Samenvatting van der Molen by HC111212212832

VIEWS: 703 PAGES: 51

									Samenvatting van der Molen

Psychodiagnostiek: onderzoek naar kenmerken en ontstaan van psychische problemen
-
Etiologie: leer van het ontstaan van stoornissen
Deel 1
Hoofdstuk 1: Over Klinische psychologie en abnormaal gedrag
1.3 aspecten van abnormaal gedrag
1. persoonlijk
lijden
2. (dis-)functionaliteit van het gedrag
3. irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. onvoorspelbaarheid en controleverlies
a. normale regels zijn plotseling niet meer werkzaam
b. toeschouwer kent de oorzaak van het gedrag of de aanleiding van het gedrag dat hij waarneemt
niet.
5. opvallend en onconventioneel gedrag
6. gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt (observer discomfort)
7. overtreden van morele normen.
1.4 Normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
1. het statistische model:
uitgangspunt= menselijke eigenschappen zijn min of meer normaal verdeeld
-
waar ligt precies de grens tussen normaal en abnormaal
-
wat als een eigenschap niet normaal is? (bijv.: man in het lichaam van een vrouw)
-
wanneer lijdt iemand onder een normale/abnormale eigenschap (bijv. lengte)
2. medisch of ziektemodel
uitgangspunt= psychische stoornissen zijn vergelijkbaar met somatische ziekten en dus het beste te
verhelpen door de onderliggende mechanismen te bestrijden. De patiënt is passief vanaf
diagnosestelling door therapeut.
-
somatogeen: aan de stoornis ligt een lichamelijke aandoening ten grondslag (bijv. een verlamming
kan samengaan met grootheidswanen etc, wat in dit geval komt door een syfilisinfectie)
-
psychogeen: aan de stoornis ligt een psychologisch mechanisme ten grondslag
3. leer of onderwijsmodel
uitgangspunt= stoornissen zijn ontstaan door verkeerd verlopen leerprocessen.
-
patiënt en therapeut doen alles in overleg en samenwerking (zoals leraar en leerling)
-
nadelige bijbetekenissen van woorden als therapie en diagnose worden vermeden, om
stigmatisering
te beperken
-
dit model is meer gericht op de verantwoordelijkheid van de leerling, zodra een persoon wel
verantwoordelijk is is er sprake van levensproblemen.
-
= hulp
Je ben niet ziek zolang je zelf de verantwoordelijkheid nog kan dragen
Model 3 is dus een reactie op model 2.
1.5 Slot
Scientist-practioner-model: onderscheid tussen wetenschappelijk onderzoeker en
therapeut/hulpverlener
Kern van de klinische psychologie = psychische stoornissen

Deel 1
Hoofdstuk 2: Geestelijk gezondheidszorg in Nederland. Leesstof!!!
Klinische Psychologie 1
1




Deel 2, Hoofdstuk 3: biologische benadering van de psychopathologie
Er zijn 5 biologische verklaringsniveaus
1. niveau van de evolutiebiologie
2. genetica
3. neurotransmitters
4. hersenstructuren
5. psychofysiologische
processen
Methodologisch materialisme: abnormaal gedrag verklaren in biologische en dus 'materiele' termen.
(Griesinger 1817-1868)
3.1 evolutiebiologische verklaringen
op welke manier passen organismen zich aan hun omgeving aan? 2 soorten:
a. de aanname dat een afwijking of abnormaliteit toch met een evolutionair voorbeeld gepaard kan
gaan. Bijv. de bloedziekte sikkelcelamenie; dragers van een gen voor sikkelcelanemie hebben
een verhoogde weerstand tegen malaria. Dit gen is dan dus niet geëlimineerd door evolutionaire
selectiemechanismen.
b. De aanname dat sommige gedragingen vroeger een voordeel hebben opgeleverd, maar die door
een veranderde omgeving (evolutie) nadelig zijn geworden. Bijv. preparedness-theorie over
fobieën van Seligman; soms is een persoon fobisch voor spinnen/slangen, maar nooit voor zaken
uit de moderne technologie. In de prehistorie waren spinnen etc echt gevaarlijk, evolutie heeft
geselecteerd op mensen met genetisch verankerde predispositie (preparedness) dus de fobie
komt nog steeds voor.
3.2 Genetische factoren
Concordantie:= de mate waarin een zelfde eigenschap bij 2 familieleden voorkomt in %.
Bijv. 1-eiige of 2eiige tweelingen. Conclusie uit kinderonderzoeken:
a. genetische factoren spelen bij de ene psychische aandoening een prominentere rol dan bij de
andere.
b. Ook omgevingsfactoren spelen een rol.
Neurotransmitters: stoffen die informatieoverdracht tussen zenuwcellen (neuronen) in de hersenen
verzorgen.
-
tekort: kan depressieve stemming veroorzaken (dit is een vermoeden)
-
overschot: kan tot een manische stemming leiden (dit is een vermoeden)
Concordantie is vaak op het niveau van een meer algemene categorie
3.3 Neurotransmitters
De taak van neuronen is geleiding van informatie
-
binnen neuronen: elektrische infogeleiding
-
tussen neuronen: chemische infogeleiding
(neuronen maken geen direct contact met elkaar)
Parkinson: tekort aan neurotransmitter dopamine.
neurotransmitters en psychopathologie:
1. dopaminehypothese en schizofrenie: een overschot aan dopamine leidt tot symptomen van
schizofrenie.
2. Stemmingstoornissen
monoaminehypothese: depressie ontstaat door een tekort aan
noradrenaline en/of serotonine (dit zijn neurotransmitters in het limbische systeem ( stemming
en emoties). MAO-remmers en tricyclische antidepressiva breken deze neurotransmitters af,
maar hebben dit effect niet bij iedere patiënt
3. Angstklachten en stoornissen: GABA (gamma-aminoboterzuur =remmende, inhiberende werking
of prikkelgeleiding in de hersenen) en glutamate (activerende, exciterende werking) zijn
neurotransmitters verspreid door de hersenen. Medicijnen zijn benzodiazepinen (deze
ondersteunen GABA angstdempend, voor symptomen, niet voor de oorzaak). De oorzaak ligt
meer in de endorfines (groep neurotransmitters met morfineachtige werking) die voor in het
limbische systeem zijn te vinden.
Klinische Psychologie 1
2

3.4 Hersengebieden
a. Verticale dimensie: met betrekking tot het verschil tussen lagergelegen hersenniveaus (primitieve
functies) in hogergelegen hersenniveaus (meer complexe, cognitieve functies).
2 aspecten van emoties zijn intensheid (arousal) en valentie (toenadering of vermijding).
Laesies in limbisch systeem zoals bijv. Kluwer-Bucy-syndroom als amygdala wordt
beschadigd: geen angst/vermijding, sociale codes etc.
Frontaalkwab: voor regulering van gedrag.
b. Horizontale dimensie: verschil linker en rechter hersenhelft
Links: spraak en fijne motoriek
Rechts: waarneming van ruimtelijke verhoudingen
= functionele asymmetrie en functionele lateralisatie
Deze verschillen hebben ook betrekking op emoties. (rechts is sterk betrokken bij met name
negatieve emoties en links speelt een rol bij het inhiberen van emotionele reacties. Dit zou komen
doordat recht veel intensiever contact onderhoudt met het limbische systeem.)
Belangrijk is dat de neurotransmitter dopamine en noradrenaline niet gelijk over de beide
hersenhelften zijn verspreid (dop meer links en nor meer rechts).
3.5 Psychofysiologische processen: 2 benaderingen
1. toetsen van theorieën over de etiologie (het ontstaan van ) van psychopathologische symptomen
2. leveren van instrumenten voor een betere diagnostiek van psychische stoornissen en/of betere
voorspelling van therapiesucces.
als een psychofysiologische afwijking een marker wil zijn voor ps. Diagnose, dan moet deze
aan 2 dingen voldoen:
a. voldoende sensitiviteit (%patiënten met een bepaalde diagnose)
b. voldoende specificiteit (mate waarin andere patiëntengroepen en 'normale'
proefpersonen een vergelijkbare afwijking aan de dag leggen)
3.9 Behandelmethoden
-
invasief: direct op het lichaam
psychochirurgie: de hersenstructuren wegsnijden of wegbranden
electroconvulsietherapie: toedienen van elektrische stroom aan de schedel. Hierbij is rechts
effectiever dan links.
psychofarmaca: minder invasief (zie tabel 3.2 pagina 114)
3.10 Kanttekeningen bij de biologische benadering
-
bij evolutiebiologische verklaringen: deze verklaringen zijn moeilijk toegankelijk voor
experimenteel
onderzoek.
-
Bij genetische factoren: moeilijk vast te stellen, omdat het gaat om meerdere genen
-
Bij neurotransmitters:
causaliteitsvraagstuk: wat leidt tot wat?
hangen neurotransmitter afwijkingen samen met de reeks goed herkenbare en opzichzelfstaande
symptomen?
-
Bij hersengebieden: het hoe en het waarom is onduidelijk
-
Bij psychofysiologische processen: de markers zijn moeilijk of niet te vinden.
Klinische Psychologie 1
3

Deel 2
Hoofdstuk 4: Leertheoretische modellen van psychopathologie
• Watson: gaat alleen uit van reactie en prikkels = orthodox behaviorisme
• Neobehaviorisme: erkent dat ook factoren in het organisme de reactie beïnvloeden.
4.2 Achtergronden van de leertheoretische benadering:
1. Nature versus Nurture (aangeboren of bepaald door ervaringen)
Hippocrates (nature) 4 levenssappen bepalen de menselijk temperamenten:
Overvloed
aan:
bepaalt:
Gele
gal
cholerisch
temperament:
driftig
etc.
Bloed
sanguinisch
temp:
vrolijk,
actief
Slijm flegmatisch
temp:
kalm,
passief
Zwarte
gal
melancholisch
I
de meningen die hieruit voortvloeien zijn:
a. Pavlov: de basis ligt in neurologische verschillen
b. Kretschmer en Sheldon: de basis ligt in de lichaamsbouw
c. Eysenck: er zijn 2 dimensies van persoonlijkheidsverschillen: introversie/extraversie en
neuroticisme/emotionele stabiliteit
Nurture-standpunt: alles onder invloed van omgeving en opvoeding.
d. Locke: mens in tabula rasa (blanco) = basis van het filosofisch empirisme en associationisme:
indrukken door middel van prikkels uit de omgeving. Geestesziekten ontstaan door verkeerd
gelegde associaties met indrukken (bijv. donker = boze geest).
Nu: er is meer interactie erkend tussen nature en nurture.
Introspectie: methode waarbij proefpersoon zelf zijn ervaringen rapporteert (=subjectief)
2. Onderzoek naar leerprocessen:
Thorndike en Pavlov zijn de grondleggers van 2 leerparadigma's.
Thorndike: 1874-1949. Leren door trial and error. (artikel: animal intelligence: an experimental
study of associative processes in animals). Gericht op stimulus-response verbindingen. Gevolg=
wet van effect: connectie tussen stimulus en response wordt versterkt als het gevolg aangenaam
is en vice versa. Thorndike gericht op uitkomst afhankelijk van gedrag=
INSTRUMENTELE/OPERANTE CONDITIONERING
Pavlov: 1849-1936. Standaard conditionerings experiment: neutrale stimulus response. Pavlov
is gericht op uitkomst onafhankelijk van gedrag. = KLASSIEKE CONDITIONERING
4.3 Klassieke conditionering:
Principes:
1. (on)voorwaardelijke stimulus en respons:
UCS: unconditioned stimulus
UCR: unconditioned respons treedt op na UCS, ongeacht de ervaringen van het dier
CS: conditioned stimulus
CR: conditioned respons treedt op na UCS
2. Bekrachtiging: CR kan alleen voorkomen als er sprake is van temporele contuigiteit (de CS en
de UCS moeten samen in tijd en ruimte worden toegediend). Bekrachtiging is dus een koppeling
tussen een CS en een UCS.
3. Uitdoving (extinctie) en "spontaan" herstel: de CR verdwijnt als herhaaldelijk de UCS en de CS
niet meer gekoppeld worden. Kan daarna wel weer sneller worden ge-herconditioneerd.
4. Generalisatie en differentiatie: de aangeleerde reactie doet zich ook voor bij prikkels die lijken op
de oorspronkelijke CS (=generalisatie). Door middel van differentiatie of selectieve
conditionering kan generalisering ongedaan worden gemaakt. (bijvoorbeeld na herhaaldelijk
toedienen van een andere prikkel).
5. Hoge orde-conditionering: bijvoorbeeld een prikkel laten vooraf gaan aan de oorspronkelijke CS.
6. Geconditioneerde inhibitie: onderdrukken van een CR. (bijvoorbeeld licht voorafgaand aan
zoemer houdt in dat er geen voedsel komt. Hierbij is licht de inhibitorische prikkel).
Klinische Psychologie 1
4

Page 5
7. Uitbreiding naar aversieve conditionering: dezelfde uitkomst als bij een negatieve prikkel.
>>> dit zijn metingen van autonome reacties.
Metingen van geconditioneerde suppressie
Fase 1. Hendel = voedsel
Fase 2. Zoemer = elektrische schok
Fase 3. Hendel + zoemer : veroorzaakt angst voor de hendel.
8. Zes varianten van klassieke conditionering; een schematische weergave.
UCS+ is een positieve prikkel
USC- is een negatieve prikkel
A=toedienen: +USC gevolg is gevoelens van hoop en vreugde, of van vrees
B=wegnemen: -USC gevolg is opluchting of teleurstelling/verdriet
C=uitblijven: OUSC = veiligheid of woede/frustratie (ucs wordt dan verwacht agv voorafgegane
leerproces).
Hierdoor ontstaan 6 varianten:
Procedure
aard van de stimulus
Ucs+
ucs-
Toedienen
1.
+UCS+
(hoop)
2.
+UCS-
(vrees)
Wegnemen
3.
-UCS+
(teleurstelling/verdriet) 4. -USC-
(opluchting)
Uitblijven 5.
0UCS+ (frustratie/woede) 6.
0UCS- (veiligheid)
Aangenaam: 1,4 en 6
Onaangenaam: 2,3 en 5
9. Cognitieve visie op klassieke conditionering.
• volgens Watson is conditionering het totstandkomen van een nieuwe verbinding tussen een CS en
een CR >>> dit is de S-R opvatting.
• Volgens Tolmar is klassieke conditionering: het organisme doet kennis op over de samenhang
tussen
gebeurtenissen >>> dit is de S-S opvatting
• Voorwaarde voor conditionering is niet alleen contiguiteit, maar ook contingentie (logische
samenhang tussen beide prikkels).
• Rescorda-Wagner Theorie: mede door middel van de ontdekking van het blokkeringseffect:
Fase 1: CS UCS (toon, dan angst)
Fase 2: CS + UCS (toon + licht tegelijk, dan angst)
Fase 3: USC - CS (zonder toon, geen angst)
In dit geval is licht de neutrale prikkel. Toon heeft dan een blocking effect op licht. Zonder fase 1
vertoont fase 3 wel angst, dus dan heeft de toon geen blocking effect op het licht.
10. Klassieke conditionering en fobische klachten
Systematische desensitisatie (Wolpe): angstreactie door angststimuli te laten uitdoven door het
aanbieden van aangename stimuli. Een bezwaar hiervan is dat de CS (angst) vaak niet gekoppeld
kan worden aan een UCS- uit het verleden.
4.4 Instrumentele/operante conditionering:
= leren handelen in de functie van consequenten.
verband tussen wat organisme doet en wat er als resultaat op volgt. (thorndike, toen skinner).
Opvattingen van Skinner 1904-1990 : het bezwaar van Skinner was dat bijvoorbeeld de
puzzelbox of het doolhofexperiment niet het natuurlijke gedrag of het verloop daarvan
onderzocht. Resultaat hiervan was de Skinnerbox, waarbij de proefleider niet aanwezig hoefde te
zijn dankzij de polygraaf, die cumulatieve frequentiecurven registreert.
> discriminatieleren: rood/groen licht.
Varianten van operant leren: Uitgangspunt zijn de bekrachtigers
^ primaire bekrachtigers: hebben van nature een positieve of negatieve valentie
^ secundaire bekrachtigers: zijn van oorsprong neutrale stimuli die door een proces van klassieke
conditionering een positieve of negatieve valentie krijgen en daardoor invloed uitoefenen op
operant gedrag.
Klinische Psychologie 1
5

Page 6
A. Positieve
Bekrachtiging
= toedienen van aangename stimulus
Schema's:
a. continue bekrachtiging: iedere respons wordt bekrachtigd
b. partiele bekrachtiging: respons wordt soms bekrachtigd of onderbroken (intermittent)
bekrachtigd. Er bestaan 4 soorten, bepaald door het aantal responsen (ratio) OF
tijdsverloop (interval) en door regelmatige (fixed) OF wisselende (variabel) perioden
tussen 2 bekrachtigingen.
1. fixed ratio schema: bekrachtiging na een vast aantal responsen = FR schema
2. variabele ratio: bekrachtiging na wisselend aantal responsen = VR schema
3. fixed - interval schema: bekrachtiging na 1
e
juiste reactie na een vooraf
bepaald tijdsverloop = FI schema
4. Variabel - interval: bekrachtiging na wisselende tijdsperioden = VI schema
-
uitdoving van operant gedrag: bij variabele schema's heerst sterke weerstand tegen uitdoving
-
response-shaping/ differentiatie: stapsgewijs verschuift onderzoeker de criteria voor
bekrachtiging in de richting van het doelgedrag.
B. Negatieve
bekrachtiging
Mowrer: 2 factoren theorie: vermijdingsgedrag wordt niet in stand gehouden door het vermijden
van externe aversieve prikkels, maar d.m.v. ontsnappen aan prikkels die door klassieke
conditionering angst oproepen De leercomponenten zijn klassiek en operant.
Serieel vermijdingsparadigma: (blz. 162): implosieve therapie (levis en stampl.) = doel is
angstreacties uitdoven
Angst, vermijding en inbitorische conditionering: als angst geen Sr- (negatieve bekrachtiger)
meer is, hoe blijft het vermijdingsgedrag dan in stand?
zoem = voedsel
zoem + licht = geen voedsel
licht = inhibitorische prikkel
0S- = uitblijven van verwachte, aversieve stimulus creëert een positieve toestand van
veiligheid = inhibitorische prikkel die vermijdingsgedrag in stand houdt.
Bestraffingsprocedures:
a. positieve straf (+Sr-) passieve vermijding
b. negatieve straf (-Sr+) boete doen
c. negatieve weglaten (0Sr+) uitdoving
C. WAT WORDT ER GELEERD?
S-R opvatting: Sd R (Sr) . automatische verbinding tussen stimulus (Sd) en respons (R) kan
pas totstandkomen als beloning (Sr) volgt op de respons. Sr (beloning) is dan waardoor er wordt
geleerd.
R - Sr model: Sd=R Sr. Het organisme leert iets over de relatie tussen het gedrag (R) en de
beloning (Sr). Sd geeft alleen de omstandigheden aan waaronder de R-Sr-relatie van toepassing
is. Dit model impliceert dat iemand "weet" waarom hij iets doet of laat.
D. Oncontroleerbaarheid en psychopathologie:
Onvoorspelbaarheid draagt in belangrijke mate bij aan het neurotische gedrag van proefdieren.
Aangeleerde hulpeloosheid (zie pagina 170).
4.5 Behandeling: gedragstherapie
De behandeling is gericht op de factoren die ongewenst gedrag instandhouden. Onderdelen zijn
bijvoorbeeld
• de functie-analyse: antecedentenfactoren (wat aan het probleemgedrag vooraf gaat) en
consequente
factoren (gevolgen van dat gedrag) in kaart brengen.
• Systematische desensitisatie
• Flooding
• Vaardigheidstrainingen.
Klinische Psychologie 1
6


Page 7
Deel 3 Hoofdstuk 5: Cognitieve theorieën
Deze theorieën gaan over de informatie verwerking bij mensen (inhoud van de informatie en de
processen bij het verwerken van de informatie).
5.2 Cognitief-psychologische opvattingen
Cognitieve psychologie is ontstaan als reactie op behaviorisme.
Albert Ellis: grondlegger van de rationeel-emotieve therapie (RET); psychopathologie komt voort
uit onlogische en irrationele ideeën
IRRATIONEEL
Aaron Beck: (meer invloed) hypothesen over kenmerkende cognitieve processen. Manier van
reageren op een gevoel houdt dat gevoel in stand. Het zijn geen irrationele opvattingen, maar
disfunctionele opvattingen. (denkfouten). Hij beschreef zijn theorieën in schema's.
DISFUNCTIONEEL
Mechenbaum: rol van zelfspraak
Lazarus: stress-coping theorie; de persoon maakt bij confrontatie met een potentiële stressfactor
een 1
e
inschatting van de mate van de bedreiging (primary appraisal), om daarna te beoordelen
welke mogelijkheden hem ter beschikking staan om de bedreiging succesvol het hoofd te bieden
(secondary appraisal).
5.3 Algemene cognitieve psychologie
Cognitieve psychologie= inhoud van de kennis die mensen hebben verworven door zintuiglijke
ervaring
en door denken, met de manier waarop kennis in het geheugen gerepresenteerd is. Een onderdeel is
de
informatieverwerking, welke bestaat uit waarneming, verwerking en geheugen.
Top-down-regulatie van informatieverwerking: hogere mentale processen beïnvloeden lagere
mentale
processen. Zo is er ook een bottom-up-regulatie.
schema's: de kennis van een persoon is in een schema verwerkt. Schema's sturen de
informatieverwerking (volgens de cognitieve psychologie). Als in deze processen vergissingen of
vertekeningen optreden, dan kunnen psychopathologische stoornissen ontstaan.
Kennis: er is een impliciete en een expliciete kennis. Impliciete kennis zijn onbewuste dingen.
Expliciete kennis is bewust. In de cognitieve psychologie ligt het verschil in automatische en
gecontroleerde informatieverwerking. Automatische= statistische infoverwerking,
gecontroleerde=procesverwerking bijvoorbeeld bij onverwachte,onbekende input.
Schema-activering: dit gebeurt als er informatie binnenkomt die betrekking heeft op dat schema.
Ook meerdere schema's kunnen (in wisselende mate) worden geactiveerd.
Het ontstaan van schema's: dat gebeurt op grond van de cognitieve verwerking van ervaringen.
Aard van de schema's is afhankelijk van de opgedane ervaringen en de cognitieve vermogens.
Instandhouding van schema's; beter 1 schema/dit schema, dan geen schema. : en sommige
schema's leveren de persoon voordelen op. Als de info een vooroordeel tegenspreekt, kunnen er
4 cognitieve mechanismen optreden:
1. selectiebias in de waarneming; alleen wat klopt wordt waargenomen
2. bias in de interpretatie; informatie wordt zo opgevat, dat het vooroordeel wordt bevestigd.
3. Het vooroordeel roept verwachtingen op, waarnaar de persoon zich gaat gedragen
4. Vooroordeel lijkt herinneringen te vertekenen.
Verandering van schema's: aanzet tot verandering kan zijn een confronterende ervaring of inzicht
in inconsistenties in de kennis van het schema. Dit wordt eventueel vergemakkelijkt door de
beschikbaarheid van een ander schema of door kenmerken van disconfirmerende ervaringen:
a. assimilatie: nieuwe informatie wordt vervormd zodat het alsnog in het bestaande schema
past.
b. Accommodatie aanpassing van het schema zodat het strookt met de nieuwe informatie;
-
absorptie: het oude schema wordt uitgebreid
-
verplaatsing: het nieuwe schema komt naast het bestaande schema.
-
Integratie: het oude schema wordt verlaten en er wordt een nieuw
schema gevormd van een hoger conceptueel niveau waarin de oude
en de nieuwe informatie samengaan.
Klinische Psychologie 1
7


Page 8
5.4 De inhoud van schema's bij verschillende vormen van psychopathologie
Beck:
-
depressie: depressogene schema's
-
manisch: winst-mogelijkheden schema's
-
angst: angst en gevaar-schema's
Onderzoek:
-
paniekstoornis: schema dat lichamelijke stoornis verkeerd interpreteert
-
sociale angst
-
obsessief-compulsieve stoornissen: overschatten van gevaar, overmatige neiging
persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen voor het afwenden van gevaar.
Methoden van onderzoek naar de inhoud van schema's:
-
zelfrapportage onderzoek
-
onderzoek van informatieverwerkingsprocessen
5.5 Kenmerkende processen bij verschillende vormen van neurotische psychopathologie:
vertekening=bias
attentiebias: als aandacht zich selectief richt op bepaalde aspecten van informatie ten koste van
andere aspecten van die informatie. Dit gebeurt al voordat je je van de stimulus bewust bent.
Eerder bij angstpatiënten dan bij depressiepatiënten Dus de attentiebias is vooral op angst
gericht.
Confirmatiebias: behoefte van mensen om potentiële gevaren snel en effectief te erkennen.
Geheugenbias: vooral kenmerkend voor depressieve stoornissen. Negatieve dingen worden
sneller herinnerd. Speelt bij angststoornissen een rol als de angst voldoende is geactiveerd.
Attributieprocessen: Attributies zijn oorzakelijke verklaringen die mensen hebben voor
gebeurtenissen die ze meemaken. Theorie: 3 fundamentele dimensies nl:
1. interne/externe
dimensie
2. stabiliteitsdimensie
(tijdelijk = instabiel, blijvend=stabiel)
3. specifiek/globale
dimensie
selectieve interpretatie; denkfouten en redeneerheuristieken: voorbeelden van denkfouten zijn:
1. willekeurige gevolgtrekking: conclusie
2. selectieve abstractie: beoordelen van slechts 1 detail van de gehele situatie
3. over
generalisatie
4. personalisatie: alles op jezelf betrekken
5. absoluut dichotoom denken: zwart-wit denken
6. emotioneel redeneren: omdat ik me zo voel is het zo. Ik ben bang, dus er is gevaar.
Selectieve interpretatie houdt zowel de stoornis als de "normale" toestand in stand.
Voorbeelden van heuristieken zijn:
1. beschikbaarheidsheuristiek: je baseert je bij conclusies op de beschikbare voorbeelden (dit
gebeurt onbewust). De mate waarin iemand gelooft in een interpretatie hangt af van:
-
levendigheid van de voorstelling van de interpretatie
-
saillantie
-
compleetheid
2. representativiteitsheuristiek:
je laat je in je oordeelsvorming leiden door de mate waarin je
een uitkomst representatief acht voor de oorzaak die je overweegt.
3.
5.6 Cognitieve visie op psychotische stoornissen
Deze richten zich meer op het algemene disfunctioneren van de infoverwerking. Bijv. schizofrenie.
5.7 Cognitieve therapie
RET
Socratische dialoog: doorvragen
Gedragsexperimenten
Klinische Psychologie 1
8

Page 9
5.8 Kritiek op cognitieve theorieën
1. nadruk op bewuste gedachten
2. mediërende rol van cognities in het ontstaan van emoties
3. bijdrage van kenmerkende cognitieve processen aan het ontstaan van psychopathologieën (wat
is oorzaak en wat is het gevolg). Empirische argumenten hiervoor zijn:
-
schema's die een rol spelen hoeven iet altijd geactiveerd te zijn. Er zijn latente en
geactiveerde schema's.
-
De invloed van cognitieve processen op een stoornis kan worden aangetoond door
cognitieve processen tijdens de stoornis te manipuleren en vervolgens vast te stellen welke
effecten dit heeft op de symptomen van de stoornis.
-
In hoeverre is verandering van cognitieve processen essentieel voor korte en lange termijn
effect van de behandeling?
Metapsychologische
argumenten
hiervoor
zijn:
-
Zijn het slechts symptomen? (van een ziekte)
4. Ontbreken van een eenduidige cognitieve theorie van psychopathologie.
STROOP: angstpatiënten reageren, in vergelijking met normalen en depressieven, trager op
woorden die
verwijzen naar de door hen gevreesde stimuli.
Klinische Psychologie 1
9

Page 10
Deel 2 Hoofdstuk 6: Psychoanalytische theorieën
6.3 Bewust en Onbewust
Het onbewuste zijn alle gevoelens, motieven, neigingen en vroegere ervaringen die niet direct tot
het
bewustzijn doordringen.
6.4 Het topografische gezichtspunt: 1
Het in kaart brengen van de verschillende gebieden van de menselijke geest. Volgens de
psychoanalyse ontstaat het onderscheid tussen het bewuste en het onbewuste door opvoeding en
socialisatie.
verdringing: bepaalde zaken zijn uit het bewustzijn verbannen. Er bestaat ook een
"voorbewuste"; kennis en informatie die direct afroepbaar zijn
6.5 Het structurele gezichtspunt 2
ES (ID)
ICH (EGO)
Uber-Ich (SUPEREGO)
ES: driften zoals libido (sexuele energie). Het Es wordt beheerd door het lustprincipe en is
volledig onbewust
UBER-ICH: Verzorgt de censuur op de ES, zeg maar de 'grenswacht'.
ICH: uitvoerende macht, deze wordt geleid door het realiteitsprincipe: datgene wat zinvol en
haalbaar is. Zie figuur 6.1, pagina 225
6.6 Het dynamische gezichtspunt 3
Hierbij ligt de nadruk op de krachten in het gevoelsleven. Volgens Freud is het lustprincipe
overheersend.
Later voegde hij daar de doodsdrift aan toe. Er is sprake van 2 tegengestelde strevingen: de sexuele
drift
(EROS) en de doodsdrift (THANATOS).
6.7 Afweermechanismen:
Niet in toom te houden driften kunnen tot sterke angsten leiden. Bij minder angstwekkende uiting
spreek
je van "vermomde" driften. Dit kan pathologisch worden: bijvoorbeeld de cirkelboog; , zo liggen.
Er zijn
verschillende afweermechanismen (Anna Freud 1895-1982):
1. verdringing: bijvoorbeeld bij verboden impulsen en pijnlijke ervaringen
2. projectie: uiting aan gevoelens geven door ze aan andere mensen toe te schrijven. Dit hoeft niet
reëel te zijn. Persoon heeft die gevoelens, maar die ander niet.
3. Reactievorming: idem aan projectie, allen zijn de eigenschappen van die andere mensen hier wel
reëel. Persoon heeft die eigenschappen, die anderen ook.
4. Rationalisatie: onacceptabele gedachten et cetera zodanig van een andere interpretatie voorzien
dat
ze wel aanvaarbaar worden.
5. Identificatie met de agressor: angst leidt tot conformisme in plaats van verzet.
6. Verschuiving of verplaatsing: je woede richten op een ander dan de "aanvaller". Dit mechanisme
speelt een rol bij fobische klachten.
6.8 Kinderlijke seksualiteit:
Ook kinderen hebben al een libido. De erogene zones verschuiven tijdens de verschillende
ontwikkelingsfasen. Moeilijkheden ontwikkelen zich pas als het kind begrijpt dat erogene zones
door
anderen als onwenselijk worden beschouwd.
6.9 Genetische gezichtspunt 4
Dit gezichtspunt richt zich op de stadia in het verloop van de ontwikkeling van het emotionele
leven. Het
actuele psychische functioneren van een persoon moet worden gezien aan de hand van zijn
voorafgaande wordingsgeschiedenis.
er zijn verschillende fasen:
# orale fase: 0-1,5 jaar oud. Mond-lust-voeding. Er treedt frustratie op als borstgeven stopt.
# anale fase: 1,5 - 3 jaar oud. Zindelijkheid en agressie. (conflict leidt tot dwanghandelingen en
obsessies).
# fallische-oepidale fase: 3 - 5 jaar oud. Belangstelling voor geslachtsorganen, afkeuring (door
verzorgers) van erotische activiteiten zoals bijvoorbeeld masturbatie.
# latentiefase: 6-12 jaar oud. Dit is een rustige periode
# genitale fase: Puberteit. Periode van biologische rijpheid.
Klinische Psychologie 1
10

Page 11
de gevolgen van stoornissen in de psychoseksuele ontwikkeling:
` # 0 - 5 jaar (orale fase, anale fase, fallische-oepidale fase): deze periode is bepalend voor het
omgaan met driften in de rest van het leven. Deze jaren bezitten veel tegenstrijdigheden: dat wat
de lust prikkelt mag niet. Zonder balans treedt fixatie op problemen op. Bijvoorbeeld:
-
afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
-
regressie: terugval in de ontwikkeling.
6.10 Het Oedipuscomplex (gericht op jongens)
Oepidus vermoordde zijn vader en ging naar bed met zijn moeder. De moeder is het 1elustobject
buiten
het eigen lichaam. De vader wordt hierbij gezien als de rivaal. (Hall 1975). Angst speelt een grote
rol
hierbij.
Freud: mensen zijn van nature biseksueel. Afhankelijk van de identificatie met de vader of de
moeder ontwikkelt de hetero of de homeseksuele kant.
6.11 Het Elektracomplex (gericht op meisjes)
Het meisje stelt haar moeder aansprakelijk voor het gemis van een penis. (volgens Freud), dus heeft
een
voorkeur voor haar vader. Daarnaast speelt ook jaloezie voor haar vader een rol: dit is penisnijd. De
keuze voor identificatie met de vader of de moeder heeft dezelfde gevolgen als bij het
Oedipuscomplex.
6.12 Kritiek op de psychoanalyse
dezelfde verschijnselen kunnen op uiteenlopende manieren worden beschreven.
Er is niet 1 duidelijk geformuleerde psychoanalytische theorie.
Er zijn onvoldoende empirische bewijzen
Directe reacties van patiënten op duidingen worden te makkelijk beschouwd als een bewijs voor
de juistheid van de theoretische opvattingen.
6.13 Andere psychoanalytische opvattingen
Adler (1870-1937): school: individualpsychologie. Nadruk op bewuste, rationele processen en
meer gericht op de toekomst van mensen. Hij bedacht het "minderwaardigheidscomplex":
Gevoelens van minderwaardigheid zijn normaal en leiden tot een streven naar superioriteit. Om
deze minderwaardigheidsgevoelens te bestrijden compenseren mensen tekortkomingen op het
ene terrein met fraaie prestaties op een ander terrein.
Evenwichtstheorie: tekortkoming in een bepaald (biologisch) opzicht leidt tot extra sterke
ontwikkeling in een ander (niet altijd biologisch) opzicht. Als de balans doorslaat is er sprake van
overcompensatie. Adler richt zich ook meer op rivaliteit tussen kinderen in 1 gezin.
Hellinga: als gevolg van Adlers werk formuleerde zij 3 pathologische gedragsvormen:
1. vermijdendetype
2. nemendetype
3. heersendetype
Jung (1875-1961): analytische psychologie:
-
libido heeft minder seksuele lading, maar meer een algemene levenskracht.
-
Elk individu ontwikkelt een maatschappelijke rol, een persona (masker).
mannen persona legt de nadruk op doelgerichtheid, logisch redeneren, beheersen en
veroveren: dit is bewust. Onbewust is dan de anima: een verzameling vrouwelijke
eigenschappen.
vrouwen persona legt de nadruk op verzorgen en koesteren en hebben een animus
(mannelijke eigenschappen).
De tegenstelling tussen de persona en de anima of animus is een bron van conflicten. In
dit geval houdt de psychopathologie in dat 1 facet teveel de overhand krijgt, waardoor de
andere facetten worden verdrongen. Naast bewust, onbewust en voorbewust, ziet Jung
ook nog "het collectieve onbewuste": dit delen alle mensen met elkaar. Zoals bijvoorbeeld
symbolen die overal een sterke betekenis hebben, zogenaamde archetypen.
Egopsychologie: Het Ich heeft in deze stroming meer functies dan alleen driftbeheersing,
namelijk ook ruimtelijke oriëntatie taal spreken en aanpassing. De nadruk ligt meer op de
ontwikkeling van een adaptieve persoonlijkheid.
Klinische Psychologie 1
11

Page 12
Erikson (1902-1994): Er is ook na de kindertijd nog sprake van persoonlijkheidsontwikkeling. Hij
legt ook de nadruk op psychosociale ontwikkeling: de manier waarop mensen de eisen van hun
omgeving verwerken. De fasen die hij hierbij onderscheidt zijn:
1. oraal-zintuiglijke stadium: fundamenteel ver- en wantrouwen. Baby's.
2. Peuters: musculair-anale stadium: zelfstandigheid versus schaamte en twijfel. .
(gevolgen: egocentrisme, agressief gedrag, dwangmatig gedrag, terughoudendheid,
neiging tot schaamte en twijfel aan zichzelf)
3. Kleuters: motorisch-genitale stadium: initiatief versus schuldgevoel. (gevolgen:
onverantwoordelijk gedrag of extreme geremdheid.)
4. Schoolleeftijd: latentie stadium: vlijt versus minderwaardigheid. (beperkingen in het
beroepsmatig functioneren)
5. Adolescentie: identiteit versus identiteitsverwarring. (vorming van negatieve identiteit)
6. Vroege volwassenheid: intimiteit met anderen versus isolement (geneigdheid zich af
te zonderen)
7. Middelbare levensfase: generativiteit versus stagnatie. (overheersing van emotionele
problemen en eigen zorgen).
8. Ouderdom: fase van rijpheid; ego-integriteit versus wanhoop.
Object-relatietheorieen: de wijze waarop hele jonge kinderen met hun omgeving omgaan. De
nadruk ligt hierbij op de pre-oepidale fasen en stoornissen in de ego-ontwikkeling. De relatie
tussen moeder en kind is zeer belangrijk. Andere personen zijn voor het kind "objecten". Er is
aandacht voor individuatie en seperatie; hoe losmaken van de moeder en van anderen.
Winnicot onderscheidt hierin de 'true self' en de 'false self' .
Zelfpsychologie: ontwikkeling van het zelf.
6.14 Psychoanalytische behandeling:
De grens tussen pathologisch en normaal functioneren is moeilijk aan te geven. Het gaat om de
structuur
van de persoonlijkheid en de structurele pathologie achter klachten en symptomen, dus ook geen
indeling
in afgebakende categorieën. Onopgeloste conflicten werken in latere fasen nog door.
kenmerken van de psychoanalytische therapeutische behandeling:
1. het belang van overdrachtsverschijnselen: de patiënt heeft een sterke interactie met de
analyticus met de herhaling van iets uit de vroege kinderjaren.
2. Interpretatie en inzicht: problemen weten en voelen. Inzicht door interpretatie
3. Overwinnen van weerstand: weerstand is alles wat verandering tegenwerkt. Je hebt dus:

A. klassieke psychoanalyse
B. psychoanalytische psychotherapie
C. steunend-structurerende therapieën
Lezen: uitwerking opdracht 6.1, pagina 54 van het werkboek.
Klinische Psychologie 1
12

Page 13
Deel 2 Hoofdstuk 7: Humanistische theorieën:
Richt zich op de specifiek menselijke trekken van ons functioneren en ervaren. De belevingswereld
van
de cliënt staat centraal.
7.2 Kenmerken
1. de mens is van nature goed
2. het individuele en het unieke van de persoon en zijn gevoelens en gedachten.
3. Bestuderen van de mens als geheel, niet als losse aspecten zoals het leren of het waarnemen.
"zelfverwerkelijking".
4. De mens is een zich ontwikkeld wezen:
-
essentie/stabiele: eigenschappen en gewoonten (zijn).
-
Existentie: proces van ontwikkeling en verandering (worden). En becoming; openstaan voor
nieuwe mogelijkheden.
5. nadruk op de bewuste beleving. Zelfreflectie is een belangrijke informatiebron.
6. Individu is een zichzelf regulerend organisme. Menselijke onafhankelijkheid.
7.3 Rogers (1902-1987) en de clientgerichte benadering:
In de therapie moet de cliënt met zijn denken en voelen centraal staan. Deze theorie heeft Rogers
ontwikkelt op basis van zijn ervaringen in de therapeutische praktijk. Volgens Rogers zijn mensen
met
psychische problemen het contact met hun werkelijke ervaringen kwijtgeraakt.
de ontwikkeling van de individuele persoon:
-
neiging tot zelfverwezenlijking/zelfactualisatie, waarbij de uiteindelijke vorm niet vast ligt. Ook
negatieve gedachten en emoties zijn van positieve betekenis voor de ontplooiing van de
persoon.
-
Het gaat om de werkelijkheid zoals de persoon deze subjectief beleeft. Subjectief waarnemen
is percipiëren
-
Gedrag is de doelgerichte poging om de ervaren behoeften aan zelfverwezenlijking te
realiseren in een werkelijkheid zoals hij die percipieert, geleid door zijn "persoonlijk
waarderingsproces" (=een spontaan aanvoelen van ervaringen als positief of negatief.)".
-
Als gevolg van bovenstaande punten, ontwikkelt het individu een samenhangend zelfbeeld.
De behoefte aan positieve waardering. De mens is sociaal.
-
er is sprake van voorwaardelijke positieve waardering (van anderen).
-
Er is ook behoefte aan positieve zelfwaardering.
incongruentie: diepste gevoelens: "de ervaring". Sommige daarvan kunnen heel bedreigend zijn,
omdat ze afkeuring van anderen oproepen of van jezelf. Als je dit niet van jezelf durft te
erkennen, ga je je gevoelens dus verdraaien of ontkennen, dit is incongruentie tussen ik-
zelfbeeld en "de ervaring". Subceptie: onbewust waarnemen. De incongruentie veroorzaakt
spanning en onrust = kern van psychopathologie.
Een fully functioning person = als het zelfbeeld en het zelfideaal samenvallen. Het centrale
probleem in deze theorie is "wie ben ik werkelijk?".
therapie: er zijn 3 voorwaarden voor de therapie:
1. de therapeut moet in zijn relatie met de patiënt congruent kunnen functioneren
2. De therapeut moet de cliënt veel onvoorwaardelijke positieve waardering tonen.
3. Empathie: de therapeut moet zich inleven in de denk- en gevoelswereld van de cliënt.
Toetsing:
-
onderzoek via inhoudsanalyse. Systeem van rangschikken van de uitingen van de cliënt.
(persoonlijk - heel persoonlijk).
-
Onderzoek via de Q-techniek: (stephenson 1953). Methode om opvattingen van het individu
over zichzelf systematisch te onderzoeken. Uitspraken op kaartjes waarvan de persoon ze
moet indelen naar "wel of niet of meer of minder op mij van toepassing". Dit kan op basis van
het zelfbeeld of op basis van het zelfideaal.
Kritiek;
-
het is naïef om de nadruk te leggen op bewuste processen.
-
Er is weinig aandacht voor psychopathologie en de specifieke inhoud van de problemen van
personen. Diagnose = noodzakelijk voor behandeling.
-
Verwaarlozing van externe correctie en stimulering van het leerproces.
Klinische Psychologie 1
13

Page 14
7.4 Andere humanistische theorieën:
Maslow (1908-1970): positieve motivatietheorie:
~ primaire levensbehoeften
~ veiligheid, saamhorigheid, liefde, achting/waardering. (oorzaak van emotionele problemen bij
kinderen en neurotici).
~ cognitieve en esthetische behoeften waarheid en schoonheid. (effect op het functioneren en
ontwikkelen van een persoon.)
~ behoefte aan zelfverwezenlijking:
Zie figuur 7.1 op pagina 284
De behoeften zijn aangeboren, maar de gedragingen om ze te bevredigen zijn aangeleerd.
Laing (1927-1989): hij bestudeerde schizofrenie-patienten. Diepe onzekerheid over het eigen
bestaan als gevolg van het ontbreken van consistente ervaringen in de omgang met mensen in
de jeugd.
Klinische Psychologie 1
14

Page 15
Deel 2 Hoofdstuk 8: Systeemgeoriënteerde benaderingen van psychopathologie:
Afwijkend gedrag is een intermenselijk probleem en geen individuele stoornis.
8.2 systeemgeoriënteerde benaderingen:
begrippen:
-
systeem: verzameling elementen die onderling met elkaar samenhangen. Een verandering in 1 deel
heeft invloed op de andere delen. Een systeem bestaat uit subsystemen.
-
Wederzijdse beïnvloeding tussen gezinsleden. Oorzaken kunnen ook gevolgen zijn en vice versa.
-
Homeostase: het interne evenwicht van het gezin.
-
Homeostatische mechanismen: gericht op het herstellen van het evenwicht.
-
Feedbackprocessen: onafgebroken informatie uitwisseling binnen het systeem en tussen het systeem
en de omgeving.
positieve feedback: verandering stimuleren.
negatieve feedback: verandering afremmen.
-
principe van equifinaliteit: een bepaald verschijnsel kan het gevolg zijn van geheel verschillende
begintoestanden.
-
Equipotentialiteit: een bepaalde beginsituatie kan tot heel verschillende eindtoestanden leiden.
verschillende betekenissen van systeembenadering:
1. paradigmaverschuiving: het gedachtegoed dat gepropageerd wordt door aanhangers van de
algemene systeemtheorie:
-
cybernetica: bij beschrijving van de systemen wordt gebruik gemaakt van begrippen
uit de mechanica in plaats van de biologie.
-
Informatietheorie: het verloop van communicatie en de factoren die beïnvloeden of er
stoornissen in de informatieoverdracht optreden.
2. therapievorm: samen bij de behandeling aanwezig zijn.
3. Betekenis met betrekking tot het doel of de inhoud van de behandeling. Doel van het thema =
verbeteren van het functioneren van het gezin. De inhoud van het thema = onderlinge
relaties van gezinsleden.
8.3 Gezinsbehandeling:
Sinds de jaren 50.
8.4 De communicatietheoretische benadering:
Het gezin is een communicatief systeem. Nadruk ligt op patronen.
Palo - alto groep (Bateson, Haley, Jackson, Weakland en Satir): stoornissen etcetera komen
voort uit disfunctionele communicatiepatronen in het gezin. Door middel van verandering van
'ziekmakende' processen zouden klachten afnemen of verdwijnen.
Zender, boodschap en ontvanger
Kenmerken van de communicatie:
1. alle gedrag is communicatie: schizofrenie is hierbij een poging tot niet communiceren.
2. Inhouds- en betrekkingsniveau: inhoud is meestal een boodschap in woorden.
Betrekking/relatie is hoe de inhoud moet worden opgevat. De relatie tussen zender en
ontvanger is belangrijk. Mensen presenteren daarbij ook impliciet een omschrijving van
zichzelf. De ontvanger kan die omschrijving bevestigen, verwerpen of negeren.
3. Interpunctie: het aanbrengen van "leestekens" in een communicatiepatroon. Mensen zijn
geneigd zelf oorzaak en gevolg te definiëren
Verschillende soorten interactiepatronen:
a. symmetrisch: de betrokkenen nemen gelijke posities in in de interactie en wisselen
gelijksoortige boodschappen uit.
b. Complementair: als mensen verschillende posities innemen en andersoortige boodschappen
uitwisselen. (leidende en volgzame positie).
als beide voorkomen: "parallelle relaties"
overwegend complementair: "verstarring"
tegenstrijdigheden in de communicatie:
a. tegenstrijdigheid binnen 1 communicatiekanaal. Een mondelinge boodschap die later wordt
ontkracht. Dit kan ook door 2 personen (bijvoorbeeld ouders.).
b. tegenstrijdigheid tussen verschillende communicatiekanalen. Zonder enthousiasme iets
positiefs zeggen.
schadelijke gevolgen van paradoxale communicatie in het gezin: bijvoorbeeld wees spontaan!
Dit is ook de kern voor:
Klinische Psychologie 1
15

Page 16
dubbele binding: volgens deze theorie verantwoordelijk voor het ontstaan van schizofrenie:
x. 2 of meer personen hebben een relatie die voor tenminste 1 van hen erg belangrijk is.
x. er moet sprake zijn van een paradoxale boodschap.
x. het is voor de ontvanger niet mogelijk zich aan de situatie te onttrekken of commentaar te
leveren op het paradoxale karakter van het bericht.
8.5 De structurele benadering.
Minuchin: hij behandelde in de jaren zestig delinquente jongeren in de VS. Na terugkeer in het
gezin vervielen zij vaak snel in het oude patroon. Volgens hem was dit het gevolg van de
achtergestelde positie van die gezinnen. In deze theorie is het gezin een voortdurend
veranderend sociaal systeem met als hoofdtaken het waarborgen van de continuïteit van het
gezinssysteem en het bevorderen van de ontwikkeling van de individuele gezinsleden. Een
pathologisch gezin houdt star vast aan oude interactiepatronen.
Gezinsstructuur, functies en grenzen:
1. gezinsstructuur heeft betrekking op de regels die ten grondslag liggen aan de
interactiepatronen. (impliciete gedragsregels).
2. Het gezin bestaat uit subsystemen: van de partners, van de kinderen, van de ouders. Om
goed te kunnen functioneren moet het subsysteem duidelijke grenzen hebben.
associaties en coalities:
associatie: als 2 of meer leden een subsysteem vormen voor het realiseren van een
gemeenschappelijk doel.
coalitie: als 2 of meer leden een front vormen tegen 1 of meer leden.
hiërarchie en het leidinggevende subsysteem. Een duidelijke hiërarchie is essentieel voor het
goed functioneren van een gezin:
triangulatie: het kind moet in dit geval kant kiezen.
adjudant/geparentificeerd kind: het kind krijgt een deel van het gezag/opvoedingstaken.
kluwen en los-zand gezinnen:
kluwengezin: grenzen tussen subsystemen zijn vervaagd en er is een rigide grens tussen het
gezinssysteem en de buitenwereld.
los zand gezin: starre grenzen tussen gezinsleden en de grens met de buitenwereld is
vervaagd.
fasen in de gezinsontwikkeling; levenscyclus van het gezin:
1. de fase zonder kinderen
2. uitbreidingsfase: vanaf het 1e kind t/m het laatste
3. stabilisatiefase: tot het 1e kind het huis uitgaat.
4. Fase waar kinderen het huis uitgaan.
5. Fase van het lege nest.
6. Fase van partner alleen na dood van de ander.
Gezinsstructuur en pathologie: Gezinsstructuren zijn geen oorzaak van pathologie bij een
gezinslid. Er is sprake van een wisselwerking. Er zijn volgens Colapinto 3 mogelijke relaties
tussen structuur en stoornis:
1. structuur draagt passief bij aan instandhouden van de stoornis. Dus gezinsleden
bekrachtigen het afwijkende gedrag.
2. Structuur kan een context vormen die het risico op het ontstaan van een
psychopathologische stoornis vergroot.
3. Structuur kan herhaling van eenmaal ontstaan afwijkend gedrag van een gezinslid
stimuleren. Dat gedrag fungeert dan als homeostatisch mechanisme
Het psychosomatische gezin:
-
heeft een kluwenstructuur
-
heeft gebrek aan leiding
-
overbescherming
-
conflictvermijding
-
structuur is extreem rigide.
Klinische Psychologie 1
16
Page 17
8.6 De intergenerationele benadering. (contextuele benadering).
Nagy, Bowen, Framo: Volgens Nagy moet de therapeut minstens 3 generaties erbij betrekken.
Deze theorie is een combinatie van systeemtheoretische en psychodynamische opvattingen. De
aandacht gaat wat meer uit naar het verleden.
Theorie van Nagy: relationeel-ethisch model
# 4 dimensies:
1. feitelijke kenmerken
2. psychologische processen
3. interactiepatronen (machtsverhoudingen, rollen)
4. relationele ethiek: evenwicht tussen geven en ontvangen in relaties en "loyaliteit", het
bindende element in menselijke verhoudingen. !!!
# loyaliteiten:
a. primaire/existentiele: het kind is verbonden aan de ouders
b. verticale loyaliteit: tussen verschillende generaties in een familie.
c. Horizontale loyaliteit: partner, vrienden en kennissen. Deze kan worden verbroken.
d. Onzichtbare loyaliteit: als mensen niet openlijk loyaal kunnen zijn aan hun oorsprong.
De loyaliteit blijft dan 'ondergronds' voortbestaan en veroorzaakt loyaliteitsconflicten
in andere relaties.
e. Gespleten loyaliteit: als het kind moet kiezen. Dit is onmogelijk vanwege de primaire
loyaliteit tussen het kind en de ouders.
# roulerende rekeningen: het recht tot destructie: het eigen tekort in de jeugd wordt later verhaald
op derden.
8.7 Behandeling:
strategische gezinstherapie: vooral toepassing van de communicatiebenadering. De nadruk ligt
op de functie van de stoornis in het gezinssysteem en op de machtsverhoudingen.
Systemische/cybernetische therapie: communicatiebenadering heeft ook hier veel invloed op
gehad. Gebruik van paradoxale interventies: schijnbaar in strijd met de behandeling, maar juist
toegepast om dat doel te bereiken.
Structurele gezinstherapie: observatie van spontane interactie is een belangrijk diagnostisch
instrument. Er wordt beoordeeld op:
1. gezinsstructuur
2. Flexibiliteit
3. Resonantie (mate v. Reageren op gedrag)
4. context
5. Rol van problemen in het handhaven van patronen.
intergenerationele therapie actuele problemen worden geïnterpreteerd binnen de context van de
generaties. Aan de hand van de vier dimensies van Nagy. De therapeut is hierbij veelzijdig
partijdig.
8.8 Kritiek:
metaforisch taalgebruik en onduidelijke en verschillende definiëring van concepten, waardoor de
theorieën moeilijk kunnen worden onderzocht.
Dat bepaalde interactiepatronen in het gezin stoornissen bij individuele gezinsleden zouden
veroorzaken....
Op de stelling dat het onjuist is verschijnselen te analyseren in termen van oorzaak en gevolg,
omdat er sprake zou zijn van circulaire causaliteit.
Op de stelling dat individuele behandeling vaak leidt tot stoornis bij een ander gezinslid of leidt tot
verstoorde relaties in het gezin.
Eenzijdig gericht op interactiepatronen.
Klinische Psychologie 1
17
Page 18
Deel 2 Hoofdstuk 9: theorieën beschouwd:
9.3 Relativisme:
Relativistisch standpunt bij de verklaring van psychopathologische stoornissen: of een verklaring
deugt,
hangt af van de theorie die je aanhangt..
Theorieën als paradigma: als theorieën zich richten op hetzelfde aspect van hetzelfde
verschijnsel. Bijvoorbeeld bij de dwangstoornis:
leertheorie: angstreductie is "beloning" voor het controleren (in deze theorie neemt
gedrag toe in frequentie)
psychoanalyse: afweermechanisme "reactieformatie" is om onbewuste agressieve
impulsen onder controle te houden.
incommensurabele perspectieven missen een gemeenschappelijke maat waarmee ze vergeleken
kunnen worden (bijvoorbeeld de afbeelding van de jonge vrouw en de oude vrouw tegelijk).
Paradigma's zijn stelsels van theoretische concepten, impliciete ideeën over wat relevante feiten
zijn, methodische gewoonten en exemplarische voorbeelden van de te volgen werkwijze.
Relativisme in de klinische praktijk: hierin zijn theorieën referentiekaders, waarvan de psycholoog
wel of geen aanhanger kan zijn. Dit zie je ook terug in de verschillende therapeutische
verenigingen.
9.4 Pragmatisme:
Het bepalen van relatieve effecten van therapieën door middel van de meta-analyse: dit is een
statistische methode om te vergelijken. ES: effect size; de gemiddelde vooruitgang in combinatie
met de
spreiding bij die vooruitgang:
Geen effect ES=0
Gering effect ES=0,2
Matig effect ES=0,5
Groot effect ES=0,8
9.5 Wetenschap:
eclectisme: werkwijze waarbij zo goed mogelijk wordt nagegaan welke techniek bij welke klacht
effectief is, waarna de therapeut de betreffende technieken toepast. Ook hier zitten nadelen aan
(bijv. nooit bij 100% van de patiënten effect).
9.6 recente ontwikkelingen
1. het negeren van filosofische vraagstukken: moet je gebruik maken van de natuurwetenschappen
of van invoelend vermogen? Dit wordt meer en meer genegeerd.
2. Verzakelijking van de klinische psychologie
3. Praten versus Pillen: farmaca of psychologische interventies; wat is het beste?
Klinische Psychologie 1
18

Page 19
Hoofdstuk 10 Classificatie
10.2 Wat is classificeren?
Een indeling in klassen, meestal op basis van symptomen. Een groep symptomen kan een syndroom
zijn.
Barlow: een classificatiesysteem moet:
-
betrouwbaar zijn
-
zinvol zijn om subtypen te onderscheiden. Subtypen verschillen van elkaar in hun oorzaken
(etiologie), de wijze waarop de stoornis zich ontwikkelt, de prognose en de effectieve behandeling.
Dit zijn kenmerken van een nosologische of ziekte eenheid.
Classificatie is de uitkomst van het diagnostisch proces.
10.3 Soorten classificatie:
1. het onderscheid tussen dimensioneel en categorieel classificeren.
categorieel classificeren: indeling in afzonderlijke klassen die duidelijk van elkaar afgegrensd zijn.
Differentiële diagnose/differentiaaldiagnose= iemand is lid van een bepaalde klasse, als
lidmaatschap van een andere klasse daarmee onwaarschijnlijk is geworden.
Opvattingen over classificatie laten vaak zien dat de klassen van een indeling doorgaans in
elkaar overlopen, er is eerder sprake van prototypen van bijvoorbeeld psychische stoornissen.
Dan hoeft een patiënt dus niet alle symptomen te hebben om die bepaalde diagnose te krijgen.
dimensioneel classificeren: dit aan de hand van de gradatie, de mate waarin. Hierbij heb je:
~ 1dimensioneel: personen ordenen op basis van 1 variabele
~ meerdimensioneel: rangordening op meer dan 1 continuüm
Door de dimensionele aanpak kan je beter de nuances of de ernst van de stoornis aangeven.
2. Onderscheid tussen monothetische en polythetische classificatie:
monothetische classificatie: leden van een klasse hebben 1 of meer specifieke kenmerken
gemeen, die voorwaarde zijn tot het behoren tot die klasse. Dus er is sprake van minimaal 1
gemeenschappelijk kenmerk.
Polythetische classificatie: leden hebben een groot aantal gemeenschappelijke kenmerken, maar
hoeven niet noodzakelijk 1 specifiek kenmerk gemeen te hebben.
3. Onderscheid tussen symptomen versus pathogene mechanismen:
symptomen: descreptieve/beschrijvende classificatie. De patiënt rapporteert de symptomen of ze
zijn waarneembaar.
Pathogene (ziekmakende) mechanismen: indeling op basis van de processen die de symptomen
zouden veroorzaken.
4. onderscheid tussen hiërarchische en nevenschikkende classificatie:
hiërarchische: indeling met klassen van ongelijke rangen
nevenschikkende: indeling met klassen van gelijke rang.
10.4 Diagnostiek en classificatie van de klinische psychologie:
met behulp van verschillende diagnostische instrumenten (H11) proberen klinisch psychologen een
breder profiel van de patiënt te krijgen. Afname belangstelling jaren 70 voor diagnostiek en
classificatie
als gevolg van de toegenomen nadruk op persoonlijke waarden en het unieke van ieder mens.
10.5 Opvattingen over classificatie
oordelen over (ab)normaal gedrag is afhankelijk van maatschappelijke en culturele factoren.
Ook afhankelijk van de opvattingen binnen een cultuur.
Opvattingen kunnen veranderen (bijvoorbeeld homoseksualiteit)
Afhankelijk van subjectieve en professionele referentiekader van de diagnosticus.
Klinische Psychologie 1
19

Page 20
10.6 Criteria voor adequate classificatie:
betrouwbaarheid : als verschillende beoordelaars op basis van het systeem tot een eensluidend
oordeel komen of na herhaling hetzelfde resultaat oplevert, is het systeem betrouwbaar. De
betrouwbaarheid neemt toe als de klassen nauwkeurig zijn beschreven en door middel van
standaardprocedures bij het verzamelen van informatie voor het classificeren.
Validiteit: meet het systeem wat het moet meten? Dit kan je vaststellen door het bestuderen van
de relatie tussen convergente (gelijksoortige) en divergente (ongelijksoortige) gegevens.
Convergente validiteit = mate waarin de verschillende operationalisaties van hetzelfde begrip met
elkaar samenvallen.
Divergente validiteit = de mate van samenhang van operationalisaties van andere begrippen.
(nog even deze paragraaf nalezen!!)
10.7 DSM-IV: diagnostic and statistic manual of mental disorders
de DSM-IV is een nevenschikkend, categorieel en polythetisch. De indeling veronderstelt
afzonderlijke
klassen waarbinnen verschillende combinaties van symptomen tot dezelfde diagnose kunnen leiden.
AS I : klinische syndromen:
DSM-IV onderscheidt hierin 15 hoofdcategorieën (zie tabel 10.1, p. 367)
AS II: persoonlijkheidsstoornissen: dit zijn duurzame en starre gedragspatronen en belevingen,
waarmee de persoon zich duidelijk onderscheidt van andere leden van dezelfde cultuur.
DSM-IV onderscheidt 10 stoornissen en 1 restcategorie, verdeeld in 3 clusters A, B, C. (zie
tabel 10.2, p. 372) Meervoudige diagnose op as II is mogelijk. De restcategorie is zwakzinnigheid
(een IQ van 70 of lager.
ASSEN III, IV, V: medische en psychosociale problemen en het algemene niveau van
functioneren van een cliënt
III: somatische aandoeningen bijvoorbeeld lichamelijke aandoeningen die de AS I of II klachten
verergeren.
IV: psychosociale/omgevingsproblemen in het jaar voorafgaand aan de diagnose.
V: algemene beoordeling van het functioneren in onder andere psychisch, sociaal en
beroepsmatig opzicht. Voor de beoordeling hiervan kan de GAF-schaal worden gebruikt; Global
Assessment of functioning 1= voortdurend gevaar, 50=ernstige symptomen/tekortkomingen,
100= uitmuntend functioneren.
10.8 ICD-10 International Classification of diseases:
uitgegeven door de world health organization. Vooral gericht op somatische aandoeningen:
A-Z en 00-99 codering
F=psychische en gedragsstoornissen. Zie ook tabel 10.3, pagina 376-377
Er is meer ruimte voor interpretatie door de psycholoog.
Klinische Psychologie 1
20

Page 21
Hoofdstuk 11: Klinische diagnostiek
Het doel van klinisch diagnostische activiteiten is het opstellen, toetsen van hypothesen over de
problemen van de cliënt
11.2 Methoden in de klinische diagnostiek de methoden onderscheiden zich op:
1. de informatiebron: cliënt, andere personen uit de omgeving, verpleging.
2. Doelgroep van de methode: afhankelijk van bijv. leeftijd van de cliënt, aard van de
psychopathologie, lichamelijke klachten, bereidheid mee te werken.
3. Aard van het contact tussen clinicus en cliënt direct, op schrift, observatie.
4. Verschil in modaliteit: modaliteit is verschillende aspecten van het functioneren, zoals gedrag,
emotie, gedachten, sociale kenmerken.
5. Gestandaardiseerde en niet gestandaardiseerde methoden: methode voor iedereen hetzelfde
toepassen of aanpassen aan de cliënt
6. Verbaal t.o. niet verbaal.
7. Kwantitatieve (score) en niet kwantitatieve (verhaal) methode.
8. Categorieel vs. dimensioneel
9. Specifiek (gericht op kleine onderdelen van het probleem=modeculair) tegenover globaal
(molair).
10. Retrospectief (info uit het verleden) versus prospectief ( info die nog moet worden verzameld).
COTAN (commissie testaangelegenheden Nederland) beoordeelt de kwaliteit van psychologische
instrumenten.
11.3 Het klinisch interview:
praten, observeren, meestal auto-amnese (cliënt is zelf de informant), heteroamnese is als je de info
van
anderen krijgt.
A. ongestructureerde, open interview: de vorm en de inhoud zijn vrij. (vooral toegepast in de
geestelijke
gezondheidszorg). Belangrijk hierbij is:
de verwachtingen die de cliënt heeft van het gesprek moet je leren kennen.
De voorwaarde dat de cliënt meewerkt en aanspreekbaar is.
Bij retrospectief verzamelen van gegevens dreigt het gevaar van herinneringsvervalsing.
De gesprekstechnieken van de interviewer bepalen of het interview belangrijke info oplevert.
Het theoretische kader en de klinische ervaring van de interviewer is van invloed op het
onderwerp van het gesprek.
Open interviews hebben een lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (=overeenstemming tussen
verschillende beoordelaars).
B. Semi-gestructureerd interview: een deel van de vragen ligt vast en hebben eventueel een
volgorde.
(psychologen gebruiken dit voor het systematisch verzamelen van gegevens.) Belangrijk hierbij is:
semi-gestructureerde interviews bestrijken meestal een beperkter gebied. Bijvoorbeeld:
-
Present State Examination PSE : versie 10 (nu) is een deel van schedules for clinical
assesment in neuropsychiatry (SCAN). De SCAN bevat een aantal instrumenten voor het
vaststellen van psychopathologie bij volwassenen, de interviewer moet hiervoor een
intensieve training volgen.
-
Anxiety disorders intervention schedule ADIS: voor angststoornissen, gericht op differentiële
diagnostiek: aan welke specifieke angststoornis leidt de patiënt? Sleutelvragen en
aanvullende vragen.
-
Hamilton Ration Scale for depression HRSD: depressie-interview; oorspronkelijk 17 items
mbt symptomen van depressie. Nu toevoegingen. Dimensioneel interview: ernst van de
depressie als syndroom vaststellen. Vindt plaats na de diagnose "depressie".
C. Gestructureerd interview: formulering van de vragen en de volgorde ligt vast. Variatie is niet
toegestaan. Interviewers moeten hiervoor vaak een training volgen.
Klinische Psychologie 1
21

Page 22
11.4 Gedragsobservatie
soorten observatie:
a. wie: door cliënt psycholoog, huisarts, partner, vrienden.
b. Waar: in lab, psychiatrisch ziekenhuis, thuis.
c. Wat: globale gedrag (molair), specifiek gedrag (moleculair).
d. Hoe: direct, indirect, continu, incidenteel, gestructureerd, ongestructureerd.
toepassingen en beperkingen:
a. in diagnostische fase kan het helpen verbanden te leggen en de frequentie vast te stellen.
b. In latere fases kan het veranderingen registreren.
c. Probleem van de reactiviteit: cliënt weet ervan en dat beïnvloedt hem op onvoorspelbare
wijze.
d. Leniency effect: neiging van mensen om vrienden en bekenden hoger in te schatten op
bepaalde eigenschappen.
e. Halo effect: neiging om alle eigenschappen van een persoon te beoordelen in de richting van
de algemene indruk in plaats van op zichzelf staand.
f. Logica fout: neiging om gelijksoortige oordelen te geven op eigenschappen die "logisch met
elkaar verbonden" lijken, terwijl dat niet zo hoeft te zijn.
g. Contrast fout: neiging om anderen op een bepaalde eigenschap tegengesteld aan zichzelf te
beoordelen.
h. Neiging om vooral "gemiddelde" scores te geven en extremen te vermijden.
observatie instrument: De BOP; Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten =
gestandaardiseerde observatieschaal. Er zijn 6 schalen:
1. hulpbehoevendheid
2. Hinderlijk en agressief gedrag.
3. depressief gedrag
4. Lichte invaliditeit
5. psychische invaliditeit
6. Inactiviteit
Eventsampling: wordt vooral toegepast bij gedragingen van de cliënt die zich niet zo vaak
voordoen.
11.5 Persoonlijkheidsvragenlijsten en klachtenlijsten
Persoonlijkheidsvragenlijsten meten kenmerken van de persoonlijkheid
Klachtenlijsten meten verschijnselen die toestandgebonden zijn en in de tijd kunnen variëren
De vragen staan vaak in willekeurige volgorde, en zijn vaar MC.
toepassingen en beperkingen:
a. cliënt vult het zelf in.
b. Relatie client/psycholoog speelt geen rol
c. Voorwaarde is medewerking van de cliënt (wil, taal, kunnen)
Nederlandse Persoonlijkheidsvragenlijst NPV: 133 items die 7 persoonlijke eigenschappen
meten.
Symptom Check list (SCL-90): 90 items die een aantal klachtengebieden meten. Ze meten
relatief stabiele persoonlijkheidseigenschappen.
11.6 Intelligentietests
Het IQ van een cliënt wordt vergeleken met die van relevante normgroepen = deviatie IQ
soorten:
1. Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS): 11 subtests voor specifieke onderdelen van de
intelligentie. De resultaten zijn een verbaal IQ (6 subtests), en een performance IQ (5
subtests)
2. Groninger Intelligentie Test (GIT): 9 subtests met tijdslimiet voor uitvoering van de
opdrachten.
Toepassingen en beperkingen:
-
informatie voor zwakbegaafdheid of achteruitgang van de intelligentie
Klinische Psychologie 1
22

Page 23
11.7 Projectieve methoden:
voorleggen van testmateriaal waarop cliënt naar eigen inzicht reactie moet geven. De psycholoog
verbindt in de praktijk ook zijn eigen interpretatie daaraan.
Soorten:
-
rorschachtest: tien platen met symmetrische vormen die op inktvlekken lijken
-
thematic apperception test (TAT): 30 platen van scènes met mensen. De cliënt moet daar
een verhaal bij vertellen.
-
Zin Aanvul Test (ZAT)
toepassingen en beperkingen:
-
vooral van toepassing bij onbewuste motieven en innerlijke processen
-
lage betrouwbaarheid.
11.8 Neuropsychologische tests
invloed van veranderingen in de hersenfunctie.
toepassingen en beperkingen:
-
gericht op infoverwerking en de stoornissen daarin.
-
Niet geijkt/ gestandaardiseerd in Nederland.
Bourdon Wiersma test: papier met punten die je moet doorstrepen
15 woorden test: woorden herhalen
Cognitieve Screening Test: CST; meet cognitief verval bij ouderen.
Klinische Psychologie 1
23

Page 24
Deel 4: Psychopathologie - Hoofdstuk 12: de paniekstoornis, fobieën en gegeneraliseerde angst
Angst bestaat uit meerdere responssystemen;
- subjectieve gevoel
- gedachten
- lichamelijke verandering
- motorische activiteit

indien deze allemaal aanwezig zijn is er sprake van concordantie
indien deze niet allemaal aanwezig zijn is er sprake van discordantie

Trait-anxiety: als iemand in de zin van een persoonlijkheidstrek angstig is.

12.2 De paniekstoornis:
paniekaanvallen: heftige lichamelijke sensaties, derealisatie, depersonalisatie (van zichzelf
losstaan),
angst voor nieuwe aanvallen (m.a.g. vermijding = agorafobie geworden.) zonder vermijdingsgedrag
is er
geen sprake van agorafobie.
Criteria tabel 12.1 pagina 416

12.3 De specifieke fobie
Irrationele angst voor een bepaald object of een bepaalde situatie. Volwassenen realiseren zich vaak
dat
hun angst irrationeel is, maar dit is niet zo als ze zich in die bepaalde situatie bevinden. De DSM-IV
onderscheidt:
de dierfobie
de natuurfobie
situationele fobie (bijvoorbeeld claustrofobie)
de bloedletsel fobie
overige specifieke fobieën, bijv. de slikfobie
Criteria tabel 12.2 pagina 421
12.4 De sociale fobie (de sociale angststoornis)
Deze fobie manifesteert zich vaak in de late tienerjaren. Angst voor afkeuring, vernedering.
Gegeneraliseerde sociale angst: als de angst in tal van situaties aanwezig is.
Criteria tabel 12.3, pagina 423
12.5 Gegeneraliseerde angststoornis
Non-situatieve angst. Niet superhevig, maar wel lang aanwezig. Gefixeerd op alles wat fout kan
gaan.
Minimaal een half jaar durend, en gericht op uiteenlopende onderwerpen.
Criteria: tabel 12.4 pagina 426
12.6Differentiele diagnostiek en cormobiditeit
-
gaat vaak samen met depressieve kenmerken
-
welke diagnose beschrijft de klachten het beste?
12.7 epidemiologie
de stoornis komt veel voor. Verhouding man-vrouw is 1:2
Klinische Psychologie 1
24

Page 25
12.8 Theorieën over het ontstaan en voortbestaan van angststoornissen
1. psychoanalytische visie: maakt een onderscheid tussen realistische en neurotische angst. Mensen
ontwikkelen als kind al afweermechanismen die als functie hebben instinctieve impulsen te
kanaliseren. Indien dit mislukt, ontwikkelt zich angst (neurotisch). Bij fobici zijn deze
afweermechanismen vooral verdringing en verplaatsing/verschuiving.
2. Leertheorieën. Volgens de klassieke conditioneringtheorie spelen onaangename of aversieve
stimuli een rol in het ontstaan van fobieën. De wet van effect: gedrag met positieve gevolgen wordt
versterkt, hierdoor wordt het vermijdingsgedrag in stand gehouden. Operante conditionering
"verklaart" vooral het voortbestaan van de fobie: het vermijdingsgedrag levert iets op; de fobicus
voorkomt blootstelling aan de UCS. De tweefactorentheorie van fobieën: klassieke conditionering
verklaart het ontstaan, operante conditionering het voortbestaan.
3. Cognitieve theorieën. Fobici misinterpreteren de fobische stimuli als voorbode van onheil. Het
gevolg is:
een verstoring van de informatieverwerking
een cognitieve theorie van paniek. Lichamelijke reacties spelen een oorzakelijke rol bij het
optreden van paniek.
Zie figuur 12.1 pagina 436
4. Biologische
aspecten:
noradrenaline: in het centrale en perifere zenuwstelsel
serotonine: bevindt zich in de Raphe-kernen
GABA: is een inhiberende neurotransmitter die de kans verkleint dat een zenuwcel wordt
geactiveerd.
Genetische aanleg en storingen in de hersenen vormen de oorzaken van het ontstaan van de
angststoornis.
12.9 Psychologische behandeling
exposure therapie: kan zijn flooding (hiërarchisch indelen en als 1e blootstellen aan de engste
stimulus) en kan zijn graduele therapie (blootstelling opbouwen naar de engste). Deze therapie
heeft minder effect (en kan ook minder goed) bij de sociale fobie.
Cognitieve therapie
Klinische Psychologie 1
25

Page 26
Hoofdstuk 13 Obsessief-compulsieve stoornis (behoort tot de angststoornissen)
13.2 Dwanggedachten en dwanghandelingen
Dwangneurotische problemen hebben een mentale en een motorische component.
De mentale component bestaat uit dwanggedachten: voorstelling die ongewild in het bewustzijn is
(obsessie). De motorische component bestaat uit dwanghandelingen.
Indien er alleen sprake is van dwanggedachten is er sprake van een obsessie met een bifasische
structuur. De gedachten hebben betrekking op:
-
een ander schade of leed kunnen berokkenen
-
zelf, ander of een object kan vies of besmet zijn
-
twijfel aan het juist uitvoeren van een handeling
De handelingen hebben betrekking op:
-
controledwang
-
schoonmaak/wasdwang
Repetitief en ritueel karakter. Als een ander de controle voor de patiënt overneemt (tijdelijk) is het
weer even over.
Zie criteria tabel 13.1 pagina 452.
12.3 Differentiële diagnostiek:
De stoornis komt ook voor bij andere stoornissen, zoals psychosen, hypochondrie, maar dan wel
met verschillen in het realiseren, de vorm, etc.
12.4 Epidemiologie
ongeveer 1 a 2% van de bevolking. Veel in de kindertijd, maar "echt" pas aan het einde van de
adolescentie, of begin volwassenheid.
12.5 Ontstaan en voortbestaan:
1. Psychoanalytische visie: angst is het teken dat afweer van onaanvaardbare agressieve of seksuele
impulsen faalt. De visie sluit aan bij het klinisch beeld van de dwangneurose. De basis ligt in de
kindertijd.
2. Leertheorie en cognitieve psychologie: 2 factorenmodel:
ontstaan van dwangstoornissen: een situatie CS (bijv. gas aan) is meerdere keren voorafgegaan
aan een aversieve gebeurtenis (UCS). De CS is hiermee voorspeller van de UCS geworden (dit
is niet adequaat).
Voortbestaan van handelingen: dwanggedrag maakt UCS onschadelijk en dempt dus de angst
voor de CS. Angstreductie is dan een beloning volgens de wet van effect.
Voorbestaan van gedachten: zowel normale personen als patiënten hebben de gedachten, het
verschil ligt in de frequentie van de gedachten en de weerstand ertegen.
12.6 Behandeling
Bij toepassing van gedragstherapie reageert 2/3 van de patiënten positief.
Klinische Psychologie 1
26

Page 27
Hoofdstuk 14 Posttraumatische stress
Fasen volgens:
> Selye:
shockfase alarm of contrashockfase aanpassingsfase
> Kubler-Ross:
ontkenning woede marchanderen depressie aanvaarding
>
Horowitz:
outcry
ontkenning herbeleving doorwerken voltooiing
14.2 PTSS
Na niet goed verwerken van ingrijpende gebeurtenis of situatie en het hebben van 1 van de
onderstaande verschijnselen:
-
trauma: kan door eenmalige situatie zijn of door langdurige blootstelling. Ook
omstanders/omgeving kan getraumatiseerd raken = trauma-infectie.
-
Herbeleving: herinneringen eraan, dromen, je gedragen of voelen alsof het weer gebeurt, door
externe gebeurtenissen herbeleven, door interne prikkels fysiologische reactiviteit oproepen.
-
Vermijding en afstomping = sommige delen vergeet je ter plekke. Alle interesse verliezen voor
omgeving etc. Affectieve vervlakking (weinig/geen gevoel), secundaire victimisatie (door negatieve
reacties van omgeving opnieuw slachtoffer worden.) gevoel een beperkte toekomst te hebben.
-
Verhoogde arousal = verhoogde prikkelbaarheid, vaak slaapklachten, moeite met emotiebeheersing,
concentratieproblemen, overmatige waakzaamheid, overdreven schrikreacties.
Acute PTSS: korter dan 3 maanden
Chronische PTSS: langer dan 3 maanden.
Verlate/uitgestelde PTSS: als de periode vanaf het trauma tot de PTSS een half jaar is of langer.
Zie criteria tabel 14.1 pagina 478
14.3 Acute stressstoornis
Manifesteert zich binnen 1 maand na het gebeuren. Dissociatie (gebruikelijke integratie van
psychische functies is verstoord geraakt) emotioneel verdoofd-gevoel, zich onthecht voelen,
derealisatie, depersonalisatie, dissociatieve amnesie.
Zie criteria tabel 14.2 pagina 481
14.4 Aanpassingstoornis
Sterke emotionele en gedragsmatige reacties op een recente en herkenbare (psychosociale)
stressfactor of stressor. Het beperkt de persoon in het sociale functioneren.
Kan voorkomen na verschillende, positieve of negatieve gebeurtenissen en heeft uiteenlopende
factoren.
Subtypen zijn:
-
met angst
-
met depressieve stemming
Er is geen sprake van herbelevingen en de stoornis kan chronisch zijn.
Zie tabel 14.3 pagina 484
14.5 Assessment van posttraumatische stress
De stoornis kan worden vastgesteld door:
-
anamnestische interviews (ongestructureerd)
-
gestructureerde interviews, zelfbeoordelingvragenlijsten (bijv. SCID, CAPS) (bijv. Impact of event
scale).
14.6 Epidemiologie en risicofactoren:
De precieze cijfers zijn niet bekend. Er is weinig bekend over risicofactoren en prognose.
-
kenmerken van de gebeurtenissen en de persoon en diens situatie beïnvloeden het risico op PTSS
-
beheersingsoriëntatie (focus of control):
intern: je hebt zelf invloed op alles (denk je)
extern: geloven in het noodlot , toeval, geluk
Klinische Psychologie 1
27

Page 28
14.7 Theorieën over het ontstaan en voortbestaan van verwerkingsstoornissen
1. psychobiologische factoren: trauma kan lange biologische veranderingen veroorzaken. Habituatie
aan stimuli ontbreekt. Stresshormonen-patroon kan verstoord raken.
2. Psychodynamische verklaringen: aandacht op vroegkinderlijke leer-ervaringen en attitudes in
relatie tot het huidige trauma.
psychoanalyse: herbeleving is een poging om het alsnog te verwerken
model van Horowitz (1976-1986): een combinatie van psychodynamische en cognitieve
opvattingen van traumaverwerking: algemene stress-responsesyndroom:
1. outcry: eerste reactie
2. ontkenning: intrapsychisch mechanisme om af te schermen
3. herbeleving
4. doorwerken: het onder ogen zien
5. voltooiing: terugkeer naar het normale
het hanteren van informatie en het voltooien van de informatieverwerking staan centraal. Als de
informatie niet inpasbaar is in de bestaande (normale) cognitieve structuren kan je:
-
assimilatie: betekenis van de informatie veranderen
-
accommodatie: aanpassen van cognitieve structuren
-
vorming van nieuwe mentale schema's. Contact met lotgenoten is belangrijk.
3. leertheoretische verklaringen: tweefactoren theorie van Mowrer: PTSS is een functie van
klassieke conditionering (de angstrespons wordt door associatie aangeleerd) en een functie van
operante conditionering (vermijding van geconditioneerde prikkels).
4. Cognitieve verklaringen: stress is het resultaat van niet geslaagde wisselwerking tussen persoon
en omgeving. Discrepantie tussen draaglasten en draagkracht.
-
primaire beoordeling: betekenis geven aan de situatie
-
secundaire beoordeling: mogelijkheden afwegen om het weer onder controle te krijgen. Met
behulp van coping-strategieen:
emotie of individu gerichte coping: innerlijke aanpassing
probleem of taakgerichte coping: PTSS is dan een vorm van niet adaptieve coping.
Het zelfbeeld is belangrijk.
14.8 Behandeling
zo vroeg mogelijk, critical incident debriefing.
Klinische Psychologie 1
28

Page 29
Hoofdstuk 15 Depressie en manie
15.2 DSM-IV classificatie van stemmingstoornissen
1- depressieve stoornissen (unipolair)
depressieve stoornis (in enge zin)
dysthyme stoornis
2- bipolaire
stoornissen
bipolaire I-stoornis
bipolaire II-stoornis
cyclothyme stoornis
3- overige
stemmingsstoornissen
door een somatische aandoening
door een middel.
Er zijn 4 groepen klachten:
1. depressieve episode: deze duurt minimaal 2 weken
2. manische episode: minimaal 1 week zeer uitgelaten of juist prikkelbaar
3. gemengde episode: vrijwel dagelijks minimaal 1 week zowel depressief als manisch.
4. Hypomane episode: milder dan manisch, minimaal 4 dagen constant uitgelaten of prikkelbaar.
De symptomen komen ook voor bij veel andere stoornissen.
15.3 Depressieve stoornissen:
depressieve stoornis (depressie in engere zin).:
Criteria voor depressieve episode: tabel 15.2 pagina 509.
Kan op alle leeftijden voorkomen, kans op herhaling (hoe vaker, hoe groter de kans). Grotere kans
bij personen zonder intieme banden
Criteria voor depressieve stoornis: tabel 15.3 p.510
Dysthymie: chronische stemmingstoornis, minimaal 2 jaar. Een goede periode duurt maximaal 2
maanden. Is minder ernstig, maar wel langduriger dan de depressieve stoornis. Patiënten roepen
van pas laat hulp in (zijn er vaak een soort van aan gewend).
Criteria voor dysthymie: tabel 15.4 p.511
15.4 Bipolaire stoornissen
Wisselend depressief en uitgelaten. Er zijn 3 typen:
bipolaire I-stoornis, manische depressie: er is sprake van een depressieve en een manische
episode (of gemengde). Klinisch beeld is manisch, euforie, hyperactiviteit, allerlei fantastische
invallen en plannen, en stortvloed aan woorden, minder behoefte aan slaap.
Criteria voor manische depressie: tabel 15.5 p.514.
Als depressieve en manische perioden elkaar heel snel opvolgen is er sprake van een gemengde
episode. Er zijn aanwijzingen voor een biologische oorzaak van de bipolaire I stoornis. Er zijn 6
verschillende subtypen:
1. bipolaire I stoornis, eenmalige manische episode
2. bipolaire I stoornis, laatste episode hypomaan
3. bipolaire I stoornis, laatste episode manisch
4. laatste episode depressief
5. laatste episode gemengd
6. laatste episode niet gespecificeerd.
bipolaire II stoornis: ten minste 1 depressieve episode en 1 hypomane episode.
Criteria voor hypomane episode: tabel 15.8 p.521
-
verhoogde, explosieve, prikkelbare stemming minimaal 4 dagen
-
minimaal 3 symptomen uit dit rijtje
-
onmiskenbare verandering in functioneren
-
zichtbaar voor anderen
-
veroorzaakt geen duidelijke beperking, psychotische verschijnselen
-
geen gevolg van fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening
De stoornis komt even vaak voor als alle subtypen van de bipolaire I stoornis (manische
depressie) tezamen. Criteria voor bipolaire II stoornis: tabel 15.9 p. 522
Klinische Psychologie 1
29

Page 30
cyclothyme stoornis: minder ernstig dan de bipolaire I en II stoornis. Minimaal 2 jaar veel
episoden met hypomane kenmerken en depressieve kenmerken. Maar nooit de criteria hebben
gehaald voor een manische of depressieve episode. Het is een chronische aandoening.
Patiënten hebben vaak ernstige relatieproblemen, veel verhuizingen, wisselingen werkkring,
promiscue gedrag.
Criteria voor cyclothyme stoornis: tabel 15.10 pagina 523
15.5 Overige stemmingstoornissen
1. door een somatische aandoening
hersenen: ziekte van Parkinson, MS, Huntington
Organen: schildklier, bijnierschors
Gebrek aan vitaminen: B12 of mineralen.
2. door een middel: hormoonpreparaten, medicijnen tegen hoge bloeddruk, hartziekten, alcohol,
drugs, onthouding daarvan.
15.6 Specificaties
DSM-IV criteria zeggen nog niets over de ernst van de stoornis. Er zijn 2 groepen specificaties:
specs van de laatste stemmingsepisode: licht, matig, ernstig met psychotische kenmerken (wel of
niet stemmingscongruent: wel = inhoud wanen en hallucinaties komt overeen met
depressie/manie) Aangeven of er melancholische of vitale kenmerken zijn.
Specs van het verloop:
-
volledig herstel in tussenliggende periode
-
zonder volledig herstel
-
rapid cycling pattern
-
met seizoenspatroon
15.7 Andere Indelingen
Indeling naar unipolair en bipolair.
Binnen unipolair:
psychotische versus neurotische depressie. Heeft betrekking op ernst en duur van de depressie.
Endogene versus exogene (=reactieve) depressie: endogene=biologisch bepaald, en exogene is
een reactie ergens op.
Primaire versus secundaire depressie: 1
e
keer of al eens een stoornis gehad, en is de depressie
daar dan nu het gevolg van.
15.8 Assessment van stemmingstoornissen
-
zelfrapportage vragenlijsten (GHQ/GCL)
-
intensiteit en frequentie symptomen wordt vastgesteld d.m.v. (semi-)gestructureerde interviews en
zelfrapportagelijsten (HRSD).
15.9 Epidemiologie en comorbiditeit:
De stoornis vind je lang terug in de geschiedenis. Man - vrouw verhouding = 1:2. Dit ligt vooral aan
de sociale situatie van de vrouw. Depressies en angststoornissen gaan vaak samen. Er komt ook
veel alcoholafhankelijkheid voor en misbruik van medicijnen. Daarnaast is er ook een verband met
somatische aandoeningen.
Klinische Psychologie 1
30

Page 31
15.10 theoretische visies op depressieve stoornissen en manie
psychoanalytische opvattingen: gericht op melancholie, de stoornis is het gevolg van verlies van
een persoon in 1e levensjaren dat niet goed is verwerkt. Later treedt dan in een vergelijkbare situatie
regressie op. De overafhankelijkheid in de stoornis komt door de (normale) grote afhankelijkheid in
de orale fase. Manie is afweer tegen depressie.
Leertheoretische opvattingen: de depressieve stoornis is het gevolg van een specifieke
leergeschiedenis. Operante paradigma: als mensen niet (voldoende) hebben geleerd beloningen
(bekrachtigingen) te ontlokken aan de buitenwereld.
Skinner: depressie is vermindering van gedragsfrequentie agv vermindering bekrachtiging.
Lewinsohn: figuur 15.1 p. 537. Door lage ratio van positieve bekrachtiging of door hoge ratio
van aversieve ervaringen.
Rehm: breidt dit model verder uit. Zelfregulatiemodel: het gebrek aan positieve bekrachtiging
leidt pas tot depressie als de persoon zichzelf niet voldoende bekrachtigt of zichzelf straft:
1. selectieve observatie van eigen negatief gedrag en blinde vlek voor eigen goed
gedrag.
2. Bevooroordeelde evaluatie van eigen gedrag agv te hoge normen.
3. Weinig beloning en veel straf van zichzelf.
de cognitieve visie:
1. Beck: schema's.
-
Depressieve schemata zijn contraproductief. Worden al in de vroege jeugd gevormd,
vaak n.a.v. negatieve gebeurtenissen.
-
Logische fouten, bijvoorbeeld overgeneralisatie of zwart-wit denken.
-
Cognitieve triade: 3 cognities overheersen bij depressieven, nl. de negatieve kijk op
zichzelf, de wereld en de toekomst.
2. aangeleerde hulpeloosheidtheorie van Seligman.
systeemtheoretische benadering: gericht op de relatie tussen problemen op individueel-
psychologisch niveau en de dagelijkse sociale omgeving van een cliënt (incl. De natuurlijke
context).
Biologische benaderingen: invloed van genetische factoren etc. Neurotransmitters spelen een rol
(vandaar het effect van psychofarmaca). Cronobiologische theorieën richten zich op de relatie
tussen biologische ritmen en gedragspatronen.
Life-event benadering: stoornis is het gevolg van externe omstandigheden: sociale
omstandigheden en/of fysieke omgeving (zoals behuizing).
15.11 Behandeling
-
psychoanalytische therapie: karakteristieken in de persoonlijkheidsstructuren en onverwachte
verliezen. Intieme overdrachtsrelatie tussen patiënt en therapeut. Langdurige en intensieve therapie
(vaak). Bijvoorbeeld IPT: Interpersoonlijke psychotherapie = kort, gericht op specifieke
probleemgebieden.
-
Gedragstherapeutische interventies: welke factoren spelen een rol in voortbestaan van de stoornis?
Zoeken naar bronnen van te weinig (zelf)bekrachtiging.
-
Cognitieve gedragstherapie: zoeken naar schemata en deze toetsen aan realiteit en logica.
-
Systeemtherapie: de habituele interactiepatronen van het directe sociale systeem van de patiënt
veranderen.
-
Humanistisch-existentiele therapie: directe ervaring van de cliënt in de therapeutische situatie en het
expliciteren daarvan.
-
Biologische interventies:
psychofarmaca (mono-amine-oxidaseremmers, tricyclische antidepressiva, selectieve
serotonineheropnameremmers)
slaapdepriviatie: manipulaties van de slaap
ECT: electroconvulsieve therapie
lichttherapie
Klinische Psychologie 1
31

Page 32
Hoofdstuk 16 Somatoforme en psychosomatische klachten
Somatiseren = wel organische pathologie, maar de lichamelijke klachten en beperkingen overtreffen
in hoge mate de op grond van somatische bevindingen te verwachten klachten en beperkingen.
16.2 De relatie tussen lichaam en geest
Descartes: ziel en lichaam zijn 2 verschillende substanties.
Volgens Sanders (1981): 2 stromingen: dualisme
1. veronderstelt interactie tussen ziel en lichaam
2. spreekt van parallellisme: het lichaam spiegelt zich in het psychische en vice versa.
Ziektegedrag hoeft niet overeen te komen met ziektegevoel.
Mensen met een medische diagnose voldoen vaak aan criteria voor psychische stoornis; bij
twijfelachtige
medische diagnose komt dit nog vaker voor.
16.3 Hypochondrie
Overdreven bezorgdheid voor het hebben van lichamelijke kwalen of ziekten waar geen medische
oorzaak voor gevonden is. Minimaal 2 jaar.
Salkovskis (1990): model selectieve aandacht voor het ontstaan en voortduren van hypochondrie.
Figuur 16.1 pagina 565. Is ook van toepassing op andere somatoforme stoornissen.
amplificatie: verbreding van lichamelijke sensaties naar ernstige ziekte (vicieuze cirkel). Deze
bezorgdheid komt ook vaak voor bij andere stoornissen, maar is dan slechts 1 onderdeel van het
klinische beeld.
Hypochondrie: angst om ziekte te hebben
Ziektefobie: angst om ziekte te krijgen
Criteria voor Hypochondrie: tabel 16.1, p.567
16.4 Stoornis in de lichaamsbelevenis (dysmorfofobie)
Vermeend defect van het eigen uiterlijk. Dit veroorzaakt aanzienlijk subjectief lijden of beperking
in het dagelijkse leven.
Criteria tabel 16.2, p. 568
16.5 Somatoforme pijnstoornis
Pijnklachten waarvoor geen (voldoende) medische verklaring kan worden gevonden. De cliënt doet
niet alsof. DSM-IV onderscheidt 2 typen:
1. psychische factoren hebben belangrijkste rol in het ontstaan, de ernst, toename of voortduren van
de pij.
2. Zowel psychische factoren als een lichamelijke aandoening beïnvloeden de pijn (acuut max. 6
maanden, chronisch minimaal 6 maanden).
Patiënten zijn vaak moe en moedeloos.
Criteria voor een somatoforme pijnstoornis: tabel 16.3, p570
16.6 Conversie
Geheel of gedeeltelijk uitvallen van een lichamelijke functie. De symptomen zijn niet tot pijn
beperkt.
Plotselinge start, kortdurend en abrupt einde.
Criteria voor conversie: tabel 16.4, p. 571
De typen zijn:
-
met motorische symptomen
-
met sensorische symptomen
-
met toevallen of convulsies
-
met een gemengd beeld
In de praktijk vaak problemen bij diagnostiek. Veel mensen blijken toch een lichamelijke ziekte te
hebben.
Freud:
-
primaire ziektewinst: symptoom stelt de persoon in staat een psychisch conflict buiten het
bewustzijn te houden. voorkomen van angst
-
secundaire ziektewinst: a.g.v. symptoom kunnen onplezierige activiteiten of verplichtingen
worden voorkomen, of de persoon krijgt aandacht en steun vanuit de omgeving.
cognitieve visie: psychologisch conflict wordt onbewust omgezet in een lichamelijke stoornis.
Klinische Psychologie 1
32

Page 33
16.7 Somatisatiestoornis
Lange ziektegeschiedenis met veel verschillende lichamelijke klachten, zonder volledige medische
verklaring. Voor het 30e jaar. Minimaal 8 verschillende klachten, verdeeld over 4 groepen:
1. 4
pijnklachten
2. 2 klachten van het darmkanaal (gastro-intestinale symptomen)
3. 1 seksueel symptoom
4. 1 pseudo-neurologisch symptoom
Criteria voor somatisatiestoornis: tabel 16.7, p.575.
Diagnostiek is moeilijk en erg tijdrovend.
Komt vaak voor in combinatie met depressieve stoornis.
16.8 Nagebootste stoornissen en simulatie
Nagebootste stoornis: A.g.v. de intrapsychische behoefte de rol van de 'zieke' op zich te nemen.
Externe motieven (bijv. behalen van een financieel voordeel) spelen geen rol. Meestal een
chronisch verloop.
Syndroom van Munchhausen: lichamelijke ziekte nabootsen. Vaak met pseudologia
phantastica (ziekelijke zucht om leugens te vertellen en zeer eisend gedrag voor het
verkrijgen van pijnstillers.
XXX: by proxy: moeder presenteert symptomen van kind
Criteria voor nagebootste stoornis: tabel 16.5 pagina 581
simulatie: externe motieven zijn aanleiding voor ziektegedrag.
Criteria voor simulatie tabel 16.6 p. 582
16.9 Epidemiologische bevindingen
-
hypochondrie: Wijdverbreid, alle leeftijden.
-
Conversie: zeldzaam
-
Somatisatiestoornis: komt weinig voor en bijna alleen bij vrouwen.
16.10 Psychosomatische ziekten
Wel een organische pathologie aanwezig, die de lichamelijke klachten kan verklaren.
Psychoanalytisch denken had veel invloed in de jaren 30-60. De klassieke 7:
1. astma bronchiale (benauwdheid agv kramp in de luchtpijpvertakkingen)
2. essentiële hypertensie: hoge bloeddruk waarvoor geen lichamelijke oorzaak kan worden
aangegeven
3. ulcus pepticum: maagdarmzweer
4. colitis ulcerosa: chronische ontstekingen en zweren in de dikke darm
5. reumatoide artritis: gewrichtsontsteking die op den duur gepaard gaat met misvorming van de
aangedane gewrichten.
6. Hyperthyreoidie; te sterke werking van de schildklier.
7. Neurodermatitis: jeukende chronische huidontsteking
Criteria voor psychosomatische ziekten: tabel 16.8, p. 586
Klinische Psychologie 1
33

Page 34
Hoofdstuk 17 Slaapstoornissen
17.2 stadia in de slaap
Slaap werd tot in de 20e eeuw gezien als een passief proces. Daarna: slaap is een actief proces, met
dank aan EEG: de frequentie (het aantal golven per seconde) wordt uitgedrukt in Hertz (Hz). De
amplitude is de maat voor de grootte van de golven gemeten in microvolts (µV). De stadia zijn:
Figuur 17.1 p.595
1. actief wakker zijn: EEG vertoond snelle, onregelmatige activiteit. De beta-activiteit; frequentie is
minder dan 13 Hz, de amplitude is laag.
2. Passief wakker zijn (ontspannen liggen of zitten); 8-13 Hz; alfa-activiteit; amplitude is minder
dan
50µV. Het is het voorstadium van de slaap en duurt ongeveer 7 minuten.
3. Stadium 1 (doezelen): EEG heeft een vlak patroon. 3-8 Hz: theta-activiteit; met soms
slaapspoelen
(snelle hersenactiviteit 12-14 Hz met een laag voltage. Ongeveer 2 seconden).
4. Stadium 2: (lichte slaap); duurt ongeveer een half uur. Slaapspoelen en K-complexen (grote
langzame golven, amplitude minder dan 100µV, gevolgd door kleinere snellere golven.)
5. Deltaslaap: diepste fase; frequentie is minder dan 2 Hz. De amplitude is minder dan 75µV delta-
activiteit. "Slow-wave-sleep". Als het EEG voor meer dan 20% uit deze golven bestaat voor 1 uur.
6. REM-slaap: (rapid eye movements); frequentie is lager dan 13 Hz, na ongeveer 90 minuten vindt
deze fase plaats. Lage spierspanning in de ledematen.
Deze fasen doorloop je ongeveer 5 a 6 keer per nacht. Het verloop = slaaparchitectuur. Zie figuur
17.2 :
hypnogram, p. 597. De deltaslaap wordt in de loop van de nacht steeds korter, de stadium-2 slaap
langer en de REM-slaap ook langer.
17.3 Circadiane ritmen
Borbely: figuur 17.3, p. 599: 2 processen:
1. slaapdruk (S) fysiologische behoefte aan slaap.
2. Circadiaan proces (C)
Als je wakker bent is de S hoog en bij slapen is de S laag.
17.4 De functie van slaap
-
om vermoeidheid van de spieren te verdrijven
-
restauratietheorie: energievoorraden van het lichaam worden in de slaap weer op peil gebracht.
-
REM-slaap: veel hersenactiviteit, bevordert de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel.
17.5 de psychologie van het slapen
Situatie met betrekking tot slapen in het gezin, is van invloed op het latere slaapgedrag.
17.6 Indelingen van slaap en waakstoornissen
1. Leidse Protocol Slaapstoornissen: duur van de klacht is belangrijk. Kortdurend wordt het
slaapproblemen genoemd, is het langdurend dan zijn het slaapstoornissen (langer dan 3-4 weken).
2. DSM-IV: onderscheidt geen acute slaapstoornis
3. ASDA: onderscheidt wel een acute slaapstoornis.
AD 2. DSM-IV
primaire slaapstoornissen:
dyssomnieen: afwijkingen in de hoeveelheid slaap, kwaliteit, tijdstippen
parasomnieen: afwijkende gedragingen tijdens slaap of tussen waak en slaap in.
slaapstoornis met psychische stoornis
slaapstoornis met somatische aandoening
slaapstoornis als gevolg van middelengebruik
Klinische Psychologie 1
34

Page 35
17.7 Dyssomnieen:
1. primaire insomnia: problemen met in of doorslapen. Ernst wordt bepaald dmv functioneren
overdag.
Minimaal 1 maand. Hoe ouder je bent, hoe meer kans op deze stoornis.
Criteria voor primaire insomnia, tabel 17.1 pagina 606
2. primaire hypersomnia: overmatige slaperigheid.
-
pseudo-hypersomnia: mensen die meer slaap nodig hebben dan zij zichzelf gunnen.
-
Tijdelijke hypersomnia: agv omstandigheden
Criteria voor primaire hypersomnia, tabel 17.2, p. 607
diagnose door middel van pupillografie, of multiple sleep latency test (hoe lang duurt het voordat je
overdag in slaap valt na een goede nachtrust polysomnografische registratie).
3. Slaapgebonden ademhalingsstoornis: slaapapneussyndroom; zeer vaak stilstanden tijdens de
slaap.
Criteria voor slaapgebonden ademhalingsstoornis: tabel 17.3, p. 609
4. Narcolepsie: slaapaanvallen, kataplexie (korte spierverslappingen na emoties), REM-slaap vlak
na inslapen (slaapparalyse: bij inslapen of wakker worden spieren niet kunnen
bewegen/ hypnagoge/ hypnopompe hallucinaties: extreem levendige, vaak enge dromen aan het
begin van de slaap en vlak voor het ontwaken.
Criteria voor Narcolepsie: p. 610 tabel 17.4
5. Slaapstoornissen gebonden aan circadiane ritmiek: niet inslapen als je wil en wel op andere
momenten erg slaperig zijn
-
voorbijgaand: bijvoorbeeld jetlag
-
chronisch: agv ploegdiensten etc.
-
niet 24-uurs slaap-waakritme syndroom: patroon is meer dan 24 uur
-
onregelmatig slaap-waakritme
Criteria tabel 17.5 p. 612
6. Overige dyssomnieen: dyssomnia, niet anders omschreven. Bijv. restless-legs syndroom,
myoclonus
nocturnus (is plotselinge spiercontracties vlak voor en tijdens de slaap).
17.8 Parasomnia
tijdens de slaap bijvoorbeeld lopen, spreken, op tanden bijten. Met fysiologische reacties.
1. slaapwandelen (somnambulisme); vooral bij kinderen, meestal in deltaslaap. Moeilijk wakker te
krijgen en niets herinneren ervan.
Criteria voor slaapwandelen tabel 17.6 p.614
2. nachtelijke paniek: (pavor nocturnus); in eerste deltaslaap, vooral bij kinderen. Erfelijke factoren
spelen een rol.
Criteria voor nachtelijke paniek: tabel 17.7, p.615
3. Nachtmerries; tijdens REM-slaap, vooral aan het einde van de nacht. Persoon wordt meestal
wakker ervan. Risico wordt vergroot door alcoholgebruik, spanningen etc.
Criteria voor nachtmerries: tabel 17.8, p. 616
17.9 Overige slaapstoornissen:
-
in samenhang met psychische stoornis. De klacht = slaap, maar met symptomen van een andere
psychische stoornis.
-
Door een somatische aandoening.
-
Door middelengebruik of onthouding.
17.10 Behandeling
-
vaak herkent patiënt of huisarts de klachten niet
-
enkele slaapklinieken
-
bijv. kruisverenigingen geven cursussen.
-
Interviews, slaaplogboek, polysomnografie.
Klinische Psychologie 1
35

Page 36
Hoofdstuk 18 Eetstoornissen
18.2 Anorexia Nervosa
Niet willen eten (vooral in het begin). Denken dat je dik bent, magerzucht, weinig eten en veel
sporten, ontkenning van de ernst van het gewichtsverlies, verstoorde lichaamsperceptie (misschien).
Typen:
1. vreetbuien-purgerende type: zuivering of reiniging van het lichaam. Braken, gebruik
laxeermiddelen.
Niet lijnen en sporten. Na ongeveer 9 maanden start het purgeergedrag.
2. Beperkende type: geen vreetbuien, voortdurend beperken van voedselinname.
Menstruatie verdwijnt.
cyanose: koude, blauwe vingers en tenen
hypothermia: lage lichaamstemperatuur
lanugobeharing: dons
hypotensie: lage bloeddruk
bradycardie: vertraagde hartslag
Criteria voor anorexia nervosa: tabel 18.1 p. 632
18.3 Bulimia Nervosa
chaotisch eetpatroon, compensatiegedrag, irrationele ideeën over lichaamsvormen, uiterlijk en
gewicht.
Weinig - veel eten. Gevoel van controleverlies.
> body mass index: BMI:
BMI= gewicht in kg / lengte2 (m)
19-25 is normaal
Disfunctionele gedachten over eten en voedsel. Gezondheidsklachten als gevolg van eetbuien:
-
dehydratie; vochtverlies
-
storingen in de elektrolietenhuishouding. (natrium, kalium, chloride)
Gewicht is normaal, menstruatie blijft.
Criteria voor bulimia nervosa tabel 18.2, p.634
18.4 Atypische eetstoornissen
eetstoornis, niet anderszins omschreven.
Binge Eating Disorder (vreetbuien stoornis)
Geen controlerende maatregelen.
18.5 differentiële diagnostiek en comorbiditeit
Komt voor bij depressies, schizofrenie, lichamelijke ziekten
18.6 Epidemiologie en verloop
-
vaker bij vrouwen
-
alle lagen van de bevolking
-
invloed van het beroep (bijv. ballerina)
-
BN 18 jr.
AN 14-18 jr.
18.7 Theorieën over de etiologie van eetstoornissen
1. socioculturele verklaring: slankheidsideaal. Dit kan vrouwen de aanzet geven, maar is niet de
oorzaak. Het is een gevolg van lijnen. Lijnen veroorzaakt overeten?:
-
set point theorie: mechanisme dat vet in organismen regelt. Is de setpoint laag, dan ben je slank. Te
laag veroorzaakt eetbui. Dit klopt in de praktijk niet altijd.
2. biologische verklaring: serotoninemodel; 1e graadsbloedverwanten van patiënten lijden er vaker
aan. Dit is ook zo bij stemmingsstoornissen. Stemmingsverbetering agv eten van koolhydraten (is
een soort serotonine). Eetbuien zouden dienen om de hoeveelheid serotonine in het brein te
verhogen.
3. Leertheoretische verklaring - klassieke conditionering: overeenkomsten met verslaafden. Stimuli
worden voorspellers van een eetbui. Onder andere aangeleerde bloedsuikerdaling.
4. Cognitieve verklaring: ontremmende gedachten. De negatieve gevoelens over zichzelf, voedt het
streven naar gewichtsverlies.
5. Multicausaliteitsmodel: samenspel van verschillende biologische, psychologische en
socioculturele
factoren. Zie matrix in figuur 18.2 pagina 649.
predisponerende factoren: eigenschappen die het ontstaan onder 'gunstige' omstandigheden
bevorderen.
Precipiterende factoren: uitlokkers, stressoren
Perpetuerende factoren: houden het in stand.
dit model geeft alleen ad-hoc verklaringen.
Klinische Psychologie 1
36

Page 37
18.8 Behandeling
Anorexia: intramurale behandeling met een gewichtstoename programma gebaseerd op operante
leerprincipes. Vaak vallen patiënten na ontslag uit de kliniek snel terug.
Nu ook in combinatie met veel praten, poliklinische behandeling
Bulimia: vooral cognitieve gedragstherapie.
Hoofdstuk 19 Stoornissen in en door het gebruik van middelen
Verslaving is een aan een middel gebonden stoornis
19.2 Misbruik en afhankelijkheid
misbruik: agv gebruik niet meer kunnen voldoen aan bepaalde verplichtingen, gevaarlijk
handelen, met justitie in aanraking komen, en /of problemen met andere mensen veroorzaken.
Criteria tabel 19.1 p. 659
afhankelijkheid: lichamelijk en niet-lichamelijk. Tolerantieverschijnselen (je hebt steeds grotere
hoeveelheden van het middel nodig) en onthoudingsverschijnselen. Veel doen om aan het middel
te komen, verwaarlozing van andere zaken.
Criteria: tabel 19.2 p. 661
Remissie: vroege, langdurige, volledige, gedeeltelijke. Na een periode van afhankelijkheid
minimaal 1 maand niet voldoen aan de criteria voor misbruik en afhankelijkheid.
19.3 Intoxicatie en onthouding
intoxicatie: omkeerbaar middelspecifiek syndroom door gebruik van of blootstelling aan een
psychoactieve stof.
Onthouding: stop of vermindering van het gebruik
Criteria: tabel 19.3, p.662
19.4 Verschillende middelen
A. verdovende middelen: alcohol, opiaten, sedativa en hypnotica zijn verdovend en
bewustzijnsverlagend. Anxioloytica zijn alleen kalmerend. Sterk pijndempend effect en remmen de
werking van het centrale zenuwstelsel.
Verschijnselen bij de verschillende middelen zie tabel 19.4
B. stimulerende middelen: amfetaminen, cocaïne cafeïne nicotine hebben een stimulerende werking
op het centrale zenuwstelsel
Zie tabel 19.5, pagina 670-672
C. Bewustzijnsveranderende middelen: tripmiddelen. Cannabis, fencydidine, hallucinogenen
en
vluchtige stoffen. Verandering van zintuiglijke gewaarwordingen.
-
cannabis: high, eten, lachkick, rode ogen, droge mond, negatieve tolerantie.
-
Fencyclidine: angeldust, ontremd, agressief, evt. waarnemingsstoornissen.
-
Hallucinogeen: (lsd). Helder en intacte ruimte-orientatie. Verwarring in gevoel van tijd, soms
sysesthesie (vermenging van zintuiglijke ervaringen). Versterking van gevoelens, meestal
visueel.
-
Vluchtige stoffen: gasvormige middelen (snuiven)
Zie tabel 19.6 pagina 678-680
19.5 Gevolgen van excessief gebruik
Ondervoeding, infectieziekten, agressief gedrag. 10% pleegt zelfmoord. Dementie. Syndroom van
Wernicke en Korsakow: acute fases en chronische fase. Bewegingsstoornissen, korte
termijngeheugen en tijdsbeleving, beschadigingen aan ogen en confabulaties (zie pagina 681).
19.6 Differentiële diagnostiek en comorbiditeit
Gaat vaak samen met andere stoornissen.
19.7 Epidemiologie
prevalentie wisselt per cultuur.
Vooral 18-24 jarigen
Cannabis: in Nederland 1/2 miljoen personen.
Klinische Psychologie 1
37

Page 38
19.8 Ontstaan en voortbestaan van middelgebonden stoornissen
vooral een gedragsprobleem in plaats van een medisch probleem
1. genetische determinanten: alcohol heeft een erfelijk risico
2. operante leerprincipes: spanningsreductiehypothese; alcoholisten drinken om spanning te
reduceren.
Er is sprake van negatieve bekrachtiging.
3. Cognitieve determinanten: perceived self eficacy en outcome expectancies; alcohol geeft het
effect dat je op dat moment verwacht.
4. Klassieke leerprincipes: kroeg is geconditioneerde stimulus. Lichaam past zich al aan bij het zien
van de kroeg. Tolerantie is situatiespecifiek.
19.9 Behandeling
CAD's, APZ's, verslavingsklinieken.
Intramuraal: start met detoxificatie.
Ambulant: start met motiveren gedragsverandering.
80% valt binnen 1 jaar terug.
Klinische Psychologie 1
38

Page 39
Hoofdstuk 20 Stoornis is de impulsbeheersing
Onychotillomanie: nagels bijten
Trichotillomanie: haren uittrekken
Titillomanie: huid kapotwrijven, krabben
Alleen impulsbeheersingsstoornis als het geen onderdeel uitmaakt van een andere psychische
aandoening. Het is een drang, geen dwang. Met drang heb je er plezier in dat je het doet en ervaar je
geen angst.
20.2 Periodieke explosieve stoornis
Meerdere korte perioden waarin je plotseling de beheersing over de agressieve impulsen verliest.
Vaak na een voorval dat spanningen oproept.
Het ontstaan wordt verklaart vanuit biologische psychiatrie; serotoninehypothese (te weinig leidt tot
agressie). Epilepsiehypothese: bepaalde vormen van impulsiviteit kunnen worden opgevat als een
vorm van epilepsie.
Criteria zie tabel 20.1 pagina 703
20.3 Kleptomanie
Dingen van geringe waarde stelen, om het stelen, niet om de spullen. Er gaat een gevoel van
spanning aan vooraf. Tijdens de daad lust en ontspanning en achteraf spijt. Vrij zeldzame stoornis.
psychoanalyse: substituut van seksuele bevrediging, vorm van masturbatie.
Leertheorie: beleefde lust is een positieve bekrachtiging dus houdt de stoornis in stand.
Criteria voor Kleptomanie: zie tabel 20.2 pagina 705
20.4 Pathologisch gokken
Het gaat hierbij niet om een verslaving.
Criteria voor pathologisch gokken zie tabel 20.3 p. 705.
Probleem is het geld. Patiënten zoeken zelden hulp. Gaat vaak samen met depressieve klachten. 1-
3%van de volwassenen.
leertheorie: variabel ratioschema houdt de stoornis in stand.
20.5 Pyromanie
Brandstichten en die met lust en opwinding gadeslaan. Komt vaak bij mannen voor.
Criteria: tabel 20.4 p.709
20.6 Trichotillomanie
Eigen haren uittrekken, proberen dat te verbergen. Minder dan 1%. Vaak in combinatie met
zwakzinnigheid.
Criteria zie tabel 20.5 p.713
20.7 Overige stoornissen in de impulsbeheersing
• tittillomanie: huid. Geen dermatitis artefacta (jezelf met een bepaalde intentie letsel toebrengen)
• onchyotillomanie: nagels en nagelriemen verwijderen: vooral bij zwakzinnige of psychotische
mensen.
• Pathologisch liegen: is nu een kenmerk van antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het gaat hierbij
om aandacht, eer en roem.
• Pathologisch dagdromen: is een vorm van afscherming van de buitenwereld.
• Automutilatie: zichzelf aanvalsgewijs beschadigen, komt voor bij ernstig psychotische
stoornissen. Het heeft geen doel zoals bijv. aandacht trekken. Hier valt onder bijvoorbeeld
pathologisch 06-nummers bellen.
Klinische Psychologie 1
39

Page 40
Hoofdstuk 21 Genderidentiteitsstoornissen en seksuele stoornissen.
21.2 Genderidentiteitsstoornissen
Genderdysforie: gevoel van onvrede of onbehagen met het man of vrouw zijn.
• in de kindertijd:
fase 1: bewustwording van het eigen geslacht
fase 2: aanleren van stereotiep mannelijk of vrouwelijk gedrag
Criteria: tabel 21.1 p.723
• in de adolescentie of volwassenheid
Transseksualiteit: stoornis zo groot dat wens tot geslachtsaanpassing ontstaat
primair transseksueel: al in jeugd
secundair transseksueel: pas op latere leeftijd.
Gynemimesis: man die leeft als een vrouw
Andromimesis: vrouw die leeft als een man
Skoptische syndroom man die operatie wil agv afkeer van seksualiteit. Voelt zich geen vrouw.
Criteria: tabel 21.2 p. 725
De gevoelens kunnen ook gewoon episodisch voorkomen. Zoals bij travestiet-fetisjisten.
• ontstaan en behandeling
verstoorde ouder-kindrelatie, biologische factoren, omgevingsfactoren.
Psychotherapie, operaties (na een real-life test) hormoon therapie.
21.3 Stoornissen in de geslachtsontwikkeling
• hermafroditisme: testis (zaadbal) en een ovarium (eierstok).
• Pseudo-hermafroditisme: vervrouwelijking van een man, vermannelijking van een vrouw.
• Adrenogenitaal syndroom: meisjes zonder vaginale opening en met clitoris die op een penis lijkt.
• Testiculaire feminisatie: jongens die ongevoelig is voor androgenen en dus met vrouwelijke
uitwendige geslachtsorganen wordt geboren.
• XXY-syndroom van Klinefeller: te veel geslachtschromosomen.
• XO-syndroom van Turner: te weinig geslachtschromosomen
Psychologische begeleiding is van groot belang.
21.4 Parafilieën
• Terugkerende seksuele drang en seksueel opwindende fantasieën hebben of seksuele gedragingen
die gericht zijn op:
1. niet menselijke objecten
2. lijden, vernederen van zichzelf of anderen
3. kinderen of niet instemmende volwassenen
Minimaal een half jaar. Er zijn verschillende soorten:
exhibitionisme: geslachtsdelen tonen, meestal mannen.
Fetisjisme: niet levende voorwerpen of materialen gebruiken die oorspronkelijk niet zijn bestemd
voor seksuele genitale prikkeling. Gaat vaak met masturbatie gepaard.
Travestiet-fetisjisme: omkleden of omgekleed zijn is seksueel opwindend. Begint meestal in de
jeugd. Het omkleden kan ook een functie krijgen in het verdrijven van angstige of sombere
gevoelens.
Frotteurisme: seksuele opwinding beleven aan het aanraken, wrijven of strelen van een persoon
die hier niet mee instemt.
Pedofilie: vanaf 16 jaar of ouder seksuele handelingen verrichten met kinderen van 13 jaar of
jonger of daar intense fantasieën over hebben.
Seksueel masochisme: vernederen, slaan, vastbinden, lijden. Vaak met attributen. Diagnose pas
als je eronder lijdt. Manifesteert zich vaak al in de vroege jeugd.
Seksueel sadisme: het psychologisch of lichamelijk lijden van een ander als seksueel opwindend
ervaren. Dwang en geweld zijn een doel.
Voyeurisme: fantaseren over of kijken naar nietsvermoedende mensen die naakt zijn, zich
omkleden of die vrijen.
Criteria voor parafilieen: zie tabel 21.3, p. 741
Klinische Psychologie 1
40

Page 41
• ontstaan van parafilieen:
seksuele uitingsvorm die niet intrinsiek pathologisch is. (volgens sociologen, antropologen).
Seksualiteit is hierin een sociale constructie.
Stoornis in de psychoseksuele ontwikkeling:
-
psychoanalyse: stoornis in oedipale fase
-
leertheorie; door herhaalde stimulus-responskoppeling
-
Money: model over paarvorming (p.744): proceptieve fase (ontstaan stoornis), acceptieve
fase, conceptieve fase.
-
Sociobiologisch: adaptie van een zwak mannelijk individu dat verliest in concurrentie om een
vrouw.
• Behandeling van parafilieen: Vaak door anderen gedwongen aanmelding. Als de persoon het
probleem erkent : psychoanalytische psychotherapie. Ook mogelijk is een combinatie van gedrags
en
cognitieve therapie, eventueel met medicatie.
21.5 Seksuele disfuncties
Seksuele response cyclus: seksueel verlangen, opwinding, orgasme en herstel.
Soorten:
seksueel verlangen: met verminderd verlangen - seksuele aversiestoornis
opwinding: bij vrouwen (niet vochtig worden of blijven), erectiestoornis
orgasme: vertraagd of blijft uit. Voortijdig.
Seksuele pijnstoornissen: vaginisme (verkramping), dyspareunie (pijn in geslachtsdelen tijdens of
na de sex).
De stoornis kan een situationeel of een gegeneraliseerd type zijn.
Criteria zie tabel 21.4, p.749
ontstaan en behandeling: onderscheid tussen directe (in de situatie) en onderliggende oorzaken.
Klinische Psychologie 1
41

Page 42
Hoofdstuk 22 Dissociatieve stoornissen
22.2 Ontwikkeling van het concept dissociatie
Dissociatie en verdringing geven beide aan dat bepaalde psychische inhouden buiten het bewustzijn
worden gehouden.
verdringing (freud): weert agressieve en seksuele impulsen vanuit jezelf
dissociatie: van buiten jezelf komende invloeden worden niet in de herinnering geïntegreerd maar
kunnen als afgesplitste bewustzijnskernen voortbestaan.
Neodissociatietheorie van Hilgard bouwt voor op de theorie van janet: het cognitieve functioneren
is een reeks van parallelle processen, waarbij sprake is van een hiërarchie van cognitieve
controlesystemen. Dissociatie is een verstoring van de normale hiërarchie. subsystemen gaan
onafhankelijk functioneren. Hoeft niet per se pathologisch te zijn.
Komt voor bij bulimia nervosa en bij PTSS.
Proefpersonen zijn makkelijk en ook ongewild beïnvloedbaar
-
compliance: volgzaamheid
-
demand characteristics: onopzettelijke aanwijzingen in de proefstelling.
22.3 Depersonalisatiestoornis:
Ervaring buiten de eigen gevoelswereld of buiten het eigen lichaam te staan. Gaat vaak samen met
derealisatie; alles is onwerkelijk, op een afstand.
Patiënten weten wel dat het niet zo is, maar het voelt wel zo aan. Realiteitstoetsing blijft dus intact.
Diagnose slechts na uitsluiting van andere aandoeningen, want het kan ook een symptoom zijn.
Criteria zie tabel 22.1, p. 764
22.4 Dissociatieve amnesie
Persoonlijke informatie niet kunnen herinneren, maar niet als gevolg van een stoornis. Informatie
gaat vaak over traumatische of belastende gebeurtenissen en kunnen terugkomen.
declaratief geheugen: expliciete herinneringen aan deelname aan een episode.
Procedureel geheugen: impliciete kennis van vaardigheden en automatisme.
Bij dissociatieve amnesie is vaak het declaratieve geheugen verstoord. De vormen zijn:
1. gelokaliseerde vorm: voor een welomschreven periode, bijv. het ongeluk.
2. Selectieve amnesie: deels vergeten.
3. Gegeneraliseerde amnesie: alles (ook identiteit).
4. Gesystematiseerde amnesie: specifieke informatie vergeten zijn, zoals alles van meneer A, maar
de rest van die periode nog wel weten.
Criteria tabel 22.2, p.766
De diagnose is moeilijk, want amnesie kan het gevolg zijn van veel dingen, of deel uitmaken van
een andere stoornis.
22.5 Dissociatieve fugue
Relatief langdurige toestand van veranderd bewustzijn, waarbij de patiënt in staat blijkt tot
complexe handelingen. Symptomen zijn onder andere opeens weggaan en vergeten van de
identiteit.
Criteria zie Tabel 22.3 p.771
22.6 Dissociatieve identiteitsstoornis (meervoudige persoonlijkheidsstoornis, MPS/DIS)
2 of meer persoonlijkheidstoestanden (alters) die de controle over het gedrag afwisselend
overnemen. De overgang is abrupt, met hoofdpijn en kan met stress samenhangen. Meestal is er
sprake van 3 alters:
vaak 1 getraumatiseerd kind, een beschermende alter en een vervolger.
Dit zijn een soort herinneringen of innerlijke reacties die in gedissocieerde vorm zijn blijven
voortbestaan.
Tussen alters kan gehele of gedeeltelijk amnesie bestaan. Kenmerken zijn ook fugues, chronische
depersonalisatie en derealisatie, en akoestische hallucinaties van ruziënde stemmen. Bij 2/3 van de
patiënten gaat MPS of DIS gepaard met een andere stoornis. De diagnose is moeilijk te stellen.
Patiënten hebben een intacte realiteitstoetsing en geen last van wanen. Het is een chronische
stoornis.
Vragenlijsten die worden gebruikt zijn: DES, DIS-Q. Interviews: SCID-D
Het komt vooral bij vrouwen voor. Er is vaak sprake van mishandeling of misbruik in de jeugd, wat
dan
vaak in het latere leven nogmaals gebeurd (aangeleerde hulpeloosheid).
Criteria tabel 22.4, p. 775
Klinische Psychologie 1
42

Page 43
22.7 Overige dissociatieve stoornissen
Integratie van psychische functies is verstoord. Zonder alle symptomen. Bijvoorbeeld dissociatieve
trancestoornis.
22.8 Etiologie van dissociatieve stoornissen:
Door persoonlijke bedreiging of stress kan het ontstaan. Ook door relaxatie, trauma's en rampen.
22.9 Behandeling
depersonalisatie: psychoanalyse, gedragstherapie, psychofarmaca, hypnose
dissociatieve amnesie en fugue: explorerende psychotherapie, hypnose, narco-analyse
DIS: (mps). Combinatie van psychotherapie en hypnose, soms opname.
Klinische Psychologie 1
43

Page 44
Hoofdstuk 23 Psychosen
• functionele psychosen: geen aantoonbare organische afwijking in de hersenen.
• Organische psychosen: wel organische afwijkingen.
Dit onderscheid wordt nu niet meer echt gehanteerd. Het is ook wel beide.
Psychotici hebben onvoldoende of geen besef van hun toestand, en hebben dus een gestoord
realiteitsbesef: wanen, hallucinaties en incoherentie.
Er zijn 6 functionele en 2 organische stoornissen en 1 restcategorie.
23.2 Schizofrenie
• Klinisch beeld: kan acuut ontstaan, chaotische en bizarre uitingen, opgewonden of teruggetrokken,
slechte zelfverzorging, moeilijk contact te leggen met de patiënt.
denkstoornissen:
1. formele denkstoornis: denken is chaotisch. (coherentie; als formele
denkstoornis onmiddelijk opvalt), neologisme (nieuwe woorden bedenken),
gedachtenblokkade.
2. inhoudelijke denkstoornis: afwijkende denkbeelden, opvattingen en
interpretaties. Magisch denken, wanen (waanstemming = periode
voorafgaand aan de waan, waarbij de persoon zich onzeker afvraagt wat de
betekenis is van wat hij ervaart). Vaak is persoon zelf het middelpunt van de
waan. Verschijnselen zijn ook gedachten-inbrenging, -onttrekking en -
uitzending. Beinvloedingswanen zijn gedachten, gevoelens of handelingen
lijken bestuurd te worden door een macht van buitenaf. Betrekkingswanen
geven een persoonlijke betekenis aan triviale gebeurtenissen.
waarnemingsstoornissen: hier vallen onder:
1. gehoorshallucinaties
2. gezichtshallucinaties
3. reukhallucinaties
4. smaakhallucinaties
5. gevoelshallucinaties
Kenmerkend zijn stemmen die zich tot de patiënt richten of over een patiënt
praten.
doorsijpelingstheorie: Hallucinaties ontstaan uit het lekken van onbewuste
mentale activiteit naar het bewustzijn.
verbeeldingstheorie: Hallucinerende mensen zijn suggestibeler en hebben aan
een vage indruk genoeg.
stoornissen in de stemming: angst en geprikkeldheid in actieve (psychotische) fasen, inadequaat
effect (van emoties). Postpsychotische depressie, affectieve vervlakking
cognitieve stoornissen: moeite met verwerken van ingewikkelde of snel opeenvolgende
indrukken. Snel afgeleid.
Bewegingsstoornissen: Kakatone symptomen: controle over en de souplesse van bewegingen
kwijt zijn. (bijv. stupor (bewegingsloosheid), negativisme (zinloos herhaalde bewegingen).
Positieve en negatieve symptomen:
1. positief syndroom: wanen, hallucinaties, incoherentie. (zouden er niet moeten
zijn)
2. negatief syndroom: affectieve vervlakking, inactiviteit, apathie (zouden er wel
moeten zijn)
verloop:
1. prodomale fase: geleidelijke verslechtering van algemene
functioneren.
2. actieve fase (psychotische episode
3. restfasen (overheersing negatieve symptomen)
Meestal een chronisch verloop.
Criteria schizofrenie zie tabel 23.2 p. 796
Klinische Psychologie 1
44

Page 45
• subtypen van schizofrenie:
kakatone schizofrenie:
1. onbeweeglijkheid bijvoorbeeld stupor
2. overmatige motorische activiteit
3. negativisme
4. vreemde bewegingen, grimassen of houdingen
5. echolalie of echopraxie
gedesorganiseerde type: onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag, vlak of inadequaat effect,
centraal in het klinisch beeld, niet kakatone.
Paranoide type:
1. frequente gehoorshallucinaties en/ of preoccupatie met 1 of meer wanen.
2. Niet opvallende ontregelde spraak en vlak of inadequaat effect.
ongedifferentieerde type: actieve fase van schizofrenie maar niet voldoen aan bovengenoemde 3
typen.
Resttype: voortdurend negatieve symptomen
Criteria subtypen zie tabel 23.3 p.797
• Epidemiologie: risico +/- 1%. Niet cultuurgebonden, bij mannen is er sprake van een ernstiger
verloop. Tussen 15-25 jaar. Bij vrouwen tussen 25-35 jaar. Lagere sociale klassen.
• Etiologie:
kwetsbaarheid-stressmodel: om verschillende invloeden met elkaar in verband te brengen.
Kwetsbaarheid is een risicoverhogende eigenschap. Stress is de aanpassingsreactie die optreedt
in belastende omstandigheden. Schizofrenie ontstaat uit een wisselwerking tussen beide.
Psychologische invloeden spelen geen of nauwelijks een rol, erfelijke aanleg wel (60-70%)
Onderzoek naar biologische afwijkingen:
dopaminehypothese: bij schizofrenie: hyperactiviteit van systemen in de hersenen die
dopamine als prikkeloverdrachtstof (neurotransmitter) gebruiken. Speelt in ieder geval een rol
maar is geen oorzaak.
beeldvormende technieken: geven een beeld van de activiteit van de hersencellen in
verschillende gebieden. (meting van regionale cerebrale doorbloeding/PET-scanning (positron
Emissie tomografie) van het glucosegebruik door de hersenen, bij schizofrenie is er sprake van
verlaagde activiteit.)
Registratie van oogbewegingen: saccadische bewegingen (sprongsgewijze verplaatsingen), en
volgbewegingen (vloeiende beweging bij het volgen van een bewegend object, bij schizofrenie
vertoond die beweging veel onregelmatigheid.)
Cognitief functie-onderzoek:
elektronische registratie van cognitieve hersenpotentialen: veranderingen in het EEG die
gerelateerd zijn aan de verwerking van aangeboden prikkels
onderzoek naar omgevingsfactoren: zijn belangrijk voor het ontstaan van psychotische episoden
(=luxerende invloed). Bijvoorbeeld (Day):
1. verwarrende omgeving met onduidelijke communicatiepatronen
2. emotioneel belastende omgeving met een hoog EE-nivo
3. omgeving die te hoge eisen stelt aan het sociale functioneren
4. bedreigende of demoraliserende omgeving.
• Behandeling: biologische, psychologische en sociale interventies. Basis zijn antipsychotische
medicijnen en neuroleptica. Medicatie helpt bij positieve symptomen, bij negatieve symptomen niet
erg effectief. Bijwerkingen zijn dyskinesie, dystonie, parkinsonisme, akathisie. (zie p.809
onderaan!).
Ook veel psycho-educatie (voor familie).
23.3 Aan schizofrenie verwante psychosen
• schizofreniforme stoornis: zelfde als schizofrenie, maar korter dan half jaar en sociaal niet
opvallend slechter functioneren. Zie tabel 23.4 pagina 812 voor de criteria.
• Schizoaffectieve stoornis: raakvlak tussen stemmingstoornis en schizofrenie. Als de symptomen
gelijktijdig aanwezig zijn. Zie tabel 23.5 voor criteria, pagina 813.
Klinische Psychologie 1
45

Page 46
23.4 Waanstoornis
Psychose met hardnekkige waan, waarbij het algemene niveau van functioneren intact blijft. Niet
bizar.
grootheidswaan
erotische betrekkingswaan: dat iemand met een bep status verliefd op je is.
jaloersheidswaan: ongerechtvaardigde zekerheid dat de partner ontrouw is.
somatische waan: zeker weten een ziekte of gebrek te hebben.
achtervolgingswaan
Criteria zie tabel 23.6 p. 815
-
risicoverhogende rol van genetische factoren
-
komt soms voort uit een onderdrukte psychologische behoefte
-
persoonlijke theorieen ter verklaring van onbegrepen ervaringen in de eigen gedachtenwereld.
(maher)
23.5 Andere functionele psychosen
1. kortdurende psychose,
zie tabel 23.7, p. 819
2. gedeelde psychose/inductiepsychose: iemand krijgt een waan als gevolg van intieme relatie met
iemand die er al last van heeft. Zie tabel 23.8, p.820
23.6 Psychosen met een organische oorzaak
psychotische stoornis door een somatische aandoening: bv. hersentumor, bloedvataandoening in
de hersenen, stofwisselingziekte. Uitsluiten delier.
Zie tabel 23.9, p.821 voor criteria
psychotische stoornis door middelengebruik: bijvoorbeeld drugs, geneesmiddelen.
Zie tabel 23.10, p.821 voor criteria
Klinische Psychologie 1
46

Page 47
Hoofdstuk 24 Psychiatrische stoornissen met algemene-medische oorzaken
24.2 Delirium (delier)
Een delirium is een bewustzijnsstoornis in combinatie met aandachtsstoornissen en kan acuut
opkomen.
Kenmerken zijn hallucinatie, illusies. De verschijnselen wisselen sterk.
Kan voorkomen als gevolg van een somatische aandoening of het gebruik van of onthouding van
middelen. Het heeft veel lichamelijke oorzaken. Risicoverhogende factoren zijn:
-
leeftijd (oud of juist heel jong)
-
een oudere hersenbeschadiging
-
een slechte lichamelijke conditie
Criteria zie tabel 24.1 p.829
24.3 Dementie: globaal verval van de cognitieve functies.
klinisch beeld: vergeetachtigheid, ontregeling abstract denken (gevolg hiervan is oordeels- en
begripsstoornissen), slechtere impulsbeheersing. Daarnaast is het ook mogelijk problemen te
hebben in de taalbeheersing (bijv. afasie), en apraxie, agnosie (zie pagina 831), apathie.
Criteria zie tabel 24.2 p.831
dementie van het Alzheimertype: (=+/- 50% van de gevallen). Uitval van de hersencellen
volstrekte hulpeloosheid dood. Het duurt ongeveer 7 jaar. In geval van een vroege
beginleeftijd, gaat de patient vaak wat sneller achteruit. De beginverschijnselen zijn afname van
het incasseringsvermogen, verminderde concentratie, tragere reacties. Risicoverhogende
factoren zijn:
-
hogere leeftijd
-
als het in de familie voorkomt
-
oud schedelletsel met als gevolg (lichte) hersensbeschadiging
-
syndroom van Down.
Vascutaire dementie: stoornissen in de bloedvoorziening van de hersenen, die ontstaan door
bloedvatvernauwing. Functieverlies vindt sprongsgewijs plaats. Cognitieve uitvalsverschijnselen
zijn niet diffuus, maar op sommige gebieden sterker dan op andere gebieden.
Dementie als gevolg van andere somatische aandoeningen: voorbeelden zijn de ziekte van
Parkinson, en de ziekte van Huntington, en AIDS.
Dementie als gevolg van middelengebruik, zoals langdurig excessief alcoholgebruik
Typen dementie: zie tabel 24.3, p.840
behandeling: progessief verloop en is niet te keren. Eerst behandeling lichamelijke oorzaken.
Hulp, opvang en bescherming van patient en betrokkenen.
24.4 Amnestische stoornis
'uitgekleed' dementieel syndroom. Intacte denken, oordeelsvermogen en andere hoge cerebrale
functies zijn intact. Belemmering van het vastleggen van nieuwe informatie en het opdiepen van
oude informatie.
De patient vult leemtes in de beginfase vaak op met gefantaseerde herinneringen (>confabulaties).
Patienten hebben een gebrek aan inzicht in het eigen cognitieve falen en ontkennen vaak. Verloop is
bijna altijd chronisch.
De stoornis kan ontstaan door een somatische aandoening of door middelengebruik (beschadiging
in de hippocampus).
De oorzaak is meestal een gebrek aan vitamine B1 of thiamine (agv langdurig gebruik van alcohol).
Criteria zie tabel 24.4 p.843
De behandeling is meestal niet mogelijk, met uitzondering van hersentumor.
Klinische Psychologie 1
47

Page 48
24.5 Andere psychische stoornissen door een somatische aandoening.
1. kakatone stoornis door een somatische aandoening:
bewegingsstoornissen: Symptomen zijn onbeweeglijkheid, aannemen van bepaalde ongewone
houdingen en mutisme (niet spreken) kataplexie/stupor. Ook kan negativisme optreden.
echolalie, echopraxie en automatische gehoorzaamheid.
kakatonie kan een variant van schizofrenie zijn en symptomen kunnen voorkomen bij ernstige
stemmingsstoornissen. De oorzaak ligt in een gestoorde hersenfunctie.
Criteria zie tabel 24.5 p.847
2. Persoonlijkheidsverandering door een somatische aandoening.
Vaak verval van de persoonlijkheid, plotselinge stemmingswisselingen, agressieve ontladingen,
ontremd en onaangepast gedrag, paranoide trekken en vervlakt, apathisch en onverschillig gedrag.
- labiele type
- ontremde type
- agressieve type
- apathische type
- paranoide type
- gecombineerde type
- overige type
- niet-gespecificeerde type
Zie Tabel 24.6 p.848 voor de criteria.
De betrokken hersengebieden zijn de frontale kwabben.
Klinische Psychologie 1
48

Page 49
Hoofdstuk 25 Persoonlijkheidsstoornissen:
Het karakter is de complexe interactie tussen temperament en sociale omgeving.
25.2 Persoonlijkheidsstoornissen en DSM-IV
Persoonlijkheidstrekken zijn stabiele patronen van waarnemen, omgaan met en denken over de
omgeving en zichzelf. Een stoornis manifesteert zich op minimaal 2 van deze gebieden: cognities,
emotionele reacties, interpersoonlijk functioneren of impulsbeheersing.
Algemene criteria zie tabel 25.1, p856
Persoonlijkheidsstoornissen staan op de AS II want het is een langdurig bestaand patroon. Bij
diagnose dient te worden nagegaan hoe een individu zich aan zijn omgeving heeft aangepast en
andersom
25.3 Klinisch beeld en diagnostiek
Er zijn 10 soorten, geclusterd in 3 groepen:
A. bizarre, vreemde, excentrieke cluster
paranoide, schizoide, schizotypische == vooral cognitieve stoornis
B. dramatische,emotionele, impulsieve cluster:
antisociale, borderline, theatrale, narcistische == vooral problemen met impulsen en emoties.
C. Angstige, vreesachtige cluster
Ontwijkende/vermijdende, afhankelijke en obsessief-compulsieve.
1. Paranoide persoonlijkheidsstoornis: neiging andermans gedrag te interpreteren als opzettelijk
vernederend of bedreigend. Criteria zie tabel 25.2, p.860
2. Schizoide persoonlijkheidsstoornis: onverschillig in sociale relaties en vertonen van een beperkte
variatie in emotionele ervaringen en uitdrukkingswijzen, vaak eenlingen.
Criteria zie tabel 25.3, p.861
3. schizotypische persoonlijkheidsstoornis: patroon van eigenaardigheden in de gedachten, uiterlijk
en gedrag in tekortkomingen in persoonlijke relaties (bijgeloof, bijzondere krachten) Kenmerken
zijn het sociale isolement, vreemde spraak, merkwaardig gedrag, achterdochtige ideeen. Deze
stoornis is moeilijk te onderscheiden van borderline. Daarnaast heeft deze stoornis ook veel
overeenkomsten met andere stoornissen. Gaat vaak samen met depressieve stoornis in engere
zin.
Criteria zie tabel 25.4 p. 864
4. Antisociale persoonlijkheidsstoornis: onverantwoordelijk en asociaal gedrag. Minimaal 18 jaar
oud en met reeds aanwijzingen voor gedragsstoornissen voor het 15e jaar.
Criteria zie tabel 25.5, p. 867
5. Borderline persoonlijkheidsstoornis: patroon van instabiliteit van het zelfbeeld, relaties met
anderen en emotionele reacties. Vaak identiteitsstoornissen, sterk wisselende emoties en
impulsiviteit. Angst om in de steek gelaten te worden (en alles doen om dat te voorkomen).
Anderen manipuleren, affectlabiliteit. In stress-situaties vaak dissociatieve symptomen en
paranoide ideeen. Zelfdestructief gedrag. Grote comorbiditeit met andere
persoonlijkheidsstoornissen, vooral uit cluster B.
Criteria zie tabel 25.6, p. 870
6. Theatrale persoonlijkheidsstoornis: overdreven emotioneel gedrag, aandacht trekken. Constant
bevestiging, goedkeuring en complimenten zoeken. Seksueel verleidelijk en uitdagend gedrag.
Emotionele uitingen zijn oppervlakkig en snel wisselend. Impressionistisch taalgebruik.
Criteria zie tabel 25.7, p.871
7. narcistische persoonlijkheidsstoornis: patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie en gedrag),
behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, afgewisseld met
minderwaardigheidsgevoelens.
Criteria zie tabel 25.8, p.875
8. Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis: patroon van geremdheid in contact met anderen, gevoel te
kort te schieten en angst om negatief beoordeeld te worden. Verlegen, moeite met over zichzelf
te praten. Deze stoornis heeft een overlap met de sociale fobie, de schizoide, de schizotypische
en de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
Criteria: tabel 25.9 p.878
Klinische Psychologie 1
49

Page 50
9. afhankelijke persoonlijkheidsstoornis: overdreven behoefte om verzorgd te worden, onderdanig
gedrag. Alleen voelt een patiënt zich hulpeloos en ongemakkelijk. Hulp inroepen gebeurt vaak na
het ontwikkelen van een angststoornis.
Criteria: zie tabel 25.10, p.880
10. obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis: gepreoccupeerd met ordelijkheid,
perfectionisme en controle. Uitstel van het nemen van beslissingen. Gierigheid en zuinigheid.
Sobere levensstijl.
Criteria: tabel 25.11, p.881
25.4 Instrumenten voor het meten van persoonlijkheidspathologie
-
psychodiagnostische gesprek
-
interview
^ personality disorder Questionairre (PDQ)
^ millon clinical multiaxial inventory (MCMI-II)
25.5 Epidemiologie
10-15% voldoet aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis
0-5% voldoet aan specifieke criteria
Veelvoorkomend zijn obsessief-compulsieve en schizoide persoonlijkheidsstoornis.
25.6 Ontstaan en voortbestaan
+/- 50% van de persoonlijkheid is erfelijk bepaald. Een stoornis is een gevolg van stagnatie in de
ontwikkeling van de persoonlijkheid in de
-
anale fase
-
interacties tussen ouders en kind
-
onvoldoende evolutie van schema's
25.7 Behandeling
Hulp vaak als gevolg van andere problemen.
-
adaptieve bevorderende behandeling
-
cognitief gedragsmatige behandeling
-
structuurveranderende behandeling.
Klinische Psychologie 1
50

								
To top