstandig
keuzes maken en zelfredzaam zijn is een grote opgave. Er wordt echter wel een
beroep gedaan op die zelfredzaamheid door de verpleegkundige.
- In de praktijk wordt niet tijdig zorg of ADL activiteiten overgenomen, omdat dit niet
binnen de rehabilitatiegedachte zou passen. Ook wordt er nauwelijks onderhandeld
met de cliënt om deze te verleiden tot gewenst gedrag. Tevens wordt er te weinig met
de cliënt in gesprek gegaan en/of onderhandeld om te kunnen inventariseren wat de
wensen en behoeften van de cliënt zijn met betrekking tot de basiszorg.
- Er wordt in teamverband weinig gecommuniceerd over ethische vraagstukken welke
voortkomen uit problematiek rondom verwaarlozing van de zelfzorg van cliënten, over
de grenzen van zelfbeschikking en wanneer de verpleegkundige mag ingrijpen
gezien haar zorgplicht.
Naar aanleiding van deze conclusies zullen we in het volgende hoofdstuk twee aanbeveling
doen.
Autonomie versus Verwaarlozing 15
Hoofdstuk 4 Aanbevelingen
In het vorige hoofdstuk kwamen we tot de conclusie, dat het belangrijk is de cliënt te
stimuleren en te motiveren opdat hij een zo groot mogelijke mate van autonomie behoudt,
zonder dat hij verwaarloost. Daarnaast hebben we kunnen concluderen, dat er in verhouding
te weinig aandacht is voor de somatische aspecten van de zorg in tegenstelling tot die op
psychiatrisch en/of sociaal vlak
Vanuit die conclusie hebben we aanbevelingen kunnen formuleren.
In dit hoofdstuk werken we er twee uit welke er steeds als belangrijkste uitsprongen. Dit wil
niet zeggen dat de anderen zoals beschreven in bijlage 2 minder belangrijk zijn, maar zo
hebben we het project hanteerbaar kunnen houden.
4.1 Aanbeveling 1
Training onderhandelings- en motivatiestrategieën binnen de cursus rehabilitatie
Binnen GGZ WNB wordt gewerkt volgens de rehabilitatiegedachte, hierbij zijn
onderhandelings- en motivatiestrategieën een belangrijk onderdeel. Het is een onmisbaar
instrument voor je beroepsuitoefening.
Alle begeleiders van GGZ WNB zouden een cursus rehabilitatie moeten volgen. Binnen deze
cursus moet specifiek aandacht worden besteed aan onderhandelings- en
motivatiestrategieën. Het op juiste wijze onderhandelen met en motiveren van de cliënt
draagt bij tot verbetering van kwaliteit van zorg. De cliënt zal eerder komen tot de uitvoer van
ADL activiteiten met een vergroting van zijn/haar autonomie tot gevolg zonder dat er
verwaarlozing optreedt.
De kennis welke opgedaan wordt door het volgen van deze cursus, moet vervolgens
geïmplementeerd worden binnen de afdelingen en teams, dit zorgt voor
competentieverhoging bij alle begeleiders. Implementatie kan bijvoorbeeld door middel van
training on the job, het geven van feedforward en feedback en het regelmatig houden van
casuïstiekbesprekingen.
Zo wordt kennis gecombineerd met het oefenen van deze vaardigheden hetgeen leidt tot
nieuwe inzichten en tot een attitudeverandering tav basiszorg.
4.2 Aanbeveling 2
De methodiek van de 10 levensgebieden
Deze methodiek richt zich op de volgende gebieden:
1. Psychisch functioneren
2. Lichamelijk functioneren
3. Veiligheid
4. Persoonlijke verzorging
5. Zorg voor de directe leefomgeving
6. Sociaal netwerk
7. Dagbesteding en dagstructuur
8. Financiën
9. Huisvesting/woning
10. Zingeving
Het IBP en begeleidingsplan worden gebaseerd op deze methodiek. De methodiek heeft als
uitgangspunt herstelgerichte zorg met de onderdelen van rehabilitatiegericht werken,
behandelen en reïntegreren. Belangrijk binnen deze methodiek is dat de capaciteiten van de
cliënt worden geoptimaliseerd zodat deze zo goed mogelijk kan functioneren, in een zo
normaal mogelijk sociaal kader. Verder moet de methodiek bijdragen aan het realiseren van
de gewenste zorgverlening en dus bijdragen aan de totstandkoming van:
Een passend aanbod dat aansluit bij de wensen, behoeften en mogelijkheden
van de cliënt
Autonomie versus Verwaarlozing 16
Een transparant zorgaanbod: het geeft iedereen inzicht in hoe het aanbod tot
stand is gekomen en met welk doel
Een betere planning en coördinatie van het zorgproces en het waarborgen
van de continuïteit van zorg
Grotere effectiviteit van zorg door het plannen van doelen en deze te
evalueren en bij te stellen
De uitvoering van de uitgangspunten van rehabilitatie, met name waar het
gaat om attitude en bejegening op basis van respect en gelijkwaardigheid
Kwaliteitsverbetering: het begeleidingsplan kan ingezet worden als
kwaliteitsinstrument om het kwaliteitsbeleid op het niveau van het primaire
proces vorm te geven
De methodiek van de 10 levensgebieden wordt al gehanteerd binnen GGZ WNB, echter
alleen binnen de sector volwassenen lang. Bij de implementatie van deze methodiek is
rekening gehouden met het feit dat het past binnen de visie van GGZ WNB.
GGZ WNB heeft deze methodiek overgenomen van Zorgnetwerk Carea van GGZ Regio
Breda, waar is gebleken dat deze methodiek effectief.
In bijlage 4 staat deze methodiek uitvoerig beschreven.
Alle afdelingen moeten met deze methodiek gaan werken. Door het invoeren van deze
methodiek zal de verpleegkundige de cliënt weer als geheel gaan zien; een individu dat
bestaat uit psychische, sociale en somatische aspecten, hetgeen past binnen de holistische
mensvisie welke binnen GGZ WNB wordt gehanteerd. Een groot voordeel is dat door het
invoeren van de methodiek van de 10 levensgebieden, de verpleegkundige bij herhaling
regelmatig geconfronteerd wordt met al deze gebieden van de cliënt, omdat het toegepast
wordt bij het opstellen van het IBP, het begeleidingplan en het schrijven van de
voortgangsrapportage. De kwaliteit van zorg zal verbeteren wanneer de verpleegkundige de
cliënt observeert en benadert aan de hand van deze methodiek. De psyche, het lichamelijke
en sociale staan met elkaar in verbinding en dienen allen de benodigde aandacht te krijgen.
Afspraken moeten zoveel mogelijk verwerkt worden in het IBP en begeleidingsplan, zodat
het team op één lijn zit met betrekking tot de begeleiding van de cliënt en werkt vanuit de
zelfde visie. De cliënt zelf moet een grote inbreng hebben bij het opstellen van de plannen,
zodat hij/zij een grotere bereidbaarheid tot medewerking heeft en aangesproken kan worden
op zijn/haar verantwoordelijkheid. Werkt de cliënt niet mee is dan is het aan de
verpleegkundige om zich te houden aan de afspraken die vermeld staan in het IBP,
begeleidingsplan.
De conclusies en aanbevelingen, die we hier hebben geformuleerd, lijken vanzelfsprekend
en niet erg vernieuwend. Tijdens de uitvoer van het project bleek echter steeds weer, dat de
basis voor het probleem terug te voeren is op de basis van het verpleegkundig proces.
Dus observeren van en luisteren naar de cliënt, het inventariseren van zijn/haar hulpvraag.
Hulp die nodig kan zijn psychisch, sociaal, somatisch gebied, en op het gebied van ADL
activiteiten.
Krijgt de cliënt de nodige zorg en ondersteuning, zal de kwaliteit van leven toenemen en
verwaarlozing verminderen. Dit hoeft niet ten koste te gaan van de autonomie van de cliënt.
Autonomie versus Verwaarlozing 17
Nawoord
Samenwerken in een projectgroep, dat viel niet altijd mee. Je brengt je eigen ideeën, eigen
werkwijze, waarden, normen en persoonlijkheid mee.
Het is ook gebleken dat het samen maken van een verslag niet zo eenvoudig is. Keer op
keer hebben we gedeeltes herzien en herschreven.
We hebben erg hard gewerkt, ondanks meerdere tegenslagen in ieders privé leven en in de
samenwerking van de projectgroep. We hebben lang nagedacht, gediscussieerd en
geanalyseerd en ons verdiept in verscheidene theorieën en visies. Hier is veel tijd in gaan
zitten. Behalve dat we ons hebben verdiept in de beroepscompetenties, rehabilitatiegedachte
en basiszorg, hebben we ook veel geleerd over recht en ethiek. Dit samen was een erg
interessante combinatie.
Gaande weg het gehele project hebben we onze visie op het onderwerp bijgesteld. In eerste
instantie hadden we het idee dat we het probleem dat we gesignaleerd hadden eens goed
aan zouden gaan pakken. We hadden een beeld van hoe het zou moeten en dat wilden we
duidelijk maken.
In de loop van het project is wel gebleken dat we niet voor een gemakkelijk thema hadden
gekozen. Er is geen kant-en-klaar antwoord op dit probleem en al snel bleek dat bepaalde
zaken gevoelig lagen en moeilijk bespreekbaar waren. Door het afnemen van interviews
hebben we inzicht kunnen krijgen in de verschillende visies en meningen rondom ons
onderwerp; autonomie versus verwaarlozing.
We hebben geleerd een probleem vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Bij het
zoeken naar oplossingen hebben we gebruik gemaakt van verschillende theorieën en visies
om tot een degelijke onderbouwing te komen. Dit alles maakt dat we op HBO niveau invulling
hebben kunnen geven aan ons project.
Autonomie versus Verwaarlozing 18
Literatuurlijst
Beumer, F.J.A. en Hartog, den R.M.
Recht voor verpleegkundigen
Wolters-Noordhoff bv
Groningen/Houten, 2005
ISBN 90 01 07504 5
Boevink, W.
Verhalen van herstel
Trimbos Instituut, 2006
ISBN: 90-52535574
Brouns, G.
Zelfzorgtheorie van Orem
Uitgeverij KAVANAH
Dwingeloo, 1993
A.A.F Jochems en F.W.M.G Joosten
Coëllo, zakwoordenboek der Geneeskunde
Elsevier Gezondheidszorg
Doetinchem 2003
ISBN 90 6228 420 5
Dröes, Dr J. en Nuy, Dr M.
De individuele rehabilitatie benadering
Uitgeverij SWP, 2003
Friesen, A
Geestelijke gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant, omschrijving begeleider niveau 4 en
5, medewerker begeleiding niveau 3, medewerker begeleider niveau 2
Halsteren, 2004
Graste, J.
Een brug slaan; rehabilitatie in de praktijk
Koninklijke van Gorcum, 2002
Hogeweg, R.
Een goed rapport
Uitgeverij Thieme Meulenhoff
Utrecht/Zutphen, 2004
Hollander, den D. en Wilken, J.
Psychosociale rehabiliatatie, een integrale benadering
Uitgeverij SWP
Utrecht, 2003
ISBN: 90-6665-291-8
Jansen. C. en Steehouder, M.
Professioneel communiceren
Wolters-Noordhoff bv
Groningen/Houten, 2004
ISBN 90 68 905619
Jong, de Drs J.H.J. en Kerstens, Drs J.A.M. en Salentijn, C.
Verpleegkunde in perspectief
Autonomie versus Verwaarlozing 19
Bohn Stafleu Van Loghum
Houten/Zaventem, 1993
Jong, de Drs J.H.J. en Kerstens, Drs J.A.M. en Salentijn, C.
Inleiding in de verpleegkunde
Bohn Stafleu Van Loghum
Houten, 1997
Jong, de Drs J.H.J. en Kerstens, Drs J.A.M. en Salentijn, C.
Aspecten van de verpleegkundige beroepsuitoefening
Bohn Stafleu Van Loghum
Houten, 1998
Jong, de Drs J.H.J. en Kerstens, Drs J.A.M. en Salentijn, C.
Basisverpleegkunde
Bohn Stafleu Van Loghum
Houten, 2002
Klip, H.
Van idee tot uitwerking
Uitgeverij Coutinho
Bussum, 2001
Nieuwlaat, M.
Afstudeerscriptie: rehabilitatie
Nispen, 2005
Nuy, Dr M.
Rehabilitatie, oriëntatie en een beschrijving van drie benaderingswijzen
Uitgeverij SWP
Utrecht, 2000
Projectgroep methodiekontwikkeling GGZ WNB
Het begeleidingsplan Horst/Ligne/TOA
GGZ WNB
Halsteren, 2006
Sciencia GGZ Kennistransfer
Beroepscompetenties van de HBO GGZ-verpleegkundige
Drukkerij Atlas
Soest
Soudijn, K.
Scripties schrijven in de sociale wetenschappen
Bohn Stafleu Van Loghum
Houten/Antwerpen, 1991
Stam, van W.S.
Notitie Somatische Zorg Klinische Setting 2001
GGZ WNB
Verburgt, J.
Gezondheidsrecht in verband
Januari 2004
Autonomie versus Verwaarlozing 20
Competentieprofiel voor de functie begeleider (kwalificatieniveau 5)
GGZ WNB
Kwaliteitsnormen somatische zorg in de GGZ
GGZ Nederland
Meerjarenbeleidsplan 2007 – 2010
GGZ WNB
Somatische zorg binnen GGZ WNB
GGZ WNB
Zorgvisie 2006 – 2010
GGZ WNB
Afdelingsvisie Schorre
GGZ WNB
www.OVDB.nl
www.humanistischverbond.nl
Autonomie versus Verwaarlozing 21
Bijlagen
Autonomie versus Verwaarlozing 22
Bijlage 1 Interviews
Autonomie versus Verwaarlozing 23
Casus
Opgenomen op afdeling binnen volwassenen lang, mevr. K. 50 jaar.
Al meerdere keren opgenomen geweest binnen GGZ WNB, deze opname begon dec. 2005.
Klachten depressiviteit, angst voor suïcidaliteit. Opname is vrijwillig.
Mevr. weigert medicatie.
Ziet er erg onverzorgd uit. Haar lijkt alsof het getoupeerd is. Staat erg wild en zit vol klitten. Is ook niet
schoon. Kleding is vies, vol vlekken. Mevr loopt veelal op blote voeten over de afdeling en soms ook
buiten op de patio. Mevr heeft ook een vieze lichaamsgeur.
Gaat zich uit eigen beweging niet douchen of kleding verschonen.
Ook de kamer van mevr. is elke dag een puinhoop. Overal shag, as en peuken. Beddengoed is vies.
Mevr. moet zelf bed opmaken, doet ze dit niet dan slaapt ze op kaal matras.
Mevr eet wisselend, zeker niet gezond. Neemt soms een pot pasta of jam en eet hier met een lepel uit
en zet de pot weer terug in de kast.
Andere cliënten op de afdeling ergeren zich aan uiterlijk van mevr. Mijden haar ook.
In het verleden is er een bepaalde druk op mevr. gelegd om te douchen, zelfs onder dwang. Dit ook in
verband met incontinentie. Dit had tot gevolg, dat mevr zich agressief ging gedragen. Sloeg en
maakte brillen van personeel stuk.
Er is toen voor gekozen geen enkele druk uit te oefenen. Mevr werd verzocht zich te douchen, deed
ze dit niet dan werd het niet overgenomen. Kamer werd een enkele keer gedaan.
Mevr lijkt steeds verder af te zakken. Er is vrijwel geen contact met haar mogelijk.
Ze wordt op dit moment door medecliënten ook wel de heks van de afdeling genoemd.
Familie die op bezoek komt schrikt steeds weer van de achteruitgang van mevr.
Stellingen:
- Wij als begeleiders mogen iemand die vrijwillig opgenomen is niet verzorgen tegen zijn of haar
wil in
- Normen en waarden die de cliënt had voor dat hij of zij ziek werd zijn bindend
- Algemeen geldende normen en waarden zijn bindend voor zowel de begeleider als de cliënt
- Basiszorg voor zowel somatisch als psychisch zieken, moet in elke instelling gelijk zijn
- Als hulpverlener is het je plicht om soms over de grenzen van de cliënt heen te gaan
- Spreek je van zelfverwaarlozing van de cliënt of van verwaarlozing door de begeleiding
- Ingrijpen binnen de basiszorg of overnemen van zorg past binnen de rehabilitatie gedachten
- Een goede somatische zorg en ADL zijn voorwaarden voor herstel
Autonomie versus Verwaarlozing 24
Interview Dhr. J. Verburgt (25-01-2007)
Dhr. Verburgt hebben wij gevraagd voor een interview, vanwege zijn achtergrond in de wetgeving en
ethiek. Hij is tijdens dit gesprek meer op de ethische stoel gaan zitten.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we hem geïnterviewd. Deze stellingen vond hij erg
prikkelend.
Het wordt al snel duidelijk dat dit onderwerp erg moeilijk is. We hebben hem een aantal vragen en
onduidelijkheden voorgelegd. Zo hebben we gevraagd of een IBP bindend is. Hier kun je namelijk ook
veel in opnemen. Dhr. Verburgt geeft aan dat dit voor ons als verpleegkundige bindend is.
Verder hebben we het gehad over het verschil tussen dwang en drang. Het komt er eigenlijk op neer
dat je bij drang nog de keuze hebt. Het is ook maar net hoe iedereen het opvat. Vaak blijkt het dat je
toch bezig bent met drang of dwang terwijl je het niet door hebt. Dhr. Verburgt geeft ook aan dat hij
vindt dat zijn collega‟s beter afspraken moeten maken met cliënten. Vaak wordt er wel iets
afgesproken, maar dat is vaak niet in overeenstemming met de cliënt zelf.
Ook een groot discussiepunt is wanneer je mag ingrijpen wanneer je een cliënt zichzelf ziet
“verwaarlozen” net zoals in de casus. Dit vindt dhr. Verburgt erg lastig. Hij geeft aan dat hij vroeger
gezegd zou hebben dat we de cliënt bij kop en kont moeten pakken en bijvoorbeeld onder de douche
moeten zetten, maar nu is hij veranderd van visie en vraagt hij zich af wanneer de grens echt bereikt
is en wie dat beoordeelt. Hij vertelt dat hij nu meer afwachtend is en dat je soms ook het geduld op
moet brengen om niet in te grijpen en het te laten gebeuren. Wie zijn wij om gelijk in te grijpen.
Ook de vraag over wanneer wij het over mogen nemen als iemand bijvoorbeeld een wond heeft die
eigenlijk echt behandeld moet worden, maar de cliënt dit absoluut niet wilt. Dhr. Verburgt geeft aan dat
wij als verpleegkundige dit niet buiten ons zelf mogen leggen. Het is te gemakkelijk om hier direct de
arts voor in te schakelen. Maar waarom wil je ingrijpen? Dat moet je jezelf goed realiseren. Wanneer
zijn lichamelijke klachten echt ernstig? Dhr. Verburgt geeft aan dat je eigenlijk niets kan zolang een
cliënt niet wilt. Je kunt er pas wat aan doen wanneer iemand wilsonbekwaam is bevonden. Dan kun je
onder dwang bijvoorbeeld zo‟n wond gaan behandelen. Een arts moet dit beoordelen, maar hier gaat
natuurlijk nog veel meer aan vooraf. Je hebt allerlei technieken om een cliënt wel vrijwillig zo ver te
krijgen om de wond te laten behandelen. Dhr. Verburgt geeft in ieder geval duidelijk aan dat wij de tijd
moeten nemen met cliënten. Wij moeten afwachten. We moeten proberen om vanuit de cliënt zijn
autonomie te denken. Ook hadden we de discussie of je dan bij sommige cliënten moet afwachten tot
het te laat is? Dit is een erg moeilijk punt, waar niet direct een kant-en-klaar antwoord op is.
Er wordt nogmaals benadrukt dat binnen de rehabilitatie geen dwang en drang worden toegepast. Wel
onderhandelen. Waar ligt dan die grens? Je hebt bepaalde technieken om te handelen. Er is geen
dwang maar wel een heel sterke aandrang. Er moet in ieder geval geprobeerd worden de autonomie
van de cliënt zo lang mogelijk te behouden. We moeten ook niet vergeten dat de cliënten binnen GGZ
WNB ziek zijn.
Het komt er eigenlijk op neer dat je steeds met “die grens”zit, wanneer die grens bereikt is. Dit moet je
nooit alleen beslissen, alleen in uiterste noodgevallen. Het beste is om het altijd met je team te
overleggen zodat je als team op één lijn zit, hier is een open team voor nodig.
Bij rehabilitatie kijk je naar wat je nog wel kunt doen. Je moet namelijk goed kunnen verantwoorden
waarom je over de grens van een cliënt heen gaat. Ook vergeten wij vaak dat wij onze normen als
persoon vaak er bij betrekken. Dit moet je goed in de gaten en uit elkaar houden. Vaak zit een cliënt
voor je gevoel beneden je beroepsmatige normen, maar dit wil nog niet alles zeggen.
Wat Dhr. Verburgt eigenlijk vooral meegeeft is dat teamcommunicatie erg belangrijk is. De kracht van
een team is het samenwerken. Er zou dus eigenlijk meer op een gelijkwaardige manier
gecommuniceerd moeten worden.
Verder geeft hij mee, dat het doel van ons om een attitudeverandering teweeg te brengen misschien
erg hoog gegrepen is. Hij denkt dat we wel een attitudeverandering in het er over nadenken en het er
over discussiëren als doel kan stellen. Het is een bewustwordingsproces.
We hebben gevraagd wat dhr. Verburgt er voor voelt om ons te helpen bij onze presentatie. Hij gaf
aan dat hij niet goed weet wat hij voor ons kan betekenen. Hij staat er wel voor open, maar wij moeten
ons goed realiseren dat een discussie tijdens een presentatie erg moeilijk is. Als er een grote groep zit
kun je al vrijwel niet een discussie houden. Wel is hij altijd bereid om zijn mening over dingen te
geven. Hij vertelt nog dat hij dit een erg boeiend onderwerp vindt en dat onze stellingen een beginpunt
kunnen vormen voor een goede discussie.
Autonomie versus Verwaarlozing 25
Interview dr. van Stam (01-02-2007)
Dr. van Stam is de huisarts van GGZ WNB.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we hem geïnterviewd. Hij vond het een goed
onderwerp, herkende het ook wel in de praktijk.
Op de vraag wat de oorzaak van het probleem kon zijn, gaf hij aan dat somatische klachten af en toe
te laat gesignaleerd worden, maar dat het vaak ook komt door het ziektebeeld van de cliënt. Een cliënt
kan pijnklachten niet uiten of uit deze op een andere wijze, waardoor zaken over het hoofd worden
gezien. Ook door “klaaggedrag” dat sommige cliënten kunnen vertonen, worden somatische klachten
niet altijd even serieus genomen.
Het te laat signaleren door hulpverleners valt volgens dr. van Stam dus wel mee. Soms wordt er zelfs
te snel aan de bel getrokken! Voor zaken als bijvoorbeeld een verhoogde bloeddruk wordt ‟s avonds
en in het weekend al snel een arts ingeschakeld, terwijl dit gemakkelijk tot later kan wachten.
Een veel voorkomend probleem dat dr. van Stam ziet is “vervuiling” van cliënten. Hij begrijpt dat het
voor hulpverleners niet altijd even gemakkelijk is om cliënten tot goede zelfzorg aan te zetten, maar hij
heeft er zijn twijfels bij of in alle gevallen alles geprobeerd is de cliënt zover te krijgen. Als hulpverlener
moet je je er echter wel bewust van zijn dat je de relatie met de cliënt kan verstoren, wanneer je te
snel/vaak overgaat op het “bij kop en kont pakken” van de cliënt. Dr. van Stam is zich er van bewust
dat hij in zijn positie als huisarts soms meer voor elkaar kan krijgen dan hulpverleners.
De wet- en regelgeving is kort aan de orde geweest. BOPZ houdt in dat je iemand wel mag opnemen,
maar dat betekent niet dat je die persoon ook mag behandelen! Momenteel is er een voorstel gedaan
om meer ruimte te creëren binnen BOPZ waardoor behandelen ook mogelijk is. WGBO geeft meer
mogelijkheden. Het is mogelijk om iemand wilsonbekwaam te laten verklaren waardoor behandeling
wel mogelijk is. Dr. van Stam adviseert bepaalde handeling, ook m.b.t. ADL, vast te leggen in het IBP.
Dit geeft je ook als hulpverlener meer mogelijkheden en je handelingen zijn gelegitimeerd.
Dr. van Stam heeft een beetje een dubbel gevoel bij de termen personeelstekort en rehabilitatie. Hij
heeft het idee dat deze termen nogal eens als alibi worden gebruikt om niet tot handelen over te
moeten gaan. Hij zou graag een gulden middenweg zien tussen het “oude regime” en de “handen op
de rug” van tegenwoordig. De visie van dr. van Stam is dat overnemen van (ADL)taken soms nodig is
om tot rehabilitatie te kunnen komen. Soms moet je even een stap terug doen.
Zaken waar hulpverleners alert op moeten zijn: kleding, gewassen/geschoren, overgewicht,
suikerziekte (10% van de cliënten binnen de GGZ WNB lijden hieraan), maag- en darmklachten.
Overigens merkt dr. van Stam weinig verschil in deskundigheid tussen verpleegkundigen en agogen.
Wel vindt hij het storend dat er vaak een stagiaire of iemand die lang niet gewerkt heeft wordt
meegestuurd met een cliënt. Zij weten vaak geen antwoord op de vragen die hij hen stelt. Dit is een
belangrijk aandachtspunt voor de vaste medewerkers op een afdeling.
Autonomie versus Verwaarlozing 26
Interview Mevr. M de Haan (22-02-2007)
Mevr. de Haan is werkzaam als verpleegkundige op afdeling de Lake, waar ze ook de
praktijkbegeleiding voor haar rekening neemt.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we haar geïnterviewd. Mevr. de Haan vindt het een
herkenbaar onderwerp, echter komt het op afdeling de Lake minder voor. Dat komt omdat er nog op
een meer ouderwetse manier verpleegd wordt, waarin er eerder wat overgenomen wordt. Er wordt
meer gewerkt vanuit het medisch model. De afdeling is nu echter druk bezig om de
rehabilitatiegedachte in te voeren. Er zijn hiervoor werkgroepen gecreëerd, er komt een scholing voor
alle medewerkers en er worden werkbezoeken gehouden. Op deze manier wordt gekeken hoe de
rehabilitatiegedachte het beste vorm gegeven kan worden binnen de Lake.
Mevr. de Haan ziet zeker wel voordelen in deze visie. Er wordt meer overlegd en onderhandeld. Er
komt meer aandacht voor de persoon zelf en wordt er dus niet alleen meer naar het ziektebeeld
gekeken. Het “gewone” leven komt ook meer terug. Gewoon met z`n allen brood smeren bijv. i.p.v
broodmaaltijd dat rechtstreeks uit de centrale keuken komt. Een nadeel kan volgens mevr. de Haan
zijn dat het onduidelijk is waar de grens ligt. Mevr. de Haan is ervan overtuigd dat de verpleegkundige
de uiteindelijke grens moet stellen, maar dat de grens voor de cliënt niet benauwend mag zijn. Er
moet ruimte zijn voor onderhandeling, maar de grens moet wel reëel zijn. Dit is belangrijk voor het
welbevinden van de cliënt.
Mevr. de Haan vindt ook dat wij als verpleegkundigen worden betaald om de cliënt goed te verzorgen.
Op afdeling de Lake heb je als verpleegkundige meer zicht op het somatische deel van de cliënt
omdat de cliënten meer verzorging nodig hebben. Somatische problematiek wordt over het algemeen
tijdig opgemerkt. Mevr. de Haan ziet het echter ook als de plicht van de arts om te voorkomen dat de
cliënt zichzelf te veel kan vervuilen. Bijvoorbeeld door het wilsonbekwaam laten verklaren van een
cliënt.
Uiteraard moet er altijd rekening gehouden worden met de normen en waarden van de cliënt,
algemeen geldende normen en waarden vindt ze echter bindend.
Mevr. de Haan vindt het belangrijk om nog eens te benadrukken dat grenzen stellen iets positiefs is.
Wij hebben als verpleegkundigen ook de plicht om een bepaalde grens te stellen. Een grens is echter
altijd discutabel. Vandaar dat er echt met de cliënt hierover onderhandeld moet worden, ruimte voor
onderhandeling moet echter wel beperkt worden. Verpleegkundige interventies nemen zijn verplicht,
het is niet iets vrijwilligs. Mevr. de Haan denkt ook dat verpleegkundigen soms iets te gemakkelijk zijn.
Als een cliënt resoluut medicatie weigert, zijn we geneigd om te zeggen: “ik heb het geprobeerd maar
hij weigert”. Mevr. de Haan denkt dat het goed is het soms even te laten rusten en op een later tijdstip
weer in de onderhandeling te gaan.
Zij is een voorstander van lichte drang, bij “kop en kont pakken” kan echter niet meer.
Autonomie versus Verwaarlozing 27
Interview Mevr. M Bouwens (05-03-2007)
Mevr. Bouwens werkt op het plaatsingsbureau en als AWN-hoofd binnen GGZ WNB.
Binnen deze functies komt ze met grote regelmaat op alle klinische afdelingen en heeft ze dus zicht
op de situaties omtrent basiszorg en somatiek binnen deze verschillende afdelingen.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we haar geïnterviewd.
Mevr. Bouwens vindt primaire zorg erg belangrijk, het ligt aan de basis van de behandeling en dat
moet je als team uitstralen. Je moet als team op één lijn staan en na een bepaalde tijd ingrijpen
wanneer iemand zelf niet tot de zelfzorg toekomt; douchen, aan tafel eten, kleding verzorgen enz.
Ze is van mening dat wanneer wij de zorg niet bieden die de cliënt nodig heeft, dat de cliënt net zo
goed thuis kan zijn. Er blijft van een behandeling weinig meer over.
Een opname heeft consequenties voor de cliënt, je sluit een behandelovereenkomst waarin dit soort
zaken opgenomen moeten worden. Je kan dan eisen dat een cliënt zich regelmatig douchet en er
verzorgd bijloopt. Zo kan je consequenties aan het gedrag koppelen.
Waar nodig doe je het samen met de cliënt. Soms ben je verplicht om over de grenzen van de cliënt te
gaan. Ondanks de ziekte kan je stukje bij beetje de zaken weer opbouwen. Als hulpverlener is het je
plicht om samen met de cliënt de basis te bouwen of te herbouwen. Hieronder valt ook de ADL. Deze
basis vormt een goed fundament om weer op door te bouwen.
Ze is er van overtuigd dat overnemen, evt. onder dwang van bepaalde zaken rondom de ADL, kan
leiden tot herstel en een beter gevoel van eigenwaarde.
Ze vindt dat je eigen visie ondergeschikt is aan de afdelingsvisie. Ze benadrukt wel het belang dat er
aandacht moet zijn voor die hulpverleners die tegen hun eigen gevoel in moeten gaan.
Mevr. Bouwens heeft de indruk dat normen en waarden omtrent basiszorg lijken te vervagen. Vroeger
was niet zalig, met vaste baddagen en regels, cliënten hadden toen geen keuze. Nu ze echter
inspraak hebben lijkt men hierin doorgeslagen.
Mevr. Bouwens mist de zorg op de groep, personeel is elders, in kantoor achter de computer.
Zij merkt wel weer een verschuiving op, dit met name binnen de kortdurende zorg. Hier wordt steeds
meer structuur geboden.
Mevr. Bouwens mist vaak het totaalplaatje. Ze denkt dat er te weinig actie is ondernomen om bepaald
gedrag nog om te buigen, dat er te weinig aandacht wordt besteed aan het gevoel en de beleving van
de cliënt omtrent zelfverwaarlozing en dat hierover niet in gesprek wordt gegaan met die cliënt. Een
kwestie van afschuiven naar eigen verantwoordelijkheid, totdat het de spuigaten uitloopt.
Wat betreft de rehabilitatiegedachte, mist ze de sturende, leidende hand. Ze vindt dat er te weinig
geboden wordt wat betreft vormingsactiviteiten om de cliënt keuzes te leren laten maken.
Ze ziet de leidinggevende als verantwoordelijke om samen met het team invulling te geven aan
rehabilitatie. Minimaal één keer per jaar de afdelingsvisie herzien en de juiste zorg op de juiste plaats
bieden.
Autonomie versus Verwaarlozing 28
Interview Dhr. G. Andy Ganjoe (08-03-2007)
Dhr. Andy Ganjoe is werkzaam bij het MVT-team en op schans 3.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we hem geïnterviewd.
Op de vraag wat hij van deze situatie vindt geeft hij aan dat zijn handen jeuken om iets te doen. Voor
hem is zo‟n situatie storend, hij kan er niet tegen als cliënten er zo bij lopen op een afdeling. Hij geeft
aan dat het misschien wel acceptabel is vanuit de rehabilitatiegedachte.
Op de vraag hoe dit zo kan gebeuren antwoordt dhr. Andy Ganjoe dat verpleegkundigen waarschijnlijk
uitgaan van de eigenheid van de cliënt. Ze willen nog niet ingrijpen. Ook zijn de criteria die opgesteld
zijn voor het ingrijpen in deze situatie misschien nog niet behaald.
Dhr. Andy Ganjoe zelf zou wel ingrijpen en op schans 3 zou het heel anders gebeuren. Daar zouden
ze de cliënt waarschijnlijk bij „kop en kont‟ pakken. Het is niet hygiënisch en cliënt is in feite aan het
wegzakken met verzakken. Ze hebben op schans 3 een destructieve benadering en in feite wordt de
rehabilitatiegedachte overruled. Een voorbeeld hiervan is een cliënt die vanuit een andere afdeling al
jaren gewend was om in een stoel te slapen, werd op schans 3 gewoon in bed gelegd. Op deze
afdeling mag men namelijk ziek zijn en dus ook in bed liggen, het ziek zijn staat voorop. Er wordt
gekeken naar ziekte en de basiszorg wordt vaak overgenomen. De cliënten laten zich ook sneller
leiden. Er wordt meer gewerkt vanuit het medische model.
Op de vraag of de rehabilitatiegedachten misschien voor cliënten een te grote belasting is zegt dhr.
Andy Ganjoe dat je als verpleegkundige ook normen hebt. Je hebt een eed afgelegd en je hebt een
zorgplicht naar de cliënten toe, maar je moet wel goed alle zaken op een rijtje zetten. Zolang er
eigenlijk geen gevaar is voor de cliënt en omgeving heb je geen poot om op te staan. Je kunt dus niet
zomaar ingrijpen in een situatie zoals in de casus. Toch gaat dit wel tegen het gevoel van dhr. Andy
Ganjoe in, hij zou het liefst wel iets doen. Je zou de oorzaak van het ontsporen uit moeten zoeken en
vanuit daar verder gaan en denken.
Als MVT‟er komt dhr. Andy Ganjoe ook het een en het ander tegen op verschillende afdelingen. Hier
is hij af en toe wel geschokt van. Soms vraagt hij zich af waarom er nog niets ernstigs is gebeurd op
sommige afdelingen, dit zou namelijk gemakkelijk kunnen gebeuren.
Er is de laatste jaren wel het een en het ander veranderd in de zorg, vroeger was men meer autoritair.
Cliënten hebben nu veel meer inspraak gekregen, maar hij is van mening dat men hierin veel te ver is
doorgeschoten.
Op de vraag wat we aan deze situatie kunnen doen kan dhr. Andy Ganjoe eigenlijk niet zo goed
antwoord geven. Je zou wel gevaarscriteria op kunnen stellen, bemoeizorg, maar toch de
rehabilitatiegedachten aanhouden.
Het is de verantwoordelijkheid van een team om tijdig problemen te signaleren zoals bijvoorbeeld
smetwonden. Alles moet bespreekbaar gemaakt kunnen worden.
Dhr. Andy Ganjoe geeft aan dat men de zucht naar hygiëne al voor een groot deel heeft losgelaten,
het is niet meer zo extreem. Rehabilitatie wordt wel toegepast en overnemen en samendoen past ook
binnen de rehabilitatiegedachten. Je moet proberen positief te benaderen. Ook is hij van mening dat je
oog moet hebben voor de basiszorg. Hij vertelt dat er wel of niet ingegrepen wordt, maar de
tussenvormen worden vergeten.
Je mag verwachten van verpleegkundigen dat ze problemen tijdig signaleren. Als verpleegkundige
heb je als het ware ook een voorbeeldfunctie. Verder doe je alles in relatie tot de andere.
Het is in ieder geval een herkenbaar probleem. Als MVT‟er kun je soms ook meer zeggen tegen
cliënten, heb je meer invloed.
Als MVTer geeft dhr. Andy Ganjoe teams ook adviezen en voorlichting over hoe ze bepaalde
verrichtingen moet uitvoeren en bepaalde zaken kunnen aanpakken. Hij spreekt teams ook aan op het
feit als er zaken anders hadden gekund, soms echter komt zijn hulp te laat.
Dhr. Andy Ganjoe denkt ook wel dat sommige afdeling liever geen somatische zorg willen. Soms is er
ook te weinig kennis, dan heeft hij een voorlichtende taak, maar het ligt dan nog steeds bij het team.
Er zijn bijvoorbeeld ook verpleegkundigen die niet willen spuiten. De instelling kan hier zeker wat in
betekenen om ze van hun onzekerheden af te helpen.
We zijn in ieder geval te ver doorgeschoten en moeten dit onderwerp in ieder geval ter discussie
blijven stellen. Probeer mengvormen te vinden, een consensus. Het belang van de cliënt blijft echter
voorop staan. Het team moet het samen doen.
Autonomie versus Verwaarlozing 29
Interview mevr. C Monsieurs (23-03-2007)
Mevr. Monsieurs is werkzaam als verpleegkundige binnen de sector volwassenen kort op de afdeling
Kliniek.
Aan de hand van de casus en stellingen hebben we haar geïnterviewd.
Op de vraag wat mevr. Monsieurs vindt van de casus, vertelt ze dat ze het erg balen vindt voor de
cliënt, familie en het personeel. Het is niet ethisch verantwoord.
Mevr. Monsieurs geeft aan dat zulke extreme situaties niet echt voorkomen op de Kliniek. Wel geeft
ze aan dat cliënten wel eens vervuild binnen komen. Dan wordt er wel geprobeerd onder lichte drang
de cliënt onder de douche te krijgen. Er wordt niet gedwongen. Het ligt ook aan het personeel dat er
werkt en aan de opnamereden van de cliënt.
Mevr. Monsieurs geeft aan dat het een taak is van verpleegkundigen. Een verpleegkundige heeft een
voorbeeldfunctie. Het kan ook zijn dat er klachten uit de cliëntengroep komen over bijvoorbeeld een
cliënt die stinkt, het kan dan zijn dat deze cliënt wordt gemeden door de rest van de groep.
Mevr. Monsieurs is van mening dat als je goed verzorgd bent, jezelf ook beter gaat voelen. Dit
persoonlijk voor haarzelf wel het geval. Cliënten worden op de Kliniek ook wel geholpen bij het
douchen. Dit wordt gedaan als stimulans. Er wordt vaak een afspraak gemaakt met de cliënt wanneer
die gaat douchen. Als cliënt zich niet aan deze afspraak houdt wordt deze hier op gewezen. Je heb
dan in ieder geval een mondelinge overeenkomst. Maar in feite heb je geen poot om op te staan als
een cliënt echt weigert.
Op de vraag of er ook wel eens iets over dit onderwerp in het IBP wordt gezet antwoord mevr.
Monsieurs dat dit eigelijk wel de bedoeling is.
Ze is van mening dat het je verantwoording is als verpleegkundige dat cliënten er verzorgd bijlopen.
Deze mening wordt ook wel door het team gedragen. De meeste teamleden houden dit ook goed in
de gaten. Mevr. Monsieurs geeft aan dat er niet echt iets vast ligt op papier wat betreft dit onderwerp,
wel wordt het vaak in het team besproken. Dit gebeurt tijdens een dienst of tijdens een overdracht.
Dan wordt er besproken hoe men met een cliënt het beste om kan gaan met zulk soort situaties.
Mevr. Monsieurs geeft aan dat ze bij de Kliniek echt werken vanuit de individuele cliënt. Er wordt wel
geholpen bij de basiszorg. Er is ook oog voor het somatische. Het is heel afhankelijk van de persoon
hoe er met de situatie om wordt gegaan. Er wordt gekeken of het belemmerend is voor cliënten of de
cliëntengroep.
Mevr. Monsieurs geeft aan dat de cliënt uit de casus het zelf waarschijnlijk ook niet leuk vindt. Ze vindt
wel dat het je professionaliteit is om te vragen waarom het gebeurt. Mevr. Monsieurs vindt dat je als
collega‟s van een andere afdeling wel mag en kan vragen waarom dingen zo gebeuren. Misschien
wordt het wel als bemoeien gezien, maar ze vindt het wel je verantwoordelijkheid. Zij zou het ook
doen. Het kan namelijk zijn dat een team de situatie niet meer goed overziet.
Ook kan ze zich voorstellen dat familie wordt ingezet.
Ze geeft ook aan dat je wel met de wetgeving zit. BOPZ geeft aan dat je niet zomaar mag dwingen,
maar als verpleegkundige ben je wel verantwoordelijk voor iemands gesteldheid. Mevr. Monsieurs
geeft wel mee dat ze ook eens zou kijken naar de WGBO. Binnen de BOPZ mag je niet zoveel, maar
met WGBO kun je misschien wel wat.
Het kan ook zijn dat een cliënt zelf niet kan aangeven wat er mis is, dan kun je beter wel ingrijpen en
neem je het in eerst instantie over, waarna je het daarna langzaam weer aan de cliënt zelf overlaat.
Als team moet je over dit soort zaken wel dezelfde afspraken maken. Iedereen moet op een lijn zitten.
Mevr. Monsieurs geeft aan dat ze vindt dat een goede somatische zorg meehelpt aan een holistische
mensvisie.
In de situatie van de Casus zou mevr. Monsieurs:
- Navragen waarom cliënt niet onder de douche wil. Er achter komen waarom dingen zo lopen.
- WGBO nagaan.
- Aan juristen op het terrein navragen.
- De kennis van andere afdelingen/instellingen/instanties vragen en erin betrekken. Zo zou je naar de
Schans of de Lake kunnen gaan voor informatie over hoe hun het zouden aanpakken. Mevr.
Monsieurs vindt het erg belangrijk dat men hier gebruik van maakt. Een team hoeft zich hiervoor niet
te schamen.
- Als team bij elkaar komen. Vragen op papier zetten en kijken hoe we dit aan gaan pakken.
- Je zou RM, IBS aan kunnen vragen.
- Je moet het gestructureerd aanpakken.
Autonomie versus Verwaarlozing 30
Interview Dhr. P Schippers (05-04-2007)
Dhr. Schippers is verpleegkundig specialist binnen de sector volwassenen lang van GGZ WNB.
Bij dit interview hebben we geen gebruik gemaakt van de casus, zoals we dat wel deden bij de andere
interviews. Omdat dhr. Schippers een deskundige is op het gebied van rehabilitatie, hebben we met
hem gesproken over dit onderwerp.
Wat dhr. Schippers ons vertelde over rehabilitatie:
Onderhandelingsvaardigheden zijn je belangrijkste instrument en tevens het moeilijkste onderdeel van
de beroepsuitoefening. Een valkuil is namelijk dat je te veel aan de beheersmatige kant gaat zitten.
Binnen de rehabilitatiegedachte is het belangrijk dat je leert accepteren dat een cliënt bepaalde zaken
niet kan. Vaak lijkt het dat een cliënt bepaalde zaken weigert omdat hij niet wil, maar is er echter
sprake van niet kunnen, veroorzaakt door zijn ziektebeeld.
Dit moet je ook benoemen naar de cliënt toe en samen zoeken naar oplossingen.
Zeker niet de strijd aan gaan, maar het er samen over hebben; vragen wat de cliënt er zelf van vindt
en waar hij hulp bij nodig zou hebben. Dan pas vertel je als hulpverlener wat jij er van vindt. Vanaf dat
punt kun je de onderhandeling in gaan. De vraag is, wat je er samen aan kunt doen.
Het inventariseren van de hulpvraag kan met behulp van de tien levensgebieden, zodat je de cliënt
vanuit de holistische mensvisie benadert.
Het is belangrijk dat je de cliënt zelf het verhaal laat vertellen.
Door het afnemen van een anamnese breng je in kaart, in wat voor fase de cliënt verkeert. Soms
houdt rehabilitatie op, moet je als hulpverlener de zaken tijdelijk overnemen. Je doet een stap terug en
grijpt in vanuit je professionaliteit. Vervolgens ga je met de cliënt in gesprek en zoekt samen naar
kleine gebieden waar nog wel groei inzit en zoek je naar oplossingen waardoor je vergelijkbare
situaties in de toekomst kunt voorkomen. Hiervoor is een grote dosis creativiteit nodig.
Door middel van verleidingstechnieken, stel je samen met de cliënt kleine doelen. Je grijpt die
momenten aan, welke de cliënt in staat stellen in contact met de realiteit te komen en aansluiting te
vinden. De cliënt betrekken in de behandeling, zelf mee laten werken en zelf oplossingen laten
bedenken. Wat wilt de cliënt en wat vindt hij belangrijk.
Als professionele hulpverlener moet je er voor zorgen dat je eventueel die doelen die niet haalbaar
lijken, vertaalt naar kleine haalbare doelen, zodat de cliënt succes kan ervaren en zijn eigen
verantwoordelijkheid leert dragen. Dit is de enige manier om cliënten in beweging te krijgen.
Attitude en bejegening staan centraal binnen de rehabilitatie. Je moet uitstralen dat je benieuwd bent
naar wat de cliënt wilt. De cliënt op zijn eigen verantwoordelijkheden en autonomie wijzen. Oprecht
belangstellend zijn.
Waarom zaken dan toch uit de hand lopen zoals wij in de casus hebben beschreven, wijt dhr.
Schippers aan het feit dat signalen niet of te laat worden opgevangen, opgemerkt of verkeerd worden
geïnterpreteerd. Ook wordt er verkeerd de onderhandeling ingegaan. Mogelijk kan scholing op dit
gebied er voor zorgen dat we hierin vaardiger worden.
Een voorbeeld van een onderhandelingstrategie:
Een cliënt heeft van zijn slaapkamer een grote bende gemaakt.
Benoem dit dan niet als: “Wat is het hier een bende, zal je niet eens opruimen”.
Bespreek bijvoorbeeld met de cliënt of het wel handig is om alle spullen op de grond te zetten. Heb
het er gewoon over met de cliënt en vraag wat hij er zelf van vindt, waarbij hij eventueel hulp nodig
heeft. Kom dan pas als hulpverlener met wat jij er van vindt en ga de onderhandeling in over hoe de
cliënt het eventueel samen met jouw hulp, anders zou kunnen doen. “Hoe kunnen we er samen aan
werken om er voor te zorgen dat ….”
Door je op te stellen zoals boven beschreven kan er een cultuuromslag teweeggebracht worden.
Autonomie versus Verwaarlozing 31
Aan dhr. R Halfens, verplegingswetenschapper, hebben we de casus en stellingen gemaild.
Zijn antwoord op deze mail:
Hallo,
Dit is een interessante casus. Probleem is dat ik weinig kaas gegeten heb van de GGZ. Mijn eerste
reactie was ook dat dit niet kan en dat de begeleiders dit niet zo kunnen laten gaan. Het punt dat dit
tot een agressieve reactie zou leiden, is een extra facet war ik dus geen verstand van heb. Dit lijkt me
echt iets voor de psycholoog of psychiater. Persoonlijk zou ik wel vasthouden aan goede hygiëne etc.
Normaliter geldt als de cliënt dat niet kan, moet dat overgenomen worden. Ik kan me nog een situatie
in een verpleeghuis herinneren waar een cliënt met alleen een onderbroek aan verward over de gang
liep. Twee verzorgende liepen voorbij, keken erna en liepen lachend verder. Zoiets kan dus echt niet.
Maar jullie situatie is , lijkt me, echt anders. Toch zal ook haar duidelijk gemaakt moeten worden dat er
grenzen zijn aan haar verblijf bij jullie, een van die grenzen is hygiëne. Mij lijkt dat ook relevant naar
de andere bewoners. Nu reageren ze nog adequate, maar voor hetzelfde geld reageren ze over een
tijd dat de bewuste cliënt ook niet hoeft te douchen, dus waarom zij wel? Vanuit mijn perspectief zou
het kunnen dat in de casus toch te weinig uitgestraald wordt dat er bepaalde regels zijn die nageleefd
moeten worden. Maar nogmaals, dit lijkt me meer voor een psycholoog of psychiater.
Ik hoop dat je iets aan mijn gedachten hebt, meer kan ik er niet over zeggen.
Groet,
Ruud
Autonomie versus Verwaarlozing 32
In een later stadium hebben we hem nogmaals benaderd en hem onderstaande mail verzonden:
Hallo,
Mijn naam is Willeke en ik ben student verpleegkunde aan Hoge school Avans te Breda.
In het kader van mijn afstudeerproject doe ik onderzoek naar verschraling van zorg binnen de GGZ.
Nu heb ik verschillende artikelen van jou gelezen, weliswaar niet over GGZ situaties, maar ik zie wel
veel raakvlakken.
Ik zelf heb ook het idee dat men binnen de huidige opleidingen te weinig leert wat betreft basiszorg en
somatiek. Op de afdelingen mis ik de aansturing van het team, dit gebeurt door een manager op het
kantoor, welke soms niet eens een verpleegkundige achtergrond heeft. Ik heb ook sterk het gevoel dat
er ook houdingsaspecten van de verpleegkundige meespelen, hierbij denk ik aan verschuilen achter
zaken als personeelstekort en rehabilitatie (eigen verantwoording).
Ik zou graag weten hoe jij hierover denkt en hoe jij kwaliteitsverbetering gerealiseerd zou willen zien.
Wellicht heb je verbetervoorstellen rondom deze kwestie.
Ik weet niet of je me via de mail kunt helpen, of dat het misschien handiger is om een persoonlijk
gesprek met je te voeren.
In afwachting van je reactie,
Met vriendelijk groet
Willeke Bosse
Zij antwoord op deze mail was:
Beste Willeke,
Bedankt voor je mail. In mijn artikelen geef ik mogelijke oplossing aan: Op scholen zal meer expliciete
aandacht moeten komen voor het handwerk van de verpleegkundige.
Tegenwoordig wordt meer opgeleid naar het zelfstandig verwerken van kennis, maar, hoewel dit een
goed ontwikkeling is, zijn er in elk beroep een aantal basisvaardigheden die men tot in de puntjes
moet kennen. Een timmerman die alleen geleerd heeft hoe hij problemen moet analyseren en de
klanten te woord moet staan, zal snel zonder werk komen. Basis vaardigheden moeten erin
“gestampt” worden, naar mijn mening. Tweede probleem is dat binnen instellingen vervolgens geen
toezicht is, hetgeen zeer ongelukkig is. Hier zal een nieuwe functionaris moeten ontstaan die het
primaire proces van zorg stuurt en controleert. Op welke wijze dit gestalte moet krijgen, ben ik nog niet
uit. We zijn nu gestart met een project om na te gaan wat de verschillen zijn tussen Nederland en
Duitsland, om op basis daarvan een nieuw model voor de Nederlandse zorg te ontwikkelen. We zijn
daar echter net mee gestart en het is een project van vier jaar, dus de uitkomsten zullen nog even op
zich moeten wachten. Tot dan moeten we het doen met mijn mening!
Met vriendelijke groet,
Ruud
---------------------------------------------------------------------------------------------------
Ruud J.G. Halfens, PhD, Associate Professor
Health Care Studies / Section Nursing Science
Faculty of Health Sciences, Universiteit Maastricht
P.O. Box 616, 6200 MD Maastricht, The Netherlands
Tel. +31 43 3881572 Fax +31 43 3884162 Mob. 06 52357048
Visiting address: UNS40 West, Room 3.535
Email: R.Halfens@zw.unimaas.nl
Web page adress: www.nursingscience.nl
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Autonomie versus Verwaarlozing 33
Aan Mevr. M. de Jong, Coördinator rehabilitatie Altrecht hebben we onderstaande mail verzonden:
Goedemorgen,
Ik heb 14 december deelgenomen aan het congres herstelwerkzaamheden en daar uw deelsessie
over milieurehabilitatie gevolgd.
Ik ben als verpleegkundige begeleider binnen GGZWNB te Halsteren. Daarnaast volg ik op dit
moment de opleiding HBOV.
Samen met 4 medestudenten werk ik aan een project met als onderwerp de verschraling van
basiszorg en somatische zorg binnen de GGZ, afgezet tegen rehabilitatie.
We ondervinden nl dat er door begeleiders regelmatig wordt terugverwezen naar de eigen
verantwoordelijkheid van een cliënt, met betrekking tot bijvoorbeeld douchen, medicatiegebruik,
voeding, slaap/waakritme. Dit dan "in het kader van de rehabilitatie". Dit op momenten dat de cliënt er
niet zelf toe in staat is om die verantwoordelijkheid te nemen. Dit door bijvoorbeeld hun psychisch
disfunctioneren. Als gevolg hiervan kunnen cliënten bijvoorbeeld vervuilen en/of toenemend
psychotische worden.
Onze vraag is of dit herkenbaar is binnen jullie instelling en hoe jullie daar dan mee omgaan.
Hoe pas je rehabilitatie toe als cliënten niet de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor die zaken die
ik als voorbeeld heb beschreven. Niet alle cliënten zijn gelijk aan Pim de Jong.
Zou je me hier antwoord op kunnen geven of me wijzen waar ik de informatie zou kunnen vinden.
Bij voorbaat dank,
Met vriendelijke groet
Margo Nieuwlaat-Theunis
Haar antwoord op de mail was:
Beste Margot,
Je beschrijft een herkenbare situatie en ik vind het leuk om er op te reageren omdat het ook mijn visie
scherpt. Ook binnen Altrecht bestaan per afdeling en per team verschillende visies t.a.v. rehabilitatie
en eigen verantwoordelijkheid. De presentatie op het congres is dan ook maar een casus uit een
reeks van casuïstiek die allemaal vanuit een verschillende visie te werk gaan. De uitkomst van elke
casus is dan ook weer anders. De ene keer gaat het over teruggeven van verantwoordelijkheden en
de andere keer over beperken van verantwoordelijkheden.
Ik begeleid o.a twee paralelle teams van een gesloten afdeling langdurige zorg.
In het ene team werd veel voor cliënten bepaald; vanuit de beste bedoelingen voor de cliënt.
In het andere team werd veel aan cliënten zelf overgelaten; vanuit de beste bedoelingen voor de
cliënt.
In beide teams hoorde ik toch regelmatig met kromme tenen de praktijksituaties aan. Middels
milieurehabilitatie hebben we een manier gevonden om de situaties vanuit het perspectief rehabilitatie
te beoordelen. Beide teams zijn een veranderingstraject ingeslagen:
In het team waarin veel voor cliënten werd bepaald wordt nu bekeken waar cliënten meer regie
kunnen krijgen (voorbeeld presentatie Pim de Jong -koelkasten / voorraadbeheer).
In het team waar veel aan cliënten zelf werd overgelaten (verschraald milieu) wordt nu in eerste
instantie ingezet op: cliënten meer verantwoordelijkheid laten hebben in het leefbaar maken en
houden van het woonmilieu. N.a.v de milieubeoordeling komen de verbeterpunten uit het team zelf.
Dat is de winst. Het vraagt een andere houding van de medewerkers, want de cliënten zijn hiertoe op
dit moment nog niet aan gewend of zelf nog niet toe in staat. Het geeft wel een prikkel naar cliënten
en team. Er is geschilderd, gestoffeerd, dekbedden, nieuw meubilair waarbij zoveel als mogelijk
cliënten betrokken zijn. Als iets stuk gaat wordt het weer gerepareerd gevolgd door ondersteuning aan
cliënten om aan de nieuwe eisen te voldoen (denk aan as in de asbak en niet de peuken uitdrukken
op de armleuning van de nieuwe bank!) Daarnaast het aanbieden van een activiteitenaanbod waar nu
Autonomie versus Verwaarlozing 34
veel gebruik van wordt gemaakt en door cliënten en team als een aanwinst wordt gezien. Dit is een
proces wat net op gang is gekomen en waar we er nog lang niet zijn.
Er zijn in de methodiek twee onderdelen die in dit verband te gebruiken zijn:
Rehabilitatieaandachtspunten: Het zoveel als mogelijk vergroten van activiteiten en participatie, het
zoveel als mogelijk uitgaan van de mogelijkheden van de cliënt, eigen doelen en in een zo normaal als
mogelijk milieu. Je kunt dit op verschillende manieren uitleggen en dus ook in de visie zoals je die
beschrijft. Zoveel als mogelijk moet je echter wel afzetten tegen succes (hoe de omgeving vindt dat
het gaat) en tevredenheid (hoe de cliënt zelf vindt dat het gaat). Dit laatste wordt wel eens achterwege
gelaten.
Het andere punt: Het betrekken van de cliënt bij het maken van keuzes (ook of en wanneer hij gaat
douchen, medicatie inneemt, naar bed gaat of opstaat)
In een presentatie die we hebben gegeven in het Lectoraat Rehabilitatie in Groningen beschreef een
vader dat zijn zoon die aan schizofrenie lijdt er echt lang niet altijd bij gebaat is als hij zelfstandig
keuzen kan maken. Dat betekent voor zijn zoon dat zijn activiteiten en participatie niveau uiteindelijk
daalt. Voor zijn zoon is het in die omstandigheden beter als anderen voor hem de keuzen maken. Ik
deel deze mening. Per individu en per omstandigheid/situatie zul je (het liefst met de cliënt samen)
moeten bepalen in hoeverre je de cliënt ruimte geeft voor het maken van eigen keuzen. Als het
zelfstandig kan dan is dat heel mooi. Soms help je een cliënt veel meer als anderen tijdelijk voor hem
bepalen, of allerlei vormen daartussen. Ik zie graag dat hier met grote regelmaat in de zorg steeds
bewust keuzes in gemaakt worden. Op maat dus.
Elke team levert de zorg waar zij achter staan. Daar kun je vanuit gaan. Tornen aan die visie kan
weerstand en verzet oproepen. Vragen stellen en hen aan het denken zetten kan wel. Het mooiste is
als de verbeterpunten uit het team zelf komen. Een situatie uitproberen met een evaluatiedatum kan
voor teams helpen een verandertraject in te gaan. De verhalen van ervaringsdeskundigen brengen de
boodschap soms veel beter over dan van jou als deskundige. Ook onderzoeksresultaten kunnen
ondersteunend zijn. Een verandering in basiszorg ligt over het algemeen dichter bij dan een
verandering in somatische zorg. Het is een proces. Je moet op het vertrekpunt van het team beginnen
en geleidelijk aan het proces vlottrekken. Dat betekent dat je soms meepraat (ook al ben je het er niet
mee eens) om een band op te bouwen en geleidelijk aan meer vragen stelt. Bovenstaans schema is
zowel van toepassing op cliënten als ook van toepassing op medewerkersniveau.
Wat mij betreft: Niet teveel maar ook zeker niet te weinig zorg!
Succes ermee!
Met vriendelijke groet,
Marian de Jong
Altrecht Talent
Coördinator rehabilitatie
Autonomie versus Verwaarlozing 35
Bijlage 2 Beroepscompetenties
Autonomie versus Verwaarlozing 36
Competentie 1 Verlenen van zorg
Rol Zorgverlener
Domein Zorg
Domeinspecificatie Zorg voor zieken, gehandicapten en stervenden
Beroepscompetentie
Om last van ziekte, handicap of sterven te verlichten, verleent de HBO GGZ-verpleegkundige op
een professioneel verantwoorde wijze verpleegkundige zorg op maat, aan zowel de zorgvrager
als zijn sociale netwerk.
Bij het verlenen van zorg door de HBO GGZ-verpleegkundige gaat het om:
Vaststellen van benodigde zorg: de vraag naar verpleegkundige zorg introduceren en
verkennen, gegevens verzamelen, verpleegkundige diagnose stellen
Plannen van zorg: het beoogde resultaat van de verpleegkundige zorg formuleren,
verpleegkundige interventies kiezen in plannen
Uitvoer van zorg: observeren en signaleren, verplegen en verzorgen, begeleiden,
verpleegtechnisch handelen, informeren en adviseren
Evalueren van zorg
zodat de zorgvrager en het sociaal netwerk binnen aanvaarbare kaders, waarden en normen, keuzes
kan maken die de autonomie, de persoonlijke geschiedenis en het proces van zingeving
ondersteunen, waardoor de kwaliteit van het leven op een aanvaardbare en menselijk niveau tot
uitdrukking komen.
Hiaten
De aandacht van GGZ-verpleegkundige gaat vooral uit naar de psychische en sociale aspecten, met
een tekort aan aandacht voor basiszorg en ADL als gevolg. Signalen van het niet zelfstandig uit
kunnen voeren van ADL activiteiten worden niet of te laat opgevangen, opgemerkt of worden verkeerd
geïnterpreteerd. Ook wordt er verkeerd de onderhandeling met de cliënt ingegaan, en te weinig
gebruik gemaakt van motiverende gesprekstechnieken, met als doel te komen tot goede zelfzorg.
Er wordt ook niet altijd gekeken naar de oorzaak van het niet komen tot goede zelfzorg.
Men ziet het weigeren van uitvoeren van ADL activiteiten vaak als niet willen, terwijl het vaker een
kwestie is van niet kunnen, veroorzaakt door het ziektebeeld, waardoor de cliënt geen keuzes kan
maken en zelfredzaam kan zijn, maar er echter wel een beroep wordt gedaan op die zelfredzaamheid.
Er wordt weinig met de cliënt gesproken over de beleving en gevoelens betreffende zelfverwaarlozing,
waardoor kansen om ongewenst gedrag voortijdig om te buigen, gemist worden.
Soms wordt de noodzaak van het uithanden van zorg nemen van de cliënt niet onderkend, met
lichamelijke verwaarlozing van de cliënt als gevolg.
Verder bestaat er een kennistekort met betrekking tot somatische zorg. Verpleegkundigen raken hun
vaardigheden kwijt, doordat bepaalde handelingen, als bijvoorbeeld injecteren, blaasspoelen weinig
voorkomen op de afdeling.
Aanbevelingen
Verzamelen van gegevens aan de hand van de tien levensgebieden, zodat er een totaalbeeld
gevormd wordt van de benodigde zorg.
Vervolgens moet de cliënt actief betrokken worden in het proces van het plannen van zorg. Het is
belangrijk dat de cliënt een actieve rol inneemt, meedenkt over hoe de doelen te bereiken. Eigen
verantwoording en autonomie zijn van groot belang om de beoogde resultaten te bereiken.
Scholing op het gebied van onderhandelingstechnieken zou er toe bij kunnen dragen dat cliënten
eerder zelf komen tot het uitvoeren van ADL activiteiten.
Zorg op maat bieden, dit kan betekenen dat je een cliënt soms meer helpt door tijdelijk voor hem
zaken te bepalen. Om tot herstel en een beter gevoel van eigen waarde te komen, is het soms nodig
om zorg uit handen te nemen, soms met het binnen wettelijke kaders toepassen van dwang en of
drang.
Teamcommunicatie en samenwerken als team bij problemen rondom de zelfzorg zijn van cruciaal
belang, zodat je als team op één lijn probeert te staan met betrekking tot de benadering en
begeleiding van de cliënt.
Afspraken rondom de ADL moeten vastgelegd worden in het IBP. Gebruik maken van het MVT die
wat betreft somatische zorg een voorlichtende en ondersteunende taak kunnen hebben.
Autonomie versus Verwaarlozing 37
Competentie 2 Ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van preventieve activiteiten
Rol Zorgverlener
Domein Zorg
Domeinspecificatie Individuele en collectieve preventie
Beroepscompetentie
Om risico’s voor de gezondheid en complicaties van onderzoek of behandeling te verminderen en/of
te stabiliseren, past de HBO GGZ verpleegkundige primaire, secundaire en tertiaire preventie toe.
Bij het verlenen van primaire, secundaire en tertiaire preventie door de HBO GGZ verpleegkundige
gaat het om:
Signaleren en interpreteren van specifieke kenmerken, symptomen van en reacties op ziekte
of stoornis
Herkennen van mogelijke ontregeling van het psychisch evenwicht
Het maken van keuzes uit beïnvloedingsmethoden die de cliënt stimuleren en motiveren tot
gewenst gedrag
Het toepassen van signaleringsplan of crisisplan om vroege signalen van ernstige
gedragsontregeling te ondervangen
Het inzichtelijk maken en vertalen van uitingsvormen van onbeantwoorde vragen, wensen en
behoeften van cliënten
Het verwijzen naar, inschakelen en consulteren van andere disciplines
Evalueren van genomen preventieve maatregelen en interventies met de cliënt
zodat de zorgvrager en het sociaal netwerk minder risico‟s lopen op verstoring van hun gezondheid,
de leefomgeving veilig is en de gevolgen van het geestelijk gezondheidsprobleem zo draaglijk
mogelijk blijven.
Hiaten
Doordat symptomen en of reacties op ziekte of stoornis niet worden opgemerkt danwel juist
geïnterpreteerd, kunnen andere stornissen bij de cliënt optreden. Te denken valt aan overgewicht,
diabetes-mellitus (10% van de cliënten binnen GGZWNB lijdt hieraan), maag-darmklachten en
bijwerkingen medicatie. Maar ook aan het niet (meer) innemen van medicatie en/of het zich niet
(meer) verzorgen door psychische en/of lichamelijke achteruitgang
Er wordt weinig met de cliënt gesproken over de beleving en de gevoelens met betrekking tot
zelfverwaarlozing en daardoor worden de eerste tekenen van ongewenst gedrag, ongewenste
uitingen, gemist. Ook wordt er weinig of verkeerd met de cliënt onderhandeld om deze te verleiden tot
gewenst gedrag. In de praktijk krijgen de cliënten niet altijd het voorbeeld hoe het wel te doen. Dit met
betrekking tot het dode milieu
In de interviews wordt ook verwaarlozing van de leefomgeving genoemd. Te denken valt aan as op de
grond, rondslingeren vuile was, levensmiddelen en vuile vaat op de slaapkamers, koffievlekken op
tafels en vloeren, stukken uit de muren en beschadigde verf.
Aanbevelingen
Verzamelen van gegevens aan de hand van 10 levensgebieden. Hierdoor krijgt men een totaalbeeld
over het eigene van de cliënt, de specifieke kenmerken en vroege signalen van ernstige
gedragsontregeling. Daarnaast kun je inzichtelijk maken wat de wensen, behoeften en vragen van de
cliënt zijn. Hiervoor zul je als begeleiding mogelijk ook in gesprek moeten gaan met het sociaal
netwerk van de cliënt.
Door gebruik van onderhandelingstechnieken kun je de cliënt stimuleren en motiveren tot gewenst
gedrag.
Als je als hulpverleners op een afdeling, niet (meer) de kennis bezit om optimale zorg te bieden aan
de cliënt, neem dan contact op met andere disciplines (bijvoorbeeld MVT, diëtiste, huisarts), maar ook
met begeleiding andere afdelingen. Dit om ondersteuning en eventuele voorlichting te krijgen.
Als verpleegkundigen heb je een voorbeeldfunctie met betrekking tot persoonlijke hygiëne en zorg
voor het dode milieu. Het interieur moet schoon en heel zijn; dit nodigt uit om er netjes mee om te
gaan. Er moeten duidelijk huisregels zijn/komen met betrekking tot het netjes houden van de woon- en
verblijfsruimten.
Autonomie versus Verwaarlozing 38
Competentie 3 Op basis van een programmatische aanpak uitvoeren van GVO-activiteiten
Rol Zorgverlener
Domein Zorg
Domeinspecificatie GVO
Beroepscompetentie
Om een gezonde leefstijl bij zorgvragers en het sociaal netwerk te bevorderen, geeft de HBO GGZ-
verpleegkundige op basis van een programmatische aanpak informatie, voorlichting en advies aan
individuen en groepen
Bij het geven van gezondheidsvoorlichting en –opvoeding en advisering door de HBO GGZ
verpleegkundige gaat het om;
Het signaleren en interpreteren van specifieke kenmerken van risico‟s, symptomen van en
reacties op ziekte of stoornis
Het verzamelen van gegevens
Het bespreken van risico‟s door bepaald gedrag met de cliënt
Het geven van voorlichting, toegepast op de individuele cliënt
Het geven van feedback, motiveren en overtuigend argumenteren om te komen tot
gedragsverandering
Het gebruik maken van ervaringsdeskundigheid van de cliënt en het sociaal netwerk bij het
formuleren en geven van voorlichting en advies.
zodat de zorgvrager en zijn sociaal netwerk beter in staat zijn een gezonde leefstijl te onderhouden en
bovendien een veilige en gezondheidsbevorderende leef en woonomgeving wordt bevorderd.
Hiaten
In gesprek met de huisarts blijkt, dat verpleegkundigen meer alert zouden moeten zijn op de kleding
van de cliënt (passend bij het seizoen), overgewicht, diabetes mellitus (10% van de cliënten binnen
GGZWNB lijden hieraan), maag-darmklachten. Signalen met betrekking tot somatische klachten en
bijwerkingen medicatie worden niet of te laat opgemerkt. Het komt ook voor, dat de cliënt zijn klachten
anders uit door de ziekte of stoornis. De cliënt wordt te weinig of niet gemotiveerd om te komen tot
gewenst gedrag met betrekking tot ADL en de zorg voor zijn omgeving.
Aanbevelingen
Gegevens verzamelen aan de hand van de 10 levensgebieden. Je moet in gesprek gaan en blijven
met de cliënt om deze te motiveren en te stimuleren tot gewenst en gezond gedrag. Als
verpleegkundige geef je de cliënt voorlichting over eventuele bijwerkingen van medicatie, hygiëne
binnen de afdeling maar zeker ook persoonlijke hygiëne. Geef het belang van een goede ADL aan. Dit
in het kader van de holistische visie. Je geeft ook voorlichting over de gezondheidsrisico‟s en de
consequenties van bepaald gedrag. Dit kunnen risico‟s voor het lichamelijke, sociale en psychische
welbevinden zijn.
Als je genoodzaakt bent om taken over te nemen dan wel in te grijpen bij ongewenst gedrag, geef dit
dan altijd aan bij de cliënt. Geef aan waarom je ingrijpt of overneemt en met welk doel je dit doet.
Autonomie versus Verwaarlozing 39
Competentie 4 Coördinatie van zorg
Rol Regisseur
Domein Zorg
Domeinspecificatie Zorg voor zieken, gehandicapten en stervenden
Beroepscompetentie
Om de zorg te laten verlopen als een continue en integraal proces dat gericht is op het welzijn van de
zorgvrager en het sociaal netwerk, coördineert de HBO GGZ-verpleegkundige de zorg
Bij het coördineren van zorg door de HBO GGZ-verpleegkundige gaat het om
Het zelfstandig signaleren van de noodzaak van zorgcoördinatie -in samenspraak met de
cliënt en sociaal netwerk- en het nemen van initiatieven om de continuïteit in de
verpleegkundige zorgverlening te realiseren.
Het fungeren als contactpersoon ten aanzien van relevante disciplines
Het maken van een werkplanning, het met de cliënt aangeven van prioriteiten en het plannen
van activiteiten
Werken in een multidisciplinair verband, regisseren van activiteiten van collega‟s
Rekening houden met het perspectief en de participatie van de cliënt en met zijn rechten en
plichten
Het behartigen van de belangen van de cliënt en zijn sociaal netwerk, zodat de aangeboden
zorg in overeenstemming is met de eigen wensen en behoeften van de cliënt
Het in staat zijn om adequaat om te gaan met feedback, waardering, kritiek en tegenstrijdige
belangen. Daarbij de persoonlijke en professionele mening te geven en op te komen als HBO
GGZ-verpleegkundige
zodat de zorgvrager en zijn sociaal netwerk zorg en ondersteuning ontvangen die passend,
samenhangend,aansluitend en afgestemd is op de leef- en belevingswereld, die tot de gestelde
doelen leidt en geen onnodige stress of belasting geeft.
Hiaten
Er wordt nog te vaak vanuit gegaan, dat de cliënt bepaalde zaken niet wil, maar bij navraag of goed
observeren blijkt dat de cliënt bepaalde activiteiten niet uit kan voeren door zijn stoornis of beperking.
Er wordt niet ingegrepen of niet overgenomen omdat dit niet binnen de rehabilitatiegedachte zou
passen. Als verpleegkundigen zitten we nog teveel aan de beheersmatige kant. Daardoor is er te
weinig oog voor wat de cliënt kan en waar deze hulp bij nodig heeft. We gaan hiervoor nog te weinig
met de cliënt in gesprek. We zoeken nog te weinig samen naar een oplossing.
Bij het bieden van zorg is het nog te vaak een van de twee uitersten. Alles overnemen door de
verpleegkundigen tegenover alles overlaten aan de cliënt en pas ingrijpen, en dan vaak met drang, als
het volledig uit de hand is gelopen.
Aanbevelingen
Het volgen van een cursus rehabilitatie voor alle medewerkers.
Accepteren dat de cliënt bepaalde activiteiten niet zelfstandig uit kan voeren, past ook binnen
rehabilitatiegedachte. Gegevens moeten verzameld worden binnen de 10 levensgebieden, zodat
duidelijk wordt op welke van de gebieden de wensen en behoeften van de cliënt liggen. Op welke
gebieden hij de hulp van de verpleegkundige nodig heeft. Zorg op maat dus. Het past zeker binnen de
rehabilitatie om soms een stap terug te doen en tijdelijk zaken over te nemen. Je grijpt dan in vanuit je
professionaliteit. Vervolgens ga je met de cliënt in gesprek en zoek je samen oplossingen om
vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen. Samen kleine haalbare doelen vaststellen; wat,
hoe, wanneer en door wie. Dit leg je vast in het begeleidingsplan, wat regelmatig geëvalueerd en
bijgesteld moet worden.
Daarnaast is het belangrijk, dat de cliënt persoonlijk begeleider toegewezen krijgt als zijn
belangenbehartiger binnen de afdeling. Dit is mogelijk en nodig binnen alle sectoren van GGZ WNB.
De persoonlijk begeleider is als het ware de pleitbezorger van de cliënt zonder de eigen
verantwoordelijkheden van de cliënt weg te nemen.
Autonomie versus Verwaarlozing 40
Competentie 5 Coördinatie van preventie en voorlichtingsactiviteiten
Rol Regisseur
Domein Zorg
Domeinspecificatie Individuele en collectieve preventie en GVO
Beroepscompetentie
Om te zorgen dat de doelen van een preventieprogramma worden gerealiseerd, coördineert de HBO
GGZ-verpleegkundige de afgesproken activiteiten
Bij het bijdragen aan het organiseren van en preventie- en voorlichtingsprogramma gaat het om
Het analyseren van het lokaal en regionaal zorgaanbod en daarbij de hiaten in de
verpleegkundige zorg vaststellen
Het inventariseren en analyseren van specifieke verpleegkundige interventies en activiteiten
aangaande een doelgroep
Gebruik maken van expertise over een doelgroep
Maken van een plan van aanpak voor het ontwerpen van het verpleegkundig onderdeel van
een zorgprogramma
Het verpleegkundig onderdeel toetsen aan wetgevende kaders, oordeel van cliënten, cliënten-
en familieorganisaties en een budgettair kader
Deelnemen aan een multidisciplinair samengestelde projectgroep en daarin beargumenteerd
de verpleegkundige invalshoek verwoorden
zodat de doelen van een preventieprogramma zo efficiënt mogelijk worden gerealiseerd en het
programma een bijdrage levert aan gezondheidsbevordering van de zorgvrager, zijn sociaal netwerk
of groepen zorgvragers/groepen familieleden.
Hiaten
GGZWNB werkt volgens biopsychosociale visie en de rehabilitatiebenadering. Zijn alle
verpleegkundigen binnen GGZWNB hier wel van op de hoogte? De hiaten hierin zijn onder andere het
zich niet bewust zijn van het holisme door de verpleegkundige. Hierdoor is er weinig aandacht voor de
somatiek. De nadruk bij de begeleiding ligt nog te veel op enkel de psychische dan wel de sociale
stoornissen bij de cliënt. Er wordt nog niet ten volle gebruik gemaakt van de expertise die er binnen de
instelling op de verschillende afdelingen is. Bijvoorbeeld volwassenen kort maakt geen of te weinig
gebruik van de expertise die er binnen de sector ouderen is, indien zij een oudere cliënt opgenomen
hebben. Andersom; maakt de sector ouderen geen gebruik van de kennis die een afdeling heeft met
betrekking tot de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.
Ook worden er vaak niet de juiste motivatietechnieken gehanteerd om te komen tot goede basiszorg
door de cliënt. Er wordt nog teveel uitgegaan van het niet willen door de cliënt. Men is als
verpleegkundige niet volledig op de hoogte van hetgeen de cliënt kan en wil; waar zijn wensen en
mogelijkheden liggen.
Als er met cliënten afspraken worden gemaakt over de begeleiding, worden die niet altijd door alle
disciplines overgenomen. Het begeleidingsplan en de reden daarachter is niet voor iedereen op de
afdeling duidelijk.
Aanbevelingen
De verpleegkundigen behoren op de hoogte te zijn van de zorgvisie van GGZ WNB. Dit door het lezen
van de visie, maar ook door het praten erover binnen de eigen afdeling. Hoe kun je die visie werkbaar
maken binnen de eigen sector/afdeling. Dit kan door dit onderwerp bespreekbaar te maken tijdens
werkbesprekingen.
Er is scholing nodig met betrekking tot rehabilitatie en de nadruk moet dan liggen op de attitude en
bejegening van de cliënt door de verpleegkundige. Je moet uitstralen dat je echt benieuwd bent naar
hetgeen de cliënt wil. Oprecht belangstellend zijn. Onderhandelingstechnieken en motiverende
gesprekstechnieken zijn hierbij onmisbaar. Ook hierin zal scholing nodig zijn.
Als je als verpleegkundigen op een afdeling bepaalde kennis mist met betrekking tot de begeleiding
van een individuele cliënt dan wel de groep cliënten, ga dan binnen GGZWNB kijken waar die kennis
en expertise die je zelf mist, wel aanwezig is. Hier zou je een aandachtsfunctionaris binnen je afdeling
voor kunnen benoemen.
Autonomie versus Verwaarlozing 41
Competentie 6 Ontwikkelen van zorgprogramma‟s
Rol Ontwerper
Domein Organisatie van zorg
Domeinspecificatie Zorgprogrammering
Beroepscompetentie
Om verpleegkundige deskundigheid te waarborgen in een integrale aanpak van zorg, behandeling en
voorlichting werkt de HBO GGZ-verpleegkundige mee aan de ontwikkeling en vaststelling van nieuwe
zorgprogramma’s
Bij het leveren van een bijdrage aan het ontwerpen en deelnemen aan zorgprogrammatische
projecten gaat het om;
Analyseren van het lokaal en regionaal zorgaanbod en daarbij de hiaten in de
verpleegkundige zorg vaststellen.
Het inventariseren en analyseren van specifieke en gevalideerde verpleegkundige interventies
en activiteiten aangaande een doelgroep
Het gebruik maken van expertise over een doelgroep (zowel gebaseerd op wetenschappelijke
kennis als op de kennis van ervaringsdeskundigen en professionals)
Het maken van een plan van aanpak voor het ontwerpen van het verpleegkundige onderdeel
van een zorgprogramma
Het beschrijven en documenteren van een verpleegkundig onderdeel binnen het
zorgprogramma
Het verpleegkundige onderdeel toetsen aan wetgevende kaders, het oordeel van zorgvragers,
cliënten- en familieorganisaties en een budgettair kader
Het deelnemen aan een multidisciplinair samengestelde projectgroep en daarin
beargumenteerd de verpleegkundige invalshoek verwoorden
zodat de te verlenen zorg doelmatiger, efficiënter en effectiever wordt uitgevoerd en afgestemd is op
de behoeften van de zorgvrager en zijn sociaal netwerk
Hiaten
Er wordt niet altijd voldoende en/of juist met de cliënt onderhandeld om te inventariseren wat de
wensen en behoeften met betrekking tot de basiszorg zijn. Daarnaast kan er binnen het team meer
gesproken worden over de te bieden zorg en hoe daar invulling aan te geven.
Door zijn psychische stoornis, komt het voor dat een cliënt signalen die betrekking hebben op de
benodigde zorg niet adequaat uit. Ook komt het voor, dat de signalen die een cliënt uit, niet juist
worden geïnterpreteerd door de begeleiding. Dit heeft dan tot gevolgd, dat de benodigde zorg niet
wordt gegeven.
Verpleeg- en begeleidingsplannen worden onvoldoende vaak geëvalueerd en bijgesteld. Ook gebeurt
het nog te weinig in samenspraak met de cliënt en/of zijn systeem.
Aanbevelingen
Verzamelen van gegevens aan de hand van de tien levensgebieden. Hierdoor krijgt men een
totaalbeeld over het eigene van de cliënt, de specifieke kenmerken en vroege signalen van ernstige
gedragsontregeling. Daarnaast kun je inzichtelijk maken wat de wensen en behoeften van de cliënt
zijn. Het is nodig om binnen een team te overleggen, dan wel te discussiëren welke zorg de
individuele cliënt nodig heeft en hoe deze aan te bieden. Dit vooral wanneer de te geven interventies
negatieve reacties bij de cliënt opleveren. Overleggen kan tijdens werkbesprekingen,
casuïstiekbesprekingen en intervisiebijeenkomsten. Ook het geven en vragen van feedback kan veel
inzicht over het handelen met betrekking tot basiszorg geven.
Bijstellen van verpleeg- en begeleidingsplannen dient steeds na een patiëntenbespreking, of als er
iets in de lichamelijke dan wel psychische gesteldheid van de cliënt verandert, te gebeuren. Het is erg
belangrijk, dat het een regelmatig terugkerende gebeurtenis is, bij voorkeur in samenspraak met de
cliënt.
Autonomie versus Verwaarlozing 42
Competentie 7 Een bijdrage leveren aan verpleegbeleid
Rol Ontwerper
Domein Organisatie van zorg
Domeinspecificatie Verpleegbeleid
Beroepscompetentie
Om de zorgverlening op de afdeling zo efficiënt, effectief en goed mogelijk te laten verlopen, levert de
HBO GGZ-verpleegkundige een bijdrage aan het tot stand komen van het verpleegbeleid
Bij het meewerken aan de inhoud en vormgeving van het verpleegbeleid op een zorgeenheid of
afdeling door de HBO GGZ-verpleegkundige gaat het om;
Het ontwerpen en toepassen van zowel individueel als groepgericht verpleegbeleid
Het creëren van voorwaarden voor een veilige werkomgeving en een pedagogisch en
therapeutisch zorgklimaat
Het organiseren en waarborgen van de veiligheid en bescherming van de zorgvrager en zijn
sociaal netwerk tijdens een verblijf binnen een afdeling/setting
Het onderkennen van de eigen risico‟s van het verpleegkundig handelen en het in acht nemen
van de organisatieregels
Het formuleren en voorstellen ter verbetering van werkwijze en werkprincipes van afdeling,
team of setting en voorstellen ter verbetering
Het onderkennen van een veranderende context voor de zorgvrager en zijn ook
cultuurbepaalde sociaal netwerk, de verpleegkundige inbreng en de organisatie van het
verpleegbeleid
Het zichzelf actief inzetten voor de zorgvrager en zijn sociaal netwerk in situaties waarin het
welzijn in gevaar komt of wordt bedreigd en slechte levensomstandigheden tot verkommering
en verloedering kunne leiden
Het hanteren van professioneel ethische en morele kwesties, daarbij gebruikmakend van de
verpleegkundige beroepscode, de regels vanuit de organisatie en juridische, persoonlijke en
ethische kaders
Het bepreekbaar maken en ondersteunen van suggesties of klachten aangaande de
aangeboden zorg van de zorgvrager en zijn sociaal netwerk
zodat de verantwoordelijkheid, opvattingen en professionele houding van de HBO GGZ-
verpleegkundige toetsbaar is in het verpleegbeleid en de zorgverlening aan de zorgvrager en zijn
sociaal netwerk zo synchroon mogelijk verloopt binnen een afdeling, behandelteam of zorgeenheid
Hiaten
Doordat er onvoldoende of niet juist met de cliënt wordt onderhandeld en signalen niet of niet juist
worden geïnterpreteerd, zal niet de juiste zorg aan de individuele cliënt worden geboden. We zoeken
nog te weinig samen naar een oplossing voor de problemen die een cliënt met betrekking tot zijn
basiszorg heeft. Met samen wordt dan begeleider met cliënt dan wel binnen teamverband bedoeld.
Het is niet altijd duidelijk binnen welke wettelijke en/of ethische kaders de begeleiding in kan- of mag
grijpen als een cliënt zichzelf of zijn leegomgeving verwaarloost.
Verder is het niet bij alle werknemers van GGZWNB duidelijk, vanuit welke visie er wordt gewerkt.
Aanbevelingen
Gegevens verzamelen aan de hand van de tien levensgebieden. In gesprek met de cliënt komen tot
de juiste benadering en begeleiding. Niet teveel maar ook niet te weinig. Dus zorg op maat.
Volgen van een cursus Rehabilitatie en onderhandelingstechnieken om dit bovenstaande te kunnen
bereiken. Verder moet je jezelf en je teamleden op de hoogte brengen en houden van de visie van
waaruit medewerkers binnen GGZWNB geacht worden te werken. Dit zelfde geldt voor de relevante
wetgeving. Vraag eventueel advies aan de ethische commissie en jurist binnen GGZWNB
Autonomie versus Verwaarlozing 43
Competentie 8 Het ontwerpen van kwaliteitszorg
Rol Ontwerper
Domein Organisatie van zorg
Domeinspecificatie Kwaliteitszorg
Beroepscompetentie
Om de kwaliteit van de zorg te bewaken en te waarborgen participeert de HBO GGZ-
verpleegkundige in het ontwerpen van kwaliteitszorg op afdelingsniveau of op het niveau van een
team of zorgeenheid.
Bij de ontwikkeling van kwaliteitszorg door de HBO GGZ-verpleegkundige gaat het om;
Het signaleren van knelpunten in het doelmatig en doeltreffend uitvoeren van verpleegkundige
zorg
Het initiatief nemen om kwaliteitsverbetering op de afdeling, setting of instelling bespreekbaar
te maken
Het formuleren van voorstellen ter verbetering of aanpassing van kwaliteitsbeleid,
kwaliteitsbewaking en kwaliteitsborging op onderdelen van het verpleegkundig zorgaanbod
Het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling, vaststelling en evaluatie van
kwaliteitscriteria, meetinstrumenten, richtlijnen en protocollen
Het meerwerken aan de invoering van werkwijzen en (standaard) procedures
Het samenwerken met kwaliteitsfunctionarissen
Het deelnemen aan kwaliteitsgroepen met cliënten, patiënten- en consumentenorganisaties
zodat de zorg past bij de voorkeuren van de zorgvrager en zijn sociaal netwerk en transparant wordt
omdat er kwaliteitscriteria en standaarden voor kwaliteit beschikbaar komen, waaraan de dagelijkse
zorgverlening en de interventies getoetst kunnen worden.
Hiaten
Knelpunten, rondom de uitvoer van basiszorg en ADL, welke uitvoerig beschreven staan in de
competenties 1 t/m 3, worden te laat of niet gesignaleerd, aan de orde gesteld en/of opgelost,
waardoor de zorg niet altijd efficiënt en effectief verloopt.
Aanbevelingen
Er zou een aandachtsfunctionaris moeten komen op elke afdeling (ook op de niet somatische
afdelingen) welke deel uit maakt van een kwaliteitsgroep, welke de knelpunten rondom basiszorg en
ADL tijdig signaleert, aan de orde stelt en samen met haar collega‟s naar oplossingen zoekt ter
verbetering van het doelmatig en doeltreffend uitvoeren van de verpleegkundige zorg.
Verpleegkundigen zouden commissies, zoals de ethische commissie, vaker moeten inschakelen
wanneer het gaat over problemen rondom de basiszorg.
Verder zou er een kwaliteitsgroep moeten komen, welke de rehabilitatie helpt vorm te geven binnen
de verschillende afdelingen.
Autonomie versus Verwaarlozing 44
Competentie 9 Coaching van collega‟s bij het uitvoeren van verpleegbeleid en
zorgprogramma's
Rol Coach
Domein Organisatie van zorg
Domeinspecificatie Zorgprogrammering en verpleegbeleid
Beroepscompetentie
Om de doelen van het verpleegbeleid en de zorgprogramma’s te realiseren kan de HBO GGZ-
verpleegkundige andere verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden, zorghulpen en vrijwilligers
coachen bij het uitvoeren van de vastgestelde taken, functies en activiteiten
Bij het geven van coaching bij de uitvoering van zorgprogramma‟s en verpleegbeleid gaat het om;
Het leren reflecteren op eigen ervaringen en handelen, persoonlijke waarden en normen en,
daarop gebaseerd, het formuleren van eigen leervragen
Het leren onderkennen en benoemen van terugkerende problemen ten aanzien van verleende
zorg of verpleegbeleid, die voorkomen uit persoons-, team- en/of afdelingsgebonden
stressoren
Het ondersteunen en vergroten van inzicht aangaande specifieke kenmerken en eisen van
een doelgroep in een zorgprogramma
Het coachen met betrekking tot vereiste aanpassingen in werkwijzen, zodanig dat acceptatie
en motivatie voor het uitvoeren van verpleegbeleid wordt vergroot
Het vergroten van inzicht in eigen gevoelens en gedrag, dilemma‟s tussen professionele
versus persoonlijke waarden en normen, het hanteren van professionele attitude en omgaan
met verstoringen in zorg-, en collegiale relaties
Het geven van instructies over de methoden en technieken die toegepast worden bij het
vormgeven van zorgprogramma‟s en het verpleegbeleid
Het tonen van voorbeeldgedrag bij het introduceren en toepassen van methoden en
technieken
Het begeleiden van verpleegkundigen en verzorgenden bij vraagstukken en werkproblemen in
de zorgverlening
Het ondersteunen en informeren van vrijwilligers zodanig dat hun bijdrage aanvullend en op
maat is voor het realiseren van verpleegbeleid
zodat verpleegkundigen en anderen bij de zorg betrokken mensen doelmatig en doelgericht hun
taken, functies en activiteiten uitvoeren, die leiden tot realiseren van de doelstelling van het
verpleegbeleid en het zorgprogramma rekening houdend met het perspectief, de culturele context en
de hulpvraag van de zorgvrager en het sociaal netwerk.
Hiaten
Verpleegkundigen zijn niet allemaal op de hoogte van de visie van waaruit er gewerkt wordt binnen
GGZWNB en weten hieraan niet altijd op een juiste manier invulling aan te geven.
Ook wordt er als teamleden te weinig gesproken over hoe invulling te geven aan de begeleiding en
benadering van de individuele cliënt en wordt de voorbeeldrol en coachende houding van
verpleegkundigen soms gemist.
Aanbevelingen
Er moet een aandachtsfunctionaris binnen de afdeling komen, die het primaire proces van zorg stuurt
en controleert. Daarnaast heb je als verpleegkundige de taak om jezelf en anderen op de hoogte te
brengen en te houden van de visie van waaruit er gewerkt wordt.
Autonomie versus Verwaarlozing 45
Competentie 10 Werkbegeleiding
Rol Coach
Domein Organisatie van zorg
Domeinspecificatie Werkbegeleiding
Beroepscompetentie
Om stagiaires en collega-verpleegkundigen en –verzorgenden te steunen in hun professionele
identiteit, staat de HBO GGZ-verpleegkundige de collega met raad en daad ter zijde
Bij het geven van werkbegeleiding door de HBO GGZ-verpleegkundige gaat het om;
Het leren reflecteren op persoonlijke en professionele stijl van het begeleiden van
werkprocessen
Het leren reflecteren op persoonlijke en professionele processen bij een nieuwe of
toekomstige collega
Het vaststellen van een begeleidingsbehoefte en het formuleren van een leertraject ten
behoeve van een nieuwe of toekomstige collega
Het inzicht geven in rolopvattingen en rolverwachtingen van een nieuwe of toekomstige
collega
Het inzicht geven in en beargumenteren van procedures, richtlijnen, protocollaire wijzen van
werken en omgangsvormen op de afdeling, setting of organisatorische eenheid
Het toepassen van begeleidingstechnieken: feedback ontvangen en geven op gedrag en
gevoelens, confronteren en steunen, stimuleren en motiveren
Het toepassen van gespreksvaardigheden, zoals actief luisteren, samenvatten,
oplossingsgericht exploreren, formuleren van oplossingen, afsluiten van een gesprekscontact
Het tonen van voorbeeldgedrag
zodat de nieuwe of toekomstige collega vanuit een eigen leerproces haar beroep of functie leert
kennen en beroepsgerichte of doelgroepgerichte competenties verwerft, waarmee het ingroeien en
werken in teamverband en het GGZ-werkveld wordt ondersteund.
Hiaten
De Verpleegkundige bepreekt te weinig met haar collega‟s hoe invulling te geven aan de begeleiding
en de benadering van de individuele cliënt. Daarnaast wordt er te weinig feedback ten aanzien van die
begeleiding en benadering gegeven.
Aanbevelingen
Communiceren binnen het team over het benaderen en begeleiden van de individuele cliënt en de
groep.
Intervisiebijeenkomsten binnen een team.
Autonomie versus Verwaarlozing 46
Competentie 11 Beroepsinnovatie
Rol Beroepsbeoefenaar
Domein Beroep
Domeinspecificatie Beroepsinnovatie
Beroepscompetentie
Om het beroep van de verpleegkundige in de GGZ te ontwikkelen tot een professie die aansluit bij
maatschappelijke ontwikkelingen van de eenentwintigste eeuw, vervult de HBO GGZ-
verpleegkundige een actieve rol in de vernieuwing van het beroep en het bevorderen van het
beroepsbewustzijn
Bij beroepsinnovatie door de HBO GGZ-verpleegkundige in de GGZ gaat het om;
Het aanwenden van individuele en collectieve invloed op landelijk- en lokaal GGZ-beleid
Het uitdragen van GGZ-verpleegkundige beroepswaarden in interdisciplinaire
samenwerkingsverbanden en netwerken ban belangen en beroepsorganisaties
Het deelnemen aan professionele verenigingen zoals de NVPV of gelijksoortige verenigingen
en hieraan afgeleide werkgroepen en beroepsorganisaties
Het leveren van een actieve bijdrage bij het opzetten van en deelnemen aan verpleegkundige
adviesraden
Het toepassen in het verpleegkundig handelen van de wet- en regelgeving betreffende de
gezondheidszorg en specifieke wetgeving aangaande de verpleegkundige praktijk in de GGZ
Het vertalen van wet- en regelgeving naar het ontwikkelen van verpleegkundige methodieken,
de alledaagse omgang met een individuele zorgvrager en zijn omgeving en groepen
zorgvragers
Het deelnemen aan de ontwikkeling van classificatiesystemen, standaarden en modellen en
deze toepassen in de praktijk
Het genereren van praktijkvragen voor (wetenschappelijk) onderzoek en deelnemen aan
verplegingswetenschappelijk onderzoek
Het participeren in ethische commissies
zodat de HBO GGZ-verpleegkundige beroepsgroep zich kan ontwikkelen tot een professioneel niveau
en dat ze op een professionele, zorgvragersgerichte en vraaggestuurde wijze uitdrukking geeft aan
eigen opvattingen en argumenten over maatschappelijke en gezondheidszorggerichte vraagstukken.
Hiaten
Er wordt te weinig gecommuniceerd over ethische vraagstukken welke voortkomen uit problematiek
rondom verwaarlozing van de zelfzorg bij cliënten, over de grenzen van zelfbeschikking en wanneer
wij in moeten grijpen vanuit verpleegkundig handelen.
Normen en waarden omtrent basiszorg vervagen en er wordt te weinig uitgestraald door de
verpleegkundige dat er bepaalde regels zijn die nageleefd moeten worden Verpleegkundigen zijn te
weinig op de hoogte van de wet- en regelgeving, waarbinnen ze kunnen en mogen handelen met
betrekking tot de basiszorg van de individuele cliënt
Aanbevelingen
Nadenken en discussiëren over dilemma‟s rondom de zelfzorg met bewustwording tot gevolg,
bijvoorbeeld tijdens werkbespreking.
Jezelf en anderen op de hoogte houden van wet- en regelgeving. Bij dilemma‟s met betrekking tot de
zorg voor de cliënt, andere deskundigen inschakelen. Bijvoorbeeld de ethische commissie en de jurist
werkzaam binnen GGZWNB
Autonomie versus Verwaarlozing 47
Competentie12 Deskundigheidsbevordering
Rol Beroepsbeoefenaar
Domein Beroep
Domeinspecificatie Deskundigheidsbevordering
Beroepscompetentie
Om de kwaliteit van het verpleegkundig beroep in de GGZ op het vereiste peil te houden zodat
het kan voldoen aan de beroepsstandaard en maatschappelijke criteria, werkt de HBO GGZ-
verpleegkundige actief mee aan de bevordering van de deskundigheid van de beroepsgroep
Bij deskundigheidsbevordering door de GGZ-verpleegkundige gaat het om;
Het ontwikkelen en uitdragen van een levenslange leerhouding
Het zien van eigen leermogelijkheden door reflectie op eigen handelen
Het instrueren, adviseren en voorlichten van methoden, technieken, classificatiesystemen,
modellen en verpleegkundige theorieën
Het bijwonen van en een bijdrage leveren aan symposia en congressen
Het bijhouden van vakliteratuur en relevante informatie bespreken op toepassing in de praktijk
Het volgen en het geven van bij- en nascholingen
Het op de hoogte blijven van en de consequenties overzien van ontwikkelingen in de
maatschappij en gezondheidszorg
zodat de samenleving en de gebruikers van GGZ-zorg kan blijven vertrouwen op vakkundige HBO
GGZ-verpleegkundigen en de verpleegkundigen een gerespecteerd lid is van de beroepsgroep.
Hiaten
Rehabilitatie is een van de laatste ontwikkelingen binnen de psychiatrie. Wat dit in de praktijk inhoudt
is nog niet voor iedereen even helder. Ook het toepassen van onderhandelingstechnieken gaat een
ieder niet even gemakkelijk af. Men gaat al snel aan de beheersmatige kant zitten of gaat verkeerd de
onderhandeling in wanneer het gaat om tot een goede zelfzorg te komen.
Er wordt te weinig gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van andere collega‟s en afdelingen. Zo
wordt er niet optimaal gebruik gemaakt van het MVT, wanneer het gaat over voorlichtende,
instruerend en adviserende taken rondom somatische zorg bij cliënten. Ook wordt de bedrijfsjurist niet
ingeschakeld bij onduidelijkheden rondom bijvoorbeeld dwang of drang.
Verpleegkundigen hebben soms kennistekort met betrekking tot somatische zorg, ze raken hun
vaardigheden kwijt, doordat bepaalde handelingen weinig voorkomen op de afdeling.
Er wordt te individueel gewerkt door verpleegkundigen, er wordt een persoon gemist die op de hoogte
is van de nieuwste inzichten en er voor verantwoordelijk is dat verpleegkundigen werken volgens de
nieuwste inzichten en er voor verantwoordelijk is dat verpleegkundigen werken volgens de laatste
protocollen. Is er een nieuwe richtlijn, dan wordt er te veel over vergaderd.
Binnen de opleiding voor verpleegkundige is er meer gekozen voor een versterking van de
theoretische en organisatorische aspecten, die ten kosten gegaan zijn van de praktische kanten van
het vak.
Aanbevelingen
Scholing in rehabilitatie en dan met name onderhandelingsvaardigheden, motiverende
gesprekstechnieken.
De deskundigheid van derden benutten. Bijvoorbeeld collega‟s, collega‟s andere afdelingen, andere
disciplines en instanties.
Autonomie versus Verwaarlozing 48
Bijlage 3 Onderhandelings- en
motivatiestrategieën binnen de
rehabilitatiegedachte
Autonomie versus Verwaarlozing 49
Motiveren
Een belangrijk aspect in de communicatie met de cliënt en ook bij het bepalen van
rehabilitatiedoelen, is de motivatie van diezelfde cliënt. Motivatie is de motor achter het
handelen van mensen. Motiverende communicatiestrategieën kunnen in alle fasen van het
rehabilitatieproces van belang zijn.
Aspecten van de motivatie
Motivatie om op een bepaalde manier te handelen in een situatie is afhankelijk van de
waardering door de persoon van de situatie. Eerst geeft hij een waarde aan de situatie en
vraagt zich af; “doet de situatie mij goed of betekent zij gevaar?”.
De situatie kan als irrelevant, positief of stressvol gewaardeerd worden. Ze kan ook
bedreigend en uitdagend zijn. Als de persoon zich daar een beeld van heeft gevormd, vraagt
hij zich af “Wat zal en kan ik met de situatie doen?” Wat hij uiteindelijk doet, hangt samen
met de verwachte gevolgen van zijn handelen in die situatie, of hij daar een positieve of
negatieve waarde aan hecht.
Samen met de waardetoekenning zijn verschillende factoren verweven die samen de
uiteindelijke motivatie van de persoon uitmaken om naar het doel toe te werken.
Bij motivatie spelen eigenschappen van de situatie een rol. De mate waarin de situatie
onbekend en nieuw is, de onvoorspelbaarheid ervan, onzekerheid of de gebeurtenis zal
optreden en tijdsaspecten kunnen de situatie meer bedreigend maken en daardoor de
coping beïnvloeden.
De motivatie tot handelen is afhankelijk van de houding van de persoon tegenover de situatie
of effecten van zijn handelen in het algemeen. Dit heeft te maken met de kennis over het
doel. Als de persoon niet weet waarom hij bepaalde dingen moet doen, of wat voor
gevolgen hem te wachten staan, zal hij niet snel tot handelen overgaan. Omdat gevoelens
kunnen variëren in intensiteit, maken zij de houding tot een sterke of zwakke drijfveer voor
het handelen. Daarnaast speelt bereidheid tot bepaalde handelingen of gedragingen een rol
bij motivatie.
De theorie die een mens over zichzelf heeft, hoe hij over zichzelf denkt is het zelfbeleven. Dit
wordt gekleurd door eventuele psychische functiestoornissen zoals apathie, afhankelijkheid,
angst of depressie.
Verwachting van eigen kunnen is de verwachting van een persoon dat hij zelf zo kan
handelen in bepaalde situaties, dat het de gewenste resultaten oplevert. Als iemand tegen
zichzelf zegt, dat hij bepaalde dingen niet kan, zal hij daar niet aan beginnen. Als hij echter
denkt dat het hem wel zal lukken, zal hij daar veel meer voor gemotiveerd zijn.
Ook van belang is dat de persoon zijn gedrag geschikt vindt voor het doel, dat zijn gedrag
het effect zal hebben dat hij wenst. Dit versterkt zijn motivatie tot dat gedrag
De zelfbeweringen kan de persoon toetsen aan de werkelijkheid door gedrag daadwerkelijk
uit te voeren en de effecten ervan te evalueren.
Onderzoek naar motiverende factoren
De begeleider kan met de cliënt de verschillende factoren van de motivatie nagaan om hem
tot bepaalde handelingen te motiveren.
De begeleider moet de verwachting die de cliënt van zichzelf heeft, van het effect van zijn
handelen en van hetgeen hij kan, onderzoeken. Om de cliënt bewust te maken van
eventueel hulpnoodzaak, kan hij feedback krijgen van de begeleider krijgen over de hulp die
hij hem biedt, of wat de begeleider goed of niet goed vindt. Tijdens het dagelijks handelen
kan de begeleider benoemen wat de cliënt goed doet en wat hij anders zou kunnen doen. Dit
kan de motivatie om te veranderen versterken.
Ten eerste moeten positieve zaken benoemd worden, wat de bewoner goed doet, gevolgd
door feedback over de zaken die minder goed gaan. Hiermee wordt voorkomen dat de
bewoner depressief wordt en negatief over zichzelf gaat denken.
Positief benoemen en vragen naar positieve kwaliteiten van de bewoner, kan leiden tot
vertrouwen in nieuwe mogelijkheden en kan een aanzet zijn tot een nieuw zelfbeeld.
Autonomie versus Verwaarlozing 50
Een mogelijkheid om negatieve kritiek te voorkomen is het voordoen van het gewenste
gedrag door de begeleider zonder het verkeerde gedrag van de cliënt te benoemen.
Verwachting is dat de cliënt het juiste gedrag zal nadoen als hij ziet dat het gedrag van de
begeleider het effect heeft dat de cliënt zelf zou willen.
Cliënten met een negatief beeld van zichzelf, die denken dat ze niets kunnen, zouden door
de begeleider gestimuleerd kunnen worden om de activiteit toch op zich te nemen. De
begeleider moet daar in eerste instantie bij blijven, omdat het voor de cliënt een experiment
is of het hem lukt ondanks dat hij denkt dat hij het niet kan.
De cliënt kan geholpen worden om zijn negatieve zelfbeweringen te veranderen.
Motivatietechnieken
Motiveren is een persoon hoop geven. Werken vanuit een rehabilitatiebenadering houdt per
definitie een optimistische en hoopgevende benadering in.
Er zijn motivatietechnieken voor het motiveren in zijn algemeenheid en voor specifieke
activiteiten. Sommige technieken zijn geschikt om te gebruiken bij mensen die mee willen
werken, dus zelf al gemotiveerd zijn, terwijl anderen de persoon meer uitdagen om mee te
doen, ondanks dat hij zelf in eerste instantie niet gemotiveerd is.
Geven van hoop; De stijl van optreden van de begeleider moet vanuit de
rehabilitatiebenadering gekenmerkt zijn door optimisme en verwachting. Hij motiveert
de cliënt als hij deze steunt, diens wensen en klachten serieus neemt en ze erkent
als reëel. Centraal staat de wens van de cliënt. Dat betekent dat de begeleider
interesse moet hebben voor de wensen van de cliënt en voor de met de motivatie
samenhangende factoren. Het is van belang in de stijl van benadering door de
begeleider, dat deze zich aanpast aan de stijl van praten van de cliënt, aan diens
referentiekader. Het betekent ook dat men zich aanpast in de leefwereld van de
cliënt. Hoop kan bijvoorbeeld gegeven worden door de positieve ervaringen in de
levensgeschiedenis van de cliënt te benadrukken. De begeleider kan benadrukken
dat de wensen van de bewoner in de hier-en-nu-situatie of naar de toekomst toe,
uitgangspunt zijn van de ondersteuning van de begeleider. Hij kan uitdrukkelijk zijn
beschikbaarheid overdragen. Hoop kan gegeven worden door de positieve
kwaliteiten van de cliënt te benomen en hem waar mogelijk te complimenteren. Dit
versterkt het zelfvertrouwen en ondervangt een negatief zelfbeeld.
Positief etiketteren; Het onderkennen van de goede intenties van de cliënt kan hem
stimuleren tot activiteiten. Hiermee samen hangt het “positief etiketteren” dit is een
positieve benaming geven aan het gedrag van de cliënt. Er wordt een gunstige
betekenis gegeven aan het gedrag van de cliënt, dat in wezen ongewenst is. Dit
vanuit de oprechte overtuiging, dat de beschrijving van gedrag eerder een kwestie
van interpreteren is dan van objectief waarnemen. Door positief etiketteren wordt een
machtsstrijd voorkomen en kan de band tussen begeleider en cliënt versterkt worden.
Bovendien kan het motiveren tot gewenst gedrag.
Doelen bereiken; Door beperkte doelen vast te stellen die met succes kunnen worden
bereikt en waar de cliënt direct complimenten voor krijgt, kan hij hoop krijgen op meer
succes. Dit motiveert tot andere activiteiten.
Voordoen; Voordoen van gewenst gedrag en daarbij benoemen welke stappen men
zet, kan de cliënt motiveren om het na te doen. Hij kan dan van elke stap nagaan of
hij dat zelf zou kunnen.
Onderhandelen; Dit daagt de cliënt als het ware uit tot zelfstandig gedrag en het
maken van eigen keuzes. Er kan geen oplossing opgelegd worden of afgedwongen.
De cliënt ervaart lijfelijk dat hij invloed kan uitoefenen op opvattingen, meningen en
gedrag van de begeleider en anderen.
Autonomie versus Verwaarlozing 51
Onderhandelen en andere communicatiestrategieën
Communicatiestrategieën
Er is een model van (Ezerman) ontwikkeld om de verschillende communicatiestrategieën te
ordenen. Hij heeft er 7 beschreven.
Het model is aangevuld met de strategie van Open Overleg. Deze strategie is erg belangrijk
in de communicatie tussen cliënt en begeleider. Hoewel onderhandelen gericht is op het
realiseren van gemeenschappelijke belangen, ligt het accent te veel op het uitgaan van
eigen belang.
De “ideale communicatiepatronen” in de GGZ zijn gebaseerd op het aangaan van een
dialoog, met andere woorden, een open overleg. Niet gericht zijn op gemeenschappelijke
belangen (vanwege strategische overwegingen) staat voorop. Maar wel échte
gelijkwaardigheid, de echte behoefte om elkaar te begrijpen en te steunen.
Het model van Ezerman helpt om begeleidingsactiviteiten beter af te stemmen op de mate
waarin een nieuwe cliënt in staat en bereid is tot contact. Het geeft enige houvast m.b.t. de
rol die de begeleider heeft naar de cliënt.
Het gaat om de volgende strategieën;
1) Ontwijken; De begeleider houdt de nodige afstand tot de cliënt omdat deze nog niet
toe is aan een andere contactvorm. De behoefte aan isolement wordt erkend en
gerespecteerd. De nadruk bij begeleiden ligt op goede zorg voor het welzijn. We laten
de cliënt de tijd in de hoop dat deze benadering leidt tot;
2) Faciliteren; De nadruk ligt nog op het „observeren‟, maar er is meer gerichte
belangstelling. Er worden bijvoorbeeld wat actievere vragen gesteld, maar niet op
een bedreigende wijze. Waarom-vragen worden vermeden omdat deze een
defensieve houding bevorderen.
3) Informeren; De cliënt wordt meer actief betrokken bij het leven in de woonvorm,
echter alleen nog door hem te informeren over de gang van zaken. Daarnaast kan er
gedoseerd (!) informatie verstrekt worden omtrent de beleving van de cliënt door
andere cliënten en begeleiders. Hoe zij het gedrag van de betreffende cliënt beleven.
De begeleider kan beginnen om de rol van adviseur te vervullen.
4) Ondersteunen; Proberen een sfeer van vertrouwelijkheid te creëren. Indien mogelijk
wordt de weerstand bespreekbaar gemaakt; het feit dat de cliënt nog zo‟n afstand
nodig heeft tot de groep en de (persoonlijk) begeleider. Er wordt (voorzichtig)
geïnformeerd waarom de cliënt doet wat hij doet. Belangrijk hierbij zijn een sfeer van
begrip en vriendschap. De cliënt wordt uitgenodigd om (stapje voor stapje) andere
contacten aan te gaan. De begeleider verdiept de rol van adviseur en gaat over in de
rol van coach.
5) Open overleg; Dit betekent oprecht en respectvol omgaan en ingaan op de wensen
en behoeften van de ander zonder of met zo weinig mogelijk „sociaaltechnische”trucs.
Het accent ligt op openheid in doelstellingen zonder verborgen agenda. De cliënt
wordt gezien en benaderd als een gelijkwaardig individu.
6) Onderhandelen; Er is meer sprake van „geven en nemen‟ of van „aanbieden en
ontvangen‟. Er worden meningen en ideeën uitgewisseld.
7) Overtuigen; Vanuit een machtspositie (het geloof dat we „gelijk hebben‟) proberen we
de cliënt te brengen waar we hem hebben willen. Bijvoorbeeld door lokmiddelen en
eenzijdige informatie. Deze strategie hoort in principe niet in de GGZ thuis.
IncidentieelIncidentieel kan de toepassing noodzakelijk zijn; bijvoorbeeld om een
ontremde cliënt te behoeden voor grote misstappen.
8) Afdwingen ; Bij niet-acceptabel gedrag worden duidelijk consequenties aangegeven.
Er wordt zeer sterk met een tijdsdruk gewerkt. Ook deze strategie hoort niet in een
GGZ-woonvorm thuis en is slechts verdedigbaar in een crisissituatie, waarin overlast
en/of gevaar voor anderen niet acceptabele proporties heeft aangenomen.
De keuze van de strategie wordt bepaald door de mate van weerstand die men ervaart.
Anders gezegd; de bereidheid en mogelijkheden van de cliënt om een begeleidingsrelatie
aan te gaan en te verdiepen.
Autonomie versus Verwaarlozing 52
In het model van Ezerman wordt aan weerstand geen negatieve waarde gegeven. Het niet
eens zijn met een bepaalde verandering is het goed recht van ieder en in wezen een gezond
verschijnsel. In termen van onderhandelen heeft de cliënt andere belangen dan de
begeleider. Al is het belang alleen maar om met rust gelaten te worden. Als de begeleider
vanuit de eigen normen en waarden meent dat een verandering goed is voor de cliënt, dan
betekent dit niet dat de cliënt dit met hem eens hoeft te zijn.
Onderhandelen als emancipatieattitude
Met onderhandelingsattitude wordt tot uitdrukking gebracht, dat we streven naar
gelijkwaardigheid. Dit kan alleen als men beseft dat;
Er een groot machtsverschil is tussen begeleider en cliënt
Zowel cliënt als begeleider moeten emanciperen
De begeleider moet onderhandelen op basis van persoonlijk contact tussen mensen
met ieder een eigen volwaardig normenkader en waardepatroon
Onderhandelen past helemaal in het rehabilitatie denken. Het gaat uit van de gezonde
kanten van de persoon. Het neemt de ander serieus . Onderhandelen bevordert de
emancipatie van de cliënt
Onderhandelen als motivatiestrategie
Onderhandelen kun je zien als een hele bijzondere manier van motiveren. Den Hollander
(1987) en Droes (1991) zien onderhandelen als een belangrijke manier om de cliënt te
motiveren zoveel mogelijk eigen standpunten in te nemen.
Onderhandelen als revalidatiestrategie
Onderhandelen kan ook passen in het kader van rehabilitatie. Door de cliënt te leren
onderhandelen, verkrijgt hij een vaardigheid waarmee de maatschappelijke weerbaarheid
vergroot wordt.
Over elk onderwerp kan onderhandeld worden. Vaak gaat het onderwerp over de definitie
van de situatie of over de regels. Bijvoorbeeld over zaken als de zelfstandigheid van de
cliënt, de mate waarin hij bijdrage levert aan het in stand houden van woon/leefmilieu en
gedrag waar begeleiders of medecliënten zich aan storen. Het is belangrijk om bij het
onderhandelen niet zozeer aan te sluiten bij de beperkingen als wel bij de mogelijkheden van
de cliënt. Onderhandeling als begeleidingsstrategie moet gebaseerd zijn op de analyse van
de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt. Bij het onderhandelen kan men aansluiten
bij die gebieden, waar de cliënt voor zichzelf kan opkomen.
Ury en Fisher (1981) geven globaal een aantal stappen in het onderhandelingsproces aan.
Daarnaast vuistregels van Fisher (1987), Mastenbroek (1990) en Droes (1991).
Dat levert de volgende aandachtspunten op;
1) Voorwaarde voor het toepassen van de onderhandelingsstrategie is dat de cliënt
zowel relationeel als communicatief ontvankelijk moet zijn. Misschien eerst kiezen
voor een andere communicatiestrategie.
2) Besteedt veel tijd aan de relatie, het betrekkingsniveau van de communicatie. Een
goed wederzijds vertrouwen is de basis voor een succesvolle onderhandeling. Zoek
naar een gemeenschappelijk belang; eerste belang is dat van de cliënt, maar ook de
begeleider heeft belangen. Gemeenschappelijk belang is dat de bewoner zich prettig
voelt. Daarnaast heeft men te maken met de context waarin men zich bevindt: de
woning, afdeling of instelling. Deze context stelt eisen en verwachtingen aan zowel
de cliënt als de begeleider.
3) Specifieke aandachtspunten zijn;
Scheidt mensen van problemen. Als een cliënt iets afwijst wat een begeleider
voorstelde, zie dit dan niet als een persoonlijke afwijzing maar als een
volwaardige keuze.
Autonomie versus Verwaarlozing 53
Concentreer je op belangen, niet op posities. Zoek voortdurend naar het
belang van de cliënt. Het belang van de begeleider om de relatie goed te
houden kan gediend worden door te erkennen dat de cliënt dergelijke
beslissingen kan en mag nemen.
Beïnvloedt het onderhandelingsklimaat positief.
Wees flexibel ten aanzien van de procedure.
4) Wees creatief bij het inventariseren van oplossingen. Hierbij kan de
brainstormmethode helpen. Bedenk allerlei alternatieven, zonder te kijken naar de
haalbaarheid en werk vervolgens de meest waarschijnlijke uit. Bedenk alternatieven.
Toets de bedachte oplossingen aan de criteria; hierbij denken aan; de mogelijkheden
en beperkingen van de cliënt en van de omgeving en de doelstellingen zoals vermeld
in het begeleidingsplan. In situaties waarin de belangen erg verschillen is het
belangrijk dat de beide participanten het gevoel hebben dat de gekozen oplossing
werkt en ook nagestreefd wordt.
5) Ben standvastig maar flexibel
6) Hanteer de machtsbalans, daardoor wordt het initiatief naar de cliënt geschoven.
7) Neem aan het einde een concrete beslissing en maak hierover duidelijke afspraken.
Het bovenstaande is geen echt stappenplan. Een aantal elementen zal in elke stap van
belang zijn. Het is niet de bedoeling dat onderhandelen in een GGZ-woonvorm ten koste
gaat van de relatie tussen de cliënt en begeleider.
Bij onderhandelen is het een gegeven dat er niet altijd een gezamenlijke oplossing gevonden
kan worden. De partijen worden het niet altijd eens. Richtlijn in deze situatie kan zijn; neem
de beste optie, ook zonder dat daar overeenkomst over is. De onderhandelaar moet zich
vooraf beraden over zijn opstelling/handelswijze wanneer de onderhandeling mislukt.
Onderhandelen al leerproces voor de cliënt is gericht op het vergroten van de
handelingscompetentie.
Begeleidingsstijlen
Er zijn twee dimensies te onderscheiden in het gedrag van de hulpverleners
Geven van sturing, geven van instructies, verdelen van werk, plannen en controleren
(taakgericht gedrag)
Ondersteuning bieden, aanmoedigen, overleggen, adviseren, luisteren (relatiegericht
gedrag)
Ook in gedrag van degene die “leiding krijgt” zijn er twee dimensies te onderscheiden;
Bekwaamheid; is de mate waarin iemand beschikt over de nodige kennis en ervaring
om de vereiste taak uit te voeren. Bij het begeleiden van een cliënt met een actiepunt
of leerdoel, moet de begeleider in kunnen schatten in hoeverre de cliënt beschikt over
mogelijkheden (bekwaamheid) om aan het doel te werken.
Bereidheid; Komt neer op de gemotiveerdheid bij het uitvoeren van een taak, zijn
bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen, zijn doorzettingsvermogen.
De begrippen bereidheid en bekwaamheid worden geïntegreerd in het begrip
taakvolwassenheid.= mate waarin een persoon bereid en in staat is om verantwoordelijkheid
te dragen voor de zelfstandige uitvoering van een bepaalde taak.
Taakvolwassenheid van de cliënt is uit te drukken in 4 niveaus
T1: de cliënt is niet in staat en ook niet gemotiveerd
T2: de cliënt is wel gemotiveerd, maar door een gebrek aan ervaring nog niet in staat
tot het leren van de taak.
T3: de cliënt beschikt nu wel over voldoende vaardigheden, maar nog niet over
voldoende zelfvertrouwen. De cliënt is dus wel in staat tot het uitvoeren van de taak,
maar nog niet bereid in termen van zelfvertrouwen.
T4 : de bewoner is zowel vaardig als gemotiveerd.
Autonomie versus Verwaarlozing 54
Taakvolwassenheid zegt alleen iets over de bereidheid en bekwaamheid t.a.v. deze
specifieke taak of dit leerpunt.
Als de begeleider samen met de cliënt een taak wil uit gaan voeren of een actiepunt wil gaan
realiseren, is het van groot belang om eerst de taakvolwassenheid (bekwaamheid én
gemotiveerdheid) van de cliënt in te schatten om daarna de stijl van (bege)leiding geven te
kunnen bepalen. Die stijl moet geënt zijn op de taakvolwassenheid van de cliënt.
Er is niet één stijl van leidinggeven die de beste is. Die stijl is afhankelijk van de kenmerken
van de groep of het individu. Kan zelfs zo zijn, dat een individu leiding nodig heeft via
meerdere stijlen, al naar gelang zijn taakvolwassenheid bij meerdere taken.
Het leidinggevende gedrag van de begeleider is te onderscheiden in 4 varianten in stijl (S)
(S1) De dirigerende stijl; begeleider geeft veel aandacht aan taakgerichte aspecten
en minder aan relatiegerichte zaken. Veel instructies, controleert veel etc.
(S2) Overtuigende stijl; begeleider „scoort hoog‟ op taak- en relatiegericht gedrag.
Geeft zowel instructies als complimenten en aanmoedigingen. Vraagt naar
suggesties en controleert vorderingen.
(S3) Participerende stijl; gedrag scoort laag op taak- en hoog op de relatiedimensie.
Beslissingen worden genomen in gezamenlijk overleg. Er wordt ruimte gemaakt voor
gevoelens en meningen.
(S4) Delegerende stijl; begeleider scoort laag op zowel relatie- als de taakdimensie.
In feite worden de verantwoordelijkheden voor de dagelijkse beslissingen en
probleemoplossingen volledig overgelaten aan de cliënten.
Er moet gestreefd worden naar het stimuleren van een zo hoog mogelijke
taakvolwassenheid. Dit gaat niet vanzelf.
Bij leidinggeven aan persoon met een zeer lage taakvolwassenheid (T1), moet een S1
gestart worden om via S2 en S3 in een situatie te komen waarbij S4 past bij het hoge niveau
van taakvolwassenheid dat dan is ontstaan.
De relatie „taakvolwassenheid-leiding geven‟ wordt in volgend schema neergezet (Hersey en
Blanchard)
Bij een ingeschat T1-niveau is de directieve stijl de effectieve start
Bij een ingeschat T2 - niveau is de overtuigende stijl de effectieve start
Bij een ingeschat T3 - niveau is de participerende stijl de effectieve start
Bij een ingeschat T4 - niveau is de delegerende stijl de effectieve start
Er wordt gesproken van de “meest effectieve start” bij een bepaalde taakvolwassenheid. Als
het nodig is om met een directieve stijl te starten, kan na verloop van tijd, als de motivatie
van de cliënt toeneemt, overgestapt worden naar de overtuigende stijl. Als blijkt, dat de
bewoner bekwaam is in het verrichten van activiteiten, kan overgestapt worden naar
participerende stijl van leiding geven. Als de bekwaamheid én het initiatief nemen tot
activiteiten beiden aanwezig zijn, kan volstaan worden met een delegerende stijl van leiding
geven.
In een GGZ-woonvorm past geen directieve stijl als basisstijl van begeleiden. Over het
algemeen zal het gedrag van de begeleider kenmerken van S2 en/of S3 hebben.
Nogmaals wordt met nadruk gesteld, dat het serieus nemen van de cliënt een belangrijke
bijdrage kan leveren aan de motivatie van de cliënt. Zowel in S2 en S3, staat het serieus
nemen voorop.
Hoe zelfstandiger de bewoner wordt, hoe meer elementen van de S4-stijl aan de orde
komen.
Er zijn verschillende perspectieven wanneer we kijken naar de praktische invulling van de
begeleiding.
1) Bij plaatsvervangend verantwoordelijk handelen, neemt de begeleider de eigen
verantwoordelijkheid optimaal in eigen handen. Dit bijvoorbeeld bij ziekte of
(dreigende) decompensatie. Het betreft altijd een tijdelijke situatie. Hier zou een
dirigerende stijl passen.
Autonomie versus Verwaarlozing 55
2) Meedoen en zeker weten: cliënt handelt samen met de begeleider, maar deze geeft
de cliënt de zekerheid dat deze de juiste beslissing neemt. Hier is sprake van een
overtuigende stijl
3) Samen doen: begeleider onderzoekt samen met de cliënt waar de behoeften van de
laatste liggen. Het handelen van de begeleider stimuleert de cliënt tot het ontdekken
van nieuwe mogelijkheden. Voorbeeld van participerende stijl.
4) Meekijken: cliënt geeft zelf aan welke activiteiten hij wil ondernemen om zijn
zelfstandigheid te vergroten. Begeleider ondersteunt dit zonodig. Overgang van
participerende naar delegerende stijl.
5) Volgen: cliënt heeft een minimale begeleidingsbehoefte. Het persoonlijk leiderschap
leidt een slapend bestaan en wordt alleen op verzoek van de cliënt geactiveerd. Ook
is het mogelijk dat de cliënt een terugval beleeft waardoor en andere inhoud aan de
begeleiding gegeven moet worden. Er ontstaat een cyclische beweging in het
begeleiden
Autonomie versus Verwaarlozing 56
Bijlage 4 Methodiek van de 10
levensgebieden
Autonomie versus Verwaarlozing 57
Het Begeleidingsplan
SectorVolwassenen Lang
Doelgerichte begeleiding, zorg op maat en de cliënt centraal
Projectgroep Methodiekontwikkeling
GGZ Westelijk Noord Brabant
Sector Volwassen Lang
Mei 2006
Autonomie versus Verwaarlozing 58
Voorwoord
De achtergrond van het systeem van methodisch begeleidend werken dient vanzelfsprekend
onderbouwd te worden met de achtergrond van een visiebeschrijving op het methodisch
werken. Deze visie komt voort uit de visiebeschrijving van GGZ Westelijk Noord Brabant in
het algemeen en de sector Volwassenen Lang algemeen . In de visiebeschrijving is het
uitgangspunt van herstelgerichte zorg met de onderdelen van rehabilitatiegericht werken,
behandelen en reïntegreren dan ook beschreven. Als basis van de methodiek was enige tijd
geleden door de sector Volwassen Lang al gekozen voor het model van de
rehabilitatiegerichte manier van werken van de sector Woonondersteunende Zorg
(tegenwoordig Zorgnetwerk Carea genoemd) van GGZ Regio Breda. Bij het schrijven van dit
stuk is dan ook met toestemming van GGZ Regio Breda dankbaar gebruik gemaakt van het
beleidsstuk ‘Handleiding Begeleidingsplan Woonondersteunende Zorg’ en de ervaringen van
de GGZ Regio Breda.
Tenslotte is in het totstandkomen van de begeleidingsmethodiek vanaf het begin een
nadrukkelijke link gelegd naar de verdere opbouw van het Elektronisch Patiënten Dossier
(EPD) in GGZ Westelijk Noord Brabant welke ongeveer parallel loopt aan de
werkzaamheden van de Projectgroep.
Werkgroep methodiekontwikkeling
in samenwerking met Dhr. Schippers
Schippers
( GGZ Verpleegkundig Specialist)
Autonomie versus Verwaarlozing 59
Het Begeleidingsplan Sector Volwassenen Lang
Doelgerichte begeleiding, zorg op maat en de cliënt centraal
Inhoudsopgave Pagina
1. Een visie op zorg 2
1.1. De visie van GGZ Westelijk Noord Brabant 2-3
1.2. De visie van de Sector Volwassen Lang 3
1.3. Een visie op de kwaliteit van de zorg 4
1.4. Herstelgerichte zorg en de rehabilitatiebenadering 4
1.5. Onderhandelen door aan te sluiten bij gezondheid 5
1.6. De visie op begeleidingsplannen Volwassenen Lang 5
2. De procedure: een handleiding voor het omgaan met begeleidingsplannen 6
2.1 Wat is een begeleidingsplan? 6
2.2 Doel van het begeleidingsplan 6
2.3 Uitgangspunten 6
2.4 Attitude van de begeleider 7
2.5 De rol en verantwoordelijkheden van betrokkenen 7-8
2.6 De relatie en afstemming met het behandelplan 8
2.7 Het cliëntendossier 8
3. Het Begeleidingsplan 9
3.1 Het inventarisatieformulier + aandachtspunten 9
3.2 De verzamelstaat 9-10
3.3 Het begeleidingsplanformulier + SMART 10-11
3.4 Instructie evaluatie 12
3.5 De checklist 12
Bijlagen
Inventarisatie aandachtspunten formulier 10 levensgebieden 13-22
Hulpvragen bij invullen Inventarisatieformulier 23-26
Begeleidingsplan 27
Evaluatieformulier 28-29
Autonomie versus Verwaarlozing 60
1. Een visie op zorg
Het ontwikkelen van (nieuwe) begeleidingsplannen voor de sector Volwassen Lang hangt
samen met de ontwikkeling van het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) en het ontwikkelen
van het Zorgvisie-document voor de gehele sector Volwassen Lang. In dit hoofdstuk treft u de
samenhang met de zorgvisie en uitgangspunten aan die een rode draad vormen voor het
multidisciplinair methodisch handelen.
Begeleidingsplannen dragen bij aan het realiseren van deze gekozen uitgangspunten en
doelen.
1.1 De visie van GGZ Westelijk Noord Brabant
In het document ‘Respect, aandacht en openheid’ Zorgvisie 2006-2010 stelt GGZ
Westelijk Noord Brabant zich ten doel de komende vier jaar naast het hanteren van de
kernwaarden Respect, aandacht en openheid het hulpverleningsaanbod te ontwikkelen
met speerpunten op de volgende gebieden:
Laagdrempeligheid
Preventie en dienstverlening verdienen in de GGZ een voorname plaats ter voorkoming en
verdere verergering van problematiek, o.a. met extra aandacht voor Vroegsignalering en
opsporing. Preventieactiviteiten dienen dan ook als een brugfunctie tussen maatschappij
en GGZ waardoor de laagdrempeligheid van het aanbod verbetert wordt. Verdere
gebieden op het terrein van laagdrempeligheid zijn extra aandacht voor de Voordeur en
hulp bij crisissituaties, het Oplossen wachtlijsten, de OGGZ, het Spreiden van zorgaanbod
en Dwang, drang en bemoeizorg.
Vraagsturing
Maatwerk en specialisatie gericht op de behoeften en mogelijkheden van de cliënt. Gericht
op de specifieke zorgvraag van de cliënt leidt dit ook tot verdere specialisaties van het
zorgaanbod. Leidend voor de zorg is de inbreng van de cliënt en waar mogelijk de inbreng
van familie en verwanten.
Om het begrip vraagsturing te verduidelijken maken we onderscheid in:
Vraaggerichte zorg uitgaande van een objectief geïndiceerde behoefte van de cliënt
wordt een passend aanbod geleverd dat doelmatig en doel-
treffend is. Dit wordt in het behandelplan of het individuele
begeleidingsplan vastgelegd.
Vraaggestuurde zorg door onderzoek en analyse van hulpvragen wordt de inhoud van
het hulpverleningsaanbod verder ontwikkeld. Uit begeleidings-
plannen kunnen we dergelijke informatie halen.
Veelzijdigheid
Zorg in circuits en sectoren ondersteund door diensten en stafdiensten komen tot een
gevarieerd zorgaanbod voor alle categorieën cliënten, o.a. door het verder ontwikkelen
van zorgprogramma’s waarbij gebruik gemaakt wordt van diverse deskundigheid en
Autonomie versus Verwaarlozing 61
methoden (evidence-based) met helder afgebakende bevoegdheden en behandelverant-
woordelijkheid.
Kwaliteit
Onderzoek en toetsbaarheid, weten of we de goede dingen goed doen en wat daarbij nog
nodig is aan scholing en opleiding, het verder ontwikkelen van kwaliteitsbeleid (INK) in
een weg naar verdere certificering. Daarbij extra aandacht voor ethische reflectie om ook
morele vraagstukken en dilemma’s in de zorgverlening te bespreken.
Streven naar een platte organisatie betekent dat de inhoud van de zorg richtinggevend is
voor de organisatie van de zorg,. Samenwerking is daarbij een onderdeel van kwaliteit als
een organisatie die middenin de maatschappij staat.
Stelselwijziging
In de vorm van de Zorgverzekeringswet, DBC, WMO en Vercommercialisering van de
zorg komen er steeds meer uitdagingen aan met name om voor de kwetsbare
cliëntengroepen continuïteit van zorg te behouden. Daarbij dienen de ambities gericht te
zijn op de kernbegrippen; preventie, genezing, vermaatschappelijking en bemoeizorg.
1.2 De visie van de Sector Volwassen Lang
De sector Volwassen Lang stelt zich ten doel:
Mensen met langdurige meervoudige zorgbehoeften als gevolg van psychiatrische
stoornissen zodanig begeleiding, opvang en behandeling te bieden dat zij een zo
zelfstandig mogelijk en geaccepteerd leven kunnen opbouwen en leiden.
Belangrijke accenten:
-zorg op maat
-wensen van de cliënt centraal
-oog voor de afhankelijkheden en strevend naar autonomie
- woonbegeleiding;
- herstelgerichte zorg en rehabilitatie;
- een open organisatie;
- een sterke verwevenheid met de samenleving;
- in nauwe samenwerking met voor de cliënt belangrijke organisaties of personen.
De wensen van de cliënt vormen het uitgangspunt, met inachtneming van zijn
steunsysteem. In het herstelgerichte proces begeleiden we de cliënt naar een zinvol en
waardevol leven, een leven dat niet gedomineerd wordt door de ziekte en zijn
beperkingen. We streven naar een zoveel mogelijk genormaliseerde levenssituatie
ondanks actuele beperkingen van de cliënt. Het is een blijvend en dynamisch proces
gericht op ontwikkeling.
Autonomie versus Verwaarlozing 62
1.3 Een visie op de kwaliteit van de zorg
De kwaliteit van de zorg die we bieden, is in toenemende mate van belang. Zowel anderen
(overheid, patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars) als wijzelf stellen kwaliteitseisen aan
de geboden zorg.
De zorg moet op maat geboden worden; dit betekent dat het hulpaanbod is afgestemd
op de wensen, behoeften en mogelijkheden van de cliënt.
Er dient sprake te zijn van continuïteit in de zorg en deze moet doelmatig,
doelgericht en transparant zijn.
Dat deze zorg op professionele en deskundige wijze geboden moet worden spreekt
voor zich.
Het verbeteren, meten en waarborgen van de kwaliteit van onze zorg vraagt continu
aandacht. Het INK-managementmodel gebruiken we als instrument om hieraan vorm te
geven op alle niveaus in onze organisatie
In het primaire proces dient het Individueel Begeleidingsplan (IBP) als middel om
doelstellingen handen en voeten te geven. Het wordt ingezet als praktisch voertuig voor het
in gang zetten van gewenste zorginhoudelijke veranderingen of verbeteringen, zodat we
kunnen blijven aansluiten bij ontwikkelingen in vragen die vanuit cliënten en de
maatschappij aan ons gesteld worden.
Met deze nieuwe begeleidingsplansystematiek sluiten we tevens aan bij de
HKZ-certificeringsnormen van GGZ Nederland. Bij evaluaties en kwaliteitsaudits zal op
grond van deze normen getoetst worden.
1.4 Herstelgerichte zorg en de rehabilitatiebenadering
Herstelgerichte zorg is meer dan alleen rehabilitatie, het omvat ook behandeling (waar
nodig) en reïntegratie. Rehabilitatie is gericht op het herstel, behoud en verbetering van de
leefsituatie. Bij rehabilitatie staat de cliënt centraal en bij de zorgverlening staan zijn
wensen, behoeften en mogelijkheden voorop. De cliënt moet in principe in staat worden
gesteld om te kiezen waar hij wil wonen, leren en werken.
De nadruk ligt op het optimaliseren van capaciteiten zodat mensen optimaal kunnen
functioneren in een zo normaal mogelijk sociaal kader.
Vooral het sociale functioneren en de interactie met de omgeving zijn belangrijk.
De hulpverlener richt zich in eerste instantie op het ondersteunen van de cliënt bij het
formuleren van zijn behoeften en het vertalen ervan in concrete doelstellingen.
Vervolgens helpt de hulpverlener door het bieden van ondersteuning en begeleiding aan
de cliënt en beïnvloeding van de omgeving om deze doelen te bereiken.
Autonomie versus Verwaarlozing 63
Het zal vanwege de aard van de beperkingen niet altijd mogelijk of gemakkelijk zijn de
cliënt zelf te laten kiezen. Maar in het kader van het rehabilitatieproces kan de cliënt
geholpen worden bij het maken van realistische keuzes.
In de contacten tussen hulpverlener en cliënt dienen de persoonlijke ervaringen, wensen
en behoeften van de cliënt te allen tijde als uitgangspunt te worden genomen. Dit betekent
niet dat de hulpverlener zijn eigen ervaringen moet buitensluiten.
Integendeel, de persoonlijke en professionele ervaring van de hulpverlener zijn belangrijk.
Zij vormen voor de cliënt een houvast, een spiegel en een voorbeeldfunctie.
De basis voor een echte dialoog tussen hulpverlener en cliënt wordt gevormd door
wederzijds respect, echtheid en vertrouwen.
1.5 Onderhandelen door aan te sluiten bij gezondheid
Onderhandelen wordt gezien als de basis van rehabilitatiegericht handelen waarbij de wens
van de cliënt centraal staat. Een persoonlijk begeleider gaat een langdurende relatie aan met
de cliënt. De begeleider moet veelal afstand nemen van zijn klassieke professionele
deskundigheid en methodieken. De begeleider is niet meer werkzaam aan de cure-kant maar
veel meer aan de care-kant. Vanuit die langdurende relatie ontstaat een wederzijdse bant van
vertrouwen. Daarom is er ook veel meer sprake van een attitudevorming van de hulpverlener.
De hoofdrichtlijnen van de boksbant methodiek (Appelo,1999) vormen de basis van een
benaderingswijze die goed aansluit bij het onderhandelen. (1) stel gezondheid centraal, (2)
houd rekening met rouw, (3) laat de regie bij de cliënt en (4) geef duidelijk grenzen aan. De
aan een hoog EE klimaat gerelateerde betutteling, overbezorgdheid en kritiek moeten zoveel
mogelijk worden gemeden. Straf is hierbij per definitie niet aan de orde. De boks-bant-
methode heeft acht op wetenschappelijke evidentie gebaseerde uitgangspunten. De rode draad
is de overtuiging dat ‘beterschap of herstel’ het best kan worden bereikt door aan te sluiten bij
gezondheid.
Bij chronische psychopathologie gaat het om kwetsbaarheid en niet om ziekte
Niet ‘genezen van’ maar ‘ omgaan met’ is het doel van rehabilitatie.
Het versterken van gezondheid is belangrijker dan het bestrijden van ziekte
Zelfvertrouwen is de motor van gezondheid
Chronische psychopathologie gaat samen met verlies en rouw
Rouw en ontkenning zijn normale verschijnselen
Acceptatie van de kwetsbaarheid en identificatie van het vermogen om ermee om te
gaan, zijn nodig voor succesvolle reïntegratie
1.6 De visie op begeleidingsplannen sector Volwassenen Lang
Een goede begeleidingsplansystematiek draagt bij aan het realiseren van de gewenste
zorgverlening.
Het levert een bijdrage aan de totstandkoming van:
- een passend aanbod dat aansluit bij de wensen, behoeften en mogelijkheden van de
cliënt;
- een transparant zorgaanbod: het geeft iedereen inzicht in hoe het aanbod tot stand is
gekomen en met welk doel;
- een betere planning en coördinatie van het zorgproces en het waarborgen van de
continuïteit van de zorg;
Autonomie versus Verwaarlozing 64
- grotere effectiviteit van zorg door het plannen van doelen en deze te evalueren en bij te
stellen;
- de uitvoering van de uitgangspunten van rehabilitatie, met name waar het gaat om
attitude en bejegening op basis van respect en gelijkwaardigheid;
- kwaliteitsverbetering: het begeleidingsplan kan ingezet worden als kwaliteitsinstrument
om het kwaliteitsbeleid op het niveau van het primaire proces vorm te geven.
Autonomie versus Verwaarlozing 65
2. De procedure: een handleiding voor het omgaan met
begeleidingsplannen
2.1 Wat is een begeleidingsplan?
Binnen de sector Volwassenen Lang werken we met een begeleidingsplan op individueel
niveau.In het begeleidingsplan leggen we schriftelijke afspraken vast over de begeleiding van
een cliënt gedurende een bepaalde periode. De wensen, mogelijkheden en beperkingen van de
cliënt dienen daarbij als uitgangspunt. Het begeleidingsplan komt tot stand op basis van
overleg en/of onderhandeling tussen de cliënt en de persoonlijk begeleider. Regelmatig
worden de afspraken geëvalueerd en bijgesteld.
In het begeleidingsplan worden vastgelegd:
- concrete doelen waaraan cliënt en begeleider gaan werken;
- de wijze waarop deze doelen worden verwezenlijkt;
- welke ondersteuning daarbij gewenst is;
- wanneer de gestelde doelen geëvalueerd worden.
2.2 Doel van het begeleidingsplan
Het werken met begeleidingsplannen dient verschillende doelen:
- het begeleidingsplan biedt mogelijkheden om de begeleiding af te stemmen op de wensen,
mogelijkheden en beperkingen van de cliënt: zorg op maat;
- het werken met begeleidingsplannen bevordert de samenhang en continuïteit van de
begeleiding;
- het begeleidingsplan draagt bij aan een meer methodische hulpverlening. Het stimuleert
doelgericht, bewust, systematisch en procesmatig handelen.
2.3 Uitgangspunten
Het begeleidingsplan is van de cliënt!
Bij het maken van een begeleidingsplan hanteren we als uitgangspunt dat de vragen en
wensen van de cliënt centraal staan.
Dat wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk aangeeft:
- wat hij wil;
- hoe hij dit wil;
- welke activiteiten hij zelf kan ontplooien;
- welke begeleiding hij hierbij nodig heeft.
Het begeleidingsplan biedt de cliënt de ruimte om zijn doelen te verwoorden, maar laat ook
ruimte voor de professionele verantwoordelijkheid van de persoonlijk begeleider.
Het kan zijn dat de cliënt vanwege de aard van de beperkingen niet in staat is zelf keuzes te
maken. De inzet van de persoonlijk begeleider richt zich er dan op om hulp en ondersteuning
te bieden bij het maken van realistische keuzes. Er kunnen ook doelen in het plan worden
opgenomen die afkomstig zijn van de persoonlijk begeleider. De cliënt moet overigens wel
instemmen met de doelen die de persoonlijk begeleider in het plan wil opnemen.
Het aanbod komt tot stand op basis van overleg en onderhandeling met de cliënt.
Autonomie versus Verwaarlozing 66
2.4 Attitude van de begeleider
Om de zorgvragen in kaart te kunnen brengen, moet de begeleider op een aantal
handelingsaspecten letten:
- een deskundige en professionele houding: dit betekent dat de communicatie is aangepast
aan de communicatieve mogelijkheden van de cliënt, en de begeleider een juiste afstand
kan hanteren;
- een gelijkwaardige en accepterende houding;
- geloof in de mogelijkheden van de cliënt, zonder beperkingen uit het oog te verliezen;
- benieuwd zijn naar de mening en belevingen van de ander;
- kennis hebben van socialisatieprocessen en erkennen dat verschillende aspecten daarin
van belang zijn, zoals sekse, milieu, religie, etniciteit, de positie binnen het gezin en de
tijd waarin iemand is opgegroeid.
2.5 De rol en verantwoordelijkheden van betrokkenen
Bij de totstandkoming van het begeleidingsplan heeft ieder zijn rol.
De cliënt:
- formuleert zijn behoefte;
- geeft aan welke gebieden aandacht moeten krijgen;
- geeft aan welke doelen nagestreefd moeten worden;
- bespreekt in overleg en onderhandeling het plan met de persoonlijk begeleider;
- ondertekent het uiteindelijke begeleidingsplan voor akkoord.
De persoonlijk begeleider:
- stelt in overleg en onderhandeling met de cliënt minimaal een maal per jaar (volgens de
planning) het begeleidingsplan op;
- bespreekt het plan in het team;
- maakt met team en hoofd bespreekbaar hoe te handelen wanneer de cliënt minder in staat
of bereid is tot betrokkenheid;
- draagt zorg voor de uiteindelijke verslaglegging en dossiervorming.
Het team:
- kan gelden als klankbord voor de persoonlijk begeleider;
- levert tips, ideeën en bedenkingen aan (ondersteunend en adviserend);
- stelt zich op de hoogte van de gekozen begeleidingsdoelen.
De leidinggevende:
- is voorzitter van de bespreking van het begeleidingsplan
- kan door de persoonlijk begeleider geconsulteerd worden
- draagt zorg voor de jaarplanning (al dan niet gekoppeld aan herindicatie) en bewaking;
- draagt zorg voor het doornemen van de checklist kwaliteitseisen.
Autonomie versus Verwaarlozing 67
Het secretariaat:
- voert de data van de jaarplanning in XMcare in;
- archiveert de verzamelstaat;
- registreert in XMcare (aan de hand van de verzamelstaat) de afgehandelde
begeleidingsplannen;
- herinnert indien gewenst aan data begeleidingsplan en signaleert als verzamelstaat niet
tijdig aanwezig is.
De behandelaar:
- toetst of het begeleidingsplan is afgestemd binnen de kaders van het behandelplan;
- kan advies leveren tijdens de bespreking van het begeleidingsplan.
2.6 De relatie en afstemming met het behandelplan
Voor de afdelingen binnen de sector Volwassenen Lang zijn de volgende afspraken
gemaakt:
Het is de verantwoordelijkheid van de behandelaar dat een Individueel Behandelplan
(IBP) wordt opgesteld en dat dit plan wordt opgenomen in het dossier van de cliënt.
De behandelaar is zowel voor de procedure als de inhoud verantwoordelijk.
Om hiervoor zorg te dragen heeft de behandelaar met elke nieuwe cliënt in de eerste
week een kennismakingsgesprek waarin tevens, aan de hand van de indicatiegegevens,
een voorlopig behandelplan wordt vastgesteld.
Minimaal een maal per jaar wordt, eveneens aan de hand van een evaluatie het
behandelplan aangepast.
De persoonlijk begeleider zorgt door middel van een (half)jaarlijkse rapportage
(Evaluatie-sjabloon EPD) voor adequate informatie.
De leidinggevende draagt zorg voor de jaarplanning en bewaking.
Het begeleidingsplan is een afgeleide van het IBP.
Bij een nieuwe cliënt maakt de aangewezen persoonlijk begeleider in de eerste twee
weken, in samenspraak met de cliënt en aan de hand van het voorlopig behandelplan,
een voorlopig begeleidingsplan.
Nadat, na drie maanden, het behandelplan definitief is vastgesteld maakt de
persoonlijk begeleider samen met de cliënt een definitief begeleidingsplan. Het is de
verantwoordelijkheid van de persoonlijk begeleider dat dit plan er komt. De
behandelaar controleert of dit plan in overeenstemming is met het IBP.
Evenals het behandelplan wordt ook het begeleidingsplan minimaal een maal per
jaar geëvalueerd en bijgesteld. De cliënt, persoonlijk begeleider en betrokken
behandelaar zijn daarbij aanwezig. De persoonlijk begeleider zorgt dat zo nodig ook
informatie van andere betrokkenen (familie, teamgenoten) beschikbaar is. Ook hier
zorgt de leidinggevende voor een jaarplanning en bewaking.
2.7 Het cliëntendossier
Na vaststelling van het begeleidingsplan en ondertekening door de cliënt levert de persoonlijk
begeleider de verzamelstaat in bij het secretariaat. Zij verwerken dit in het registratiesysteem
en archiveren het formulier in het cliëntendossier. Volgens de richtlijnen van het
privacyreglement cliënten wordt de privacy van de cliënt bewaakt. Overige formulieren
Autonomie versus Verwaarlozing 68
worden digitaal opgeslagen en zijn alleen toegankelijk voor het betrokken team en de
behandelaar. De cliënt ontvangt het originele exemplaar van het begeleidingsplan.
3. Het Begeleidingsplan
Hierna treft u, in volgorde van gebruik, een beschrijving van het doel en de werkwijze per
formulier gevolgd door het betreffende formulier.
3.1 Het inventarisatieformulier + aandachtspunten (pagina’s 13 t/m 26)
Op het inventarisatieformulier wordt aan de hand van tien levensgebieden een uitgebreide
beschrijving gemaakt van de huidige situatie en de hulpvraag van de cliënt.
De tien levensgebieden zijn:
1. Psychisch functioneren en de invloed hiervan op het dagelijks leven.
2. Lichamelijk functioneren en de invloed van beperkingen op het dagelijks leven.
3. Veiligheid (persoonlijke veiligheid en veiligheid van de omgeving).
4. Persoonlijke verzorging .
5. Zorg voor de directe leefomgeving
6. Sociaal netwerk.
7. Dagbesteding en dagstructuur.
8. Financiën.
9. Huisvesting en wonen (woonwensen).
10. Zingeving.
Per levensgebied worden de volgende aspecten beschreven:
een korte beschrijving van de huidige situatie vanuit het gezichtspunt van de cliënt,
eventueel aangevuld door de persoonlijk begeleider;
de vraag of de cliënt tevreden of ontevreden is met de huidige situatie van het betreffende
levensgebied;
de vraag of de cliënt hulp heeft gehad bij dit levensgebied;
de vraag of de cliënt tevreden is met deze hulp;
de vraag welke aandachtspunten, wensen en behoeften de cliënt heeft met betrekking tot
het betreffende levensgebied, eventueel aangevuld door de persoonlijk begeleider.
De lijst ‘Aandachtspunten bij het invullen van het inventarisatieformulier’ kan de begeleider
raadplegen voor of tijdens het gesprek.
Vervolgens worden prioriteiten vastgesteld waaraan de komende periode wordt gewerkt en
wordt de zorgfocus benoemd.
De zorgfocus geeft aan waar de hulp zich op dient te richten. Er zijn vier mogelijkheden:
a) Overneming
De cliënt is niet in staat dit domein zelf te beheren. Overname van taken door o.a.
professionals is nodig.
b) Ondersteuning
De cliënt is in staat dit domein redelijk zelfstandig te beheren. Ondersteuning en hulp bij de
uitvoering van taken door o.a. professionals is nodig.
Autonomie versus Verwaarlozing 69
c) Ontwikkeling
De cliënt is in staat dit domein zelf te beheren. Ontwikkeling van nieuwe vaardigheden met
hulp van o.a. professionals is nodig.
d) Aanpassing
Aanpassingen in de omgeving (bijvoorbeeld in de woning of in relatie met familie, werk,
buurt) zijn nodig ter optimalisering van het functioneren van de cliënt.
3.2 Het begeleidingsplanformulier (pagina 27)
In het begeleidingsplan worden de belangrijkste wensen en behoeften vertaald in een concreet
(hoofd)doel. Na vaststelling van het doel wordt dit vertaald in een stappenplan. Hierin wordt
concreet aangegeven welke activiteiten moeten worden ondernomen om het doel, de gewenste
situatie, te behalen (wie, wat, waar wanneer en hoe).
Als een doel te complex is, worden subdoelen gesteld. Subdoelen worden gesteld als het
nodig is om tussenstappen te zetten om het hoofddoel te bereiken en er meerdere
aandachtspunten of knelpunten zijn die belemmerend werken op het realiseren van het doel.
Het begeleidingsplan bestaat uit twee onderdelen:
a. stellen van een doel
b. plannen van activiteiten.
a) Stellen van doelen
Doelen zijn makkelijker te realiseren als ze zo concreet mogelijk geformuleerd worden.
We gebruiken daarom de SMART-systematiek. Dit houdt in dat doelen zo geformuleerd
zijn dat ze:
S >> Specifiek zijn: duidelijk laten zien wat gewenst is, concreet.
M >> Meetbaar zijn: het doel moet te toetsen zijn; bijvoorbeeld in waarneembaar
gedrag
A >> Acceptabel zijn: er is overeenstemming tussen cliënt en begeleider en doelen
zijn beschreven in de sfeer en taal van de cliënt in termen van ‘ik wil’.
R >> Realistisch zijn: het doel is haalbaar en gericht op de mogelijkheden van de
cliënt
T >> Tijdsafbakening: het doel moet binnen een bepaalde tijd te realiseren zijn.
Om tot een zuivere en duidelijke doelformulering te komen bespreken de persoonlijk
begeleider en de cliënt de volgende vragen:
- Wat wil de cliënt bereiken?
Wil hij bijvoorbeeld bepaald gedrag veranderen of handhaven? Wil hij bepaalde
kenmerken van de situatie of omstandigheden veranderen of handhaven?
- In welke mate wil de cliënt het gewenste bereiken?
Wil hij veel of weinig veranderen? Hoe vaak (in aantal) wordt bijvoorbeeld
een bepaald gedrag gewenst?
- Wat is het tijdspad?
Wordt het doel in fasen/stappen nagestreefd?
Autonomie versus Verwaarlozing 70
Doelen worden omschreven in termen van actie. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van
werkwoorden, termijnen en plaats.
Met andere woorden: wat doet/weet/kan/ervaart/enz. de cliënt na … tijd.
b) Plannen van activiteiten
Wanneer de doelen helder geformuleerd zijn, worden de te ondernemen activiteiten
beschreven. Het gaat hier om afspraken over de aard, duur, frequentie en inhoud van de
activiteiten die nodig zijn om de doelen te bereiken. Ook moet duidelijk zijn wie welke
taak heeft.
Activiteiten kunnen een bredere uitwerking hebben dan slechts een enkel zorgdoel. In dat
geval moeten ze vermeld worden bij een of twee doelen waar ze het meest op gericht zijn.
Een hulpmiddel kan zijn een inhoudelijke beschrijving van activiteiten en zorg die geboden
kunnen worden (Zorgfocus: overneming, ondersteuning, ontwikkeling en aanpassing).
Voor elke activiteit wordt standaard aangegeven:
- wat er moet gebeuren;
- wie doet wat;
- gedurende welke periode;
- hoe vaak;
- wanneer er wordt geëvalueerd.
Uitvoering en rapportage van de activiteiten.
De geplande activiteiten worden nu uitgevoerd.
Dit onderdeel vormt geen begeleidingsplan-onderwerp op zichzelf, maar is de verbindingsfase
tussen de plannen en de uitkomst.
In principe volgt de zorguitvoering van het begeleidingsplan. Het biedt structuur voor de
begeleiding die geboden wordt. Cruciaal is dat het plan tijdens de uitvoering planmatig wordt
geëvalueerd: hoe verloopt het proces, is men op de goede weg naar het te bereiken doel.
Bij de uitvoering hoort onlosmakelijk een registratie van uitgevoerde activiteiten en effecten
in de rapportage.
Rapportage dient gericht te zijn op het begeleidingsplan. Om dit overzichtelijk te maken
wordt in de rapportage verwezen naar het onderdeel van het begeleidingsplan waarop de
rapportage betrekking heeft (door nummering van doel/subdoelen te gebruiken).
Rapportage beperkt zich natuurlijk niet alleen tot het begeleidingsplan. Bijzonderheden,
veranderingen in het functioneren of in de omstandigheden van de cliënt dienen ook
gerapporteerd te worden. Deze informatie kan nieuwe of veranderende zorgvragen in beeld
brengen waarop geanticipeerd moet worden.
Autonomie versus Verwaarlozing 71
3.4 Instructie Evaluatie (pagina 28-29)
Evaluaties hebben betrekking op het gehele begeleidingsplan. Er kunnen ook beperktere
tussentijdse evaluaties plaatsvinden, die eerder de functie hebben van monitoren van de
uitvoering.
Alle evaluaties geven een antwoord op de vraag: ‘gaan we verder, en zo ja hoe gaan we
verder?’. Indien het antwoord nee is, moet gekeken worden naar wat dan moet worden
bijgesteld. De termijn(en) waarop geëvalueerd wordt, staat vermeld in het begeleidingsplan.
Evaluaties kunnen ook ongepland plaatsvinden als de situatie daar aanleiding toe geeft. Ze
vinden plaats op basis van rapportage, die gericht is op aandachtsgebieden.
Als basis van het evalueren van de doelen op de 10 levensgebieden vult de persoonlijk
begeleider samen met de cliënt het evaluatieformulier in (pagina 30-31)
De volgende vragen worden gesteld bij de evaluatie:
- Hoe is de actie verlopen?
- Hebben zich knelpunten voorgedaan?
- Is het gewenste doel bereikt?
- Welke besluiten nemen we naar aanleiding van deze evaluatie?
*voortzetting doel;
*wijziging doel;
*stopzetting doel.
Vervolgens wordt op basis hiervan weer een nieuw begeleidingsplan opgesteld en worden
(afhankelijk van de gemaakte keuze: voortzetting, wijziging of stopzetting) nieuwe doelen
geformuleerd.
3.3 De checklist ‘kwaliteitseisen begeleidingsplannen’
Aan het begeleidingsplan hebben we veertien kwaliteitseisen gekoppeld.
Deze eisen hebben betrekking op de mate van betrokkenheid van de cliënt, de mate van
overeenstemming, duidelijkheid omtrent afspraken en dergelijke.
Wanneer het begeleidingsplan is ingevuld, wordt deze checklist in het team doorgenomen.
Deze werkwijze bevordert een kritische reflectie op het omgaan met begeleidingsplannen en
geeft informatie over de kwaliteit.
Autonomie versus Verwaarlozing 72
Inventarisatieformulier
Naam cliënt: invulnaam
Naam pers. begeleider:
Periode:
Datum:
1. Psychisch functioneren
1.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van psychisch functioneren
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
1.2 Hoe tevreden bent u met uw psychisch functioneren?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
1.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad op het gebied van psychisch
functioneren?
1.4 Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
1.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode op het gebied van psychisch
functioneren?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Autonomie versus Verwaarlozing 73
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Naam cliënt: invulnaam
2. Lichamelijke functioneren
2.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van lichamelijk functioneren
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
2.2 Hoe tevreden bent u met uw lichamelijke gezondheid?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
2.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad m.b.t. uw lichamelijk functioneren?
2.4 Bent u tevreden over deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
2.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode ten aanzien van uw lichamelijk
functioneren?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 74
Naam cliënt: invulnaam
3. Veiligheid
3.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van veiligheid
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
3.2 Hoe tevreden bent u met uw persoonlijke veiligheid?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
3.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad ter bescherming van uw eigen
veiligheid
en/of de veiligheid van anderen?
3.4 Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
3.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode op het gebied van uw eigen
veiligheid en/of de veiligheid van anderen?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 75
Naam cliënt: invulnaam
Persoonlijke verzorging
4.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van persoonlijke verzorging?
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
4.2 Hoe tevreden bent u met uw persoonlijke verzorging ?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
4.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad op het gebied van uw persoonlijke
verzorging ?
4.4 Bent u tevreden over deze hulp?
(Ja/ Nee; geef een korte toelichting)
4.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode op het gebied van uw
persoonlijke
verzorging?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 76
Naam cliënt: invulnaam
Zorg voor de directe leefomgeving
5.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van zorg voor de directe
leefomgeving?
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
5.2 Hoe tevreden bent u met de zorg voor uw directe
leefomgeving?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
5.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad op het gebied van de zorg voor de
directe leefomgeving ?
5.4 Bent u tevreden over deze hulp?
(Ja/ Nee; geef een korte toelichting)
5.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode op het gebied van de directe
leefomgeving?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 77
Naam cliënt: invulnaam
6. Sociaal netwerk
6.1 Beschrijf kort het huidige sociaal functioneren
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
6.2 Hoe tevreden bent u met de contacten die u met andere mensen heeft?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
6.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad bij het leggen en onderhouden van
contacten met andere mensen zoals familieleden en vrienden?
6.4 Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
6.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode bij het leggen en onderhouden
van contracten met andere mensen?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 78
Naam cliënt: invulnaam
7. Dagbesteding en dagstructurering
7.1 Beschrijf kort de huidige situatie ten aanzien van dagbesteding en dagstructuur
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
7.2 Hoe tevreden bent uw huidige dagbesteding en/of werk?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
7.3Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad inzake uw dagstructurering en bij het
vinden en behouden van dagbesteding.
7.3Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
7.3Welke aandachtspunten zijn er de komende periode inzake uw dagstructurering en
dagbesteding?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 79
Naam cliënt: invulnaam
8. Financiën
8.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van financiën
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
8.2 Hoe tevreden bent u met uw inkomen en uw (financiële) administratie?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
8.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad bij het beheren van uw inkomen en
uw
(financiële) administratie
8.4. Bent u tevreden over deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
8.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode bij het beheren van uw inkomen
en uw (financiële) administratie?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 80
Naam cliënt: invulnaam
9. Huisvesting/wonen
9.1 Beschrijf kort de huidige situatie op het gebied van huisvesting/wonen
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
9.2 Hoe tevreden bent u met uw huidige huisvesting/wonen?
(Tevreden, Ontevreden, geef een korte toelichting)
9.3 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad op het gebied van huisvesting/wonen?
9.4 Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
9.5 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode op het gebied van
huisvesting/wonen
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 81
Naam cliënt: invulnaam
10. Zingeving
10.1 Geef aan wat voor u belangrijk is op het gebied van zingeving, levensovertuiging en
religie
Cliënt:
Eventueel aanvullingen begeleider:
10.2 Welke hulp heeft u de afgelopen periode gehad bij zingeving en het invulling
geven aan uw levensovertuiging en religie?
10.3 Bent u tevreden met deze hulp?
(Ja/ Nee, geef een korte toelichting)
10.4 Welke aandachtspunten zijn er de komende periode bij zingeving en het invulling
geven aan uw levensovertuiging en religie?
Aandachtspunt(en) afkomstig van de cliënt:
Aandachtspunt(en) afkomstig van de begeleider:
Autonomie versus Verwaarlozing 82
Aandachtspunten bij het invullen van het inventarisatieformulier
Definiëring begrippen zorgfocus
Overneming De cliënt is niet in staat dit domein zelfstandig te beheren. Overname
van taken door o.a. professionals is nodig.
De cliënt is in staat dit domein redelijk zelfstandig te beheren.
Ondersteuning Ondersteuning en hulp bij de uitvoering van taken door o.a.
professionals is nodig.
De cliënt is in staat dit domein zelfstandig te beheren. Ontwikkeling van
Ontwikkeling nieuwe vaardigheden met hulp van o.a. professionals is nodig.
Aanpassingen in de omgeving (bijv. in de woning, in relatie met familie,
Aanpassing in werken omgeving) zijn nodig ter optimalisering van functioneren
cliënt.
1. Aandachtspunten psychisch functioneren;
Bij nieuwe cliënten kan desgewenst ook een korte anamnese worden beschreven bij 1.1 of
worden verwezen naar een beschrijving in de indicatiegegevens.
Ben je tevreden over je huidig psychisch functioneren?
Zijn er psychische problemen die het dagelijks leven van je beïnvloeden, zoals
dwanggedachten, psychotische belevingen, depressiviteit e.d.?
Medicatie :
Heb je medicatie nodig en sta je daar achter?
Heb je hulp nodig bij het gebruik en beheer van de medicatie?
Hoe kan die ondersteuning eruit zien?
Spanningen / stressfactoren:
Waar loop je spanningen aan op?
Kun je aangeven wat de signalen zijn als het minder goed met je gaat? Wat heb je op die
momenten nodig van jezelf of van anderen?
Hoe ga je met spanningen en klachten om? Helpt die manier je om je beter te voelen of
staande
te houden (overlevingsstrategieën)?
Zou je hier dingen in willen veranderen? Kun je dat zelf of heb je hier hulp bij nodig?
Overlevingsstrategieën (o.a. eetstoornis, automutilatie, verslavingen)
Herken je deze bij jezelf?
Welke positieve kwaliteiten / ervaringen leveren die op?
Welke negatieve?
Zou je hier dingen in willen veranderen, heb je hier ondersteuning bij nodig en welke?
Verslavingen
Ben je afhankelijk van: Alcohol / Drugs / Gokken / Roken?
Is er een aanleiding voor nodig om te gebruiken en wat levert het je op?
Als dit je in de problemen brengt kun je dan aangeven welke hulp je nodig hebt?
Heb je het idee dat je klachten te maken hebben met je opvoeding en socialisatie?
Heb je nog andere specialistische behandeling / begeleiding nodig buiten de normale
begeleiding?
Autonomie versus Verwaarlozing 83
Heb je ondersteuning nodig in je contacten met behandelaars, zo ja welke?
2. Aandachtspunten lichamelijk functioneren
Ben je tevreden over je lichamelijke gezondheid?
Wat onderneem je allemaal om gezond te blijven (denk aan voeding, lichamelijke
beweging, balans tussen activiteiten en ontspanning, sport, etcetera)?
Is er sprake van lichamelijke beperkingen of problemen? (Epilepsie, dieet, protheses,
mobiliteitsproblemen etc).
Indien gewenst kan er gebruik gemaakt worden van de Barthel score (registreert de
mobiliteit en verzorgingsbehoeftigheid, ADL). Wanneer de uitkomst van de Barthelscore
daar aanleiding toe geeft kan verder onderzoek worden gedaan aan de hand van de RIVAP
score (een observatie instrument valpreventie). Op grond daarvan kan de juiste zorg
ingezet worden.
Medicatie :
Heb je medicatie nodig voor lichamelijke klachten?
Heb je hulp nodig bij het gebruik en beheer van de medicatie?
Hoe kan die ondersteuning eruit zien?
Zijn er hulpverleningscontacten buiten de normale begeleiding?
Heb je ondersteuning nodig bij het aangaan van deze contacten?
Ben je in staat om zelf tijdig te signaleren als het lichamelijk minder goed met je gaat en
kan je dan de hulp van anderen inschakelen?
3. Aandachtspunten veiligheid
Voel jij je wel eens bedreigd?
Voel jij je wel eens seksueel geïntimideerd?
Zijn er aandachtspunten naar aanleiding van seksuele ervaringen die van belang zijn voor
je gevoel van veiligheid?
Denk je dat je zelf wel eens bedreigend bent voor anderen of voelen anderen zich veilig bij
jou?
Ben je in staat jezelf tegen anderen in bescherming te nemen of voor jezelf op te komen?
Kun je hulp vragen met betrekking tot veiligheid?
Zijn er bij het bespreken van het psychisch functioneren nog aspecten aan bod geweest die
van belang zijn voor jouw veiligheid? (automutilatie, suïcide).
4 en 5. Aandachtspunten persoonlijke verzorging en zorg voor de leefomgeving
Kun je jezelf goed verzorgen?
Zijn anderen dat met je eens?
Denk je dat je bij de verzorging hulp nodig hebt en hoe moet die hulp er dan uitzien?
Kun jij je woonomgeving goed onderhouden en verzorgen?
Heb je hier ondersteuning of hulp bij nodig en hoe moet die eruit zien?
Kun je zelfstandig allerlei activiteiten uitvoeren met betrekking tot het huishouden, zoals
boodschappen doen, koken de was doen e.d.
Welke ondersteuning wordt er eventueel geboden of moet worden geboden?
Kun je zelf om hulp vragen als er zich problemen voordoen?
6. Aandachtspunten sociaal netwerk
Welke mensen in jouw leven zijn belangrijk voor jou?
Vind je het belangrijk dat zij betrokken worden bij jouw begeleiding?
Heb je vrienden of vriendinnen, heb je een relatie?
Autonomie versus Verwaarlozing 84
Heb je behoefte om je sociale kring te verbreden?
Heb je ten aanzien van bestaande contacten of bij het aangaan van nieuwe contacten
ondersteuning nodig en hoe zou die ondersteuning eruit moeten zien?
Is er ruimte voor intimiteit / seksualiteit?
Ben je tevreden over de omgang en contacten met je medebewoners?
Sta je achter de rollen en taken die je binnen de groep hebt?
Wat heb je nodig om die uit te voeren of te veranderen?
Ben je tevreden over de contacten met je familie?
Welke familieleden zijn belangrijk voor je?
Zou je op dit gebied iets willen veranderen?
Wil je dat je familie op de hoogte wordt gebracht van ingrijpende veranderingen
(bijvoorbeeld een ziekenhuisopname, separatie, enzovoorts). Zo ja, wie moet dan
geïnformeerd worden? Deze informatie zullen we vermelden op je cliëntenkaart.
Ben je tevreden over de begeleiding:
Welke verwachtingen heb je van de begeleiding?
Zou je hierin dingen willen veranderen?
Is er ruimte voor een eigen mening en ideeën?
Is er respect en aandacht?
7. Aandachtspunten dagactiviteiten en dagstructurering
Het psychisch en lichamelijk welbevinden wordt voor een deel beïnvloed door een goede
balans tussen inspanning en ontspanning, en een gestructureerd dag- en nachtritme. In het
kader van de rehabilitatie zijn dit belangrijke factoren. Het is daarom van belang om bij dit
levensgebied uitgebreid stil te staan en met de cliënt samen op zoek te gaan naar het juiste
evenwicht en activiteiten die aansluiten bij de belevingswereld en ambities van de cliënt.
Stimuleren en motiveren, of juist rust brengen in een weekprogramma zijn daarbij belangrijke
interventies. In overleg met de cliënt kan afgesproken worden om regelmatig contact te
houden met betrokken activiteitenbegeleiders of werkgevers, ten behoeve van onderlinge
afstemming.
Hoe ziet je dagbesteding eruit:
Werk / dagbesteding
Ontspanning / hobby’s / sport / vrijetijdsbesteding
Opleiding / cursussen
Ben je tevreden over je dagbesteding? Zijn er plannen / wensen?
Vind je dat je te veel of te weinig doet in een week?
Heb je behoefte om ook buiten de instelling / GGZ iets te doen?
Ben je op de hoogte van dagbestedingsmogelijkheden in de regio? Zo ja, welke dan?
Welke spreken je het meest aan?
Heb je wensen op het gebied van educatie? (Opleidingen, cursussen, etc.)
Heb je belangstelling voor psycho-educatie of de mogelijkheden van cliëntenorganisaties?
Heb je hulp / ondersteuning nodig op het gebied van dagbesteding en hoe zou die hulp
eruit kunnen zien?
Hoe zelfstandig functioneer je met betrekking tot diverse activiteiten, zoals b.v. dag- en
nachtritme, gebruik openbare voorzieningen, gebruik openbaar vervoer, rekenen, lezen,
schrijven etc. Heb je hierbij hulp of ondersteuning nodig?
8. Aandachtspunten financiële situatie
Ben je financieel onafhankelijk?
Kun je zelfstandig met geld omgaan?
Autonomie versus Verwaarlozing 85
Heb je schulden? Heb je daar extra hulp bij nodig?
Zijn er instanties die hulp bieden met betrekking tot allerlei beheers- en regelzaken?
Heb je ten aanzien van omgaan met geld en je administratie ondersteuning nodig?
9. Aandachtspunten huisvesting en wonen
Ben je tevreden over je huidige woonsituatie?
Heb je wensen met betrekking tot een toekomstige woonsituatie:
Hoe zou je willen wonen?
Met een kleine of grote groep
Met 1 of 2 mede cliënten
Alleen
Met wie zou je willen wonen?
Op welke manier zou je willen wonen?
Zelfstandig wonen
Begeleid wonen
Beschermd wonen
Beschut wonen
Anders; nl ……
Kun je zaken die te betrekking hebben op huisvesting zelfstandig regelen?
Ben je tevreden over de omgang met huisgenoten?
Ben je tevreden over de sfeer in huis?
10. Aandachtspunten zingeving
Wat is voor jou belangrijk in het leven?
Waar liggen je interesses, waar heb je belangstelling voor? Welke bezigheden geven je
plezier in het leven?
Waar kun je erg van genieten en ben je ook in staat deze dingen zelfstandig te
ondernemen?
Ben je gelovig? Ben je tevreden over de wijze waarop je invulling geeft aan deze
geloofsbeleving? Zijn er op dit gebied wensen? Heb je ondersteuning nodig bij het
realiseren ervan? Heb je contact met een pastor, dominee, geestelijk raadsman of -vrouw?
Ben je betrokken bij een levensbeschouwelijk genootschap? Waaruit bestaat die
betrokkenheid en ben je daar tevreden over (bijv. bezoek vieringen, gespreksgroepen,
enz.)?
Speelt culturele achtergrond een belangrijke rol en is hier voldoende ruimte voor?
Heb je bepaalde gewoontes en / of rituelen die voor jou van betekenis zijn (bijv. bidden,
mediteren, kaarsje aansteken, zondagsrust)?
Heb je hierbij behoefte aan ondersteuning?
Heb je bepaalde wensen die voortkomen uit je levensovertuiging?
Autonomie versus Verwaarlozing 86
Begeleidingsplan
Naam cliënt:
Naam pers. begeleider:
Datum:
Opnamedatum:
Indicatiedatum:
Hoe is het doel te bereiken: (stappenplan)
Aandachtspunt/knelpunt Levens (Sub) doel Activiteiten (wat, waar, hoe en wanneer) Door wie Evaluatiedatum
Waar wil ik begeleiding bij? - Wat wil ik bereiken? Wat gaan we ondernemen? Wie doet wat? Wanneer
Gebied bespreken we hoe
het gaat?
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Overige afspraken:
1.
2.
3.
Afkortingen levensgebieden:
pf (psychisch functioneren); lf (lichamelijk functioneren); v (veiligheid); pv (persoonlijke verzorging);zl (zorg voor leefomgeving);sn (sociaal
netwerk);dd (dagbesteding en dagstructurering);f (financiën); h (huisvesting en wonen);z (zingeving)
Autonomie versus Verwaarlozing 87
Autonomie versus Verwaarlozing 88
Sector Volwassenen Lang
EVALUATIEVERSLAG BEGELEIDING
Naam
Geboortedatum
Afdeling
Opname datum
Juridische status
Behandelaar
Persoonlijk begeleiders
Geschreven door Datum:
A. VERSLAG
1. Psychisch functioneren
Doelen
Verloop
Medicatie
2. Lichamelijk functioneren
Doelen
Verloop
3. Veiligheid
Doelen
Verloop
4. Persoonlijke verzorging
Doelen
Verloop
5. Zorg voor de directe leefomgeving
Doelen
Verloop
6. Sociaal netwerk
Doelen
Verloop
Autonomie versus Verwaarlozing 89
7. Dagactiviteiten/ dagstructurering
Doelen
Verloop
8. Financiële situatie
Doelen
Verloop
9. Huisvesting
Doelen
Verloop
10. Zingeving/ geloof en cultuur
Doelen
Verloop
B. Voorstellen doelen voor de komende periode (cliënt en persoonlijk begeleider)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10
Autonomie versus Verwaarlozing 90