INLEIDING - DOC - DOC

Document Sample
INLEIDING - DOC - DOC Powered By Docstoc
					                                   INLEIDING

1. Benamingen van het grondgebied
1. Pas sedert de vereniging onder het Bourgondische vorstenhuis van de verschillende
vorstendommen der Nederlanden ( 2de kwart 15de eeuw) ontstond de behoefte aan een naam
voor het geheel der Bourgondische vorstendommen, in het Noorden enerzijds en - hiervan
gescheiden door andere vorstendommen (hertogdom Lotharingen) en het Franse koninkrijk-
in het Zuiden anderzijds.
De zuidelijke vorstendommen (thans in het huidige Frankrijk gelegen), het eigenlijke
Bourgondië en de ten oosten eraan grenzende Franche-Comté, werden „landen van derwaarts
over‟ ( pays de par-de-là) genoemd.
De noordelijke vorstendommen werden „landen van herwaarts over‟ (pays de par-de-ça)
genoemd.

2. De meervoudsvorm „Nederlanden‟ (Fr. Pays-Bas, Eng. Low Countries/Netherlands, D.
Niederlände) komt algemeen in gebruik in de 16de eeuw om het geheel der Bourgondisch-
Habsburgse bezittingen in het Noorden, de zgn. „XVII Provinciën‟, door Keizer Karel V tot
een staatkundige eenheid verenigd (de „Bourgondische Kreits‟), aan te duiden.
De benaming zelf ontstond reeds vroeger in de 13de eeuw in de keizerlijke kanselarij. Deze
duidde deze gebieden aan als „Germania Inferior‟ of „partes inferiores Alemaniae‟; in het
Nederlands: „Niederlande‟ of „Neder-Duitsland‟. Deze laatste benaming bleef voor de
Nederlandse taal tot in de 19de eeuw in gebruik.
De naam „Nederlanden‟ leefde voort na de scheiding van Noord en Zuid op het einde van de
16de eeuw en werd van toen af zelfs bij voorkeur op de Zuidelijke Nederlanden toegepast.
Nog tijdens de Brabantse Omwenteling (1787-1790) werd de naam „Verenigde Nederlandse
Staten‟ aangenomen voor de onafhankelijk geworden Oostenrijkse Nederlanden.
Het onafhankelijke Noorden noemde zich vanaf de late 16de eeuw „Republiek der Verenigde
Nederlanden‟ en vanaf ca. 1640 „De Verenigde (Zeven) Provinciën‟.
Tussen 1815 en 1830 heetten België en Nederland samen het „Koninkrijk der Nederlanden‟,
thans nog de officiële naam van Nederland.

3. Op grond van de terminologie die H. De Schepper in de eigentijds bronnen tegenkomt, nl.
„das Nyderlandt‟ (1422 in Rijksdagakten), „le Païs bas‟ en „Nederlant‟ of „‟t Nederlan(d)t
pleit hij in zijn boekje „Belgium nostrum‟ 1500-1650 voor het gebruik van de term „het
Nederland‟ voor de Bourgondische en Habsburgse periode, toen de Lage Landen een eenheid
vormden.

4. De naam „Belgium‟ met bijvoeglijk naamwoord „Belgicus‟ kwam in de 16 de eeuw in
gebruik onder invloed van de humanisten, die hem uit de Oudheid (J. Caesar) overnamen.
Hij duidde de hele Nederlanden, Noord en Zuid, de Zeventien Provinciën aan (vgl. Leo
Belgicus).
Onder invloed van de Kerk werd de betekenis in de 17de -18de eeuw verengd tot de Zuidelijke
Nederlanden.
Het ervan afgeleide Franse bijvoeglijk naamwoord „belgique‟ werd in navolging hiervan op
het Zuiden toegepast, tevens als synoniem voor „Nederlands‟ beperkt tot het Zuiden, zoals
blijkt iuit de naam voor de tijdens de Brabantse Omwenteling in 1789 onafhankelijk
geworden „Etats belgiques unis‟ (= „Verenigde Nederlandse Staten‟), naar het voorbeeld van
de Verenigde Staten van Amerika (onafhankelijk in 1776).
In de Franse tijd (1792) ontstond de naam „République belgique‟, doch „belgique‟ evolueerde
vlug tot zelfstandig naamwoord „Belgique‟, „Belges‟ enz. voor de bij Frankrijk ingelijfde
Zuidelijke Nederlanden.
In de Hollandse tijd (1815-1830) zette deze evolutie zich door, hoewel voorstanders van de
vereniging van Noord en Zuid zoals J.F. Willems ook na 1830 „Belgen‟ nog op een wat
dubbelzinnige manier doch met opzet bleven gebruiken als synoniem voor „Nederlanders‟,
d.i. alle inwoners van Noord èn Zuid.

5. „Holland‟ was oorspronkelijk enkel de naam van het graafschap Holland in het westen van
Nederland (tgw. provincies Noord- en Zuid-Holland)^, doch werd van 1806 tot 1810 de naam
van het „Koninkrijk Holland‟ dat Napoleon voor zijn broer als vazalstaat van Frankrijk had
opgericht en dat de gehele vroegere „Verenigde Provinciën‟ omvatte.
De naam „Hollanders‟ geraakte vooral tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
(1815-1830) ingeburgerd.

6. „Vlaanderen‟ was oorspronkelijk enkel de naam van het middeleeuwse graafschap
Vlaanderen, bestaande uit de huidige provincies Oost- en West-Vlaanderen, Zeeuws-
Vlaanderen en het huidige Franse Département du Nord. Het graafschap Vlaanderen bleef ook
na de Middeleeuwen en tot het einde van het Ancien Régime bestaan als bestuurlijke eenheid
binnen de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden.
Hoewel reeds in de 16de eeuw met het Italiaanse „Fiamminghi‟ alle inwoners van de
Nederlanden (Noord en Zuid) werden aangeduid, vonden de namen „Vlaanderen‟, „Vlaams‟
pas in de 19de eeuw ingang als aanduiding van de inwoners en de taal van het
Nederlandssprekende deel van België, en verdrongen ze de benaming „Nederduits(land)‟.

7. Hoewel de naam „Walen‟, „Wallons‟ (zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt) reeds
bestonden van in de Middeleeuwen om de Romaanssprekende inwoners van de Zuidelijke
Nederlanden aan te duiden (vb. Walsche school, Waalse kerk), ontstond de benaming
„Wallonië‟ pas in 1858.


2. Eenheid en scheiding in de geschiedenis der „Nederlanden‟

1. Tegenover het ontbreken van natuurlijke grenzen en het feit dat het grondgebied van de
Nederlanden vaak deel uitmaakte van een groter territoriaal kader (Bourgondische,
Habsburgse bezittingen), staan factoren die reeds vroeg een zekere eenheid schiepen: de
aanwezigheid van grote stromen met samenloop in een gemeenschappelijke mondingsdelta,
en zekere gemeenschappelijke etnische en culturele elementen (vnl. de taal) in het grootste
deel van de latere Nederlanden.

2. Reeds vóór de Bourgondiërs, tijdens de volle Middeleeuwen, waren er diverse pogingen
vanwege bepaalde vorstendommen om binnen de geografische ruimte tussen Rijn en Somme
meerdere vorstendommen in één politieke entiteit te vatten: vanwege het aartsbisdom Keulen
(mislukt tegenover Brabant te Woeringen, 1288); vanwege de graaf van Holland t.a.v. de
Friese gewesten (Friese oorlogen) in de 13de eeuw; vanwege het huis van Beieren in
Henegouwen-Holland-Zeeland in de 14de eeuw; vanwege de graaf van Vlaanderen Lodewijk
van Male t.a.v. Brabant kort na het midden van de 14de eeuw.
3. Naar het einde van de Middeleeuwen toe werden deze pogingen sterker en meer succesvol
dank zij de ontwikkeling van een modern staatsapparaat en het streven naar een groot en
aangesloten territorium in het kader van de staatsvorming.
a.   De Bourgondiërs brachten een groot deel van de Nederlanden in één hand, maar een
     Nederlandse staat was niet hun doel, want hun expansiedrang reikte veel verder (West-
     Duitsland: Kleef, Gulik; NO-Frankrijk: Lotharingen).
b.   De territoriale evolutie sinds de nederlaag van Karel de Stoute (1477: verlies van het
     eigenlijke Bourgondië) en de verovering door Karel V van Utrecht, Gelderland,
     Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland, Schiepen de voorwaarden voor het ontstaan
     van een Nederlandse eenheidsstaat met etnisch-nationale grondslag: de schepping van
     deze staat is het werk geweest van Karel V (territoriaal en institutioneel). Het
     prinsbisdom Luik bleef hierbuiten tot de aanhechting bij Frankrijk (1795). Artesië
     kwam in 1659 samen met de zuidelijke helft van het vroegere graafschap Henegouwen
     bij Frankrijk, dat bovendien in 1662 Frans-Vlaanderen (Duinkerken), in 1668 Waals-
     Vlaanderen (Rijsel) en in 1678 Kamerijk (Cambrai) voorgoed verwierf.
     Het middeleeuwse hertogdom Luxemburg kwam in 1815 als groothertogdom onder het
     gezag van koning Willem I doch werd in 1839 verdeeld, waardoor de westelijke helft
     als provincie Luxemburg bij België kwam, terwijl de oostelijke helft als
     groothertogdom een personele unie met Nederland vormde en vanaf 1890 een eigen
     vorstenhuis kreeg.

4. De politieke scheiding tussen Noord en Zuid op het einde van de 16de eeuw was het gevolg
van toevallige oorlogshandelingen in relatie tot de geografische gesteldheid (grote rivieren).
Deze scheiding had echter verstrekkende gevolgen:
a.    Zij werkte de protestantisering van het Noorden tijdens de 17de eeuw in de hand en was
      de onmiddellijke oorzaak van de herkatholicisering van het Zuiden door de
      Contrareformatie.
b.    Ten gevolge van het succes van de opstand tegen Spanje, van de koloniale
      ondernemingen en van de oorlogen tegen Engeland en Frankrijk ontstond in het
      Noorden een nieuw nationaliteitsgevoel.
c.    Er ontstond een economische tegenstelling tussen Noord en Zuid, bevorderd door de
      opkomst van Amsterdam en de uitschakeling van Antwerpen door de sluiting van de
      Schelde. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden
      door het Noorden in de eerste plaats beschouwd als een „barrière‟ tegenover Frankrijk,
      hetgeen zijn weerslag vond in het Barrière-traktaat van 1715.

5. De Franse overheersing versterkte de tegenstellingen tussen Noord en Zuid: het Noorden
werd een vazalstaat van Frankrijk, doch genoot een ruime autonomie op binnenlands gebied,
vooral op het gebied van taal en cultuur; het Zuiden daarentegen werd eenvoudig bij Frankrijk
ingelijfd en systematisch verfranst. Deze tegengestelde ontwikkeling van het Zuiden werd in
de hand gewerkt door het ontbreken, in het Zuiden, van een onafhankelijkheidstraditie.

6. De moeilijkheden die Willem I tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
ondervond in het Zuiden waren ten dele het gevolg van de verfransing van het Zuiden in de
Franse tijd (vgl. de weerstand tegen de taalpolitiek van Willem I). De Belgische Revolutie van
1830 heeft deze verfransing verder bevorderd. Toch wierp de vereniging van Noord en Zuid
onder Willem I voor het Nederlandstalige deel van België na 1830 nog vruchten af, nl. dank
zij het door Willem I ingerichte lager onderwijs in de moedertaal en dank zij enkele onder
diezelfde koning gevormde intellectuelen, zoals J.F. Willems, F.A. Snellaert e.a., die het
ontstaan hebben gegeven aan de Vlaamse beweging.
3. Geschiedschrijving en geschiedenis der Nederlanden
1. Tot in de jaren 1920-1930 overheerste, zowel in het Noorden als in het Zuiden, een enge
staatsnationalistische opvatting van de geschiedschrijving, in het Noorden belichaamd door
historici als P.J. Blok, H. Colenbrander e.a., in het Zuiden vooral door Henri Pirennes Histoire
de Belgique (verschenen tussen 1900 en 1932).
Hoewel Pirenne zich bewust was van de historische eenheid van de Nederlanden tot in de 16de
eeuw, situeerde hij het ontstaan van een „Belgische natie‟ niettemin reeds lang vóór de
scheiding en nl. als een economische en beschavingseenheid die tussen de vorstendommen
langs Schelde (Vlaanderen) en Maas (Luik) met Brabant als bindteken, reeds vanaf de 9de –
10de eeuw zou gegroeid zijn.

2. Hiertegenover stelde de Noord-Nederlandse historicus Pieter Geyl, in artikels en
voordrachten vanaf 1920-1921 en in zijn werk Geschiedenis van de Nederlandse stam (1930-
1937, in 3 delen – tot 1751, dl. 4 – tot 1798, verscheen in 1959) een groot-Nederlands
geschiedbeeld. Als geografisch kader nam Geyl het Nederlandse taalgebied in zijn geheel, tot
aan de taalgrens, zonder rekening te houden met toevallig tot stand gekomen staatsgrenzen.
Binnen dit taalgebied meende hij veel meer onderling politiek, economisch, en cultureel
verband te ontdekken dan tot dan toe was aangenomen, vooral in de Middeleeuwen en onder
de Bourgondiërs en de Habsburgers. Hetgeen cultureel en politiek had moeten samengroeien
werd echter door militair en strategisch toeval op het einde van de 16de eeuw gescheiden, een
scheiding die buiten de wil van Noord en Zuid bestendigd werd.

3. De invloed van Geyls visie op de geschiedschrijving in Noord en Zuid was zeer groot: in
het Noorden hielden Jan Romein en H.A. Enno van Gelder er rekening mee, terwijl in het
Zuiden vooral Robert van Roosbroeck, redactieleider van de Geschiedenis van Vlaanderen
(1936) en Leon Van der Essen, met laatstgenoemde e.a. redactielid van het in 1938 opgerichte
historisch tijdschrift Nederlandsche Historiebladen (de latere Bijdragen en Mededelingen
betreffende de Geschiedenis der Nederlanden), zich tot Geyls visie bekenden.

4. Na de Tweede Wereldoorlog, rekening houdend met de kritiek die van verschillende zijden
– ook van nationaal-socialistische en Duitse zijde – al vóór WO II op Geyls visie was
uitgebracht, doch anderzijds wellicht ook beïnvloed door de tijdens de oorlog in Londen
ontstane Beneluxgedachte, werd Geyls groot-Nederlandse geschiedbeschouwing omgebogen
en verbreed tot hetgeen men de algemeen-Nederlandse geschiedbeschouwing zou kunnen
noemen, het best belichaamd in het standaardwerk Algemene Geschiedenis der Nederlanden
(12 delen, 1949-1958), onder redactie van o.a. J. Van Houtte, J. Romein, H. Van Werveke. Zij
betrekt in haar beeld de hele „Nederlanden‟, met inbegrip van de Waalse gewesten uit het rijk
van Karel V en zelfs het Prinsbisdom Luik. Zij projecteert de actuele staatkundige
verhoudingen niet in het verleden, doch houdt rekening met de factoren die van het Zuiden
een afzonderlijke staatkundige entiteit zouden maken.

5. Sedert het begin van de jaren zeventig is in de geschiedschrijving van België een tendens
merkbaar om de grotere staatkundige autonomie van Vlaanderen en Wallonië als kader voor
een specifiek-Vlaamse, resp. specifiek-Waalse geschiedschrijving te hanteren: vgl. de uitgave
van Twintig Eeuwen Vlaanderen en Winkler Prins van Vlaanderen enerzijds, van een Histoire
de Wallonie (o.r.v. L. Génicot en H. Hasquin) anderzijds. Het lijkt, zoals destijds Pirennes
Histoire de Belgique, opnieuw een zgn. legitimatie-geschiedschrijving te worden.
6. Anderzijds bestaat thans een geschiedschrijving van hoofdzakelijk buitenlandse historici
zoals Israel en De Voogd, die de specificiteit van de huidige staat Nederland in het verleden
projecteren.




              I. ROMANISERING, GERMANISERING,
                     CHRISTIANISERING
1. De   erfenis der Romeinen
A. Bestuurlijke organisatie

Het door de Romeinen onder Iulius Caesar tijdens de 1ste eeuw v.o.t. en zijn opvolgers tijdens
de 1ste eeuw veroverde grondgebied werd ingedeeld in provinciae en civitates, waarvan de
grenzen door de Kerk als grenzen van aartsbisdommen en bisdommen werden overgenomen
(aartsbisdom Reims met de bisdommen Doornik, Terwaan, Kamerijk; aartsbisdom Keulen
met de bisdommen Luik en Utrecht).

B. Wegennet

1. Mede i.v.m. hun functie van grensgebied werd doorheen de Zuidelijke Nederlanden en in
het gebied ten zuiden van de grote rivieren een zeer degelijk en vrij dicht wegennet
aangelegd.

2. De belangrijkste viae publicae (openbare wegen) waren: Bavai-Boulogne, Bavai-Keulen,
Bavai-Trier, Reims-Trier.

3. Sommige Romeinse wegen behielden hun functie tot in de Middeleeuwen: bv. Bavai-
Keulen over Tongeren-Maastricht (Chaussée Brunehaut), hoewel vanaf de vroege
Middeleeuwen de waterwegen belangrijker werden en dit tot de 12de –13de eeuw bleven.

C. Nederzettingen en bevolkingscentra

1. Villae werden als centra van landbouwexploitatie aangelegd. Ze werden verlaten tijdens de
4de en de 5de eeuw.

2. Talrijke vici ontstonden als handels- en nijverheidscentra langs wegen, w.o. Boulogne en
Doornik, die onder Diocletianus (eind 3de eeuw) tot civitates werden verheven
(administratieve indeling). Andere vici van belang waren o.a.: Aarlen, Maastricht, wellicht
zelfs Brugge, Gent, Waasmunster.

3. Als hoofdplaatsen van de civitates werden meestal nieuw gestichte steden in de nabijheid
van de belangrijkste nederzetting (dorp of oppidum) van een stam uitgekozen: Terwaan,
Bavai, Tongeren. Ze werden aangelegd volgens de regels van het Romeinse urbanisme: een
dambordvormig stratennet rondom een forum met openbare gebouwen.
4. Canabae, d.i. markttentersdorpen, ontstonden in de buurt van de militaire castra en castella
langsheen de Rijngrens: bv. Nijmegen.

D. Economisch leven

1. Als inheemse nijverheden waren van meer dan regionaal belang de kopernijverheid in de
Maasstreek, de lakennijverheid te Atrecht en te Doornik, de potten- en tegelbakkerij in
Limburg en het Waasland.

2. Daarnaast werden veel landbouwproducten uitgevoerd, o.m. graan, naar de
Rijngarnizoenen. Tongeren speelde ook als distributiecentrum van de landbouwproducten uit
de villae in Haspengouw een belangrijke rol.

E. Taal en godsdienst

1. De „Belgae‟, verzamelnaam voor een aantal stammen van gemengde Keltisch-Germaanse
oorsprong, zouden volgens M. Gysseling een gemeenschappelijke, sterk gegermaniseerde taal
hebben gehad, het zgn. „Belgisch‟. Op dezelfde wijze zouden de Bataven een Bataafse taal
gesproken hebben. Dit alles blijft vaag.

2. De Keltisch-Germaanse bevolking werd, ook in taalkundig opzicht, min of meer diepgaand
geromaniseerd, naar gelang van de bevolkingsdichtheid en de inplanting van Romeinse
bevolkingscentra (villae, vici, civitates), d.i. vnl. in de zuidelijke helft van België (zie hierna:
taalgrens).

3. Een oppervlakkige christianisering had plaats in de 4de eeuw, waarvan sporen te Tongeren,
zetel van een bisdom (eerste bisschop: St.-Servatius), Maastricht en Aarlen. De Germaanse
invallen stelden hieraan een einde.

2. Het einde van de Romeinse overheersing – de Germaanse invallen
A. Het verval van de Romeinse macht (3de –5de eeuw)

1. Kort na 250 werd het gebied tussen beneden-Rijn en Waal door de Romeinen opgegeven.
Omstreeks 260 vielen Germaanse stammen van over de Rijn het rijk binnen en richtten grote
verwoestingen aan.

2. Onder Constantijn de Grote (306-337) werd de Rijngrens hersteld met vestiging van de
Salische Franken, uit Salland (huidige provincie Overijssel) door Saksers verdreven, in de
Betuwe.

3. Een nieuwe zuidelijke opmars van de Franken ca. 350, onder druk van zuidwaarts langs de
Ijssel afzakkende Chamaven, leidde tot hun vestiging in Toxandrië (Noord-Brabant) als
foederati (bondgenoten) van de Romeinen, met toestemming van keizer Julianus de Afvallige
(358).
Vanuit Toxandrië trokken deze Franken omstreeks 450 zuidwaarts en kwamen in botsing met
de Romeinse bevelhebber Aëtius te Vicus Helena in Artesië.

4. In het laatste kwart van de 5de eeuw werd een Frankisch rijkje rond Doornik en Kamerijk
gesticht.
B. Het probleem van de Frankische kolonisatie en het ontstaan van de Frans-Nederlandse
taalgrens in België.

1. De naam „Franken‟, oorspronkelijk gedragen door de uit oostelijk Nederland afkomstige
Salii (= Salland), die er de kern van bleven uitmaken, breidde zich in de 4de eeuw uit tot
andere stammen die zich met de Salische Franken verbonden: „Franken‟ werd een
verzamelnaam.

2. De numerieke aangroei van de binnen het Romeinse Rijk gevestigde Franken tijdens de
tweede helft van de 4de en de eerste helft van de 5de eeuw (max: 80000) is waarschijnlijk; zo
ook een sterke Romeinse beïnvloeding van deze „geïntegreerde‟ Franken (cfr. de materiële
cultuur van de op het huidig Belgisch grondgebied gevestigde foederati, Germaanse krijgers
in dienst van Rome). Dit was het begin van de synthese tussen Germaanse en Romeinse
cultuurelementen en instellingen.

3. Het ontstaan van de taalgrens in België is het gevolg van verschillende factoren en van een
lange evolutie die tot in de 10de eeuw heeft geduurd.
   a. Veel belang werd vroeger gehecht aan de dichtheid van de bewoning, inz. van de
      Franken, die zich vestigden tot diep in Noord-Frankrijk (tot de Somme en zelfs tot de
      Seine), maar er sterk geromaniseerd werden (theorie van F. Petri).
   b. De dichtheid van bewoning langsheen de noordzijde van de taalgrens (theorie van J.
      Dhondt) is echter grotendeels het gevolg van latere Germaanse inwijkingen uit het
      noorden en over zee (Saksen), tot in de 7de-8ste eeuw (theorie Ch. Verlinden).
   c. De versterkingen langsheen de weg Bavai-Keulen, de zgn. limes belgicus, voortlevend
      in talrijke -kaster- toponiemen (van Lat. castrum: versterking), hebben slechts een
      geringe of geen rol gespeeld in het ontstaan van de taalgrens. De oude theorie over de
      rol van het Kolenwoud als barrière voor de Frankische volksverhuizing (G. Kurth) is
      sinds lang verlaten.
   d. De taalkundige verklaring van M. Gysseling wordt nu algemeen aanvaard:
        - Onmiddellijk na de volksverhuizingen van de 4de-5de eeuw bestonden er geen scherp
        afgebakende taalgebieden; er bestonden Germaanse taaleilanden in romaanssprekend
        gebied en Romaanse taaleilanden in germaanssprekend gebied (bv. Aalst,
        Moezelstreek).
        - Tussen de 7de en de 11de eeuw is door latere assimilatie een lineaire taalgrens tot
        stand gekomen.
        - Deze lineaire taalgrens is sedert de 11de-12de eeuw nauwelijks van plaats veranderd,
        behalve in het huidige NW van Frankrijk, waar de taalgrens in de 7de –8ste eeuw reikte
        tot een lijn van de Canche (ten zuiden van Boulogne) tot Rijsel, en in de 14de eeuw nog
        tot de Aa (Gravelines-St.-Omer) en de Leie, vanwaar ze zich pas in de 19de eeuw
        terugtrok tot het huidige Frans-Vlaanderen (Duinkerken-Kassel-Hazebroek). Voor
        deze terugtrekking is de verfransende invloed van grote, oorspronkelijk
        germaanssprekende steden zoals Calais en Sint-Omaars van groot belang.

3. De zogenaamde tweede evangelisatie
De uitdrukking Tweede Evangelisatie wijst erop dat de christianisering van enkele gebieden
in de Nederlanden tijdens de laat-Romeinse periode geen resultaten heeft gehad die de
Germaanse invallen overleefden. Een nieuwe kerstening greep plaats van de 6de tot de 8ste
eeuw en zou dank zij het optreden van de Karolingers, die de Kerk ondergeschikt maakten
aan hun staatkundige doeleinden, blijvende resultaten afwerpen.

A. De vestiging van een bisschoppelijke hiërarchie

Hoewel het bekeringswerk van zendelingen voor de christianisering van de Nederlanden
belangrijker is geweest, vormde de oprichting van bisdommen toch een voorwaarde voor het
blijvend succes van het Christendom. Dit gebeurde op basis van de vroegere Romeinse
administratieve indeling, hoewel het kerkelijk leven te zwak was om deze volledig op te
vullen, zodat verplaatsingen en verenigingen van bisschopszetels plaats hadden: de bisschop
van Tongeren-Maastricht zetelde vanaf het begin van de 8ste eeuw te Luik; het bisdom
Atrecht, opgericht in de 6de eeuw, werd met Kamerijk verenigd onder één bisschop, zetelend
te Kamerijk (tot 1093); Doornik werd verenigd met het zuidelijke Noyon, met zetel aldaar (tot
1146).

B. Het bekeringswerk van zendelingen

Met de hulp van de Merovingische koning, de bisschoppen en vooral bepaalde Frankische
grootgrondbezitters, hebben zendelingen, meestal van vreemde afkomst, het eigenlijke
bekeringswerk ter hand genomen door het stichten van kloosters en kerken op de domeinen
van koning en aristocratie.

1. In de zuidelijke Nederlanden was in de 7de eeuw (van ca. 630 tot ca. 650) vooral de heilige
Amandus († 675), afkomstig uit Aquitanië, werkzaam. Met de hulp van koning Dagobert
legde hij de grondslag voor de stichting van de Sint-Pietersabdij en de Sint-Baafsabdij in
Gent.

2. In Toxandrië (tegenwoordige prov. Noord-Brabant en Antwerpen) en langsheen de grote
rivieren was vooral de heilige Willibrord, van Angelsaksische afkomst, bedrijvig op het einde
van de 7de en in het begin van de 8ste eeuw. Hij kreeg van de paus in 695 de persoonlijke titel
van aartsbisschop, met standplaats Utrecht, en speelde een grote rol in de consolidatie van de
Frankische staatsmacht langsheen de grote rivieren, zij het met wisselend succes. Zijn
medewerker was de heilige Bonifacius, die, toen de Frankische macht over de streek van
Utrecht tijdelijk verzwakt was, vanuit Duitsland een zekere supervisie over de vacante
Utrechtse bisschopszetel behield. Op een rondreis in Friesland werd hij bij Dokkum vermoord
(754).

3. De definitieve bekering van het Noorden slaagde slechts op het einde van de 8ste eeuw,
o.m. dank zij de onderwerping van de Saksers door Karel de Grote.
        II. DE VORMING DER NEDERLANDSE
   VORSTENDOMMEN EN HUN ONTWIKKELING TOT
   AAN DE VOORAVOND VAN DE BOURGONDISCHE
                   EENMAKING

1. Merovingisch-Karolingische periode
A. Enkele krachtlijnen uit de Merovingisch-Karolingische periode

Deze zijn van betekenis voor de vorming der vorstendommen en hun ontwikkeling tot de
Nederlanden, o.m.:

1. Het toenemend belang van de noordelijke en oostelijke delen van het rijk (Austrasië) t.g.v.
    a.       De groeiende macht van het hofmeiergeslacht der Pepijns, stamvaders der
             Karolingen, die uit deze streken (Oost-België) afkomstig waren;
    b.       De expansie in noordelijke en oostelijke richting van het Frankische rijk dankzij de
             onderwerping van de Friezen door Karel Martel (719) en van de Saksers door
             Karel de Grote (785);
    c.       De verheffing van de Karolingen tot koningen (751) en de voorkeur van Karel de
             Grote voor zijn domeinen in het Midden-Maasgebied;
    d.       De verplaatsing van het economisch zwaartepunt van het Frankische rijk naar het
             Noorden (ontstaan van de handelsplaatsen Quentovic aan de Noordzeekust, bij de
             monding van de Canche, en van Dorestad nabij Utrecht).
2. Het verval van het centrale gezagna het uiteenvallen van het Karolingische eenheidsrijk
door het verdrag van Verdun (843) in drie deelrijken. Door het verdrag van Meersen (870)
werd het middenrijk Lotharingen verdeeld tussen het Westfrankische en het Oostfrankische
rijk, dat de keizerskroon kreeg.
Vanaf 925 werd de Schelde de definitieve grens tussen het Duitse rijk en Frankrijk.

B. De staatkundige verhoudingen omstreeks 925

deze hebben eveneens belang voor de latere ontwikkeling, in de richting van meer en meer
samenhangende „Nederlanden‟, o.m.:

1. De zelfstandige ontwikkeling aan weerszijden van de gemeenschappelijke Scheldegrens,
van twee politieke entiteiten: het kleine graafschap Vlaanderen en het veel uitgestrekter
hertogdom Lotharingen. De ontwikkeling was mogelijk geworden door de verbrokkeling van
het laat-Karolingische staatsgezag, inzonderheid in deze perifere gebieden.

2. Deze ontwikkeling werd, althans volgens Pirenne, begunstigd door het feit dat de rijksgrens
(Schelde) geen rekening hield met de taalgrens: de ene scheidslijn sneed de andere loodrecht.
In het overwegend Romaanse West-Francië was Vlaanderen voor de grotere helft Germaans
van taal, het van Duitsland afhankelijke Lotharingen omvatte daarentegen een aanzienlijk
Romaans gebied. De taalgrens heeft echter in de geschiedenis van de Nederlanden, tot in de
19de eeuw, nauwelijks een rol gespeeld.
3. Vlaanderen werd eerder een zelfstandig vorstendom dan Lotharingen, omdat in West-
Francië, waarvan Vlaanderen deel uitmaakte, de staatsontbindende krachten reeds langer aan
het werk waren. In Oost-Francië wisten de koningen nog lange tijd nieuwe machtsmiddelen te
vinden (de Rijkskerk).

2. de volle Middeleeuwen
De ontwikkeling van de vorstendommen van de 10de tot het begin van de 14de eeuw wordt
bepaald door:

- De geleidelijke afbrokkeling van het Duitse koninklijke gezag in Neder-Lotharingen, t.g.v.
de verzwakking en verbrokkeling van het Duitse rijk als gevolg van de Investituurstrijd (11de -
12de eeuw). Bij het begin van de 14de eeuw betekende de Duitse koning geen gevaar meer
voor de naar zelfstandigheid strevende vorstendommen.

- De geleidelijke opbouw van de Franse koninklijke macht en de uitbreiding van het Franse
kroondomein door de dynastie der Capetingen, vooral vanaf het einde van de 12de eeuw. De
weerstand van het graafschap Vlaanderen heeft als een dam ook de overige Nederlanden
tegen het noordwaartse opdringen van de Franse kroon beveiligd.

A. Vlaanderen

1. Het graafschap Vlaanderen, ontstaan uit de samenvoeging door Boudewijn II, graaf van de
„Vlaanderengouw‟, in zijn strijd tegen de Noormanneninvallen, van een aantal kleine
Karolingische gouwgraafschappen (nl. de eigenlijke Vlaanderengouw, d.i. de kuststreek
rondom Brugge, en de gouwen Aardenburg, Gent en Waas) kende aanvankelijk, vooral onder
Arnulf I (918-965), een zeer grote uitbreiding in zuidelijke richting, tot de Canche en zelfs
tijdelijk tot de Somme, dankzij de zwakheid van de Franse koninklijke macht: de uitbreiding
reikte verder dan de taalgrens, zodat meer dan de helft van het graafschap Romaans was..

2. In de 11de eeuw kende het graafschap, vnl. door de annexaties van Boudewijn V (1035-
1067) grote uitbreiding naar het Oosten en naar het Zuiden: verwerving van Rijksvlaanderen,
o.a. het land van Aalst en Zeeland bewesten Schelde; Henegouwen met Vlaanderen verenigd
van 1067 tot 1071 onder Boudewijn VI.

3. De moord op graaf Karel de Goede (1127) stortte het graafschap in een opvolgingscrisis.
Aanvankelijk had de interventie van de Franse koning succes ( de Franse kandidaat Willem
Clito werd graaf in 1127) doch een tegenzet van de steden met de steun van een deel van de
adel en van Engeland leidde tot de verkiezing van Diederik van de Elzas tot graaf (1128).

4. De eerste grote botsing tussen de Vlaamse en Franse macht had plaats onder graaf Filips
van de Elzas (1168-1191). Na een grote zuidwaartse expansie van Vlaanderen over de
Somme (verwerving van Vermandois door het huwelijk van Filips van de Elzas met Elisabeth
van Vermandois), werd een eerste overwinning geboekt van de eerst krachtige Franse koning
Filips-August (verlies voor Vlaanderen van Vermandois en van Artesië), mede wegens de
foutieve politieke berekeningen van Filips van de Elzas: de dynastie van de Elzas was nog te
weinig in haar nieuw gebied ingeburgerd om haar belangen met die van het Vlaamse
vorstendom vergroeid te zien.
5. Ondanks een herstel onder Boudewijn VIII (=graaf Boudewijn V van Henegouwen,
gehuwd met de zuster van Filips van de Elzas en tevens de enige overgebleven erfgenaam), en
onder Boudewijn IX en een (tweede) vereniging van Vlaanderen met Henegouwen,
veroorzaakten volgende feiten van verzwakking van het graafschap tijdens de 13de eeuw:
   a. Een minderjarigheidsbewind na de verdwijning in het Oosten in 1205 van Boudewijn
       IX, tijdens de vierde Kruistocht tot Latijns keizer van Constantinopel gekroond (voor
       diens dochter Johanna van Constantinopel), en een vrouwelijke erfopvolging
       (Margareta van Constantinopel, zuster van Johanna van Constantinopel, 1244);
   b. De vestiging van de Franse hegemonie na de nederlaag van Ferrand van Portugal
       (echtgenoot van Johanna van Constantinopel) te Bouvines (1214), in het raam van het
       Europees conflict tussen Anglo-Welfen en Franco-Ghibellijnen;
   c. De scheiding van Vlaanderen en Henegouwen door de twisten tussen de Avesnes en
       de Dampierres, resp. afstammelingen van de eerste en van de tweede echtgenoot van
       Margareta van Constantinopel.

6. Bij de troonsbestijging van Gwijde van Dampierre (1278), zoon uit het tweede huwelijk
van Margaretha van Constantinopel, was de toestand rijp voor het laatste slopingswerk van de
Franse monarchie: De inlijving van het graafschap Vlaanderen bij het Franse kroondomein
(1300), met de steun van het Fransgezinde patriciaat, een feit zonder voorgaande. In juli 1302
(Guldensporenslag) deden de stedelijke milities der ambachten dit weer teniet.

7. Het verweer tegen het opdringen van Frankrijk in Vlaanderen vormde een essentiële
voorwaarde tot de vorming van zelfstandige Nederlanden, die Vlaanderen en Neder-
Lotharingen zouden omvatten.
   a. Het verdrag van Athis (1305) gesloten door Robrecht van Bethune (1305-1322) had in
       feite de zelfstandigheid van Vlaanderen hersteld, doch maakte geen einde aan de
       pogingen van de Franse koning om het weerstandsvermogen van het graafschap te
       ondermijnen, door uit de bepalingen van het verdrag zoveel mogelijk politieke en
       financiële voordelen te halen, ondanks tegenstand, eerst van het volk, later ook
       vanwege de graaf.
   b. Graaf Lodewijk van Nevers (1322-1346) was niet meer dan een instrument van de
       Franse expansiepolitiek. Binnenlands oefende zijn administratie het bestuur uit.
   c. De tegenstand tegen de grafelijke politiek, vnl. wegens de sociaal-economische
       achteruitgang, ging uit van de Vlaamse kuststreek (boerenopstand (1323-1328) en van
       de stedelijke ambachten (opstand van Gent 1338-45, o.l.v. Jacob van Artevelde). De
       graaf kon enkel met Franse militaire steun zijn gezag handhaven.
   d. De revoltes, die doorheen Europa uitbarstten in een periode van structurele
       economische moeilijkheden, hadden voornamelijk een plaats in de gebieden die een
       relatief hoge welstand hadden gekend (bezittende, vaak welgestelde vrije boeren uit de
       kuststreek, en gekwalificeerde industriearbeiders met de hoogste graad van organisatie
       in de grote steden), maar waar deze welstand ondermijnd werd. Zij richtten zich op de
       verwezenlijking van een meer economische en politieke democratie, doch konden
       neergeslagen worden door een gebrek aan solidariteit

8. De regering van Lodewijk van Male (1346-1384) was een periode van strijd om de
verdeelde macht in de Nederlanden: er deden zich herhaalde botsingen voor tussen
Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland en Gelre. Een grote kans op succes van
Vlaanderen in deze strijd werd verhinderd door de grote opstand van Gent (1379-1385) die de
macht van de graaf gedurende 6 jaar lam legde. Bovendien stierf met Lodewijk van Male het
Vlaamse huis in mannelijke linie uit, wat een onverwachte wending bracht in de politieke
ontwikkeling: de Bourgondiër Filips de Stoute kwam op de troon door zijn huwelijk met
Margareta van Male. De nieuwe graaf gaf toe aan Gent om zijn situatie te consolideren.




B. De Lotharingische vorstendommen

In hun ontwikkeling speelt de verhouding van Lotharingen tot het Duitse Rijk een zeer
voorname rol, in twee fasen:

1. Periode van de Rijkskerk: gekenmerkt door het overwicht van de Duitse koning (953-
1012), o.m. dank zij
    a. De oprichting van het prinsbisdom Luik (980, onder het episcopaat van Notger), een
       van de zuilen van het Duitse gezag in Lotharingen;
    b. De verlening van rechtsmacht aan de bisschoppen van Kamerijk en Utrecht;
    c. De oprichting van militaire marken op de Oostelijke oever van de Schelde
       (Antwerpen, Ename, Valencijn).

2. Periode van de wereldlijke hertogen (huis van Verdun: Godfrieds, 1012-1076): het Duitse
overwicht brokkelde af, hetgeen leidde tot de uiteindelijke ondergang van het wereldlijk
hertogenambt, precies tijdens het hoogtepunt van de Investituurstrijd, waardoor Lotharingen
uiteenviel in een aantal geestelijke en wereldlijke vorstendommen.

2.1 Prinsbisdom Luik: De geschiedenis van het Prinsbisdom Luik tijdens de 12de-13de eeuw
wordt gekenmerkt door:
    a. Een afwisseling van keizersgezinde en pausgezinde prinsbisschoppen, naargelang van
       een sterk of zwak gezag van de keizer (keizersgezinde prinsbisschoppen onder de
       krachtige keizer Frederik Barbarossa, 2de helft 12de eeuw);
    b. De uitschakeling van de tussenkomst van de Duitse koningen of keizers in de
       bisschopsverkiezingen tijdens de 13de eeuw: de prinsbisschoppen waren voortaan vaak
       creaturen van naburige landsheren, zoals de aartsbisschop van Keulen of de hertog van
       Brabant;
    c. Voortdurende conflicten tussen Luik en Brabant wegens het Brabantse streven om de
       Oostelijke helft van het hertogdom te onttrekken aan het geestelijke gezag van de
       Luikse bisschoppen en wegens de expansiedrang naar het Oosten van Brabant: Luik
       werd door Brabant ingesloten na de Brabantse overwinning te Woeringen (1288)
       dankzij de verovering door Brabant van het hertogdom Limburg gelegen ten oosten
       van Luik.

Besluit: Luik werd voortaan als een hoofdzakelijk passief gebiedencomplex vastgehouden, in
het noordelijke deel van het vroeger Lotharingen.

2.2 Hertogdom Brabant
    a. Het hertogdom Brabant was ontstaan uit het graafschap Leuven, dat reeds in het begin
       van de 11de eeuw met het graafschap Ukkel-Brussel was verenigd. In het begin van de
       12de eeuw, tijdens de ondergang van het hertogenambt, verwierf de graaf van Leuven
       de hertogstitel, hetgeen hem prestige bezorgde en tevens het gezag over de uitgestrekte
       mark Antwerpen.
   b. Een consolidatie en afronding van de Brabantse markt greep plaats tijdens de 2 e helft
      van de 12de eeuw en tijdens de 1e helft van de 13de eeuw, dankzij de ontwikkeling van
      de steden en hun en hun geïnteresseerde trouw aan de hertogen dank zij het feit dat de
      hertogen, al naar gelang van hun belang, vaak van internationaal kamp verwisselden.
   c. De grote oostelijke expansie werd onder Jan I met succes bekroond in de slag bij
      Woeringen (1288). Deze overwinning betekende de verovering van het hertogdom
      Limburg (gelegen ten Oosten van Luik), de beheersing van de handelsweg Keulen-
      Brugge en de neutralisering van Luik. De ambitie van de hertog van Brabant was om
      Neder-Lotharingen te beheersen en een grote rol te spelen in het Duitse Rijk. Dit werd
      niet verwezenlijkt en de kosten van de oorlog leidden tot ontevredenheid van de
      steden.

2.3. Graafschap Holland
    a. het graafschap ontstond eind 11de eeuw, door de geleidelijke onderwerping vanuit het
       Zuiden (Vlaardingen, Delft, Den Haag) van de West-Friezen (tegenwoordig provincie
       Noord-Holland) door de graaf van Holland, terwijl Zeeland-bewesten-Schelde in leen
       gehouden werd van de graaf van Vlaanderen (waarschijnlijk sedert 1127)
    b. in de 2de helft van e 13de eeuw, vooral onder graaf Floris V (256-1296), breidde
       Holland zich in alle richtingen uit:
           - Zeeland kwam onder de uitsluitende macht van Holland;
           - Het Nedersticht (prinsbisdom Utrecht) werd gedeeltelijk geannexeerd, tot aan
               de IJssel;
           - Noordwaarts werden de vruchtbare West-Friese gewesten (Noord-Holland)
               heroverd met inbegrip van het eiland Texel.
    c. Internationaal volgde Holland de Franse politiek, wat tot moeilijkheden met
       Vlaanderen leidde.
    d. In 1299 kwam een personele unie tot stand onder graaf Jan van Avesnes, waardoor
       Henegouwen, Holland en Zeeland in een hand verenigd werden.

2.4. De overige Lotharingische vorstendommen
    a. Deze waren van weinig belang in de algemene politiek, behalve –tijdelijk- het
       graafschap Henegouwen in de 2de helft van de twaalfde eeuw, dat echter nadien, door
       de vereniging met Vlaanderen, in de schaduw van zijn machtige nabuur kwam te
       staan, tot het, na de afscheiding van Vlaanderen(1278), door de troonsbestijging van
       Jan van Avesnes in Holland-Zeeland, in een nieuw machtscomplex werd ingeschakeld
       (1299).
    b. Het graafschap Loon, dat ongeveer de huidige provincie Belgisch Limburg besloeg,
       trachtte zich door wisselende coalities in stand te houden tussen Brabant en Luik, maar
       werd bij het uitsterven van zijn dynastie aangehecht bij het prinsbisdom Luik.
    c. De Graafschappen in de Ardennen, ook na hun vereniging tot het ene graafschap
       Luxemburg, legden weinig gewicht in de schaal in de Nederlanden, tengevolge van
       hun periferische en geïsoleerde ligging.
    d. Gelderland werd pas in de 14de eeuw belangrijk
    e. Het sticht (prinsbisdom) Utrecht waartoe als „Oversticht‟ een groot gebied ten Oosten
       van de IJssel behoorde (Overijssel, Groningen) was via de bisschopsverkiezingen de
       speelbal tussen de naburige machten Holland en Gelderland.
    f. De Noordoostelijke boerenrepublieken (Friesland, Ommelanden, Drenthe) die een
       grote autonomie bezaten, bleven buiten deze strijd. Ze erkenden geen vorstelijk gezag
       en werden daarom nauwelijks gefeodaliseerd (cfr. Friese vrijheid = niet onder
       landsheerlijk gezag).
C. Groeiend territorialiteitsbesef

1. bij het begin van de 14de eeuw was ieder vorstendom op zichzelf een klein „vaderland‟
geworden. Dit territorialiteitsbesef uitte zich sedert de 13de eeuw door een gezamenlijk
optreden van de verschillende „standen‟ (steden, Kerk en adel) voor gemeenschappelijke
belangen, tegenover de landsheer, maar vaak ook in samenwerking met de vorst. In gevallen
van zwakte van het vorstelijk gezag (geldnood, minderjarige troonopvolger) gaf dit aanleiding
tot:
     a. Het afdwingen van op schrift gestelde voorrechten (privilegies) door de economisch
        sterk groeiende steden en door de invloedrijke clerus (in Brabant vnl. de
        grootgrondbezittende abdijen), in ruil voor geleidelijke steun (beden);
     b. De bestendiging van het gezamenlijk optreden in stedenbonen en afzonderlijke
        vergaderingen van de andere twee standen, evenals in de zgn. Staten, die
        vergaderingen waren van afgevaardigden van de drie standen;
     c. De oprichting van controleorganen om toezicht uit te oefenen op het financieel en
        juridische beleid van de vorst en zijn ambtenaren;
     d. De opstelling van territoriale grondwetten (Brabant, Luik, Henegouwen, Utrecht).

2. Brabant is het zuiverste voorbeeld van deze ontwikkeling.
    a. Hier werden van 1246 tot 1405, trapsgewijze, in een samenwerking van de standen,
       geleid door de eensgezinde steden, constituties opgebouwd onder de vorm van
       politieke testamenten der hertogen en van Blijde Inkomsten, wegens de herhaling van
       minderjarige troonsopvolgingen en het roekeloos financieel beheer van de hertogen.
    b. Er leefde een zeer sterk „Brabants‟ vaderlands gevoel in de 2de helft van de 14de eeuw,
       dat zich o.m. uitte in een krachtig optreden voor territoriale onschendbaarheid, meer
       bij de onderdanen dan vanwege de landsheer, o.m. als reactie tegen de interventie van
       vreemde (bv. Luikse) rechtbanken.
    c. De „Blijde Inkomst‟ van 1356 werd na enkele maanden door de vorsten ingetrokken
       omdat de steden met de graaf van Vlaanderen hadden samengewerkt bij diens poging
       om het hertogdom te veroveren; het bleef niettemin de kristallisatie van de aanspraken
       der onderdanen, waarnaar in latere tijden, tot 1830 toe, steeds zou verwezen worden.

3. Vlaanderen vertoon inzake deze ontwikkeling een opvallende tegenstelling tot Brabant.
    a. Hier kwam geen harmonische samenwerking tot stand tussen vorst en standen, wegens
       het vroeger ontwikkelde en sterker overwicht van de steden, die soms gezamenlijk,
       doch meestal afzonderlijk optraden, en daardoor nooit konden opwegen tegen de graaf
       die geruggensteund werd door de Franse koning.
    b. Pogingen van de graaf om de macht van de steden te beknotten werden gevolgd door
       machtsgrepen van de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper (Jacob van Artevelde,
       1338-45) of door een opstand (Gent, 1379-85). Zij streefden ernaar zelf de politiek
       macht uit te oefenen in het deel van het graafschap (kwartier) dat van hen reeds
       juridisch en economisch afhankelijk was. Het resultaat was steeds de uiteindelijke
       zege van de graaf en de versteviging van zijn macht.
    c. De standenvertegenwoordiging bleef hier in feite tot de grote steden beperkt, die
       machtig genoeg waren om het graafschap te beheersen, ook zonder grondwet: zij
       vormden de Leden van Vlaanderen (Gent, Brugge, Ieper, en geleidelijk vanaf 1350
       ook het uitgestrekte en plattelandsdistrict het Brugse Vrije).

4. Luik
   a. De ontwikkeling werd er gekenmerkt door scherpe tegenstellingen tussen de bisschop
      en de andere geledingen van het andere prinsbisdom (kapittel, patriciërs en ambachten,
      vnl. te Luik zelf).
   b. In 1316 bepaalde de Vrede van Fexhe dat de steden, en daarin ook de ambachten, een
      zekere inspraak zouden genieten in het landsbeleid via de raad der XII. Elke „vrede‟,
      die na bloedige conflicten tot stand kwam, bond de bisschoppen aan constitutionele
      gebruiken, waaraan zij gedurende de hele 14de eeuw trachtten te ontkomen.

5. Utrecht
In 1375 verbond de bisschop zichzelf ertoe geen belangrijke bestuursdaden te stellen zonder
de toestemming van de drie standen.

6. De andere Noord-Nederlandse gewesten waren gekenmerkt door een tragere ontwikkeling
van de consultatieve vergaderingen (dagvaarten). De Volksvertegenwoordiging bestond
bovendien slechts uit twee standen: geen geestelijkheid in de Staten van Holland, Gelre,
Overijssel en Drenthe. In Friesland en Groningen was er slechts een stand (lokale
grondbezitters en adel, geen steden).

D. Besluit

1. omstreeks 1300 had de geschetste ontwikkeling geleid tot een vereenvoudiging van de
feodale mozaïek:
    a. Slechts vier vorstendommen (alle wereldlijke) konden aanspraak maken op de
       beheersing van het geheel der Nederlanden: Vlaanderen, Brabant, Holland-
       Henegouwen, Gelderland.
    b. Er ontstonden hevige spanningen tussen deze vorstendommen, nl. tussen Vlaanderen
       en Holland-Henegouwen, tussen Brabant en Gelderland, tussen Brabant en Luik,
       waarvan de oorsprong meestal te zoeken is in eng-dynastische belangen, zodat hieruit
       niet mag afgeleid worden dat deze gebieden te verscheiden van aard waren om in een
       groter complex te worden opgenomen.

2. zekere verwantschappen tussen de voornaamste vorstendommen zijn onmiskenbaar:
    a. gemeenschappelijke trekken van de prinsbisdommen Luik en Utrecht
    b. Gelijktijdige en vroeg bloei van de steden aan de Schelde, Maas en in het Midden en
        Oosten van Nederland.
    c. De overname van een aantal Vlaamse instellingen (o.a. baljuw) en van Brabantse
        stadsrechten in Holland.

3. de Nederlandse vorstendommen vertoonden anderzijds tegenover Frankrijk en Duistland
samen onmiskenbare individuele trekken, hoewel de grenzen van het Nederlandse territoriaal
complex nog niet naar alle zijden even scherp waren afgetekend:
    a. Aan de zuidgrens van Vlaanderen, was het, na het verlies van Artesië in 1191, nog niet
       duidelijk of Artesië nog ooit eens opnieuw tot Vlaanderen zou behoren hetgeen door
       huwelijk in 1369 een feit werd.
    b. Aan de Oostgrens waren Namen en Luxemburg in het Nederlandse complex begrepen,
       doch de vastlegging van de Rijngrens als Oostelijke grens van Brabant werd
       verhinderd door het tegengewicht van Keulen; het hertogdom limburg (met Waals-
       Duitse taalgrens) zou uiteindelijk de oostgrens worden van de Nederlanden.
    c. De Noordgrens was eveneens onzeker: Gelderland, Friesland en Drenthe waren nog
       sterk op het Oosten (Westfalen, Munster) gericht.
4. de twee grote componenten in de 14de-eeuwse ontwikkeling van de vorstendommen zijn:
           - het opdringen van Frankrijk enerzijds en
           - de groei van het territorialiteitsbesef in ieder vorstendom, anderzijds.

5. Het territorialiteitsbesef van de vorstendommen is een groei in het politiek bewustzijn van
het lokaal naar het gewestelijk niveau.
    a. Het zal echter remmend werken op de verdergaande centralisatiepogingen van de
        Bourgondiërs en beletten dat het Bourgondisch Rijk een werkelijk eenheidsrijk zou
        worden: de gewesten zullen wantrouwig blijven tegen de centrale instellingen die de
        Bourgondiërs zullen oprichten.
    b. Bepaalde gewesten zullen erdoor zelfs hun zelfstandigheid definitief veroveren (Luik)
        of meer dan een eeuw in stand houden (Gelre tot 1543).




              III. DE BOURGONDISCHE EENMAKING
                       VAN DE NEDERLANDEN

1. De grondslagen van de Bourgondische macht
   1. Toen Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en jongere broer van de koning van
      Frankrijk, in 1384 als echtgenoot van Margareta van Male ook graaf van Vlaanderen,
      Artesië, Nevers en Franche-Comté werd, betekende dit voor hem in de eerste plaats
      een versteviging van zijn machtspositie aan het Franse hof. Hij verbleef meestal te
      Parijs en oefende er als regent een sterke invloed uit op de zwakke koning (zijn broer).

   2. Filips de Stoute realiseerde naar Frans voorbeeld de inrichting van een Bourgondische
      staat. In de lijn van reeds bestaande instellingen vestigde hij in het graafschap
      Vlaanderen een hoger rechtscollege, de Raadkamer te Gent, en een orgaan voor het
      financieel beheer en controle op de stedelijke financiën, de Rekenkamer, te Rijsel.

   3. Van zijn schoonvader, de graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male, erfde hij ook
      diens aanspraken op Brabant. Hij dwong de oude kinderloze hertogin Johanna
      Limburg, de gebieden Overmaas en Brabant zelf aan hem af te staan. De Staten van
      Brabant verzetten zich hier heftig tegen, en pas in 1403 legden zij zich neer bij de
      troonsopvolging door Filips‟ tweede zoon Antoon: deze werd hertog in 1406. De
      Brabantse onderdanen waren er vooral huiverig voor opgenomen te worden in een
      Franstalig bestuursapparaat, onderworpen aan een vorst die zijn aandacht meer zou
      besteden aan zijn Franse belangen dan aan zijn gebieden in de Nederlanden.

   4. In de andere Bourgondische vorstendommen had Jan zonder Vrees, de oudste zoon
      van Filips de Stoute, in 1404 zijn vader opgevolgd (in Vlaanderen pas na het
      overlijden van zijn moeder in 1405). Zijn belangstelling ging vooral uit naar de strijd
      om de voogdij over de waanzinnige koning van Frankrijk, in welke strijd hij vermoord
      werd (1419). Hij kon zijn invloed aanwenden voor het sluiten van vrede met
      Engeland (1408), waarop de Vlaamse onderdanen sterk aandrongen omwille van de
      intense handelsbetrekkingen (vnl. wolimport).

   5. De huwelijksbindingen van de hertogen van Brabant Antoon (+ 1415) met Elisabeth
      van Görlitz, erfgename van Luxemburg, en van zijn zoon Jan IV met Jacoba van
      Beieren, erfgename van Holland-Zeeland-Henegouwen, breidden de Bourgondische
      invloedssfeer aanzienlijk uit in het Duitse rijk (het vroegere Lotharingen), en legden
      de basis voor de latere eenmaking der Nederlandse vorstendommen.


2. De territoriale politiek van Filips de Goede (1419-1467)
   1. Het fundamentele historische probleem dat bij een poging tot verklaring gesteld wordt,
      luidt: hadden de territoriale uitbreidingen verwezenlijkt door Filips de Goede een
      andere bedoeling dan de versteviging van de Bourgondische invloed in Frankrijk?

   2. Een onderzoek van de feiten wijst het volgende uit:
         a. bij zijn troonsbestijging in Vlaanderen-Bourgondië, was hij in geen enkele van
            de overige Nederlandse vorstendommen de directe of zelfs maar vermoedelijke
            erfgenaam. Het plan om een groot territoriaal rijk op te bouwen klimt dus
            zeker niet op tot het begin van zijn regering;
         b. enkele toevallige omstandigheden hebben de situatie en waarschijnlijk ook de
            inzichten van Filips de Goede gewijzigd:
                   - De afkoop in 1421 van de grafelijke rechten op Namen, die hem in
                       1429 toevielen bij het uitsterven van de dynastie.
                   - Zijn gewapende tussenkomst in Henegouwen en Holland, tegen
                       Jacoba van Beieren, om te verhinderen dat, door haar tweede
                       huwelijk met de hertog van Gloucester, het regerende Engelse huis de
                       hand op deze gebieden of een deel ervan zou leggen. Jacoba deed
                       uiteindelijk afstand van Henegouwen-Holland aan Filips (1433), na
                       een jarenlange oorlog.
                   - Door een dynastisch toeval, nl. het uitsterven van de jongere tak der
                       Bourgondiërs met de dood van Filips van Saint-Pol, viel Brabant-
                       Limburg in zijn handen (1430).
         c. De vestiging van zijn invloed door de bisschopskeuze te Luik, Doornik en
            Utrecht (onrechtstreeks) en vooral van zijn macht in Luxemburg (afkoop van
            de rechten van Elisabeth van Görlitz, 1437-1443), zijn reeds niet meer aan een
            ordeloze territoriale expansiepolitiek toe te schrijven: ze laten reeds toe het
            bestaan van een zekere ruimtelijk-politieke visie bij Filips te veronderstellen.
         d. Deze hypothese wordt in 1447 bevestigd: tijdens de onderhandelingen met de
            keizer wil Filips voor zichzelf het bestaan zien erkennen van een koninkrijk
            „Neder-Duitsland‟, omvattend – behalve de reeds Bourgondisch geworden
            vorstendommen – ook de hertogdommen Gelre, Gulik, Kleef, Bar,
            Lotharingen, welke door de desbetreffende vorsten van de hertog van
            Bourgondië in leen zouden gehouden worden.                  De keizer zou die
            vorstendommen afstaan aan de nieuwe koning.
         e. Dat Filips het als een territoriaal geheel zag, bewijst het gebruik ervoor van de
            naam „Lotharingen‟, die het oude Lotharingische rijk oproept, en het feit dat in
            dit geheel zouden worden opgenomen de gebieden gelegen tussen Bourgondië-
            Franche Comté en de Bourgondische Nederlanden.
   3. Besluit:
         a. Filips is er geleidelijk toe gekomen een werkelijke territoriale „politiek‟ op te
              bouwen.
         b. Omstreeks 1430-1435, toen zijn gebieden in omvang verdubbeld waren, is
              Filips los gekomen van de Engelse alliantie, die hij sinds de moord op zijn
              vader had gesteund, o.m. wegens de economische concurrentie met de
              Nederlanden. Frankrijk bleef het uitgebreide Bourgondische rijk als een
              gevaar beschouwen, waardoor Filips tot een autonome koers gedreven werd.
         c. Dit territoriaal geheel was veel groter dan de Nederlanden: het reikte van de
              Schelde tot de Rijn en van Friesland tot de Vogezen.
         d. Hoewel de vorstendommen die aldus onder dezelfde vorst kwamen niet geheel
              vreemd tegenover elkaar stonden (vgl. de perioden van personele unie van
              Vlaanderen en Henegouwen in de 13de eeuw, en van Henegouwen, Holland en
              Zeeland sinds 1299, en de bindingen tussen Limburg, Overmaas en Brabant),
              vormden zij niettemin autonome gehelen, met eigen instellingen, tradities en
              wetten. De politiek van territoriale eenmaking diende terdege rekening te
              houden met de gewestelijke en lokale eigenheden. Zij kon slechts geleidelijk
              meer eenvormigheid en meer samenhang nastreven.

3. De Bourgondische instellingen
A. Vorstelijke instellingen.

   1. Zoals Filips de Stoute in Vlaanderen een Raadkamer en een Rekenkamer had
      gevestigd, vormde ook Filips de Goede de elders bestaande instellingen in die zin om.
      Brabant behield zijn eigen kanselier en zijn Raad, die er vanouds regeringsorganen
      waren, maar voortaan hoofdzakelijk juridische en uitvoerende bevoegdheden kregen.
      Brussel werd ook de zetel van een Rekenkamer. Ook in Den Haag werden een
      Raadkamer en een Rekenkamer gevestigd. In 1468 zou Karel de Stoute tenslotte voor
      het Maasgebied een Raadkamer te Maastricht oprichten.

   2. Met respect voor de gewestelijke autonomie kwam een uitgebreid en uniform
      ambtenarencorps tot stand, juridisch en fiscaal getraind. Het stond onder de leiding
      van de kanselier van Bourgondië, welke functie van 1422 tot 1462 door Nicolas Rolin
      werd uitgeoefend.

   3. Ook de hofraad, die de vorst bij zijn voortdurende verplaatsingen volgde, werd
      opgesplitst in een zuiver politieke afdeling, vooral bestaande uit edellieden, een
      financiële en een juridische afdeling, vooral bestaande uit legisten. Geleidelijk zou
      deze Grote Raad een beroepshof voor de verschillende provinciale raden worden.
      Karel de Stoute heeft dit streven voltooid door in 1473 een sedentair Parlement van
      Mechelen op te richten als duidelijk bewijs van zijn gelijkwaardigheid met de koning
      (tegenover het Parlement van Parijs).

   4. Tegenover de voortschrijdende centralisatie en uitbreiding van bevoegdheden van de
      vorstelijke instellingen, rees verzet vanwege de lokale overheden, die hun autonomie
      verdedigden. Aldus werden tijdens de opstanden van 1477 en later het Parlement van
      Mechelen afgeschaft, en de bevoegdheden van de andere vorstelijke instellingen
      beperkt. Geleidelijk kon de regering echter haar streven voortzetten: onder de naam
       Grote Raad van Mechelen werden de functies van het Parlement spoedig hernomen,
       sinds 1504 zelfs officieel.

   5. Onder Karel V (1515-1555) vond deze evolutie haar logische voltooiing. De
      politieke, bestuurlijke en financiële secties uit de vroegere Grote (hof-)Raad werden in
      1531 tot drie zelfstandige maar nauw samenwerkende instellingen verheven: de zgn.
      Collaterale Raden (Raad van State, Geheime Raad, Raad van Financiën).

   6. De bestendige gebiedsuitbreiding maakte het de vorsten onmogelijk al rondreizend,
      zoals tot het midden van de 15de eeuw gebeurde, zelf hun gebieden te besturen. Bij
      langdurige afwezigheid tijdelijk en op het einde van zijn leven permanent, had Filips
      de Goede reeds zijn zoon tot stadhouder-generaal aangesteld (1451, 1465-67). Als
      roomskoning diende Maximiliaan van 1489 tot 1493 tijdens de minderjarigheid van
      Filips de Schone eveneens een neef, Albrecht van Saksen, tot die functie in de
      Nederlanden te benoemen.         Tijdens de minderjarigheid, en later tijdens de
      afwezigheid, van Karel V oefenden gouverneurs-generaal (ook regenten of
      regentessen genoemd) bestendig het bestuur uit (Margareta van Oostenrijk 1507-15 en
      1519-30; Maria van Hongarije 1530-55). Op gewestelijk vlak waren er provinciale
      gouverneurs (stadhouder genoemd in Holland, Zeeland, Utrecht). In Brabant werd
      geen provinciaal gouverneur aangesteld daar traditioneel de Kanselier en de Raad van
      Brabant er als de plaatsvervangers van de vorst werden erkend.

B. Representatieve instellingen.

   1. Opbouw en werking
         a. Tegenover de vorstelijke instellingen, die vanuit de top naar de onderdanen
            werkten ontstond een pyramidaal opgebouwde structuur van representatieve
            instellingen, die tegenover de centrale overheid de belangen van de onderdanen
            vertolkten.
         b. Deze spontaan gegroeide organen werden door de vorsten aangegrepen als
            gesprekspartners voor het bekomen van financiële steun. Daarom trachtten zij
            de vertegenwoordiging derwijze samen te stellen, dat deze hen zo gunstig
            mogelijk gezind was. Zo heeft hertog Filips de Stoute in Vlaanderen op het
            einde van de 14de eeuw het ontstaan van de Staten gestimuleerd, en ook de
            kleinere steden en plattelandsdistricten vaker bijeengeroepen, opdat zij een
            tegengewicht zouden vormen voor de Vier Leden. Dit streven bleef echter vrij
            ijdel, zolang deze een reëel machtsoverwicht bezaten. De Bourgondische
            vorsten legden er zich dan ook op toe de macht der grote steden te breken, daar
            deze de belangrijkste hinderpaal vormden voor de centralisatiepolitiek.
         c. De vertegenwoordiging van de onderdanen ging uit van het principe dat elke
            gemeenschap van vrije lieden autonome beslissingsmacht genoot. In elke stad
            en in elke plattelandsomschrijving kwamen algemene vergaderingen samen
            van de burgers (eventueel verder opgesplitst in ambachtsvergaderingen), resp.
            van de grondeigenaars. In deze bijeenkomsten werd het bindend mandaat
            vastgelegd voor de lokale schepenen, die in de representatieve vergaderingen
            op regionaal (kwartieren: het hinterland van elk der Vier Leden of
            hoofdsteden), landelijk en interlandelijk niveau hun stem moesten uitbrengen.
            Daar voor alle representatieve vergaderingen, ook die van de Leden van
            Vlaanderen en grote steden van Brabant, die quasi permanent waren,
             mandatarissen ad hoc werden aangesteld, behielden de opdrachtgevers de
             volledige controle op de houding van hun vertegenwoordigers.
          d. In het kader van hun unificatiepolitiek raadpleegden Filips de Goede en zijn
             opvolgers steeds vaker vertegenwoordigers van stedenbonden, en geleidelijk
             ook de andere standen van diverse vorstendommen samen (verenigd in Staten),
             over kwesties van gemeenschappelijk belang, zoals de handels- en monetaire
             politiek.    Zo werd de protectionistische politiek t.o.v. de Engelse
             textielproductie, en het gemeenschappelijk muntstelsel uitgewerkt. Uit deze
             contacten ontstonden geleidelijk de Staten-Generaal der Nederlanden, die sinds
             1464 regelmatig (gemiddeld jaarlijks of tweemaal per jaar) de
             vertegenwoordigers van alle Nederlandse vorstendommen onder het
             Bourgondisch gezag samenbrachten.            Belangrijke politieke kwesties
             (troonsopvolging, landsverdediging), en spoedig ook beden, die voortaan
             globaal werden aangevraagd ter wille van de efficiëntie, vormden de
             belangrijkste onderwerpen van hun besprekingen, naast de reeds vermelde
             economische problemen.
             Aldus stimuleerden de vorsten ook bij de representatieve organen de territoriale
             eenmaking, in het kader van de opbouw van een moderne eenheidsstaat.


   2. Historische betekenis

   De gewestelijke vertegenwoordigende organen hebben de invoering in de Nederlanden
   van een stelsel van vaste belastingen verhinderd. In andere landen (bv. Frankrijk,
   Engeland) vormde het systeem van indirecte belastingen (op zout en andere
   verbruiksgoederen, douanerechten) de basis van de absolute vorstelijke macht, waardoor
   de representatieve organen hun invloed verloren. Door zich in de jaren 1430-50
   hardnekkig te verzetten tegen de invoering van dergelijke bestendige vorstelijke
   belastingen –die aan hun zeggenschap zouden ontsnappen – hebben de Leden van
   Vlaanderen niet alleen hun eigen positie gevrijwaard, maar ook die van de
   volksvertegenwoordiging in de Nederlanden in het algemeen. Nog ruim een eeuw later,
   nl. in 1570-71 is het plan van de hertog van Alva om een stelsel van bestendige
   proportionele belastingen in te voeren (10e, 20e en 100e penning) immers evenzeer op de
   weigering van de Staten-Generaal gestuit.           Aldus verhinderde men tegelijk de
   ongebreidelde machtsuitbreiding van de vorst. Aan het behoud van de fiscale
   beslissingsmacht danken de gewestelijke Staten hun voortbestaan tot aan het einde van het
   Ancien Régime, en de Staten-Generaal, na de Opstand alleen nog in de noordelijke
   Nederlanden, een uitzonderlijke, tijdelijk zelfs souvereine positie.



4. Crisis en consolidatie van de Nederlandse eenheidsstaat
A. Structurele factoren.

   1. De unificatie- en centralisatiepolitiek van de Bourgondiërs streefde naar de
      uitschakeling van de autonomie van de grote steden. Deze genoten niet alleen
      zelfbestuur en een grote mate van rechterlijke autonomie, maar oefenden bovendien
      ook juridische, economische, fiscale en politieke prerogatieven uit over hun kwartier,
      d.i. het deel van het vorstendom dat instond voor hun vitale behoeften (productie en
      aanvoer van levensmiddelen en grondstoffen). De kwartieren (gehelen van kleinere
      steden en van plattelandsdistrikten) vormden regio‟s die politiek afhankelijk waren
      van de grote steden (vgl. zeer duidelijk dit imperialisme van de grote steden t.o.v. hun
      economisch hinterland tijdens de revolte onder Van Artevelde 1338-45).

   2. De geleidelijke uitbreiding van de bevoegdheid der gewestelijke en centrale
      rechtscolleges (raadkamers en Parlement, later Grote Raad van Mechelen)
      ondermijnde en juridische afhankelijkheid van de kleine steden en kasselrijen
      tegenover de hoofdsteden, die ook zelf onderworpen werden aan de hogere vorstelijke
      rechtspraak.

   3. Sinds Karel de Stoute (1465-77) werden de kleine steden en de kasselrijen steeds
      vaker rechtstreeks bij de politieke besluitvorming betrokken, als tegengewicht tegen
      de grote steden.

   4. Opstanden die in de grote steden uitbraken n.a.v. economische (Brugge 1436-1438) of
      politieke moeilijkheden (Gent 1450-1453, 1467, Dinant en Luik, 1465-1468) leidden
      telkens tot een militaire repressie, waarbij de vorst steeds verdergaande maatregelen
      trof om de groot-stedelijke autonomie en de greep op het ommeland te beknotten.

B. Politieke omstandigheden

   1. Karel de Stoute (1465-77): zette consequent de politiek van zijn voorgangers voort,
      maar ging daarbij drastischer te werk:
          a. hij breidde zijn territorium aanzienlijk uit d.m.v. oorlogen: na de verovering
              van Gelre en Luik wilde Karel de Stoute de beide delen van het Bourgondisch
              rijk verbinden door de verovering van N.O. Frankrijk, volgens een plan dat
              Filips de Goede reeds had gekoesterd, om aldus een Bourgondisch Koninkrijk
              tot stand te brengen, samenvallend met het oude Lotharingische Middenrijk,
              van de Noordzee tot de Middellandse Zee, om dit als territoriale basis voor de
              verwerving van de waardigheid van „Roomse koning‟ te kunnen gebruiken.
              Na nederlagen hem toegebracht door de Zwitsers te Granson en Morat (1476),
              kwam Lotharingen, dat Karel de Stoute had veroverd (1475), in opstand: Karel
              sneuvelde bij het beleg van de hoofdstad Nancy (1477);
          b. hij voerde een doorgedreven administratieve centralisatie door: centrale
              Rekenkamer en Parlement van Mechelen;
          c. hij legde overdreven fiscale lasten op alle groepen van de bevolking op, dit om
              de onophoudelijke oorlogsinspanningen te bekostigen:
                    i. de adel werd onophoudelijk tot leendienst gedwongen;
                   ii. de clerus werd zwaar belast op de „nieuwe acquesten‟;
                  iii. de derde stand werd onder druk van het persoonlijk despotisch optreden
                       van de vorst gebracht tot de verdubbeling van de toegestane beden van
                       1465-70 tot de 1471-76.
   2. Crisis na de dood van Karel de Stoute (1477-82).
          a. De positie van Karel‟s dochter en opvolgster Maria van Bourgondië (1477-
              1482) werd bedreigd door een dubbel gevaar: een buitenlands gevaar vanwege
              de Franse koning Lodewijk XI, die van de omstandigheden gebruik maakte om
              Bourgondië te bezetten en het Zuiden van de Bourgondische Nederlanden
              binnen te vallen; een binnenlands gevaar, nl. de opstand van de verschillende
              vorstendommen en steden als reactie op het despotisme van Karel de Stoute,
          zijn ambtenaren en partijgangers (afscheiding van de recent veroverde
          gebieden Luik en Gelre).
       b. Beide gevaren werden voorlopig bezworen:
             iv. het buitenlands gevaar door het militair optreden van Maximiliaan van
                 Oostenrijk, gehuwd met Maria van Bourgondië (mei 1477);
              v. het binnenlands gevaar door volledige toegevingen aan de eisen van
                 Staten-Generaal, provinciale Staten en steden, nl. de afschaffing van de
                 centrale instellingen (Parlement en Rekenkamer van Mechelen), het
                 herstel van de stedelijke privilegiën, de toekenning van het initiatief tot
                 bijeenroeping aan de Staten-Generaal en de provinciale Staten zelf, de
                 beslissingsmacht over vrede en oorlog, enz. („Groot Privilege‟ en
                 provinciale privileges). De priviliges van 1477 bleven echter dode
                 letter, terwijl Lodewijk XI de zuidelijke grensgebieden van het
                 Bourgondisch rijk jarenlang bleef bestoken, zodat grote militaire
                 krachtinspanningen nodig bleven. In feite zette Maximiliaan de
                 centraliserende en fiscaal drukkende oorlogspolitiek van Karel de
                 Stoute verder, wat het verzet tegen zijn persoon deed groeien, daar hij
                 geen rekening hield met de vredeswil van de Staten-Generaal.


3. Regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk (1482-1493).
      a. Na de plotse dood van Maria van Bourgondië (1482) groeide het wantrouwen
         t.o.v. Maximiliaan, beschouwd als „vreemdeling‟, vanwege het toenemend
         nationaal gevoel van de „Nederlanden‟ dat in deze periode als defensieve
         reactie tegenover buitenlandse gevaren (Frankrijk, Duitsland) ontstond. Dit
         wantrouwen heerste onder verschillende groepen:
             vi. in de kringen van de hoge adel, die onder de Bourgondiërs vnl. uit
                 franssprekende gebieden (Bourgondië, Artesië, Henegouwen) aan het
                 hof was verbonden, en zich thans achteruit gesteld voelde t.o.v. edelen
                 uit het Duitse Rijk;
            vii. in de Staten-Generaal, waar aan Maximiliaan in 1482 streng zijn
                 autocratische buitenlandse politiek nadrukkelijk werd verweten, vnl. de
                 voortdurende staat van oorlog met Frankrijk;
           viii. in de Vlaamse steden, en vooral te Gent, waar hem bovendien ook zijn
                 terugkeer naar de centralisatiepolitiek van Karel de Stoute werd
                 verweten, met veronachtzaming van de in 1477 verleende privilegiën.
      b. De tegenstelling, die in feite de kern van de politieke machtsuitoefening betrof,
         nl. absolutistisch of met inspraak van de onderdanen, leidde alleen in
         Vlaanderen tot een breuk, nl. de weigering om Maximiliaan te erkennen als
         regent voor zijn minderjarige zoon, na het overlijden van Maria van
         Bourgondië (1482). De Leden grepen er zelf naar de macht, en vormden een
         regentschapsraad, waarin ook leden van de hogere inheemse adel zitting
         namen. Deze aparte situatie is o.m. te verklaren door de lange traditie van
         regeringsdeelname van de Leden, die een elders niet bestaand goed
         georganiseerd alternatief machtsapparaat vormden.
      c. Het bewind van de regentschapsraad behartigde vooral de belangen van de drie
         grote Vlaamse steden, ten koste van die van de ondergeschikte steden en
         kasselrijen (bv. repressie van de plattelandsnijverheid). Het nam een einde in
         juni 1485 onder de druk van Maximiliaans Duitse troepen, die tot een
         systematische verovering van het land overgingen.
          d. Het herstel van Maximiliaans macht wekte een diepgaande malaise vanwege
             zijn nog meer uitgesproken autocratisch optreden, waarbij hij steeds
             duidelijker zijn dynastische (Habsburgse) belangen voorop stelde (kroning tot
             Rooms Koning in 1486).
          e. In 1487 kwam eerst Gent, nadien ook Brugge, zuidelijk Brabant en Holland in
             opstand. Maximiliaan werd gedurende ruim 3 maanden te Brugge gevangen
             gehouden, en in Vlaanderen werd de revolutionaire regentschapsraad
             heropgericht. Daardoor barstte een oorlog uit die tot 1492 zou duren en
             waarbij Duitse troepen moeizaam de opstandige gebieden onderwierpen. Bij
             de uiteindelijke onderwerping verloor de stad Gent nagenoeg al haar
             prerogatieven. Het militaire overwicht dat de vorst genoot dank zij de
             uitgebreidheid van zijn territorium beslechtte uiteindelijk de machtsstrijd in
             zijn voordeel.


5. Een nieuw evenwicht: de moderne staat
A. Bij de troonsbestijging van Filips de Schone (1493-1506) zag het ernaar uit dat de
Bourgondische Nederlanden zich opnieuw tot een „nationale‟ staat zouden ontwikkelen,
onafhankelijk van de Habsburgers en tegenover Frankrijk. Het dynastisch toeval zal echter
aan deze ontwikkeling een einde stellen.

   1. Filips de Schone voerde een nationale en verzoenende politiek door
                 ix. leden van de hoge Nederlandse adel als invloedrijke raadgevers op te
                     nemen;
                  x. een actieve rol van de Staten-Generaal te bevorderen;
                 xi. een onafhankelijke buitenlandse politiek te voeren o.m. door de
                     normalisatie van de betrekkingen met Frankrijk en de sluiting van een
                     gunstig handelsverdrag met Engeland.

   2. Anderzijds echter werd de centralisatie toch zacht doorgedrukt dank zij de volgende
      omstandigheden:
               xii. de autonomie der grote steden was na de opstand tegen Maximiliaan
                    uitgeschakeld; hun besturen werden voortaan door de centrale regering
                    aangesteld (na voordracht);
              xiii. het land was uitgeput door de langdurige binnen- en buitenlandse
                    oorlogen, en bood derhalve weinig weerstand;
              xiv. de Grote Raad van Mechelen werd als hoogste gerechtshof opnieuw
                    ingericht (1504)
               xv. de gewestelijke Staten en de Staten-Generaal traden actiever op.

   3. Aan deze „nationale‟ politiek kwam een einde door Filips‟ huwelijk met Johanna van
      Castilië. Na de dood van drie erfgenamen die Johanna en Filips opvolgers van de
      Spaanse kroon. De dynastieke belangen zouden voortaan weer voorrang krijgen op de
      nationale en dit voorgoed. Filips vertrok naar Spanje om zich door de Cortès te doen
      erkennen, maar overleed er kort na zijn aankomst (1506). Het regentschap kwam
      opnieuw toe aan Maximiliaan, -intussen Keizer van het Duitse Rijk geworden- die het
      overliet aan zijn dochter Margareta van Oostenrijk, die impopulair zou worden wegens
      haar vreemde raadgevers en vooral haar dynastische politiek.
B. Onder Karel V (1515-55), opgevoed als „nationale‟ prins van de Nederlanden, doch
weldra koning van Spanje (1516), keizer van het Duitse Rijk (1520), zal het grondgebied van
de Nederlanden juridisch een eenheid gaan vormen inzake buitenlandse betrekkingen en
erfopvolging, en van stevige centrale instellingen worden voorzien. De Bourgondische
politiek werd onder zijn regering voltooid, in de lijn van „moderne‟ vorsten die trachtten alle
gebiedsdelen van een verspreid rijk af te ronden tot grote blokken en bestuurlijk eenvormige
entiteiten.

   1. Voltooiing van de territoriale eenheid.
         a. Deze werd bereikt door de verovering van Friesland, Overijssel, Drenthe,
             Groningen en het prinsbisdom Utrecht, waar de bisschop zijn wereldlijke
             macht verloor, en de herovering van Gelre (1543) (was tijdelijk aangehecht
             door Karel de Stoute).
         b. Door de aanhechting van deze Noord-Oostelijke gebieden, overgangsgebieden
             tussen de kern van de Bourgondische Nederlanden en het Duitse Rijk, werd in
             feite de oostelijke grens van de Nederlanden definitief vastgelegd. Alleen Luik
             zal onafhankelijk blijven tot het einde van het Ancien Régime. Hoewel
             neutraal in internationaal opzicht zal het in feite, vanaf 1518, zoals onder Karel
             de Stoute, een protectoraat worden van de Duitse keizer, tot Spanje in 1654 zal
             verplicht worden de neutraliteit van Luik te erkennen.

   2. Internationale en juridische eenheid van de Nederlanden: de „XVII Provinciën‟.
          a. Theoretisch ressorteerden de Nederlandse vorstendommen ten westen van de
              Schelde nog steeds onder Frankrijk, ten oosten van de Schelde onder het
              Keizerrrijk. Deze anachronistische situatie eiste nu een oplossing: Frankrijk
              verzaakte aan de suzereiniteit over Vlaanderen en Artesië door de vrede van
              Kamerijk (1529).
          b. De verhouding tot het keizerrijk werd geregeld door het vergelijk van
              Augsburg (1548): de Nederlanden, Vlaanderen en Artesië inbegrepen, werden
              opgenomen in de zgn. Bourgondische Kreits, hetgeen betekende dat zij, mits
              een geringe geldelijke bijdrage, de bescherming van het Rijk genoten, zonder
              er nochtans juridisch aan onderworpen te zijn.
          c. Door de Pragmatieke Sanctie (1549) werd het erfopvolgingsrecht in alle
              Nederlandse vorstendommen gelijkgeschakeld, waardoor het gevaar werd
              uitgesloten dat, vanwege de zuiver dynastische band (= personele unie) de
              vorstendommen over verschillende erfopvolgers zouden verdeeld worden bij
              overlijden (vgl. de betwisting om het regentschap van Maximiliaan in 1482-92
              en opnieuw in 1506).

   3. Voltooiing van de centralisatie.
         a. Het centralisatiewerk van de Bourgondiërs werd door Karel V voltooid dankzij
             de hervorming van de hoogste bestuurs- en rechtscolleges tot drie Collaterale
             Raden (1531).
               xvi. de Raad van State: bracht advies uit over alle belangrijke kwesties van
                    binnen- en buitenlandse politiek. Aanvankelijk vooral samengesteld uit
                    leden van de hoge adel, later geholpen door juristen-raadsheren. Het
                    hoofd van de Geheime Raad (een jurist) werd een eersterangslid van de
                    Raad van State, en daardoor in zekere zin de opvolger van het
                    afgeschaft ambt van kanselier.
                xvii. de Geheime Raad: had adviserende bevoegdheid over alle belangrijke
                      wetgevende, gerechtelijke en bestuurlijke aangelegenheden. Deze raad
                      vormde de kern van de centrale administratie. Hij was uitsluitend
                      samengesteld uit juristen.
               xviii. de Raad van Financiën: adviseerde over domeinbeheer, beden, en
                      oefende controle uit over ondergeschikte financiële organen. Hij
                      bestond uit leden van de hoge adel en uit financiële experten.
           b. Een laatste stuiptrekking van de stedelijke autonomie was de opstand van Gent
              in 1540 die bloedig werd onderdrukt. De bij die gelegenheid uitgevaardigde
              zgn. Karolijnse Concessie, welke alle vroegere privilegies verving, voorzag in:
                 xix. de uitschakeling van de politieke rol der ambachen;
                  xx. de volledige afschaffing van de stedelijke autoriteit over het kwartier;
                 xxi. de aanstelling van de schepenen door de regering.




  IV. SOCIAAL-ECONOMISCHE EVOLUTIE VAN DE 9de
                TOT DE 16de EEUW

1. LANDBOUW

A. Overwicht van het groot-grondbezit (9de-11de eeuw)

1. Het klassiek domaniaal regime, in Noord-Nederland meestal hofstelsel genoemd, zoals het
zich in de Karolingische tijd in het Bekken van Parijs en Noord-Frankrijk had ontwikkeld,
heeft enkel in de zuidelijke helft van het huidige België enigszins wortel geschoten.
Het werd gekenmerkt door de inrichting van grote tweeledige domeinen, die bestonden uit:
a. een groot bedrijf met akkerland, weiland en bos rechtstreeks voor de domeinheer
geëxploiteerd: de zgn. reserve (lat. indominicatum),
b. en uit afhankelijke kleinere bedrijven, de zgn. tenures (lat. mansus), van de heer gehouden
tegen betalingen en leveringen in natura, geld en vooral tegen herediensten gepresteerd door
de tenurehouders ten voordele van de reserve.

2. In de noordelijke delen van Vlaanderen, Brabant, en Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland
waren tweeledige domeinen zeldzaam; meestal ontbrak bovendien de band tussen reserve en
tenures, gevormd door de herediensten; de reserve, geëxploiteerd door lijfeigenen, vormde
slechts het administratieve en gerechtelijke centrum voor een groep verspreid liggende
tenures.

3. In de kuststreken ontbrak het tweeledige domein geheel, wegens overstromingen ten tijde
van de vorming van het hofstelsel (schorren).
Dit geografisch onderscheid tussen de zuidelijke helft van België enerzijds en de
kustgebieden en meer noordelijke streken anderzijds is belangrijk omdat in beide
laatsgenoemde gebieden zich door de zwakheid of het ontbreken van een meer traditionele
agrarische structuur, tijdens de late Middeleeuwen een meer progressieve landbouweconomie
kon ontwikkelen (zie hierna D en E).
B. De grote ontginningen (11de-13de eeuw)

1.In de kuststreken vond ontginning van nieuw land plaats, gebruik makend van een
regressiefaze van de zeespiegelbeweging (8ste-10de eeuw):
a. In het Vlaamse kustgebied reeds voor het einde van de 10de eeuw, in Holland begin 11de;
deze beweging werd gestimuleerd door de vroege uitbouw van het landsheerlijk gezag en de
snel groeiende bevolking.
b. In de 12de eeuw ging men over tot eigenlijke inpolderingen d.m.v. de aanleg van offensieve
dijken, vnl. door Cisterciënzerabdijen en bedijkingsondernemers in dienst van de vorst, van
grootgrondbezitters of voor eigen rekening (vb. abdijen van Ter Duinen en Ter Doest).
De op de zee gewonnen gronden lieten het verbouwen van graan toe, waaraan de snelle
bevolkinsaangroei tijdens de 12de en de eerste helft van de 13de eeuw behoefte had doen
ontstaan.

2. In het binnenland greep in sommige streken een ware kolonisatiebeweging plaats door:
a. de drooglegging van moergronden, het vruchtbaar meken van bos en heide, in Vlaanderen
vanaf het begin van de 12de eeuw gecontroleerd door de landsheer (elders later, bv. op de
Veluwe pas na 1250);
b. de stichting van gepriviligieerde ontginnersdorpen (villes-neuves), vb. de straatdorpen
Zeveneken en Lochristi;
c. de verkoop door de graaf van Vlaanderen tijdens de 13de eeuw met het oog op hun
ontginning, van uitgestrekte heidegronden, die echter als marginale gronden spoedig weer
werden verlaten.

3. Het einde der ontginningsbeweging is in Vlaanderen ca. 1275-1280 te dateren, in Holland,
Utrecht, Gelderland pas ca. 1370.

C. Wijzigingen in de landbouweconomie (13de-14de eeuw)

1. De enorme uitbreiding van het landbouwareaal, waardoor het agrarisch productievolume
werd verhoogd, maakte een demografische expansie mogelijk die een evenwichtspunt
bereikte tijdens de 13de eeuw, doch voorafgegaan werd en gevolgd door hongersnoden op het
einde van de 12de en in het begin van de 14de eeuw.

2. De verbeteringen in de landbouwtechniek bleven beperkt tot de geografische uitbreiding
van het drieslagstelsel (=driejaarlijkse vruchtwisseling), de aanwending van ijzer voor
landbouwgereedschappen, en de vervanging van de os door het paard.
T.o.v. de Karolingische periode steeg de productiviteit van 1:2 naar 1:4 tot 1:6 en 1:7, en
uitzonderlijk 1:13 in Artesië (graanproductie voor marktafzet).

2. Vanaf het einde van de 13de eeuw trad een commercialisering van de landbouw op, vooral
in Vlaanderen, Zeeland en Zuid-Holland, na het midden van de 14de eeuw ook in Brabant; zij
had o.m. voor gevolg:
a. de intensivering en specialisatie van de productie met het oog op de marktfunctie der
talrijke en grote steden in die gebieden: het verbouwen van groenten rijk aan koolhydraten
(erwten, bonen) met de bedoeling de sterk toegenomen voedselbehoefte te dekken;
b. de gedeeltelijke en progressieve opgave van de braak, waarop nijverheidsgewassen,
leguminosen en voedergewassen werden verbouwd;
c. het toenemend belang van de rundveeteelt, met het oog op het gestegen vleesverbruik in de
steden..

D. Wijzigingen in de exploitatiestructuur (11de-14de eeuw)

1. De snelle evolutie van de demografische en economische toestanden leidde tot nieuwe
exploitatievormen sinds de 12de eeuw, vnl. de pacht: een contract tussen verpachter en
pachter, met vaste betalingen, meestal in geld, en waarvan de voorwaarden regelmatig konden
aangepast worden.

2. De aanwezigheid van talrijke ontginningskernen met vrije werkwoorwaarden , evenals van
talrijke steden, maakte de handhaving van de herediensten door afhankelijke boeren in minder
progressieve streken onhoudbaar: tussen de 11de en het midden van de 13de eeuw werden ook
daar de levensvoorwaarden geleidelijk vrijer. Ook de bevolkingstoename bracht de
domeinheren ertoe de herediensten afkoopbaar te stellen, en arbeidskrachten te huren als
loonarbeiders.

3. Door deze wijzigingen ontstond een grotere mobiliteit van het grondbezit, een enorme
versnippering van het in tenure gehouden grondbezit (omstreeks 1300 waren 50-75% der
bedrijven kleiner dan 3 ha) en de mogelijkheid tot verrijking der tenurehouders (o.m. door
combinatie met veeteelt en landelijke wol- en vlasnijverheid).


E. Late 13de-14de eeuw

1. De versnippering van het landbouwareaal verplichtte tot verhoging van de grond- en
arbeidsproductiviteit, o.m. door verdere technische vooruitgang, vooral in de nabijheid der
steden, waarin 1/3 van de bevolking geconcentreerd was.

2. De landbouw werd derhalve een geldeconomische activiteit: de voordurende stijging der
landbouwprijzen (1100-1300) en der pachten door de grote vraag, leverde hoge inkomens op
in de landbouw, wat nieuwe productieve investeringen mogelijk maakte.

F. Late 14de-15de eeuw

1. Tijdens de 14de eeuw trad een stagnatie op in de stadsontwikkeling, die zich met enige
vertraging ook op het platteland voordeed, nl. in Vlaanderen omstreeks 1380 en in Brabant
(vooral Waals-) en Namen omstreeks 1420-1440: de verminderde vraag in de steden deed de
landbouwprijzen en de inkomens gevoelig dalen.

2. De reactie hiertegen, o.m. dank zij investeringen van het stedelijk patriciaat, bestond uit:
a.      intensivering door aanvoer van meststoffen uit de steden en de nateelt van
voedergewassen;
b.      specialisatie door een verhoogde productie van boter en kaas in Vlaanderen, van graan
in Haspengouw en van nijverheidsgewassen (vlas, hop).

G. Late 15de-16de eeuw

Vanaf ca. 1490 werd een herleving in de steden (vooral in Brabant en Holland) gevolgd door
het platteland, dat sterker geïndustrialiseerd werd. Loontrekkende handwerkers werkten er
aan lagere lonen dan in de steden, vrij van corporatieve beperking. Hun productie van lichte
textielwaren beantwoordde aan een grote vraag die door de internationale handel geschapen
was. Deze productie nam vooral toe in de late 16de eeuw. Nog steeds vulden vlasbewerking
en linnenweverij de wintermaanden van de landarbeiders.

2. HANDEL EN VERKEER

A. Intensiteit

1. De Noormanneninvallen in de 2e helft van de 9de eeuw hebben het handelsverkeer in de
kustgebieden en langs de rivieren op korte termijn verstoord, doch op langere termijn wellicht
geactiveerd door o.m. slavenhandel, verkoop van buit en edelmetaal.

2. In de 10de eeuw kwamen nieuwe koopliedennederzettingen tot stand, waarvan sommige de
functie van vernietigde Karolingische handelsplaatsen overnamen: zo werd Dorestad
opgevolgd door Tiel, Utrecht en Deventer; Lambres door Dowaai. Te Gent ontstond naast de
Karolingische handelsnederzetting aan de Schelde ter hoogte van de huidige St.
Baafskathedraal (Reep), een tweede portus tussen Leie en Schelde (tegenover Gravensteen en
Oudburg); hetzelfde greep wellicht plaats te Brugge.

3. De Friese handelsactiviteit rond de Noordzee in de Karolingische tijd verplaatste zich
oostwaarts en drong verder door in Noord-Duitsland en in de Oostzee (11de-12de eeuw).

B. Handelswegen en –waren

De verbinding tussen het Rijnland en Engeland via de grote rivieren, met elk hun stedengroep,
vormde de hoofdas van het handelsverkeer.
a. Van de Waalsteden bereikte Tiel reeds omstreeks 1000 zijn hoogtepunt als verbinding
tussen het Rijnland en Engeland.
b. De Maassteden (Dinant, Namen, Hoei, Luik, Maastricht) waren meestal zetel van een
exportindustrie, vnl. koper- en lakennijverheid (ertsen uit de Harz, export stroomafwaarts de
Maas).

C. De Vlaamse actieve handel (tot 1275)

Vanaf de 11de-12de eeuw waren de Vlaamse steden vooral actief in wol- en lakenhandel, en in
de handel van voedingsmiddelen met Engeland, Duitsland, Frankrijk en Mediterraan Europa.
- Engeland (wol enz.);
- het Rijnland (wijn);
- de Zuidwestkust van Frankrijk: wijn uit La Rochelle, zout uit de Baai van Bourgneuf met
stapel te Damme;
- Italië: over land via de jaarmarkten van Champagne, vanaf einde 13de eeuw door
rechtstreekse galeivaarten Genua/Venetië – Brugge/Londen.

D. De Vlaamse passieve handel (vanaf 1275)

1. Vanaf de late 13de en 14de eeuw komt het economisch systeem onder spanning en treden er
fundamentele wijzigingen op. Door de Frans-Engelse oorlog, de sociale spanningen, o.m.
door Franse inmenging (Guldensporenslag), door de duurdere grondstoffen en de hoge lonen
worden de Vlamingen door Hollanders, Zeelanders, Brabanders en Italianen uit het
internationale handelsverkeer verdrongen: dit bewerkte de overgang van de actieve naar de
zgn. passieve Vlaamse handel.

3. Tot het 3de kwart van de 13de eeuw hadden Vlaamse kooplieden zelf de grondstoffen uit het
buitenland aangevoerd; vanaf het einde van de 13de eeuw werden de grondstoffen ook door
vreemdelingen (Duitse hanze, Italianen) ingevoerd. Gent en Ieper werden industriesteden;
Brugge, met zijn voorhavens langs het Zwin, ontwikkelde zich tot wereldmarkt, vnl. dank zij
de zgn. gastenhandel (= handel tussen vreemde kooplieden in een stad).

E. Opkomst van de Hollandse handel

1. Door de overschakeling van de Vlaamse actieve naar passieve handel konden de
Hollanders een groter aandeel veroveren in de Engelse wolexporten en graan en in het
groeiend handelsverkeer tussen Noordduitsland en Brugge, mede doordat de ommelandvaart
(om Denemarken heen) met grotere schepen (koggen) in de plaats kwam van de hinderlijke
route via de binnenwateren.

2. Als gevolg hiervan verkwijnden Utrecht en de Friese handel, ten gunste van Dordrecht en
de Ijssel- en Zuiderzeesteden, vooral Kampen.

3. De andere Hollandse steden ontwikkelden zich pas in de 14de eeuw hetzij als
gespecialiseerde agrarische handelscentra, hetzij als centra van exportindustrieën (bier in
Delft, Gouda, Haarlem, laken te Leiden). Amsterdam dankt zijn opkomst aan de vestiging
aldaar van de tol op het Hamburgs bier (midden 14de eeuw).

F. Opkomst van de Brabantse steden

Deze werden pas op het einde van de 13de eeuw commercieel belangrijk door hun lakenexport
(Mechelen, Leuven, Brussel).

G. De Maassteden behielden hun commercieel belang

1. Dinant (lid van de Duitse Hanze) had een metaalnijverheid die van internationale betekenis
bleef tot het einde van de middeleeuwen.

2. Hoei ontwikkelde tijdens de 13de eeuw een bloeinde lakennijverheid die vooral uitvoerde
naar de jaarmarkten van Champagne en het gebied van de Boven-Rijn en de Donauvallei.

3. Luik was meer een kerkelijk centrum, vooral toegespitst op geldhandel.

H. Handelstechniek

1. Het probleem van de veiligheid tijdens verplaatsingen gaf het ontstaan aan hanzen:
groeperingen van kooplieden uit verschillende steden die handel drijven met éénzelfde gebied
(bevordering van de handel en tevens beperking van het ledenaantal).

2. Concentratie van vraag en aanbod werd bereikt door de inrichting van cycli van
jaarmarkten (beschermd door marktvrede) gestimuleerd door landsheren (in Vlaanderen vanaf
2e helft 11de eeuw opbouw van een aaneengesloten cyclus Rijsel, Mesen, Ieper, Torhout en
Brugge (opgericht in 1200); evenzo in Gelderland, Ijsselgebied en Brabant).
3. Vanaf de 13de eeuw leerden de kooplieden steeds meer lezen en schrijven en gingen hun
zaken leiden vanuit een kantoor met correspondenten in het buitenland: daardoor verloren
hanzen en jaarmarkten hun bestaansreden.

4. Er ontstond een scheiding tussen schippers- en handelaarsbedrijf door het beroep op
vrachtvaarders voor de bulkproducten, vooral Hollanders en Zeeuwen.

I. Moeilijkheden onder de Bourgondiërs

1. In het kader van de Bourgondische eenheidsstaat manifesteerden zich uiteenlopende
economische belangen:
a. Vlaanderen wilde zijn textieluitvoer beschermen door de import van Engelse stoffen te
    beletten; Antwerpen was echter juist daarop aangewezen voor de afwerking en heruitvoer.
b. Holland steunde op zijn bloeiende actieve handel (Oost- en Westvaart) en bestreed
    daarom de Hanze, die voor Brugge de onontbeerlijke partner was.

2. Bovendien bemoeilijkte de buitenlandse politiek der hertogen vaak de internationale
economische betrekkingen van de afzonderlijke gewesten: tegen Engeland tot onder Filips de
Goede, tegen Frankrijk vanaf Karel de Stoute. Niettemin sloot de eenmaking voortaan
oorlogjes tuusen naburigen gewesten uit, terwijl de onderlinge handel vergemakkelijkt werd.
Onder de druk van de volksvertegenwoordiging kwamen handelsakkoorden de politieke
tegenstellingen doorkruisen.

J. Verschuiving van het commercieel zwaartepunt

1. Brugge
a. Brugge werd als centrum van nijverheid voorbijgestreefd door de Engelse, Brabantse en
    Hollandse concurrentie, waaraan het zich niet wist aan te passen. Het bleef in de 16de
    eeuw niettemin een belangrijk financieel en handelscentrum.
b. De doorslaggevende factor van de verschuiving schuilt in de troebelen die Vlaanderen en
    Brugge op het einde van de 15de eeuw teisterden. De diepgaande economische malaise,
    veroorzaakt door de oorlogshandelingen, die o.m. Brugge jarenlang tot een onveilige
    haven maakte, verdreven de vreemde handelaarsnaties, die anderzijds door Maximiliaan
    werden aangemoedigd om zich in het hem loyale Antwerpen te vestigen.

2. Antwerpen
a. Antwerpen stond open voor de ruwe Engelse producten, waaraan de laatste afwerking
    werd gegeven;
b. Antwerpen verkreeg bovendien de stapel van aluin en werd het knooppunt van de
    wereldhandel op de as Zuid-Duitsland – Portugal;
c. Door zijn gespecialiseerd artisanaat kon Antwerpen afgewerkte luxewaren leveren:
    specerijen – textiel – metalen;
d. Het werd ook een internationale geldmarkt (beurs).


3. NIJVERHEID

A. Organisatie van de nijverheid
1. De nijverheid had enerzijds een sterk artisanaal karakter (huisnijverheid, geringe
mechanisatie, gereedschappen eigendom van handwerker), doch anderzijds stelde zij een
groot aantal handwerkers te werk en kende zij een ver doorgedreven arbeidsverdeling.

2. Zij was geconcentreerd in de steden, waar een strenge reglementering bestond, die door de
ambachtsgilden, onder toezicht van het stadsbestuur, gecontroleerd werd.

3. Deze strenge ambachtsreglementering was noodzakelijk omdat de Vlaamse en Brabantse
steden zich meer en meer specialiseerden in duurdere producten (luxe-textiel en
kunstnijverheden).

B. Moeilijkheden van de readitionele textielnijverheid

1. De strenge reglementering binnen de oude productiecentra zorgde wel voor hoogwaardige
producten, maar de kwaliteitstraditie remde technische vooruitgang en de vermeerdering van
arbeidsproductiviteit af.

2. Demografische rampen, sociale beroering en militaire expedities hebben het economisch
leven in de steden tijdens de 14de eeuw meermaals ontwricht.

3. Gevolg: vanaf de 14de eeuw greep een verschuiving plaats van de industriële expansie naar
de kleine steden en het platteland.

C. Landelijke nijverheden

1. In sommige streken werd de opsplitsing van de landbouwbedrijven, waardoor ze te klein
werden op er van te leven, opgevangen door landelijkenijverheid (wollen lakens in de
Westhoek, vlas en linnen in het Leie-Scheldegebied).

2. Enkele kleinere steden in Vlaanderen en Brabant gingen ten onder samen met hun
traditionele lakenexport. Gent teerde voortaan op zijn graanstapel.


4. SOCIALE TOESTANDEN

A. Platteland

1. In de 9de eeuw bestond er juridisch en sociaal-economisch een onderscheid tussen
persoonlijk vrijen en onvrijen.

2. De gezagscrisis van de 10de-11de eeuw leidde tot een feitelijke gelijkstelling: de meeste
vrijen werden geleidelijk aan dezelfde vrijheidsbeperkende lasten onderworpen als de onvrije
door de heer die zich de „banale‟ (> bannum = overheidsgezag) of gerechtsheerlijkheid had
toegeëigend. Aldus ontstond één grote groep van halfvrijen of horigen.

3. De weinig talrijke overige vrije lieden, die zich in de 11de eeuw elementen van het openbaar
gezag toegeëigend hadden en private gerechtsheerlijkheden hadden opgebouwd, gingen een
gepriviligieerde klasse uitmaken: de adel.
4. Daarnaast bestond een beroepsklasse van krijgers: de ridders, waaronder ook onvrijen die
functies waarnamen bij een heer en eveneens hoog sociaal aanzien verwierven (ministerialen).
Tegenover het streven der ridders naar opname in de adel heeft deze zich in de 12de-13de eeuw
als geboortestand afgesloten (in Vlaanderen tot eind 13de, elders tot in 14de, in Gelderland
zelfs tot in de 17de eeuw).

5.Door de ontbinding van het domaniaal stelsel deed zich (in Vlaanderen reeds vanaf het
begin der 12de eeuw) een vrijmakingsbeweging voor: door de vrijere rechtstatus in
ontginningsbebieden en in de steden moest op de domeinen een verlichting van de lasten
toegestaan worden.

B. Steden

1. Aanvankelijk was de bevolking overwegend samengesteld uit:
a. kooplieden en ambachtslieden die ten dele voortkwamen uit de bevolking van de pre-
stedelijke kern die hoofdzakelijk administratieve, commerciële en artisanale functies
waarnam. Door het bezit van gronden in het stadsgebied, waarvan de waarde aanzienlijk
steeg, werden de kooplieden de kern van het latere „patriciaat‟;
b. in steden onder geestelijk gezag zoals Doornik, Luik (bisschop), Atrecht, Bergen, Leuven
(kapittel) bestond een belangrijke groep vrijgewijden, d.w.z. horigen van een kerk, die
voordelen genoten, zoals bv. tolvrijstelling.

2. De vanuit het platteland ingeweken stadsbevolking had een gemengde oorsprong:
a. in de gebieden met vroeg ontwikkeld landsheerlijk gezag (Vlaanderen, Holland) werd
persoonlijke vrijheid verleend na een door de stadkeuren bepaalde verblijfsduur in de stad
(vb. 1 jaar en 1 dag; kon gaan tot 5 jaar);
b. in Gelderland en Overijssel bleef on- of halfvrijheid in de steden voortbestaan.

3. Omstreeks het midden van de 12de eeuw verwierven de steden autonome rechtspraak en
bestuur, die uitgeoefend werden door de gegoede klasse, die zich toen ontwikkelde tot
patriciaat, d.w.z. tot een meestal afgesloten stand, met juridische voorechten, die tracht op te
gaan in de adel (bezit van een „steen‟, van een zegel, verwerven van lenen, huwelijksallianties
met adel). Vanaf ca. 1300 wordt het oude patriciaat verdrongen door een zgn. nieuw
patriciaat, met een bredere sociale basis.

4. Onder de stedelijke handwerkers onderscheidt men twee groepen: handwerkers bedrijvig in
de exportnijverheid (metaal, textiel) en handwerkers die instaan voor de lokale productie en
verzorging.
a. Vanaf het einde van de 13de eeuw zijn de handwerkers georganiseerd in
    beroepsverenigingen, nl. ambachtsgilden, met militaire, reglementerende, godsdienstige
    en caritatieve functies. De ambachten voor de lokale productie waren strikter
    georganiseerd dan die voor de exportproductie.
b. Deze verwierven officiële erkenning, waarmede de zgn. corporatieve periode in de
    stadsgeschiedenis begint:
    - te Luik, Dinant en Hoei: voor het einde van de 13de eeuw inzake arbeidsreglementering;
    - in Vlaanderen, Brabant en Utrecht, ten gevolge van de overwinning der Vlaamse
    ambachtslegers te Groeninge in 1302, waardoor zij ook deelname aan het stadsbestuur
    verkregen;
    - in Holland werden zij alleen te Dordrecht in de loop van de 14de eeuw van betekenis.
c. De ongunstige economische conjunctuur veroorzaakte tijdens de 14de eeuw hevige
   conflicten tussen verschillende ambachtsgilden onderling (bv. te Gent: wevers-volders) en
   tussen het patriciaat en de ambachtsgilden.

C. Conjunctuurgevoeligheid

De sociale verhoudingen volgden dicht de conjunctuurschommelingen die hoger uiteengezet
werden. Aangezien Vlaanderen in de middeleeuwen zelf nooit voldoende graan kon
verbouwen, moest dit ingevoerd worden, vooral uit de Oostzeegebieden (Polen). Samen met
de op uitvoer gerichte economie, maakte dit Vlaanderen (en iets later ook Brabant en Holland)
zeer conjunctuurgevoelig: geringe storingen in de wereldhandel konden in Vlaanderen
massale hongersnood of werkloosheid veroorzaken.

D. Sociale moeilijkheden (14de eeuw)

1. De structurele malaise van de traditionele lakennijverheid, gekoppeld aan de
belemmeringen in het handelsverkeer ten gevolge van de 100-jarige oorlog, hebben grote
sociale moeilijkheden veroorzaakt in de steden.

2. Geleidelijk (het eerst in Vlaanderen, na 1302) hebben die geleid tot participatie door de
ambachten aan het stadsbestuur. Hun invloed verhielp niet aan de – voor de tijdgenoten
onzichtbare – structurele moeilijkheden (de eisen tot hogere lonen benadeelden immers de
concurrentieposities, terwijl acties tegen de plattelandsindustrie ingingen tegen de algemen
economische evolutie).

E. Het welvaartsprobleem van de 15de en 16de eeuw

1. De 15de eeuw (tot 1470-1475) was wel voorspoedig voor een middenstand bestaande uit
ondernemers, handelaars, en meesterambachtslui, vooral van de luxenijverheid: zij konden
hun kapitalen beleggen in renten, huizen in de stad, en buitensteedse bezittingen. In de 16de
eeuw stegen te Antwerpen de lonen van gespecialiseerde arbeiders zelfs uit boven de
ambachtstarieven wegens de grote vraag naar arbeidskrachten.

2. Anderzijds zagen de massa‟s ongeschoolde handwerkers, die ook op het platteland talrijk
werden, hun koopkracht gedurig dalen. Dit was een gevolg van de structurele werkeloosheid
in de exportnijverheid vanaf de 2e helft van de 14de eeuw. Op het einde van de eeuw, na de
oorlogen van Maximiliaan, ging het pauperisme een steeds nijpender probleem vormen: 62 %
armen in het Leuvense, 46 % in Waals-Brabant, 52 % in Gent. Pas in de eerste helft van de
16de eeuw zouden hiertegen maatregelen genomen worden door de hervorming van de
armenzorg naar een model ontworpen door de Spaans-Brugse humanist Juan Louis Vives
(oprichting van zgn. Gemene Beurzen).

3. Dit lompenproletariaat, maar veeleer nog de gekwalificeerde ambachtslui, die omstreeks
1520, en opnieuw in 1556-57 tijdens handelscrissisen in hun welvaart bedreigd werden,
vormden de geschikte voedingsbodem die de zeer snelle infiltratie van het calvinisme in de
Zuid-Nederlandse industriecentra verklaart.
          V.       CULTUUR IN DE MIDDELEEUWEN EN
                            RENAISSANCE
C. § 1. VROEGE & HOGE MIDDELEEUWEN

De Frankische samenleving in de 8ste en 9de eeuw is een mengvorm van Germaanse en
Romeinse elementen.
De cultuur is hoofdzakelijk in handen van de kerk en in mindere mate van de vorstelijke
hoven

A. Ornamentiek
1. Men kan spreken in de regio van de lage landen van een echte „Noordzeecultuur‟.
   Germaans karakter in de decoratiestijlen en technieken van gebruiksvoorwerpen:
   gestileerde dierfiguren en doorlopende patronen van geweven banden of slingerende
   planten. Ondermeer terug te vinden in bouwkunst en de boekversiering.

2. Vanuit het zuiden komen andere decoratietechnieken in zwang, met Byzantijnse invloed:
   Invoering van de polychrome stijl, cloisonné-techniek in de emailleerkunst, filigrain-werk
in   de edelsmeedkunst.

B Schriftcultuur

1. Het Germaanse runenschrift werd onder invloed van de kerstening vervanngen door het
   Merovingisch schrift dat zelf ontstaan was uit de Romeinse administratie. In de
   Karolingische periode komt de Karolingische minuskel (kleine schrijfletter) op, die de
   basis vormt van alle middeleeuwse geschriften

2. Naast wereldlijke geschriften, die hoofdzakelijk bestaan uit administratieve en juridische
   geschriften van het Frankisch-Karolingische hof, is geestelijke literatuur overgeleverd
   (evangelie- en gebedenboeken, heiligenlevens en jaarkronieken). Voor wat de Lage
   Landen betreft is nauwelijks iets overgeleverd.

3. De belangrijkste verdienste van kloosters is dat ze antieke teksten hebben bewaard en
   overgeschreven, meestal in „gecensureerde vorm‟ in bloemlezingen (florilegia)

C. Karolingische renaissance

1. Het Karolingische hof hechtte veel belang aan cultuur. Centra van kunst en cultuur
   ontstonden te Aken en Luik, waar een belangrijke Latijnse school en bibliotheek
   ontstonden. Romeinse invloed is merkbaar.

2. In de post-karolingische periode zet de trend zich verder op het gebied van bouwkunst en
   kunstnijverheid met de bloeiende Maas-Rijncultuur.
§ 2. VAN DE TWAALFDE TOT DE VIJFTIENDE EEUW

Naast de religieuze en de hofcultuur ontwikkelt zich vanaf de 12de eeuw een echte
stadscultuur. Steden waorden belangrijke centra van cultuurproductie en –consumptie. Ook
buiten de steden, op het platteland, zijn er allerlei cultuuruitingen, de zogenaamde
volkscultuur. Men moet er zich echter voor hoeden om strikte scheidingen aan te brengen. In
feite waren de middeleeuwse Nederlanden multicultureel. Hofcultuur en stadscultuur zijn met
elkaar verweven, evenals de volkscultuur met de elitecultuur.
De Bourgondische hertogen en in hun kielzog hoogadellijke families treden op als maecenas
en geven emplooi aan een hele waaier kunstenaars en kunstambachtslieden. De culturele
uitstraling van de Nederlanden in de 15de eeuw is dan ook bijzonder groot.

A. Onderwijs en wetenschap

1. Op onderwijsgebied doet zich in de loop van de 12de eeuw een belangrijke verschuiving
voor. Naast de bestaande klooster- en kapittelscholen, wiens doel hoofdzakelijk gericht is op
de vorming van geestelijken en die alleen in het Latijn onderwijzen, ontstaan in de steden
lekenscholen met een meer aangepast programma voor kooplieden en ambachtslieden en in de
volkstaal.

3.In de loop van de middeleeuwen ontwikkelt zich een meer gedifferentieerd net van
onderwijs wat leidt tot een hoge alfabetisatiegraad. De gevolgen hiervan voor de economie,
administratie, politiek en de cultuur zijn manifest. De gevolgen hiervan voor de economie,
administratie, politiek en de cultuur zijn manifest.

a.     In kleine of lage scholen worden in het Dietsch of het Walsch de basisvaardigheden
       (lezen, schrijven, rekenene) aangeleerd, zowel aan meisjes als aan jongens. De scholen
       zijn in handen van particuliere schoolmeesters en meesteressen of worden ingericht
       door de parochie of de gemeente.
b.     In de steden verbonden aan kapittels of ingericht door de wereldlijke overheid geven
       grote of Latijnse scholen voortgezet onderwijs over de artes liberales of zeven vrije
       kunsten, bestaande uit het trivium(grammatica, retorica, dialectica of logica) en
       quadrivium( arithmetica, geometria, astronomia, musica). Het onderwijs is uitsluitend
       aan jongens voorbehouden en het wordt uitsluitend in het Latijn gegeven; het bereidt
       voor op de universiteit.
c.     De Broeders, en in mindere mate de Zusters van het Gemene Leven (zie verder onder
       literatuur) hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de modernisering van het
       onderwijs en tot de verspreiding van het geschreven en gedrukte boek.
d.     Onder invloed van de Twaalfde-eeuwse Renaissance ontstaan in de 12de eeuw de
       universiteiten (Bologna, Parijs, Oxford). Een klassieke universiteit bestaat uit vier
       faculteiten (artes, theologie, rechten en medicijnen) en ze verleent graden (baccalarius,
       licentiaat, doctor) die in de gehele Christenheid erkend worden. De oudste universiteit
       in de Lage Landen werd in 1425 te Leuven opgericht op initiatief van de hertog van
       Brabant en de stad Leuven. De tweede universiteit is die van Dowaai (thans in Noord-
       Frankrijk) (1559), de derde die van Leiden (1575)

3. In de middeleeuwen leveren de Lage Landen geen belangrijke bijdrage op het gebied van
   de wetenschap.
a.     enkele Nederlanders hebben carrière gemaakt in het buitenland, zoals de theologen
       Marsilius van Inghen (ca 1330-1396) en Heymeric van Velde (ca 1390-1460), die wel
       zijn loopbaan eindigde als hoogleraar te Leuven
b.     Op Juridisch gebied werden wel enkele belangrijke tractaten geschreven, o.m. door
       Filips van Leiden (14de eeuw) over staatsinrichting en Jean Boutillier (14de eeuw) over
       het gewoonterecht in zuidwestelijk Vlaanderen. De belangrijkste rechtsgeleerde is
       echter Filips Wielant (+1520); zijn boeken over leenrecht, procedure en strafrecht zijn
       basiswerken voor onze kennis van het oude recht. De 16de –eeuwse Brugse
       internationaal gekende jurist Joost de Damhoudere heeft op een schaamteloze wijze
       Wielant geplagieerd.
c.     OP het gebied van de medische wetenschap wordt de geleerde academische kennis
       door enekele chirurgijnen (meest bekende Jan Yperman en Thomas Scellinck uit de
       14de eeuw) voor vakgenoten toegankelijk gemaakt in de volkstaal.

B. Taal en literatuur

1. De Lage Landen lage in een culturele mengzone, wat meertaligheid impliceert.
 - In het kustgebied tussen het Zwin en de Weser werd in de vroege middeleeuwen Fries
   gesproken. Het is in de late middeleeuwen en vooral in de 16de eeuw teruggedrongen door
   standaard Nederlands en Duits ten gevolge van de staatsvorming en de bijbelvertalingen.
 - Van Witsant (Wisant) tot aan Denemarken werden Nederduitse dialecten gesproken.
   Communicatie in de Noordzee en Baltissche ruimte verliep daardoor moeiteloos
   (Hanzetaal)
 - In het Zuiden liep de taalgrens (oud-Frans en Nederduitse talen (> Diets)

2. In de loop van de 12de en 13de eeuw worden mondeling overgeleverde epiek en lyriek
   schriftelijk vastgelegd in het Latijn, maar ook in de volkstalen. In de Nederlanden zijn de
   eerste volkstalige literaire werken in het Frans opgetekend. Aan de verschillende
   gewestelijke hoven wordt veel aandacht aan literatuur besteed, en het Latijn, het Frans of
   het Diets.
   a. In middeleeuws Latijn werden territoria en hun vorsten bezongen, zoals in De Laude
       Flandriae (ca 1110) en de Chronicon Hannoniense van Giselbert van Bergen
       (Guibert de Mons) (ca 1210)
   b. De oudste literaire Dietse tekst in Maaslands-Limburgs is het leven van Sint Servaas
       van Hendrik van Veldeke (ca 1170). Daarnaast bewerkte hij de Aeneas van Vergilius
       in de volkstaal, de Eneïde.
   c. Een van de meest populaire middeleeuwse literaire werken is het verhaal van
       Reinaert de Vos. De latijnse Ysengrinus van ca 1150 werd ca 1175 in het Frans
       omgezet (Roman de Renart) en tussen 1240 en 1275 in het Middelnederlands bewerkt
       als Vanden Vos Reynaerde. Deze laatste versie is kwalitatief zeker de beste.
   d. De belangrijkste auteur uit het Middelnederlands taalgebied in de 13de eeuw is Jacob
       Van Maerlant. Als Vlaming werkte hij vooral in dienst van de Hollandse graaf Floris
       V. Hij was een veelzijdig auteur, die naast religieuze en artes-literatuur ook hoofse en
       epische thema‟s behandelde.
   e. In het kader van de ridderlijke toernooicultuur schiepen de heraut-ministrelen nieuwe
       literaire genres, ereredes en wapenboeken. De beroemdste heraut uit de Nederlanden
       is Claes Heynenz, die werkte aan het Gelderse en Hollandse hof in het begin van de
       15de eeuw.

3. In de steden bloeide een burgerlijke lekenliteratuur.
a. Onafhankelijke dichters en prozaschrijvers schreven moraliserende en leerrijke werken,
   zoals Dirc Potter en Willem van Hildegaersberch (ca 1350-1408)
b. Meerdere stadsklerken schreven kronieken die de stedelijke identiteit uitdroegen of het
   eigen vorstendom verheerlijkten. Voorbeelden: Melis Stoke (kort na 1300) voor Holland,
   Jan van Boendale (ca 1300) en Jan van Helu in Brabant en Johan van Lemego in
   Groningen
c. De vanaf de 15de eeuw hoofdzakelijk in het zuiden ontstane rederijkerskamers produceren
   een hele waaier aan literaire teksten, van burgerlijke kluchten en andere vormen van
   amusementsliteratuur tot politiek-allegorische geschriften en toneel in de volkstaal.
d. De ridderelijke en hoofse literatuur, die bloeide aan het Bourgondische hof werd ook
   gelezen door de stedelijke hogere en middenklassen. Ze fungeerde als een ethisch
   voorbeeld, als een gedragscode en was een element van opwaartse sociale mobiliteit.

4. Naast didactische en fictieliteratuur bloeide in de middeleeuwen een hoogstaande
   religieuze literatuur. Twee groepen zijn te onderscheiden
a. Mystici (proberen het onderscheid tussen God en de mens op te heffen). Vooral vrouwen
   waren actief op dat gebied: Lutgardis (+1246), Beatrijs van Tienen (+1268), Hadewych
   (midden 13de eeuw). In de 14de eeuw kende Ruusbroec (+1381), die in het klosster
   Groendaal verbleef, internationale faam.
b. De Moderen Devotie (Broeders en Zusters van het Gemene Leven), ontstaan in de
   Ijsselstreek, zorgde voor een godsdienstig reveil op het einde van de 14de eeuw met Geert
   Grote (1384). Er wordt gestreefd naar een praktische, persoonlijke vroomheid, onder meer
   via lectuur van devotionele werken, waaronder getijdenboeken die dikwijls prachtig
   versierd zijn. Vele manuscripten worden in eigen scriptoria vervaardigd en na de
   ontdekking van de boekdrukkunst in eigen drukkerijen gedrukt.


C. Beeldende kunsten en architectuur

1. Op het gebied van de Architectuur is er sprake van een ontwikkeling van de
   Karolingische naar de Romaanse bouwkunst en vervolgens naar de Gotische architectuur.
a. Veel Romaanse kerken (Doornik, Nijvel, Maastricht, Luik) zijn overgeleverd . In
   Friesland zijn heel wat kleine bakstenen kerken uit de 12de en de 13de eeuw bewaard. Ze
   zijn de eenvoudigste variant van de laat-Romeinse bouwtraditie.
b. In enkele steden zijn profane gebouwen in Romaanse stijl bewaard (Gent, Doornik,
   Maastricht)
c. Dankzij de stedelijke economische expansie komt er in de late middeleeuwen een explosie
   van bouwactiviteiten, kerken, gemeentehuizen en gildenhuizen. Verschillende stijlen
   komen tot ontwikkeling, zoals de Scheldegotiek (vb. Sint-Niklaaskerk in Gent) en de
   Brabantse Gotiek (vb. stadhuis Leuven).

2. Op het gebied van de beeldende kunst vond een spectaculaire ontwikkeleing plaats vanaf
   de 13de eeuw.
a.    In de 13de eeuw ontwikkelden voorlal edelsmeden en bronsgieters een realistische
      figuratieve stijl in het Middenmaasgebied.
b.    In d loop van de 14de eeuw ontwikkelde zich een „Vlaamse stijl‟. De Haarlemmer
      Claus werkte in Bourgondische hofdienst in Dijon.

3. Op het gebied van de schilderkunst is uit de periode tot ca 1300 weinig bewaard. Slechts
boekverluchtingen geven een beeld van de technische en artistieke mogelijkheden.
Vanaf het einde van de 14de eeuw zijn de „Vlaamse primitieven‟ grote vernieuwers in de
schilderkunst. Ze werkten voor de hoven en voor de stedelijke burgerij in binnen- en
buitenland. Steden ontwikkelden zich als grote cultuurcentra (Brugge, Gent, Brussel,
Antwerpen, Haarlem). Tot de topschilders behoorden Melchior Broederlam, de gebroeders
van Eyck, Dirc Bouts, Rogier van der Weyden, Quinten Metsijs en Hiëronimusch Bosch.

D. Muziek

1. Muziek speelde vanaf de vroege middeleeuwen in de kerkelijke liturgie een belangrijke
   rol. In de grote parochiekerken zongen gespecialiseerde koren de getijden en de
   misvieringen.

2. Deze muziekpraktijk leidden tot de productie van prachtige muziekboeken (antiforia en
   gradualen).

3. Vanaf de 14de eeuw worden de Lage Landen toonaangevend op het gebied van de
   muziektheorie en de compositie. De polyfonie (meerstemmige muziek) ontwikkelt zich
   aan de bisschoppelijke hoven van Luik en Kamerijk en aan het Bourgondische hof.

4. Musici, en vooral Vlamingen zijn een belangrijk exportproduct. (Guillaume Dufay,
   Johannes Ockegem, Josquin des Prez), veelal naar Italië. In de 16de eeuw houdt deze trend
   aan. Net als humanisten en kunstenaars (zie volgende hoofdstuk) trekken componisten en
   zangers naar Italië (Adriaan Willaert, Orlando di Lasso).

E. Feestcultuur en materiële cultuur

1. Zowel aan de hoven als in de steden bloeit een feestcultuur. Deze dent ter ontspanning,
   maar ook ter legitimering van de positie en de macht.

a.     Aan het hof betreft het vooral muziek en dansen, literatuur, kledij en eten.
b.     Enerzijds tracht de stedelijke burgerij de adel te imiteren in haar sociaal, cultureel en
       ontspanningsleven. Anderzijds ontwikkelt zich een typisch stedelijke cultuur die zich
       uit in de bouwkunst, plastische kunsten (verburgerlijking) en de literatuur.
c.     Alle culturen komen elkaar tegen in de georganiseerde stedelijke feesten, dikwijls naar
       aanleiding van Blijde Intredes, huwelijken, geboortes, begrafenissen, ontvangsten van
       diplomatieke missies of hooggeplaatsten. Tijdens die feesten heeft de interactie tussen
       vorst en onderdanen plaats; deze is door de Bourgondische hertogen ten top gedreven.

2. Dank zij de economische welvaart in de sterk verstedelijkte Nederlanden en de op pracht
en praal beluste adel is er een grote vraag naar luxegoederen.
De vervaardiging van die luxeproducten heeft een belangrijke economische betekenis;
hooggeschoolde ambachtslieden in de Lage Landen zijn daarin gespecialiseerd (wandtapijten,
meubelen, edelsmeedkunst, luxetextiek, miniatuurkunst; schilderijen).
§ 3 RENAISSANCE EN HUMANISME

A. ontstaan en verspreiding

1. In de tweede helft van de 15de eeuw treft men de eerste humanisten aan in de Lage Landen.
In de 16de eeuw zijn het humanistisch gedachtegoed en de renaissancistische vormentaal in
brede kring doorgedrongen. Het Habsburgse hof en de hoge adel treden op als mecenas voor
kunstenaars en ambachtslieden van luxeproducten.

2. Kort voor 1475 verschijnen de eerste drukkerijen in de Lage Landen. Hun betekenis voor
de verspreiding van het humanisme kan niet overschat worden.
a.     Aanvankelijk worden vooral devote tractaten en getijdenboeken gedrukt, iets later ook
       bewerkingen van ridderromans. Pas in de 16de eeuw gaan drukkers zich meer
       toeleggen op wetenschappelijke werken en schoolboeken.
b.     Antwerpen wordt in de loop van de 16de de drukkersstad bij uitstek. De drukkerij van
       de familie Plantijn-Moretus is toonaangevend voor heel Europa.
c.     De uitgeverswereld is een geleerdenwereld. Boekdrukkers en uitgevers zijn
       humanisten. Ze vestigen zich in humanistische centra, of ze vormen rond zich een
       geleerden- en kunstenaarskring (met schrijvers, schilders, graveurs).

B. Humanisme: Onderwijs en wetenschap

1. Het aantal Latijnse scholen in de Lage Landen is in de 16de eeuw in enkele decennia
verdubbeld tot verdrievoudigd. Methodiek en inhoud zijn humanistisch.
Nederlandse schoolmeesters en humanisten hebben zich toegelegd op het schrijven van
schoolboeken en pedagogische tractaten. Voorbeelden zijn Rudolphus Agricola, Erasmus,
Juan Louis Vives, Nicolaas Clenardus, Johannes Despuaterius en Justus Lipsius

2. Ontwikkeling van de filologisch-historische methode in alle wetenschappelijke disciplines.
Kritische tekstvergelijking werd mogelijk omdat de verschillende gedrukte teksten met elkaar
konden vergeleken worden. Het was immers onmogelijk om de her en der verspreide
handschriften naast elkaar te leggen. De Nederlanden leveren hier een belangrijke bijdrage
met mensen als Erasmus, Vives, Lipsius.

3.Wetenschappelijke vernieuwingen werden vooral gerealiseerd op het gebied van de
cartografie (Mercator), meetkunde(Gemma Frisius), plantkunde (Clusius)

C. Renaissance: kunst en cultuur

1. Geleerde letterkunde (historiën, biografieën
, brieven, religieuze, flosofische, politieke en moraliserende tractaten) werden zowel in het
Latijn als in de moedertaal geschreven.

2. Voor de neolatijnse poëzie dient de klassieke oudheid als voorbeeld, met dichters als Ianus
Secundus. Dezelfde klassiek-renaissancistische elementen worden vanaf het midden van de
16de eeuw ook toegpast op de volkstalige poëzie (Lucas D‟Heere, Jan van der Noot) en
ondermeer verspreid via de rederijkers.

3. zeker in de 16de eeuw trokken vele Nederlandse kunstenaars naar Italië voor een verdere
opleiding. Ze keerden terug met nieuwe kennis en inzichten. Geleidelijk aan werd de Gotische
vormentaal vervangen door een renaissancistische naar Italiaans model, zowel in de
architectuur en de schilderkunst als in de tapijtweefkunst, de prentkunst en de meubelkunst.
Naast bijbelse voorstellingen werden nu ook veel klassieke en mythologische taferelen
uitgebeeld

4. Voor de muziek, zie supra


                      VI. DE OPSTAND VAN DE
                    NEDERLANDEN TEGEN SPANJE

        1. Inleiding
     1. Behalve een religieuze strijd, die hij ongetwijfeld ook was of geworden is, was de
        opstand tegen Spanje in de eerste plaats een politieke strijd tegen centralisatie,
        absolutisme en tyrannie, waaraan ook de katholieken, en zelfs zeer actief, hebben
        deelgenomen.
     2. De Spaanse politiek was niet tyranniek zonder meer : een aantal „anachronismen‟
        (privileges, „vrijheid‟, autonomie van vorstendommen, bedensysteem) moesten
        worden verwijderd, doch dit gebeurde meestal in een voor de Spaanse belangen
        gunstige zin, o.m. door invoering van kwotiteitsbelastingen (% op roerende en
        onroerende goederen.)
     3. Tegen deze politiek kwamen een aantal gevestigde belangen in opstand (eerst de
        steden : Gent 1540 , dan de adel, tenslotte de geestelijkheid : nieuwe bisdommen
        1559), terwijl minderheden zoals de kleine landadel of de grote volkenmassa
        (loontrekkenden, armen) heil verwachtten van een omwenteling. Hierbij kwamen zich
        een aantal bijzondere factoren voegen : de aanwezigheid van slecht betaalde en
        daarom ongedisciplineerde „vreemde‟ troepen, een zeer hoge belastingsdruk, sterke
        prijsstijgingen, de agitatie van de protestanten en de repressie.
     4. Een dergelijke vereniging van zeer tegenstrijdige belangen, op zuiver negatieve basis,
        was zeer broos en zou uiteindelijk tot mislukking van de opstand leiden.

        2. Oorzaken
A.Algemeen-politieke oorzaken
De voortzetting en voltooiing door Karel V van de centralisatiepolitiek der Bourgondiërs, die
onder Maximiliaan vooral op de weerstand van de grote steden was gestuit, waarvan één der
laatste manifestaties de opstand van Gent tegen Karel V in 1540 was, wekte nu ook in
groeiende mate de ontevredenheid op van :
    1. De hoge adel : De hoge adel had zijn politiek belang aan de Bourgondiërs te danken
        en identificeerde daarom het belang van de Nederlanden met het zijne; dit politiek
        overwicht was in de Raad van State belichaamd, doch de adviesbevoegdheid van die
        enkele edelen werd in de regeringspraktijk sterk beknot door de landvoogdes en de
        keizer, mede door de groeiende inmenging van de juristen-raadsheren (zie hoger).
    2. De geestelijkheid : Haar voornaamste grief was de inrichting van de nieuwe
        bisdommen (1559) , meer bepaald enkele nevenaspecten van deze op zichzelf gezonde
        hervorming, zoals de keuze van de nieuwe bisschoppen (theologen i.p.v. leden van de
        hoge adel en een vreemdeling, Granvelle, uit Franche-Comté als aartsbisschop van
       Mechelen) en de incorporatie van de abdijen (waardoor bisschoppen tot abt werden
       benoemd), hetgeen aan de geestelijkheid een deel van haar politieke macht in de
       Staten ontnam, haar prebenden verminderde en nieuwe bisschoppen als gewillige
       werktuigen van de koning in de Staten binnenbracht.

B. Sociaal-economische oorzaken
    1. de eerste helft van de 16e eeuw had aan brede lagen van de bevolking een substantiële
       verhoging van de welvaart gebracht. Tijdens die periode had ook een aanzienlijke
       intellectuele ontwikkeling plaats die de basis vormde voor een religieuze sensibilisatie
       ( te Antwerpen bestonden omstreeks 1560 ruim 150 lekenscholen). De nieuwe
       protestantse leer bleef toen echter beperkt tot de intelligentsia.
    2. In 1565 verdrievoudigden de prijzen der levensmiddelen echter ten gevolge van
       misoogst, en onderbreking van de aanvoer van graan uit de Baltische Zee (Sont-
       oorlog), terwijl ook aan de economische expansie een bruusk einde was gekomen door
       de katastrofale ontwaarding van het zilver (massale invoer uit Amerika) en het
       Engelse handelsembargo waardoor de essentiële textielbewerkingsnijverheid te
       Antwerpen werd ondermijnd. Vanaf 1564 daalden de nominale lonen van alle
       arbeiders gevoelig, een evolutie die zich nog nooit eerder in de zuidelijke Nederlanden
       had voorgedaan.
    3. Het is een sociologische wet dat een gemeenschap die na een periode van
       lotsverbetering haar nieuwe verworvenheden –zelfs kortstondig- in gevaar ziet komen,
       tot opstand geneigd is.
C. Godsdienstige oorzaken
    1. Geledingen van het protestantisme :
           A. Het Lutheranisme : kende over het algemeen geen grote aanhang.
           B. Het anabaptisme : kende succes in de 30er en 40er jaren bij de handwerkers
               vanwege het sociaal-revolutionaire karakter van een deel der wederdopers. Ze
               werden zeer streng vervolgd : zelfs na afzwering werden ze ter dood gebracht.
           C. Het calvinisme : dit vormde de grootste en best georganiseerde groep, vanwege
               de theologische vorming van de predikanten en de inrichting van „gemeenten‟.
               Het Calvinisme drong vanaf 1540 vanuit het Zuiden(Doornik en Valencijn) de
               Nederlanden binnen. Te Doornik waren de hervormden vanaf 1560 reeds
               minstens even talrijk als de katholieken, en ze bezetten sleutelpositities in het
               stadsbestuur, waardoor de repressie vanwege de centrale regering kon
               geboycot worden.
    2. De verspreiding van het Protestantisme :
           A. Het protestantisme vond zeer snel ingang in de Nederlanden, nog in hetzelfde
               jaar 1517 toen Luther zijn stellingen bekend maakte, en vnl. te Antwerpen
               dank zij de intense betrekkingen met Duitsland.
           B. De reactie van Karel V was onmiddellijk en streng, vanwege de politieke
               draagwijdte die het protestantisme in Duitsland, waarvan Karel V keizer was,
               had gekregen : vanaf 1520 werd de doodstraf uitgevaardigd, een
               staatsinquisitie werd naast de kerkelijke inquisitie ingericht, de censuur werd
               ingesteld en in 1523 bestegen de eerste nederlandse martelaren de brandstapel.
               Er volgde een eerste golf van uitwijkingen, vnl. naar Zuid-Engeland en N-W-
               Duitsland (Emden en omgeving).
    3. De sociale impact van de hervorming
           A. De massale overgang naar het protestantisme deed zich het vroegst voor
               (ca.1560) in het Westkwartier van Vlaanderen, waar een belangrijke landelijke
               textielnijverheid gevestigd was. Deze sector maakte een ernstige crisis door
                     vanwege de uitvoersmoeilijkheden. Samen met een verarmde middenstand van
                     boeren en handwerkers gaf het industrieprolotariaat er op 10 augustus 1566 het
                     sein tot de Beeldenstorm, die er veel gewelddadiger verliep dan elders wegens
                     de uitgesproken revolutionaire stemming der armsten.
                B.   De principes van het calvinisme, zoals de irreversibele evolutie naar een leke-
                     maatschappij, en de positieve waardering van de prestatiedrang (de loopbaan
                     ligt open voor de sterke karakters) vonden vnl. weerklank bij de middenstand
                     en vooral bij de handelaars.
                C.   Het calvinisme vond aanhangers in alle bevolkingslagen, doch drong het
                     sterkst door bij de bezittenden. De allerrijksten (upper ten) bleven trouw aan
                     het katholicisme.
                D.   Te Gent waren in het jaar van de Beeldenstorm, 1566-1567, minimaal 13%
                     overtuigde calvinisten tegenover 18% overtuigde katholieken. Te Antwerpen
                     waren er in 1585-86, tijdens het beleg door Farnese, en wanneer reeds velen de
                     stad verlaten hadden, nog 40 tot 45% hervormden. De hervormden waren er
                     dus talrijker dan de katholieken.
                E.   Bij de beeldenstormers, en vooral onder de bestraften, vormden de
                     handwerkers de grootste groep. Hun motivatie was echter hoofdzakelijk
                     sociaal.

     D. De politiek van Filips II
        1. Filips II volgde zijn vader Karel V op als koning van Spanje na diens troonsafstand in
            1555. Filips II werd terecht beschouwd als een „vreemdeling‟ : hij kende slecht Frans,
            vertrok in 1559 uit de Nederlanden en kwam er nooit meer terug. Zijn persoonlijkheid
            (vroomheid, nauwgezetheid, werkkracht) wordt door de moderne – hoofdzakelijk
            buitenlandse – historiografie gunstiger beoordeeld dan vroeger.
        2. De autoriteit van landvoogdes Margareta van Parma (1559) werd versterkt en gesteund
            door een zeer beperkte groep uit de raad van State, bestaande uit Viglius, Berlaymont
            en Granvelle (die in 1561 kardinaal en aartsbisschop van Mechelen werd), die
            „beperkte zittingen‟ hielden.
        De voltallige vergaderingen van de Raad van State met onder andere Oranje en Egmont,
        werden zeldzaam en behandelden meestal aangelegenheden van ondergeschikt belang.
        Sommige zaken werden enkel tussen Filips II, Margaretha en Granvelle langs geheime
        correspondentie besproken. Omstreeks 1563 werd Margaretha echter minder volgzaam ten
        opzichte van Filips II.
        3. Een versterking van de fiscaliteit door de invoering van permanente
            kwotiteitsbelastingen ( 100e, 20e en 10e penning), in plaats van beden, schakelde de
            macht van de provinciale Staten uit, die tot dan toe de beden hadden gestemd. Door de
            oorlogen van Karel V ( tegen Frankrijk, in Italië, tegen de Turken, tegen de Hanze
            (Sont) en tegen Gelderland), was de staat bij het begin van de regering van Filips II zo
            goed als bankroet ( 1557).

        3. Het verloop van de opstand

    A.   Tot en met de Beeldenstorm (1566)
         1. Deze faze was gekenmerkt door de samenwerking van de politieke – hoofdzakelijk
            room-katholieke – oppositie en de calvinistische oppositie.
         2. Deze solidaire oppositie o.l.v. Willem van Oranje boekte enige successen, zoals de
            terugroeping van Granvelle (1564) en, na het smeekschrift tot de landvoogdes van het
            „Eedverbond der Edelen‟ ( 5 april 1566) tegen de plakkaten ( kettervervolging)
       (oorsprong van de naam Geuzen) een meer gematigde houding van de gouvernante.
       De calvinistische oppositie kreeg hierdoor meer armslag hetgeen uitliep op de
       Beeldenstorm, die behalve bij de volksmassa en de middenstand, aanhang vond bij de
       kleine, meer en meer calvinistisch wordende, adel, o.l.v. Brederode.
    3. De Beeldenstorm (augustus 1566) verdeelde de oppositie en verzwakte ze omdat de
       hoge adel en de geestelijkheid er natuurlijk tegen waren. Hij werd door Margaretha
       van Parma onderdrukt, die een eed van trouw eiste van de hoge adel (geweigerd door
       Oranje, Hoogstraten en Brederode).
B. Alva en Requesens (1567-1573/1573-1576)
    1. De hertog van Alva werd met een duidelijk doel door Filips II naar de Nederlanden
       gestuurd : uitroeiing van de ketterij en definitieve vestiging van het absolutisme.
       Margaretha van Parma, verstoord, gaf haar ontslag waarna Alva overging tot de
       instelling van de „Bloedraad‟ of Raad van Beroerten tot berechtiging van de rebellen(
       executie van Egmont en Horne op 5 juni 1568 ). Om de financiële nood (betaling van
       de troepen, strijd tegen de Turken) te leningen werden permanente belastingen (10e en
       20e penning) ingevoerd, doch dit liep op een mislukking uit in 1571-72.
    2. Een militaire weerstand werd georganiseerd door de – hoofzakelijk calvinistische –
       opstandelingen ( watergeuzen ). Deze hadden zich o.l.v. Willem van Oranje, in 1572
       uitgeroepen tot stadhouder door de eerste „vrije‟ vergadering van de Staten van
       Holland, gehergroepeerd in Holland-Zeeland, na de geslaagde inneming van den Briel.
       De mislukking van de militaire operaties van Alva (Alkmaar 1573) en van zijn
       opvolger Requesens ( Leiden 1574 ) had voor gevolg dat Holland-Zeeland voorgoed
       in de handen van de opstandelingen bleef.
 C. De Generale Unie (1576-1578)
    1. Bij het plotse overlijden van Requesens in maart 1576 moest de zwakke Raad van
       State de functies van de gouverneur-generaal waarnemen. Hij werd vlug gedomineerd
       door de Staten van Brabant en de Stanten-Generaal (gevangenneming van leden van
       de Raad van State te Brussel, 4 sept. 1576).
    2. De Staten-Generaal van de niet-opstandige gewesten, bijeengeroepen op initiatief van
       de Staten van Brabant, namen de macht in handen en sloten met Holland-Zeeland n
       mede onder de indruk van de Spaanse Furie te Antwerpen op 4 nov. 1576 de
       „Pacificatie van Gent‟ (8 november 1576), die onder meer bepaalde :
           A. De lichting van een eigen leger door de Staten-Generaal en de verdrijving van
                de Spaanse troepen was het hoofddoel.
           B. Een status-quo op godsdienstig terrein zou worden i acht genomen : geen
                vervolgingen tegen calvinisten ( generaal pardon, dit is amnestie), handhaving
                van het calvinisme in Holland-Zeeland, geen ondernemingen van calvinisten
                uit Holland-Zeeland tegen rooms-katholieken in andere provincies.
    3. Don Juan, bastaardzoon van Karel V, aangesteld tot gouverneur-generaal begin 1577,
       bereikte een overeenkomst met de Staten-Generaal (edict van Marche) die het vertrek
       van de Spaanse troepen en het herstel van het katholicisme in alle gewesten inhield.
       Dit laatste was echter onaanvaardbaar voor Holland-Zeeland. Op grond van een
       militaire schending van de overeenkomst vanwege Don Juan, hernamen de Staten-
       generaal hun vrijheid en riepen Willem van Oranje naar Brussel.
    4. Met diens instemming kozen de Staten-Generaal de katholieke aartshertog Mathias
       (zoon van de keizer en broer van keizer Rudolf) tot gouverneur-generaal, met Oranje
       als „luitenant-generaal‟. Deze door filips II niet erkende „nationale‟ regering was
       politiek en financieel zwak. Slechts met de hulp van buitenlandse troepen uit Engeland
       en Frankrijk kon zij zich militair handhaven tegenover Don Juan.
    5. Naast deze zwakheid ondermijnden andere factoren de eenheid der opstandelingen :
                     a. er had een radicalisering van de houding der calvinisten plaats,
                        belichaamd in de oprichting van calvinistische republieken en diverse
                        steden. Die van Gent o.l.v. Ryhove en Hembryze poogde heel
                        Vlaanderen te overheersen (1577-1578).
                     b. De Waalse adel werd naijverig op Oranje.
                     c. Oranjes voorstel tot „religionsfriend‟ (1578) mislukte : door Holland
                        afgewezen en in de andere gewesten overtreden door de calvinisten.
C. De unies van Atrecht en Utrecht (jan. 1579) –Alexander Farnese landvoogd (1579-1592)
   1. De Waalse katholieke en nog deels feodale gewesten zoals Artesië en Henegouwen
       waar de zgn. „Malcontenten‟ o.l.v. Lalaing de overhand hadden gekregen, sloten de
       Unie van Atrecht, die van de nieuwe gouverneur-generaal Farnese ruime toegevingen
       kreeg in ruil voor hun onderwerping ven het herstel van het katholicisme. Aldus kreeg
       Farnese een uitgangspunt voor de militaire herovering van de overige gewesten, tot en
       met de inname van Antwerpen (1585).
   2. De noordelijke meer progressieve en protestantse gewesten, samen met de Vier Leden
       van Vlaanderen, en enkele Brabantse steden waaronder Antwerpen, sloten de Unie van
       Utrecht (jan. 1579). De Unie van Utrecht zette de strijd voort die meer en meer een
       godsdienstoorlog werd.
           a. De Spaanse koning werd niet meer erkend (Akte van Verlatinghe, 1581) :
              Anjou (broer van de Franse koning Hendrik III), werd als vorst erkend, in de
              hoop Franse militaire hulp te krijgen, doch zijn optreden in de Nederlanden
              werd een mislukking (Franse Furie te Antwerpen), zodat hij zich moest
              terugtrekken (1583). Dit kwam vooral door de verdeeldheid van de
              opstandelingen en het uitblijven van Engelse hulp wegens mislukte
              huwelijksplannen voor Anjou met koningin Elisabeth.
           b. Oranje, steeds meer geïsoleerd en gecontesteerd, vnl. door extreme calvinisten
              (gewantrouwd wegens onderhandelingen met Frankrijk betreffende Anjou),
              werd door Filips II vogelvrij verklaard en vermoord (1584).
           c. Na Farnese‟s veroveringen van het Zuiden (1585), zetten Holland-Zeeland
              alleen de strijd voort o.l.v. Oranjes zoon Maurits van Nassau, aangesteld tot
              stadhouder in 1585 onder druk van Oldenbarnevelt, raadspensionaris van
              Holland, als tegenzet tegen de politiek van Robert Dudley, earl van Leicester.
              Hun weerstand werd begunstigd door het feit dat Farnese moest optreden tegen
              Engeland en Frankrijk en door diens dood in 1592 : de noordelijke gewesten
              werden in feite onafhankelijk.




   VII. OP GESCHEIDEN WEGEN: DE VERWIJDERING
            TUSSEN NOORD EN ZUID (1585-1648)

1. De religieuze verwijdering

A. Wijziging van de godsdienstverhoudingen

1. Vóór en tijdens de opstand (tot 1585) bestond er geen tegenstelling op godsdienstig gebied
tussen Noord en Zuid: er waren evenveel, zoniet meer protestanten in het Zuiden dan in het
Noorden.
2. Dit evenwicht werd o.m. verbroken door de massale uitwijking van de protestanten uit het
Zuiden naar het Noorden: 40% van de bevolking van Antwerpen verliet de stad na 1585; in
1611 was ongeveer de helft van de 300 voornaamste kooplieden van Amsterdam uit het
Zuiden afkomstig.

3. Het Zuiden werd volledig katholiek, het Noorden grotendeels, doch slechts geleidelijk
protestants, mede onder de invloed van de verdere godsdienstige ontwikkeling van de twee
gebieden.

B. De contrareformatie in het Zuiden

1. Niet alleen werden door de Contrareformatie de misbruiken in de Kerk bestreden, maar de
invloed van de clerus werd versterkt door zijn recrutering en zijn opleiding aan een nauw
toezicht te onderwerpen:
        a. In bijna alle bisdommen werden seminaries opgericht;
        b. De kerkelijke hiërarchie werd versterkt: de bisschoppen moesten om de vier jaar
        verslag uitbrengen, terwijl de contacten tussen bisschoppen, dekens en pastoors
        verstevigd en vermenigvuldigd werden;
        c. Een pauselijke nuntius verbleef vanaf 1586 te Brussel.

2. De Contrareformatie schiep ruimte voor de actie en de ontwikkeling van de reguliere
geestelijkheid:
        a. De in 1540 opgerichte orde der Jezuïeten (Societas Jesu) kreeg een zeer grote
        invloed, vnl. in de hogere klassen van de maatschappij;
        b. De bedelorden, en vooral de franciscanen en capucijnen kenden een zeer grote
        uitbreiding met de oprichting van talrijke kloosters.

3. De uitwendige tekens van devotie getuigden van een nieuwe mentaliteit. Zoals zij nu nog
bestaan, vnl. in het Vlaamse land (beelden in gevels, kruisen en kapellen langs de wegen),
klimt hun grote uitbreiding tot die tijd op. Vooral de Mariacultus werd gestimuleerd
(voorbeeldfunctie).

C. De protestantisering van het Noorden

1. De protestantisering van het Noorden ging hoofdzakelijk uit van de steden, versterkt met
emigranten uit de Zuidelijke Nederlanden.

2. De protestantisering boekte zeer partiële, gelijke en ongelijke resultaten volgens de streken
(bv. katholieke plaatselijke heren; late verovering door de Verenigde Provincies, bv.
Generaliteitslanden) en vooral wegens de tolerantie van de stedelijke regenten, in
tegenstelling tot de theocratische bestrevingen van de kerkelijke milieus.

3. Ondanks het officieel verbod op uitoefening van de eredienst (kerkgebouwen, kerkelijke
goederen en Armentafels waren toegekend aan de Hervormde Kerk) werden clandestiene
katholieke erediensten (in zgn. „schuilkerken‟) door de regenten geduld tegen betaling (zgn.
„recognities‟).

4. Het katholicisme kon zich aldus handhaven, maar brokkelde geleidelijk af; ca. 1650 was
nog de helft van de bevolking rooms-katholiek, maar ca. 1730 wasdat nog 1/3; er waseejn
stijging van het aantal katholieken tot 40% tijdens de 18de eeuw, maar een daling in de 19de
eeuw, tot 35% in 1909.

5. De protestantisering was ook sociaal gedifferentieerd: de regentenklasse was volledig
protestant tegen het einde van de 17de eeuw, evenals de laagste sociale stand wegens het
bestuur van de armentafels door de regenten; de middenstand en de landadel bleven
grotendeels katholiek.

2. Verwijdering door oorlogshandelingen
1. De opstandvan de Nederlanden tegen Spanje werd, door de herovering door Spanje van het
Zuiden, een oorlog van de „Verenigde Provinciën‟ tegen Spanje, waarvan de Zuidelijke
Provincies het eerste slachtoffer werden wegens:
   a. De herhaalde invasies van Hollandse troepen in het Zuiden
   b. De heffing van oorlogsschattingen door deze troepen
   c. Plunderingen
   d. De blokkade van Antwerpen

2. Tengevolge van deze toestand, die ongeveer gedurende twee generaties bleef voortduren
(1585-1648), greep in de mentaliteit van de Zuidelijke Provincies geleidelijk een verandering
plaats: van een gemeenschappelijk bewustzijn van de Nederlanden, van een
solidariteitsgevoel tijdens de Opstand, evolueerde de mentaliteit naar een klimaat van
vijandschap tegenover het Noorden, waarbij de Spaanse troepen zelfs als beschermers tegen
oorlogshandelingen vanuit het Noorden werden beschouwd.

3. Het verloop van de oorlog:
   a. De reorganisatie van het leger en de aanwending van een nieuwe strategie door Maurits
   van Nassau leverden de provincies, vooral na de dood van Farnese (1592), grote successen
   op, zowel in Noord-Brabant als in Zeeuws-Vlaanderen, en zelfs in Vlaanderen.
   b. Tegen de wil van Maurits van Nassau werd, onder druk van raadspensionaris Johan van
   Oldenbarnevelt en de regenten, die op handelsbetrekkingen met Spanje en niet op oorlog
   gesteld waren, het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) gesloten;
   c. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand en na de executie van Johan van Oldenbarnevelt
   (1619, zie verder), hervatte Maurits‟ halfbroer en opvolger als kapitein-generaal en
   stadhouder (1625), Frederik-Hendrik de vijandelijkheden met Spanje. Nieuwe successen
   brachten de zgn. Generaliteitslanden (Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant en Limburg)
   onder het gezag van de Staten-Generaal, hetgeen door de vrede van Munster (1648) werd
   bekrachtigd.

3. De politieke ontwikkeling in het Zuiden (1585-1648)
Op politiek gebied leidde de ontwikkeling tussen 1585 en de vrede van Munster (1648) tot de
vastlegging van de definitieve grens tussen het Noorden en het Zuiden en tot de geleidelijke
uitroeiing van het vroegere algemeen Nederlandse bewustzijn.

A. Semi-onafhankelijkheid onder de aartshertogen (1598-1621)

1. Daar Filips II op het einde van zijn leven inzag dat hij de Nederlanden niet met geweld had
kunnen onderwerpen, maakte hij er een quasi onafhankelijke staat van, waarover hij zijn
dochter Isabella, gehuwd met de Duitse Habsburger Albrecht, als vorstin aanstelde, evenwel
mat beperkte regeringsvrijheid (o.m. terugkeer aan Spanje bij kinderloos overlijden).

2. De aartshertogen poogden zich als „nationale‟ vorsten te doen erkennen: ze deden
toegevingen aan de hoge adel en stemden in met de bijeenroeping van de Staten-Generaal (zie
verder).

3. Hun voornaamste doel, de verovering van de noordelijke provincies, mislukte (zie hoger).
Het einde van het Twaalfjarig Bestand viel bovendien samen met de dood van Albrecht.

B. Direct Spaans gezag en hervatting van de oorlog

1. Isabella regeerde verder als gouvernante en de vijandelijkheden met het Noorden
herbegonnen (zie hoger).

2. Hierover ontstemd zetten adel en geestelijkheid een weliswaar mislukte samenzwering op
touw, waardoor Isabella niettemin verplicht werd de Staten-Generaal samen te roepen (1632).

3. De vredesonderhandelingen van de Staten-Generaal met de Verenigde Provinciën
mislukten door Spanjes weigering de voorwaarden te aanvaarden (religie-kwestie), door het
handelsegoïsme van Amsterdam t.o.v. Antwerpen en door de negatieve houding van Frederik-
Hendrik.

4. Frankrijk kwam in oorlog met Spanje (1635) en besloot samen met de Verenigde
Provinciën de Zuidelijke Nederlanden te verdelen.

5. In 1648 sloot Spanje met de Verenigde Provinciën de Vrede van Munster, waardoor:
    a. De onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën werd erkend, vermeerderd met de
    veroverde grensgebieden Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Maastricht;
    b. De Schelde gesloten bleef

4. De politieke ontwikkeling in het Noorden (1585-1648)
A. Het einde van de monarchale fictie en de mislukking van Leicester (1585-1587)

1. Na de mislukking van Anjou (zie hoger) en nadat Elisabeth I van Engeland de haar door de
Verenigde Provinciën aangeboden soevereiniteit had geweigerd, zond Elisabeth haar
gunsteling, Lord Dudley, Earl of Leicester, met troepen naar de Nederlanden.

2. Leicester mislukte op militair gebied en kwam politiek in botsing met de Staten van
Holland omdat hij zich tegen Holland liet steunen door de andere leden van de Staten-
Generaal en de calvinistische inwijkelingen uit het Zuiden. Hij werd door Elisabeth
teruggeroepen (1587): triomf van Oldenbarnevelt op de oorlogszuchtige en extreem-
protestantse aanhangers van Leicester.

3. Hierdoor mislukte de eenheidsstaat en was het overwicht van Holland verzekerd. Het
Noorden werd aldus een republiek „zonder eminent hoofd‟.
   a. De Verenigde Provinciën waren een federatie van zeven quasi onafhankelijke
   republiekjes, ieder geleid door een Statenvergadering. De Staten van Holland hadden, om
  financieel-economische redenen, het overwicht, en binnen de Staten van Holland gaven de
  stedelijke regenten de toon aan.
  b. Er bestond geen centraal gezag: de Staten-Generaal, als algemene vergadering van de
  afgevaardigden der provinciale Staten, waren slechts een overlegorgaan, waar voor
  beslissingen eenstemmigheid vereist was.
  c. De stadhouders werden voortaan aangesteld door de Provinciale Staten en bezaten
  praktisch geen rechten van soeverein. De stadhoudersfunctie werd daardoor een vrij
  hybride functie: de stadhouders streefden naar een positie als soeverein, maar werden
  hierin geremd door de provinciale Staten waarvan ze eigenlijk afhankelijk waren.
  d. De leiding van de provinciale Staten werd in ieder republiekje verzekerd door een
  raadspensionaris. De raadspensionaris van Holland was de belangrijkste, weldra ook in de
  vergaderingen van de Staten-Generaal, waar hij de titel droeg van grootpensionaris. Hij
  fungeerde als een soort van minister van Buitenlandse Zaken.

B. De politiek-religieuze tegenstelling raadspensionaris-stadhouder

1. Doorheen de geschiedenis van de Verenigde Provincies in de 17de-18de eeuw bestond een
latente tegenstelling tussen enerzijds de voorstanders van een sterk centraal gezag,
belichaamd in de stadhouder als krachtdadig verdediger van het calvinisme en de
onafhankelijkheid, in de traditie van de opstand tegen Spanje, en anderzijds de voorstanders
van het gewestelijk particularisme, belichaamd in de raadspensionaris van Holland,
vertegenwoordiger van de handeldrijvende klasse der stedelijke regenten, die om commerciële
redenen gekant waren tegen oorlog en op religieus gebied zeer tolerant.

2. Parallel met deze politieke tegenstelling ontstond in het begin van de 17de eeuw binnen het
calvinisme een theologische tegenstelling tussen gematigden en streng-calvinisten, tussen zgn.
Remonstranten en Contra-Remonstranten (rekkeliken en preciesen). Door allerlei
omstandigheden vielen weldra deze tegenstellingen samen: Johan van Oldenbarnevelt,
raadspensionaris van Holland, verleende zijn steun aan de gematigde Remonstranten, terwijl
stadhouder Maurits van Nassau zijn steun verleende aan de strenge Contra-Remonstranten.
Oldenbarnevelt had hierbij de steun van de Staten van Holland, terwijl Maurits van Nassau de
meerderheid van de Staten-Generaal achter zich had.

3. In het vooruitzicht van een dreigende burgeroorlog en na de veroordeling van de
Remonstranten door de op initiatief van de Staten-Generaal bijeengeroepen Synode van
Dordrecht (1618), waar o.m. tot een nieuwe standaardvertaling van de bijbel, de zgn.
Statenbijbel, werd besloten, werd Oldenbarnevelt door de stadhouder gevangen gezet en door
een bijzondere rechtbank van de Staten-Generaal ter dood veroordeeld en onthoofd (1619).

4. Na een periode van overwicht van de stadhouder, die zich als quasi-soeverein gedroeg en
militaire successen tegen Spanje boekte (zie hoger), maakten de stedelijke regenten gebruik
van de jeugdigheid van Maurits‟ opvolger en halfbroer Frederik-Hendrik (1625) om opnieuw
het initiatief naar zich te trekken en met Spanje de vrede van Munster (1648) te sluiten.
                 VIII. DE VERENIGDE PROVINCIËN
                         VAN 1648 TOT 1792
1. Mislukte greep naar de macht en uitschakeling van de stadhouder (1648-
1651)

1. Na de dood van stadhouder Frederik-Hendrik (1647), ontstond een conflict tussen diens
   opvolger Willem II en de Hollandse regentenoligarchie, o.m. omdat Willem II, door zijn
   huwelijk met Mary Stuart, oudste dochter van Karel I, koning van Engeland (1649
   onthoofd door Cromwell), een politiek van lotsverbondenheid tussen de huizen van Stuart
   en Oranje inluidde die strijdig was met de commerciêle belangen van de Hollandse
   regenten .
2. Door de gevangenzetting van de voornaamste leden van de Staten van Hollande op slot
   Loevenstein en de onderwerping van Amsterdam maakte Willen II zich van de feitelijke
   macht meester (1650).
3. Zijn plotse dood (nov. 1650) en de minderjarigheid van Willem III gaven de Staten van
   Holland opnieuw het overwicht (1651) : buiten Friesland-Groningen waar en lid van een
   zijtak van het huis van Nassau tot stadhouder was aangesteld, werd zelfs geen stadhouders
   aangesteld, zodat het eerste zgn. stadhouderloos tijdperk begon.

2. Eerste stadhouderloos tijdperk : Johan De Witt (1653-1672)

Johan De Witt, i, 1653 door de Staten van Holland aangesteld tot raadspensionaris, werd
gedurende bijna twintig jaar de feitelijke leider van de Republiek der Verenigde Provinciën.
Typisch vertegenwoordiger van het regenten-patriciaat was hij een hezvige tegenstander van
het Oranlehuis. De binnenlandse moeilijkheden die hiervan het gevolg waren geraakten
tijdens zijn bewind nauw verstrengeld met buitenlandse moeilijkheden hetgeen aanleiding gaf
tot zijn val en dood in 1672.

A. Gespannen verhoudingen tot Engeland

1. De commerciële concurrentie tussen de beide zeevarende mogendheden Engeland en de
   Verenigde Provinciën en hun belangentegenstellingen op koloniaal gebied werden
   verscherpt door de afkondiging van de Act of Navvigation door Cromwell (1651).
2. Twee zee-oorlogen met Engeland (1652-1654 en 1665-1667), waarin admiraal Michiel de
   Ruyter aanvankelijk enkele opzienbarende overwinningen behaalde, leidden enerzijds tot
   enkele wijzigingen in het Hollands koloniaal bezit (afstand van Nieuw Amsterdam aan
   Engeland = New York ; verwerving van Suriname) en anderzijds tot een verzachting van
   de Act of Navigation. In ruil hiervoor werd op verzoek van Cromwell Willem III van het
   stadhouderschap voorgoed uitgesloten door de zgn. Acte van Seclusie (1654). De vrede
   met Engeland (na het herstel va n de Stuarts in Engeland 1660 en de intrekking van de
   acte van Seclusie 1666) werd verhaast door het opdringen naar het Noorden van Lodewijk
   XIV.

B. Verweer tegen de noordelijke opmars van Frankrijk

1. Na zijn aanspraken, ktachtens het zgn. devolutierecht , op de Spaanse Nederlanden tijdens
   de zgn. Devolutieoorlog (1667) te hebben moeten inbinden t.g.v. het verzet van Engeland,
   Zweden en de Verenigde Provincies, slaagde Lodewijk XIV erin langs diplomatieke weg,
   na de wal van Cromwell en de restauratie van de Stuarts (Karel II) (1660), Engeland aan
   zijn zijde te krijgen (Verdrag van Dover, 1670), met het doel de Verenigde Provinvies aan
   te vallen en er Willem III, neef van de Engelse koning Karel II, als vazal van Engeland op
   de troon te plaatsen.
2. Tijdens de zgn. Hollandse oorlog (1672) viel Lodewijk XIV oostelijk Nederland binnen,
   rukte op tot Utrecht en bedreigde Holland. In de paniek die hierop in Holand ontstond
   werd de schuld van de nederlaag op Johan de Witt geschoven. Na een aanslag op het leven
   van de Witt werd Willem III tot stadhouder aangesteld ; tijdens een oproer in Den Haag
   werd de Witt door de menigte gelyncht (20 aug. 1672)

3. Stadhouderschap van Willem III (1672-1702)

1. De aanstelling tot stadhouder van Willem III bewerkte een ommekeer van de situatie:
   Willem III sloot vrede met Engeland, huwde Mary, de oudste dochter van de toekomstige
   koning van Engeland Jacob II (1685-1688), en dwong dankzij het bondgenootschap met
   Engeland Lodewijk XIV tot vrede.
2. In ruil verleende Holland militaire steun aan Willem III toen deze in Engeland ten gunste
   van de protestanten tegen zijn katholieke schoonvader Jacob II optrad. Dank zij de steun
   van de Whigs, tijdens de zgn. Glorious Revolution (1688), werd hij tot koning van
   Engeland uitgeroepen en veroverde hij Ierland met troepen o.l.v. Malborough (Churchill).
3. Voor de Hollandse regenten hield deze gang van zaken het gevaar in van een politieke en
   economische afhankelijkheid van de Verenigde Provincies tegenover Engeland, terwijl
   Willem III zich volkomen aan zijn Engelse belangen wijdde en Nederlandse
   aangelegenheden overliet aan raadspensionaris Heinsius.
4. Na de plotse dood, zonder rechtstreekse opvolger, van Willem III (1702), verzetten de
   regenten zich tegen de door hen aangewezen minderjarige opvolger Johan-Willem Friso
   (stadhouder in Friesland-Griningen, +1711), waardoor een tweede stadhouderloos tijdperk
   begon (zie verder).
5. Tijdens de Spaanse Succesieoorlog (1702-1713) (zie verder) kregen de Verenigde
   Provincies de steun van Engeland tegen Frankrijk en Spanje, waardoor de inpalming van
   de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk kon verhinderd worden (Vrede van Utrecht,
   1713)

4. De patriottenbeweging

A. De stadhouderloze tijd en de alleenheerschappij van de Regentenoligarchie (1702-1747)

1. Na de plotse dood, zonder rechtstreekse opvolger, van Willem III (1702) en van de door
   hem bij testament aangewezen opvolger Johan Willem Friso, stadhouder in Friesland-
   Groningen (1711), was er geen stadhouder buiten Friesland-Groningen, waar het
   regetnschap voor de minderjarige Willem Friso, de latere stadhouder WillemIV (geb.
   1711), door zijn moeder werd uitgeoefend.
2. In deze omstandigheden verkreeg de regenten-oligarchie de alleenheerschappij :
   -de regentenstand groeide uit tot een patricische elite boven de burgerij en beschouwde
   zich als een nieuwe adel
   -hij was onderhevig aan toenemende corruptie : verloop van ambten,
   vriendenbevoorrechting, „contracten van correspondentie‟ voor de onderlingen toewijzing
   van ambten (zelfs aan minderjarige kinderen van regenten) waren courante prakrijken ; in
   Amsterdan bv. was het aantal te begeven stedelijke ambten opgedreven tot 3200 ;
   gedurende de eerste helft van de 18e eeuw beheerste de twee familkies Corver en Hooft er
   het gehele stadsbestuur.
3. De hervorminsgpogingen van raadspensionaris Van Slingelandt (1727-1736), ingegeven
   door de financiële chaos, die zelf het geolg was van particularisme, bleven zonder
   esultaat ; zijn streven naarv centrale beslissingsmacht i.p.v. de onmacht van de Staten-
   Generaal was vruchteloos.

B. De aanstelling van een stadhouder onder de druk van buitenlandse omstandigheden

De tijdelijke verovering in 1744 van de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk tijdens de
Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), werd gevolgd door een Franse inval in de
Verenigde Provinciën, die aan de zijde van Engeland aan de sucessieoorlog hadden
deelgenomen.
De paniek die het gevolg van deze inval was leidde tot de aanstelling van Willem IV tot
erfelijk stadhouder in alle gewesten (1747-1751)

C. Mistevredenheid van de burgerij en vorming van de Patriotten-partij

In de schoot van de nieuw ontstane burgerij, die zich tegen de patricische elite der regenten
poogde af te zetten, groeide de misnoegdheid wegens:
1. de onmacht van de stadhouder en de mislukte hervormingspogingen van zijn raadgever
    Willem Bentinck om de macht der regenten te breken;
2. de engelsgezinde politiek van de stadhouders Willem IV en V, die trouwens de naam
    „Patriotten‟ verklaard;
3. de invloed van de ideeën der Verlichting

D. De eerste Patriottenbeweging (1784-1787)

1. De vernedering die de Verenigde Provincies tijdens de Amerikaanse Vrijheidsoorlog
   vanwege Engeland moesten ondergaan leidden tot een monsterverbond tussen de
   aristocratische (regenten) en de democratische (burgerij) tegenstanders van de
   engelsgezinde stadhouder.
2. Na de aanvankelijke vlucht van de zwakke stadhouder Willem V heroverde zijn
   echtgenote Wilhelmina van Pruisen met de hulp van Pruisische troepen Den Haag en
   Amsterdam (1787).
3. De democratische Patriotten weken uit naar Frankrijk, kwamen er in contact met de
   Franse Revolutie en bereidden hun terugkeer tijdens de Bataafse omwenteling van 1795
   voor (zie verder).

5. Hollands Gouden Eeuw in economisch opzicht

A. Economische tegenstellingen tussen Noord en Zuid

1. De 17e eeuw is voor het Noorden, ook op economisch gebied, voornamelijk tijdens de
   eerste helft, een „gouden eeuw‟; hetzelfde kan zeker niet voor het Zuiden gezegd worden,
   zodat me eer de 17e eeuw –ten onrechte- als „ongelukseeuw‟ op economisch gebied heeft
   betiteld, hetgeen hoogstens voor de tweede helft van de 17e eeuw opgaat.
2. Deze opvatting is vooral beïnvloed door het feit van de sluiting van de Schelde en de
   ondergang van Antwerpens rol als handelsmetropool ten voordele van Amsterdam.
   Mogelijkheden tot de maritieme heropleving van Antwerpen zijn in de 17e eeuw door de
   Hollandse regenten-oligarchie vnl. onder invloed van Amsterdam, steeds op het politieke
   vlak bestreden: het is een van de motieven voor de steun door de regenten verleend aan
   Spanje na 1648, uit vrees dat bv. een inpalming van Antwerpen door Frankrijk de haven
   van Antwerpen weer zou openstellen.
3. Het Noorden heeft alléén de vruchten geplukt van een opstand waaraan ook het Zuiden
   had meegewerkt, terwijl alleen het Zuiden de tol betaalde voor de mislukking van de
   opstand, waaraan ook het Noorden had meegewerkt.

B.Koloniaal-maritieme ondernemingen van het Noorden.

1. Verschillende ontdekkingsreizen hebben deze voorbereid, o.m.
a. de tocht van Jan Huygen van Lintschoten in het gevolg van de bisschop van Goa (1583-
    1592) naar Azië
a. de vaart van Houtman en Keyzer om Kaap de Goede Hoop (1596), waardoor langs de
    Portugese zeeweg Java werd bereikt
b. de poging van Heemskerck en Barentsz om noordwaarts om de weg naar het Verre Oosten
    te vinden (overwintering op Nova Zembla, 1596/97)
c. de doorvaart van Olivier van Noort door de Straat van Magelaan (1598), de eerste tocht
    van een Nederlander om de wereld.
2. Koloniale ondernemingen
a. „Compagnies van Verre‟: dit zijn kleine, hoofdzakelijk met kapitaal van door Zuid-
    Nederlandse vluchtelingen gefinancierde ondernemingen, die de basis legden voor
    regelmatige handelsbetrekkingen met Oost-Indië (Indonesië).
b. Om benadeling door de scherpe onderlinge concurrentie dan deze kleine compagnies op te
    heffen en krachten te bundelen werd door Oldenbarnevelt de Verenigde Oost-Indische
    Compagnie (VOC, 1602) gesticht, met monopolie van de handel voorbij Kaap de Goede
    Hoop en Straat van Magelaan.
        -Haar structuur is te vergelijken met een hedendaagse N.V. (kleine aandelencoupures),
    waarin het dagelijks bestuur (de zgn. „Heren XVII‟), gevormd door leden van de
    regentenoligarchie, weldra het overwicht, dank zij de meerderheid der aandelen, bezat.
        -De VOC had een grote onafhankelijkheid en bevoegdheid, o.m. het lichten van
    troepen, het sluiten van verdragen, de vestiging van souvereiniteitsrechten
    -Haar voornaamste militair-commerciële steunpunten en souvereniteitsgebieden waren :
               * Java en de Molukken (Ambon), waar en gouverneur-generaal werd
aangesteld (1609), o.a. J.P. Coen, stichter van Batavia (1619=tgw. Djakarta)
               * een uitbreiding tot Malakka (tgw.Maleisië), Vóór-Indië (op Portugezen),
               Ceylon en Formosa (Taiwan) werd gerealiseerd onder gouverneur-generaal
               Van Diemen (ca. 1640)
               *op advies van J. van Riebeeck werd een martitiem steunpunt bij Kaap de
               Goede Hoop gesticht (1652) : hieraan danken Kaapstad en de latere Zuid-
               Afrikaanse kolonie hun oorsprong ; inwijking van Franse Hugenoten na
               intrekking van Edict van Nantes (1685) in Franshoek.
c. De stichting van de West-Indische Compagnie (WIC), op initiatief van Willem Usselinck,
    gebeurde slechts na de dood van Oldenbarnevelt en na het einde van het Twaalfjarig
    Bestand (1621), omdat de doelstelling ervan, de georganisserde kaapvaart tegen Spanje
    (Piet Hein, 1628) op verzet van de regenten was gestuit. Het gevolg hiervan was:
    -dat de bedrijvigheid van de WIC vnl. beperkt was tot slavenimport uit W. Afrika naar Z.
    Amerika (eiland Curaçao in Caraïbische Zee, 1634) ;
    - dat slechts geringe koloniale veroveringen werden ondernomen, die leidden tot de
    verwerving van steunpunten op de N-kust van Z.Amerika (Suriname, veroverd op
   Engeland, 1666) en in Brazilië, evenals tot de stichting van Nieuw-Amsterdam
   (gouvernuer Stuyvesant, 1625), weldra veroverd door Engeland (New-York, 1668).

C. De Baltische handel en de opbloei van Amsterdam

   1. De bloei van Amsterdam in de 15e-16e eeuw als tussenschakel tussen de Baltische Zee
      en West- en Zuid-Europa was vnl. te danken aan de import van graan uit Danzig en
      van ijzer uit Zweden.
   2. De inwijking van Zuid-Nederlandse handelaars en kapitaal na 1585 (Usselinck, De
      Geer) maakte van Amsterdam een financieel wereldcentrum (1609 : stichting van de
      Amsterdamse wisselbank)
   3. De ontwikkeling van een grote koopvaardij- en handelsvloot (vnl. met het oog op de
      bescherming van de Sont-doorvaart) was de oorzaak van de vestiging van
      scheepswerven en nevenbedrijven (vnl. te Zaandam).

D. Ontwikkeling van industrie en visserij

1. De Noord-Nederlandse industrie steunde voral op de verwerking van geïmporteerde
   producten : suiker, tabak , diamant
2. De textielnijverheid kende een neiwue opbloei, vnl. van de zijde- en modenijverheid door
   de inwijking van Franse Hugenoten na de intrekking van het Edict van Nantes (1685)
3. De grootste bloei echter kende de visserij, vnl. haringvisserij (onder toezicht van de Staten
   van Holland) en walvisvangst (georganiseerd in de zgn. „Noordse Compagnie‟, op
   Groenland en Spitzbergen).

6. De economische ontwikkeling tijden de 18e eeuw

A. De industrie

1. Omstreeks 1700 tekenden zich reeds de eerste symptomen af van de achteruitgang van de
textielnijverheid : daling der lonen, werkloosheid , alcoholisme, emigratie. Vooral te Leiden,
dat geheel op de lakenbereiding was ingesteld, waren de gevolgen rampspoedig.
Stakingen, vnl. in 1701 te Leiden, werden uitermate streng onderdrukt als oproer. In 1740
diende aan 3000 gezinnen armensteun uitgekeerd te worden.
2.In de handelssteden Amsterdam en Rotterdam kon de achteruitgang in de textielsector
worden opgevangen door de bloei van de veredelingsindustrieën (diamant, papier, tabak,
stokerijen, verfstoffen), terwijl de wissel- en effektenhandel op de Amsterdamse beurs
ontzagelijke kapitalen heeft doen vergaren.

B. De internationale handel

1. De geleidelijke achteruitgang in de 18e eeuw van Hollands rol in de internationale handle
   was te wijten aan :
   a. de politieke afhankelijkheid tov. Engeland
   b. het toenemend protectionisme van de West-Europese staten dat schadelijk was voor
      Hollands vrijhandel en exportindustriën ; in diverse staten weden eigen industrieën
      opgericht met de hulp van (wegens de depressie) uitgeweken N.-Nederlandse vaklui
   c. de ontwikkelinh van rechtstreekse handelsroutes tussen Noord- en Zuid-Europa,
      waardoor de rol van Holland als centrale schakel verviel
2. De opschorting van het internationeel handelsverkeer tijden de zgn. Continentale
   Blokkade (vanaf 1806), vnl. tov. Engeland, veroorzaakte de ondergand van de met
   koloniale grondstoffen werkende industrieën (suikerraffinaderijen, koffiebranderijen,
   tabaksfabrieken, branderijen, etc.) en van de schaapswerven
3. Deze industriële en commerciële achteruitgang werd slechts zeer gedeeltelijk
   gecompenseerd door de opbloei van de landbouw, die van N.- Nederland een overwegend
   agrarisch gewest maakt, in tegenstelling tot het zich industrialiserende Zuiden.

C. Koloniën en koloniale handel

1. De toename van de Engelse en Franse koloniale handle serdert het einde van de 17e eeuw
   betekende een ernstige concurrentie voor de VOC en was de oorzaak van financiële
   moeilijkheden (dalende winsten, leningen).
2. Tijdens de oorlog 1780-1784 verloren de Verenigde Provinciën het monopolie van de
   handel op de Nederlandse koloniën : het VOC en de WIC werden onder overheidsvoogdij
   geplaatst en hun bezittingen en schulden werden overgenomen door de staat (WIC in
   1791; VOC in 1796).
3. De koloniale bezittingen werden door Engeland afgetakeld :
   a. de Kaapkolonie en Ceylo, (1795), Malakka, Sumatra e.a. gingen verloren
   b. alleen Java bleef bataafs bezit (onder gouverneur-generaal Daendels), tot het in 1811
       eveneens door Engeland werd veroverd
   c. in 1814 werd door Engeland resitutie gedaan van alee koloniën, behalve de
       Kaapkolonie en Ceylon

7. Sociale tegenstellingen

1. De handel vormde de voornaamste bron van welvaart in de Republiek. Het waren de
   zeehandelaars die de grootste vermogens vewierven dankzij een zeer ruime winstmarge
   wegens het grote risico (rampen en zeeroverij) . Faillisemnten waren overgens legio.
2. De meeste welgestelde handelaars vormden een zich geleidelijk scherper afgetekende
   regentenstand, die een oligarchie vormde in de steden en zo het buitenlandse beleid van de
   Republiek afstemde op de commerciële belangen.
3. De adel bleef niettemin hoog in aanzien : de regenten streefden ernaar door huwelijk of
   koop een adellijke titel en een heerlijkheid te verwerven. P.C. Hooft bv was ridder.
4. De middenstand, georganiseerd in ambachten, vormde nog het merendeel der bevolking,
   daar de nijverheid nog in zeer overwegende mate thuis werd uitgeoefend.
5. Alleen in de textielnijverheid ontwtond de behoefte aan een groter aantal knechten per
   meester, nl. het froogscheren en appreteren der geweven stoffen vergde grote
   werkplaatsen. Onder deze manufactuurarbeiders ontsond een gemeenschappelijk optreden,
   dat door stakingen loonaanpassingen wist af te dwingen ondakns de repressieve politiek
   van de stadbesturen.
6. De scheepslui vormden een talrijke groep, waarvan de levensomstandigheden erd
   ongunstig waren. De slechte hygiëne en het schrale voedsel veroorzaakten een grote
   sterfte onder het bootsvolk. Daar bovendien slechts lage lonen werden uitbetaald, diende
   men reed in de 17e eeuw „gastarbeiders‟ uit de armste streken van Noord-Europa
   (Denemarken, Noorwegen, NW-Duitsland) aan te trekken, om de schepen te bemannen.
   Dit proletariazat, dat zich vaak met ganse gezinnen in Holland ging vestigen, vormde er
   een zeer oproeorig element.
7. In de 17e eeuw leverde wijdverbreide kinderarbeid goedkope » werkkrachten voor de
   textielnijverheid. Te Leiden werden zelfs kinderen aangevoerd uit W-Duitsland en het
   Land van Luik.
8. Ondakns de oogverblindende welvaart bestond in het Holland van de „Gouden Eeuw‟ een
   grote armoede. Eén van de oorzaken daarvan schuilt in de massale immegratie uit de
   zuidelijke Nederlanden in westelijk Duistalnd. Zij die hun land omwille van de depressie,
   de troebelen en de geloofshetze verlaten hadden, waren niet allen hoogbegaafde
   kunstenaars en rijke kooplijk die bijdroegen tot de expansie, maar onder hen waren er veel
   meer gewone gelukszoekers, die lang niet allen hun succes vonden. In 1614 werd te
   Amsterdam al aan niet minder dan 1500, hoofdzakelijk uitheemse gezinnenn voedsel
   uitgedeeld tijden de winter. Het overschot aan arbeidskrachten hield de lonen laag, wat de
   ondernemers toeliet grote winsten te boeken.
9. Tegen bedelarij en de daaruit voortvloeiende misdadigheid werd aanvankelijk louter
   repressief opgetreden. In 1595 werden te Amsterdam het eerste Tuchthuis (ook genaamd
   Rasphuis) en het pinhuis gesticht, waar resp. mannelijke en vrouwelijke werklozen
   dwangarbeid verrichtten. In 1653 werd er, na een nieuwe stroom vluchtelingen vanwege
   de Dertigjarige oorlog en gearresteerd „lediggangers‟ aan weefarbeid werden gezet tegen
   een minieme vergoeding. Ook stonden daar en elders weeshuizen.


    IX. DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN (1648 – 1792)
De politieke passiviteit, de machteloosheid van het Zuiden na de mislukking van de opstand,
werd tot 1789 slechts onderbroken door twee gebeurtenissen, die echter beide een
anachromisme zijn: de mislukte opstand van de adel in 1632, gevolgd door de laatste
bijeenroeping van de Staten – Generaal,en de opstand van de Brusselse ambachten o.l.v. Fr.
Anneessens ter verdediging van de vroegere privilegies, gevolgd door Anneessens‟
terechtstelling (1719).
Voor het overige zijn de Zuidelijke Nederlanden de passieve inzet van de internationale
machtsstrijd tussen Frankrijk (Lodewijk XIV en Lodewijk XV) en de Habsburgers, die in
1713 de overgang van de Zuidelijke Nederlanden naar de Oostenrijkes Habsburgers voor
gevolg heeft gehad.


 1.    OVERGANG NAAR HET OOSTENRIJKS                                     BEWIND         EN
TERRITORIALE VERLIEZEN (1648 – 1713)

De talrijke oorlogen en verdragen waarvan de Zuidelijke Nederlanden in de tweede helft van
de 17de eeuw het voorwerp zijn geweest als inzet van de strijd tegen Spanje en Frankrijk
hebben volgende blijvende resultaten gehad:

1. De overgang van het gezag over de Zuidelijke Nederlanden van de Spaanse op de
Oostenrijkse Habsburgers: de laatste Spaanse koning die rechtstreeks van Karel V afstamde,
Karel II, liet na zijn dood (1700) bij testament al zijn gebieden, de Zuidelijke Nederlanden
inbegrepen, over aan de toekomstige koning van Spanje, Filips V, kleinzoon van
Lodewijk XIV en achterkleinzoon van Filips IV van Spanje, voorganger van Karel II. Om
dit te verhinderen voerden Engeland en de Verenigde Provinciën tegen Frankrijk en Spanje de
Spaanse successieoorlog (1702 – 1713) , die eindigde met het verdrag van Utrecht (1713),
waardoor Karel VI van Oostenrijk de Zuidelijke Nederlanden verkreeg.
2. Door dit verdrag werden tevens de zuidelijke grenzen van het huidige België vastgelegd,
vnl. door de definitieve afstand aan Frankrijk van Artesië , Waals – Vlaanderen en Frans–
Vlaanderen (reeds gedeeltelijk vóórdien door Lodewijk XIV veroverd en aangehecht), een
deel van Henegouwen en het Zuidelijke deel van Luxemburg.

3. Door het Barrièretraktaat (1715) kregen de Verenigde Provinciën het recht garnizoenen te
houden in de voornaamste Zuid – Nederlandse steden. Hierdoor werden de Oostenrijkers,
zowel in hun buitenlandse als in hun economische politiek t.a.v. de Zuidelijke Nederlanden,
sterk gehinderd.


2. TRIOMF VAN HET ABSOLUTISME

1. Onder de aartshertogen en de laatste Spaanse koningen:
   a. De hoge adel, het gevaarlijkste element van de nationale oppositie, was door de
      Opstand uitgeschakeld: de Raad van State verloor zijn betekenis ten voordele van de
      Geheime Raad.
   b. Naast de drie Collaterale Raden, werden - vanaf de regering der Aartshertogen -
      speciale commissies, zgn. Juntas, ingesteld, samengesteld uit Spanjaarden.
   c. Na de Aartshertogen werd de gouverneur-generaal geflankeerd door een Secretaris
      van Staat en Oorlog, steeds een Spanjaard, die het werkelijke gezag uitoefende.

2. Onder het Oostenrijks bewind:
   a. Het absolutisme werd versterkt door de inrichting van een moderne bureaucratie,
      onder het werkelijke gezag van bekwame „gevolmachtigde ministers‟ (Botta-Adorno,
      Cobenzl, Stahremberg), terwijl de gouverneur-generaal slechts een representatieve rol
      vervulde (vgl. de populariteit van Karel van Lorreinen, zwager van Maria-Theresia).
   b. Het provinciaal en stedelijke particularisme werd krachtdadig bestreden, o.m. door de
      opname van kleine steden en kasselrijen, naast de Vier Leden, in de Staten van
      Vlaanderen (1754), met als doel een meer vlotte toekenning van de beden te bekomen.


3. JOZEF II EN DE BRABANTSE EN LUIKSE OMWENTELINGEN

1. Als „verlicht despoot‟ streefde Jozef II de versterking na van het absolutisme.
Met dit doel wilde hij het administratief en gerechtelijk apparaat moderniseren, rationaliseren
en tegelijk centraliseren.

2. Op economisch gebied streefde hij naar vrijheid: vrijheid van de industriële onderneming,
vrijheid t.o.v. de douanebeperkingen, vrijheid van schepvaart op de Schelde.

3. Op maatschappelijk – kerkelijk gebied was hij voorstander van de principes van de
„Verlichting‟: tolerantie op godsdienstig gebied, invoering van het burgerlijk huwelijk,
afschaffing van de pijniging, afschaffing van de beschouwende kloosterorden.

A. Moeilijkheden en weerstanden

1. Deze hervormingen werden doorgevoerd in een klimaat van sterk sociaal-economische
spanningen veroorzaakt door een sterke stijging van de graanprijzen t.g.v. de mislukte oogsten
van 1787 en 1789, waardoor werkloosheid en pauperisme toenamen.
2. Jozef II miste anderzijds de steun van de verlichte burgerij die weinig talrijk was en
bovendien gekant tegen zijn despotisme, terwijl de zgn. derde stand misnoegd was over de
liberalisatie van de ambachten.

3. De Kerk was ontevreden omdat ze geheel onder staatscontrole werd geplaatst: een
algemeen staatsseminarie verving de bisschoppelijke seminaries, de religieuze tolerantie werd
ingevoerd, de burgerlijke stand werd ingesteld, terwijl Jozef II zich daarenboven mengde in
zuiver kerkelijke aangelegenheden (processies, kerkhoven enz. vandaar zijn bijnaam „keizer-
koster‟). Door de afschaffing van de Provinciale Staten werd de clerus, evenals de adel,
bovendien van zijn politieke macht beroofd.
De samenbundeling van deze weerstanden en misnoegdheden leidde tot een monsterverbond
van de burgerij, aristocratie en Kerk.

B. De Brabantse Omwenteling

1. De onmiddellijke aanleiding hiertoe waren de edicten van januari, maart en april 1787,
waardoor het bestuur en het gericht grondig hervormd werden:
   a. Het bestuurlijk stelsel van Collaterale raden en Jointes werd met één pennentrek
      opgeheven en vervangen dor één Algemene Regeringsraad, voorgezeten door de
      Gevolmachtigde Minister en verdeeld in acht departementen, ieder onder leiding van
      een raadsheer.
   b. Het gewestelijk bestuur werd hervormd door de oprichting van zgn. Intendanties: de
      oude territoriale indeling werd vervangen door negen „kreitsen‟, genoemd naar hun
      hoofdplaatsen (Brussel, Antwerpen, Namen enz.) en onder het gezag geplaatst van een
      intendant, zodat baljuws, meiers e.a. functies konden afgeschaft worden.
   c. De zeer ingewikkelde oude gerechtelijke organisatie werd ondersteboven gegooid en
      alle bestaande rechtbanken werden afgeschaft. In de voornaamste steden zetelden
      voortaan rechtbanken van eerste aanleg, twee hoven van beroep, te Brussel en te
      Luxemburg werden voor het hele land ingesteld, terwijl te Brussel , als derde trap, een
      Souvereine raad van Justitie werd opgericht.

2. De reactie hiertegen vanwege de Provinciale Staten, eerst vanwege de Staten van Brabant,
was onmiddellijk en leidde aanvankelijk tot de intrekking van de edicten door de landvoogd
(mei 1787). Jozef II stelde echter een nieuwe gevolmachtigde minister aan, Trauttmansdorf,
die op een behendige wijze en d.m.v. zekere toegevingen het vorstelijk gezag gedeeltelijk wist
te herstellen, doch uiteindelijk, daar hij noch Jozef II kon overtuigen, noch de oppositie kon
doen luwen, overging tot een harde politiek, eerst in Henegouwen en Brabant: de privilegies
van de gewesten werden opgeheven (o.m. de Brabantse Blijde Inkomst, juni 1789) en de
Staten werden ontbonden, zodat de belastingen voortaan ambtshalve werden geïnd.

3. Hoewel Trauttmansdorf de weerstand overwonnen scheen te hebben en de toestand
meester, stak de oppositie, onder invloed van de Franse Revolutie, de kop krachtiger op dan
tevoren, terwijl een leger van opstandelingen („Patriotten‟) het land binnenviel en o.l.v.Vonck
en Van der Meersch de Oostenrijkers verdreef (dec.1789).
Dadelijk na deze overwinning kwam een tweespalt onder de opstandelingen aan het licht: de
Staten namen in iedere provincie de macht in handen en riepen, als Staten-Generaal
vergaderd, op 11 januari 1790 de onafhankelijkheid van de „Verenigde Nederlandse Staten‟
(Etats Belgiques Unis) uit, zodat de Patriotten, of „Vonckisten‟, vertegenwoordigers van de
burgerij, die in de Staten in de minderheid waren, zich bedrogen voelden. Van der Meersch
werd uitgeschakeld doordat van der Noot, leider van de „Statisten‟, het opperbevel over het
leger aan een Pruisisch officier toevertrouwde.

4. Gebruik makend van deze tweespalt kon Leopold II, broer en opvolger van Jozef II, mede
dank zij de neutraliteit van Pruisen, de Zuidelijke Nederlanden voor Oostenrijk heroveren
(eind 1790).

C. De Luikse Omwenteling

1. In de loop van de 17de – 18de eeuw was de macht van de prins-bisschop voortdurend
toegenomen en de macht van de steden en ambachten verminderd.
Tegenover het absolutisme van de prins-bisschop stond één strekking, de vooruitstrevende,
geleid door een krachtige burgerij: deze dankte haar sterkte aan de intense industrialisering
van het prinsbisdom, terwijl zij ideologisch onder de directe invloed van de ideeën stond die
tot de Franse Revolutie zouden leiden.

2. Onder invloed van de gebeurtenissen in Frankrijk en n.a.v. een grondwettelijk geschil
tussen de prins-bisschop en de burgerij, zette de burgerij op 18 augustus 1789 de Luikse
stadsmagistraat af, terwijl de prins-bisschop op de vlucht sloeg.
Daar Luik nog steeds tot het Duitse rijk behoorde kwam Pruisen tussenbeide, zogenaamd om
de opstandige Luikenaars te onderwerpen, doch in feite om Oostenrijk vanuit Luik last te
bezorgen. Nadat echter tussen Oostenrijk en Pruisen vrede was gesloten (juli 1790) trokken
de Pruisen zich uit Luik terug en herstelde Oostenrijk het gezag van de prins-bisschop.

4. DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING EN DE ECONOMISCHE POLITIEK

A. Algemene ontwikkelingen

1. Op economisch gebied werd de 17de eeuw in het Zuiden, in tegenstelling tot de „Gouden
Eeuw‟ in het Noorden, vroeger vaak de „Ongelukseeuw‟ genoemd. Zoals uit enkele gegevens
hierna moge blijken is deze karakterisering niet gegrond.
Bijna alle nijverheidstakken, behalve de Vlaamse wolindustrie, herstelden zich van de crisis
van de tweede helft der 16de eeuw; de handel, ook de handel met de Spaanse koloniën, kende
in de 17de eeuw een heropbloei: de intensificatie van de landbouw, de uitbreiding van de
plattelandsnijverheid waren factoren van vernieuwing; de demografische groei bevestigt deze
gunstige ontwikkeling.

2. Tijdens de laatste decennia van de 17de eeuw trad echter een crisis in, waartegen Bergeyck,
minister onder landvoogd Maximiliaan Emmanuel van Beieren, tevergeefs door de
protectionistische maatregelen van het Eeuwig Edict (1699), probeerde te reageren.
Gedurende de Spaanse Successieoorlog (1702 – 1713), waren de Zuidelijke Nederlanden, ook
op economisch gebied, de speelbal van de bezette machten, Engeland en de Verenigde
Provinciën.

3. Onder het Oostenrijks bewind, en vooral onder de regering van Maria Theresia, werd een
economische politiek gevoerd die gericht was op de ontsnapping aan de economische
afhankelijkheid van de Zuidelijke Nederlanden, voornamelijk t.o.v. de zeemogendheden
Engeland en de Verenigde Provinciën.
B. De overzeese handel

1. De sluiting van de Schelde door het verdrag van Münster (1648) was niet absoluut: door
overlading op Hollandse binnenschepen of door betaling van zeer hoge douanerechten konden
overzeese koopwaren Antwerpen bereiken of verlaten, doch de commerciële rol van
Antwerpen was niettemin weinig belangrijk, tenminste wat de overzeese handel betreft.

2. De rol van Antwerpen als zeehaven was aanvankelijk overgenomen door Duinkerken, dat
tijdens de eerste helft van de 17de eeuw door een reeks kanalen met het Scheldebekken werd
verbonden. Duinkerken werd echter n 1658 door Frankrijk veroverd en zijn rol werd
overgenomen door Oostende, dat door een kanaal met Brugge en Gent (Coupure) verbonden
werd in de 18de eeuw.

3. De overzeese handel werd gesimuleerd door de oprichting van de „Oostendse Compagnie‟
(1723), waarvan de kapitalen echter uit Antwerpen afkomstig waren. In 1727 kreeg de
Compagnie echter verbod met Indië handel te drijven: de Zuid-Nederlandse belangen werden
aan de dynastische belangen opgeofferd. Dit was de prijs voor de erkenning van Maria
Theresia‟s (oudste dochter van keizer Karel VI) opvolgingsrecht in de Zuidelijke Nederlanden
die Oostenrijk aan de zeemogendheden moest betalen.

4. Antwerpen bleef belangrijk als kapitaalmarkt, waarvan de investeringen vooral in
buitenlandse koloniale maatschappijen (Zweedse, Pruisische, Oostenrijkse: Compagnie van
Fiume, 1750; Aziatische compagnie van Triëste, 1775, scheppingen van Ch. Proli)
geschiedden.

C. De nijverheid

1. Enkele nijverheden, ontstaan in de 16de eeuw en te Antwerpen gevestigd, bleven ondanks
de moeilijkheden voortbestaan: het waren luxenijverheden (drukkerij, tapijt, diamant) die
minder onder transportmoeilijkheden en douane te lijden hadden wegens het geringe volume
van deze waren.

2.    De overige nijverheidstakken waren hoofdzakelijk op het platteland gevestigd:
linnennijverheid in Vlaanderen, wolnijverheid in de vallei van de Vesder, ijzernijverheid in
Luxemburg, tussen Samber – en – Maas, Luikerland (aanwezigheid van ertsen en hout). Deze
laatste was gegroepeerd in zeer kleine bedrijven, terwijl de textielnijverheid volkomen
gedecentraliseerd was (huisnijverheid).

3. In de 2e helft van de 18de eeuw greep er een zeer trage ontwikkeling plaats naar grotere
ondernemingen (zgn. manufacturen), het eerst in de op steenkool gebaseerde nijverheid, niet
alleen in het Luikse en de Borinage, doch ook in het bekken van Charleroi (vanaf 1775), vnl.
vanwege d invoering van de stoompomp in de koolmijnen (de atmosferische stoommachine
van Newcomen, uitgevonden in 1705, en verbeterd voor het oppompen van water uit mijnen
in1725, was reeds fel verspreid van 1721 in het Luikse, en vóór 1740 in de Borinage). Ook in
de textielnijverheid deden zich structuurveranderingen voor, o.m. in de katoendrukkerijen te
Gent (500 – 1000 arbeiders).

D. De landbouw
De ontwikkeling tijdens de 18de eeuw was gekenmerkt door belangrijke technische
vernieuwingen: gebruik van de zware Brabantse ploeg en invoering van de aardappel, evenals
door een hogere productiviteit van de grond (verdwijning van de braak, nateelten).
De Zuidelijke Nederlanden konden hierdoor in de 18de eeuw niet alleen een nochtans sterk
aangroeiende bevolking voeden, doch zelfs graan uitvoeren.
Verder werd, op initiatief van de regering, een actieve politiek gevoerd inzake de ontginning
van nog bestaande woeste gronden en vnl. van de zgn. „gemene‟ gronden.

E. De economische politiek

1. Op commercieel gebied waren haar voornaamste verwezenlijkingen de stichting van de
Oostendse compagnie, het voeren van een mercantilistische douanepolitiek, de aanleg van
kanalen (tot Leuven, dank zij het kanaal Mechelen – Leuven), de uitbreiding en verbetering
van het wegennet (met voorname deelneming van de provinciale overheden).

2. Op industrieel gebied was de economische politiek van de Oostenrijkers gekenmerkt door
de bestrijding van de ambachten dank zij de vrijstelling aan industriëlen en handelaars
verleend van de verplichting zich in een ambacht in te schrijven en door opheffing van de
beperking van het aantal gezellen dat een meester in dienst mocht nemen.

3. Op agrarisch gebied bevorderde de economische politiek de ontginningen en de verdeling
van gemene gronden; tegen het verzet in van provinciale en lokale overheden, met het oog op
de export, werd anderzijds een actieve graanpolitiek gevoerd.


5. DE SOCIALE ONTWIKKELING
1. Dank zij opbloei van de landbouw, bevorderd door de stijgende graanprijzen, waren de
grootgrondbezitters (adel en geestelijkheid) in de 18de eeuw bijzonder welvarend. De aldus
geaccumuleerde kapitalen werden echter meestal geïnvesteerd in de landbouw zelf
(ontginningen) of in niet-productieve ondernemingen (grote kloostergebouwen en kerken,
ontwikkeling van de Barokarchitectuur). In de tweede helft van de 18de eeuw begonnen
enkele geïsoleerde leden van de hoge adel en zelfs enkele geestelijke instellingen nochtans in
handel of nijverheid te investeren. De meesten van hen kochten echter vooral obligaties van
vreemde staatsleningen.

2. Het voorgaande is er o.m. de oorzaak van dat er in de Zuidelijke Nederlanden omstreeks
1789 nog geen talrijke of machtige burgerij aanwezig was, uitgezonderd in het prinsbisdom
Luik, waar zich vooral de zware nijverheid, inz. de wapennijverheid (Luik was neutraal!)
ontwikkeld had, waardoor een machtige burgerij kon ontstaan. Deze zal haar stempel
drukken op de Luikse omwenteling, welke zal mislukken wegens het overwicht van de adel
en de onmacht van de burgerij.

3. Onder de landbouwers- en arbeidersbevolking nam het pauperisme in de 18de eeuw grote
uitbreiding, wegens:
    a. de in de tweede helft van de 18de eeuw zeer snelle bevolkingsaangroei, die mogelijk
        werd gemaakt door het einde van de epidemieën en de daling van de mortaliteit;
    b. de stabiliteit van de lonen wegens het door de demografische groei gestegen aanbod
        van arbeidskrachten;
    c. de prijsstijging in de tweede helft van de 18de eeuw.
       X. RELIGIE EN CULTUUR IN DE NIEUWE TIJD

* 1. DE RELIGIEUZE ONTWIKKELING

A. Godsdienst en kerk in het Zuiden
In 1640 verscheen postuum de „Augustinus‟ van de bisschop van Ieper, Jansenius. Zijn
   stellingen betreffende de zondigheid van de menselijke natuur en betreffende de verlening
   van de genade aan slechts enkelen, werden – op aanstichten van de jezuïeten – door Rome
   veroordeeld in de bulle „Unigenitus‟ (1713) , onder invloed van Lodewijk XIV die in
   Frankrijk ook met het Jansenisme had af te rekenen (Port Royal, Pascal). Toch hadden de
   Jansenistische ideeën een grote aanhang in de hoge maatschappelijke en zelfs kerkelijke
   kringen (Universiteit Leuven, aartsbisschop van Mechelen, bisschop van Gent) , deels als
   reactie tegen de grote macht van de jezuïeten, die rechtstreeks op Rome steunde, deels als
   uiting van de zelfstandigheidsdrang van de bisschoppen tegenover Rome (Gallicanisme
   tegen Ultramontanisme). De latente strijd van bepaalde kerkelijke kringen tegen de
   jezuïeten, leidde tot de ontbinding van de orde door de paus (1773) , welke in de
   Zuidelijke Nederlanden door Maria-Theresia (1740-1780) gewillig werd uitgevoerd,
   waarbij ook de goederen van de jezuïeten in beslag werd genomen. De orde wordt in
   1814 door Pius VII over de hele wereld hersteld.

Het recht op censuur werd door de Oostenrijkse vorsten ontnomen aan de Kerk. De
   verspreiding van de ideeën der Verlichting werd hierdoor bevorderd en was trouwens,
   zelfs in bepaalde kerkelijke kringen en niet alleen onder de burgerij, zeer groot.

B. Godsdienst en Kerk in het Noorden

   1. Rond 1650 lagen de godsdienstige verhoudingen vast tot aan het einde van de 18de
      eeuw: de calvinisten(publieke kerk) en de katholieken telden ieder ongeveer 700.000
      van de 1,9 miljoen inwoners; de resterende 500.000 inwoners waren protestantse
      dissidenten (waaronder de grootste groep de doopsgezinden waren en vervolgens de
      lutheranen) , joden, kleine sekteleden en onbeslisten. Alleen de calvinisten konden
      openbare ambten bekleden. Diegenen die niet tot de officiële kerk behoorden
      vervulden vooral economische activiteiten.

   2. De Republiek werd door Rome als missiegebied beschouwd, de zgn. missio hollandica.
      De bisschoppelijke indeling van 1559 functioneerde niet meer tot in de 19de eeuw.
      Geleidelijk aan konden de katholieken uit de anonimiteit treden en in de 18de eeuw
      werd het bestaansrecht van de katholieke gemeenschap aanvaard.


* 2. PERIODE VAN BAROK EN VERLICHTING

De zeventiende eeuw wordt ook voor wat de cultuur betreft in het Noorden gekenmerkt als de
Gouden Eeuw, in het Zuiden als de Ijzeren Eeuw. Het is inmiddels duidelijk geworden dat de
situatie in het Zuiden niet zo somber was als algemeen aanvaard.
A. De barok

   1. De barok als geesteshouding met vele uitingsvormen bouwt verder op de
      verworvenheden van de Renaissance en het Humanisme.
      Dynamiek en monumentaliteit, emotionele expressiemiddelen en grilligheid vindt men
      terug in de literatuur, de architectuur, de beeldende kunsten, de muziek.

   2. In het Zuiden moeten theatraliteit en imponerende cultuurvormen politiek en religie
      ondersteunen. Vooral de jezuïeten als voorvechters van de contra-reformatie maken er
      in woord en beeldgebruik van.

   3. In het Noorden wordt de barok in een meer gematigde vorm toegepast.               Het
      calvinisme vraagt een grotere soberheid, gematigdheid en ingetogenheid.

B. Verlichting
   1. De Verlichting keert zich tegen het explosieve van de barok. Niet het gevoel, maar het
      menselijke verstand, de rede kan de mens leiden naar zijn volledige ontplooiing en
      vervolmaking. In die zin sluit ze meer aan bij Humanisme en Renaissance.

   2. De Franse verlichte denkbeelden vonden slechts in een gematigde vorm weerklank in
      de Lage Landen. Zeker in het Noorden was de invloedbeperkt.


* 3. ONDERWIJS EN WETENSCHAP

A. Algemene kenmerken
Het onderwijssysteem in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in de Nieuwe Tijd bouwt
verder op het humanistische onderwijs.

   1. Zowel de katholieken als de protestanten hechten veel belang aan de Latijnse school,
      bij de protestanten meestal gymnasium genoemd, ondermeer voor de vorming van
      priesters en predikanten. Naar het model van Johan Sturms (1507-1589) Academie in
      Straatsburg worden op vele plaatsen, waaronder ook te Gent tijdens de calvinistische
      republiek (1578-1584) academies ingericht. Een school bestaat uit drie graden en
      negen klassen: een lagere graad (met klas nova) , een middelbare (van 8 tot 3) en een
      hogere (klassen 2 en 1). Ook in vele jezuïetenscholen vindt men een voorbereidend
      jaar en 6 à 7 klassen middelbaar onderwijs, soms gevolgd door één à twee jaren
      filosofie.

   2. Zowel de katholieke als de protestantse middelbare scholen leggen de nadruk op de
      Latijns-humanistisch-literaire vorming. Ze leiden op tot de intellectuele beroepen en
      dienen als vooropleiding tot het hoger onderwijs.

   3. Naast deze Latijnse scholen zijn er ook scholen die zich specifiek richten tot de
      handelaars, ondernemers, ambachtslui. Buiten de moderne talen wordt er daar
      boekhouding, handelsrekenen, aardrijkskunde e.d. gegeven. In de 17de eeuw kennen
      deze een bloei in het Noorden, maar gaan ze achteruit in het Zuiden. Dit fenomeen is
      uiteraard gelieerd aan de economische situatie.
B. In het Zuiden

   1. In het Zuiden komt het onderwijs in belangrijke mate in handen van geestelijke orden;
      ze leggen zich vooral toe op het middelbaar onderwijs (jezuïeten, augustijnen,
      franciscanen, dominicanen voor jongens en ursulinen voor meisjes). De kerk krijgt
      geleidelijk aan meer toezicht op de lekenscholen en in de loop van de 17de eeuw komt
      het volledige onderwijs onder controle van de kerk

   2. In het katholieke Zuiden ligt het accent op het godsdienstonderricht en de morele
      opvoeding. Tijdens het concilie van Trente werd het beleid voor de volgende eeuwen
      vastgelegd: lager onderwijs in elke parochie onder toezicht van de kerkelijke overheid,
      zondagsscholen voor de werkende kinderen en de volwassenen. De catechese wordt
      dikwijls door de jezuïeten verzorgd. Lokale bestuurders spannen zich al te weinig in
      om het onderwijs te organiseren.

  3. Zoals de kerkelijke politiek stond ook de politiek van de Oostenrijkers op cultureel
      gebied in het teken van de ideeën van de Verlichting.
      Zo ontnam de regering het onderwijsmonopolie aan de Kerk door de inrichting van
      staatswege van de zgn. Theresiaanse colleges (1777) , voorlopers van de latere
      athenea.
      Typisch voor het tijdsklimaat was ook de oprichting door Maria-Theresia van de
      Academie waar voor het eerst aandacht geschonken werd aan de natuurwetenschappen
      en de economie.
      .
C. In het Noorden
   1. In de protestantse landen is de school een zaak voor leken. De staat is
      verantwoordelijk voor het onderwijs, kerkelijke inmenging wordt weinig geduld, tot
      grote ergernis van de preciesen (fundamentalisten) binnen de calvinistische kerk. Op
      het niveau van het middelbaar onderwijs ligt het accent bij de protestanten trouwens
      minder op het godsdienstonderricht.

   2. Het verplichte bijbellezen voor de protestanten impliceert een algehele alfabetisering,
      en wat belangrijker is, een sterke motivatie.            De ouders zijn namelijk
      verantwoordelijk indien hun kinderen zich door schoolverzuim onvoldoende van hun
      godsdienstige taken kunnen kwijten. De overheid is verantwoordelijk voor de
      organisatie van het onderwijs.

   3. Het verschil in aanpak tussen protestanten en katholieken komt het best tot uiting als
      men de alfabetiseringscijfers op het einde van de 18de eeuw beschouwt. In de
      katholieke landen zijn er uitgesproken meer analfabeten dan in de protestantse landen.
      In de Noordelijke Nederlanden is de geletterdheid dan anderhalve maal hoger dan in
      het Zuiden (ca. 80% tegen ca. 40%). In het Zuiden is er een achteruitgang sinds de
      16de eeuw waar te nemen.

   4. In de nieuwe tijd worden heel wat nieuwe universiteiten opgericht. Ieder vorst wenst
      nl. binnen zijn territorium een centrum voor de opleiding van eigen geestelijken,
      ambtenaren, leraars, enz. Een nationale universiteit laat een grotere controle toe op de
      eigen intelligentsia.    In het Zuiden kan alleen Dowaai (1599) als contra-
       reformatorische universiteit de monopoliepositie van Leuven doorbreken. In het
       Noorden wenst iedere provincie een eigen hogeschool (Leiden 1575, Franeker 1585,
       Groningen 1614, Utrecht 1636, Nijmegen 1653).

   5. Omdat de universiteit zich vooral op onderwijs en theorie toespitst geschiedt de
      praktische wetenschapsbeoefening (empirie) tot ver in de 17de eeuw hoofdzakelijk
      buiten de universiteit.     Voorbeelden: Christiaan Huygens, Anthonie van
      Leeuwenhoek.

   6. Vanaf het einde van de 17de eeuw wordt voor wat medische en natuurwetenschappen
      betreft ook experimenteel onderzoek in de universiteiten gedaan. Vooral de Leidse
      medicus Herman Boerhaave (1668-1738) geniet internationale faam. Zijn concept van
      medisch onderwijs (verbinding van theorie en praktijk) dient als model voor vele
      medische faculteiten in Europa.

   7. Tijdens de Verlichting genieten de natuurwetenschappen grote belangstelling bij een
      breder publiek. Geleerde genootschappen organiseren lezingen, schrijven prijsvragen
      uit en doen demonstraties. Curiositeitenkabinetten worden opgericht. Het meest
      bekend is dat van de Haarlemse koopman Pieter Teyler; het Teylermuseum is het
      oudste museum van Nederland.


* 4. KUNST EN LITERATUUR

A. Kunst

   1. In het Noorden waren de Oranjes belangrijke opdrachtgevers voor de bouw van
      paleizen en voor de levering van kunstvoorwerpen. Daarnaast stimuleerde de
      welvaart ook bij de gewone burgers de consumptie van cultuurproducten en werd er
      veel gebouwd.
      Zoals ook elders in Europa kwam de kunst in de Nederlanden in de loop van de 17 de
      eeuw onder Franse invloed.

   2. De zeventiende-eeuwse Hollandse schildersschool wordt gekenmerkt door een
      streven naar harmonie van vorm en inhoud, christelijk en klassiek. Belangrijke
      vertegenwoordigers zijn ondermeer Rembrandt, Vermeer, Jan Steen, Frans Hals,
      Adriaen van Ostade. Maar er moeten honderden schilders aan het werk zijn geweest.
      Volgens recente berekeningen van A.M. van der Woude moet de productie van
      schilderijen in de miljoenen lopen.

   3. In het Zuiden stonden de diverse kunsten in dienst van de katholieke restauratie.
      Barokke kerken, uitbundig aangekleed, moesten de triomf van de Katholieke kerk
      ondersteunen. De schilderkunst was sterk Italianiserend, zowel qua vorm als inhoud.
      Sommige van Rubens‟ leerlingen ontwikkelden eigen genres die afweken van dat van
      hun meester. Anthonie van Dyck specialiseerde zich in portretten en Jacob Jordaens
      in genrestukken.

B. Letterkunde
   1. In het Noorden werd de geleerde, Neolatijnse letterkunde verder beoefend, en dit in
      alle denkbare genres (poëzie, proza, brieven, traktaten, drama). De bekendste auteurs
      zijn ongetwijfeld Daniël Heinsius, Hugo de Groot, Caspar Barlaeus.

   2. Volkstalige literatuur ging aanvankelijk verder in de rederijkerstraditie met literatoren
      als Hooft, Coster, Bredero en Vondel. Vanaf de 2e helft van de 17de eeuw kreeg de
      Nederlandstalige literatuur een meer individualistisch karakter en een grotere
      geleerdheid, dikwijls met een duidelijke beïnvloeding door de Neolatijnse literatuur
      (Heinsius, Hooft, Constantijn Huygens).

   3. In het Zuiden werd de literaire en wetenschappelijke productie gedomineerd door de
      jezuïeten. Ze stond volledig in dienst van de katholieke restauratie.
      Theater werd gezien als een belangrijk beïnvloedingsmiddel. Dat werd sterk
      ondersteund door de jezuïeten, ondermeer in de scholen. De rederijkers zetten meer
      de volkse tradities verder; ze waren onderhevig aan censuur.


          XI. HET FRANSE TIJDVAK (1792 TOT 1814)
Na de verovering van de Zuidelijke Nederlanden in de slag bij Jemappes (1792) moesten de
Fransen, door hun nederlaag te Neerwinden (1793), het land opnieuw aan Oostenrijk
overlaten. Eén jaar later, in de slag te Fleurus (1794), heroverden de Fransen (gen.
Dumouriez) echter de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik, trokken noordwaarts
langs de Maas en veroverden begin 1795 ook de Noordelijke Nederlanden.

* 1. INLIJVING VAN HET ZUIDEN BIJ FRANKRIJK

A. De politieke gebeurtenissen en de publieke opinie
   1. De Zuidelijke Nederlanden en Luik werden eenvoudig bij Frankrijk ingelijfd en de
      Franse wetgeving en instellingen werden er ingevoerd (zie verder). Dit ging gepaard
      met een verfransing van het bestuur en de inrichting van een werkelijke politiestaat,
      met censuur, terreur, enz…

   2. In tegenstelling tot wat algemeen aangenomen wordt (werd) was het verzet tijdens de
      Boerenkrijg (okt. – dec. 1798) niet algemeen en zeker niet “nationalistisch”
      geïnspireerd. De oorzaak van het verzet van kleine notabelen op het platteland en in
      kleine steden was het moeilijke sociaal-economisch klimaat en de hoge
      belastingsdruk. Aanleiding tot de opstand was de verplichte conscriptie (legerdienst).
      De Franse godsdienstpolitiek speelde slechts een geringe rol. Ook de repressie was
      minder zwaar dan algemeen aangenomen. 1

   3. De staatsgreep van Bonaparte op 18 Brumaire (9nov.) 1799 bracht een matiging van
      het regime en een normalisering van de binnenlandse toestand, vooral nadat Bonaparte
      door het Concordaat van 1802 kerk en staat had verzoend en de economische toestand
      na 1800 verbeterd was.

   4. Tijdens de laatste jaren van het Keizerrijk nam de ontevredenheid van de bevolking
      opnieuw toe, o.m. wegens de ongunstige economische gevolgen van de continentale
        blokkade en wegens het conflict tussen Bonaparte en de paus over de inlijving van de
        Pauselijke staten en de echtscheiding van de keizer.

   5. Toch kwam het Zuiden bij de val van het Keizerrijk niet in opstand zoals het Noorden.
      Van enig onafhankelijkheidsstreven was inderdaad geen spoor te bekennen.




_________________________________
         1  Luc François (red.), De Boerenkrijg : twee eeuwen feiten en fictie (Leuven,
            Davidsfonds, 1998).




B. Bestuurlijke hervormingen
   1. Alle oude instellingen verdwenen en werden vervangen door een nieuw, uniform en
      coherent systeem dat de basis werd van de tegenwoordige Belgische administratieve
      organisatie. De grenzen van de middeleeuwse vorstendommen met eigen privilegiën,
      instellingen en recht werden weggevaagd.             In de plaats daarvan kwamen
      departementen onder prefecten, arrondissementen, kantons, gemeenten onder „maires‟.
      Dit alles is de vrucht geweest van een evolutie, die moeizaam de idealen van de Franse
      Revolutie toetste aan de mentale onaangepastheid en politieke argwaan van de
      bevolking. Zo werd bv. geleidelijk de verkiezing van ambtenaren (rechters, lokale
      besturen) beperkt.

   2.    Onder het Consulaat werd het rechtswezen grondig gerationaliseerd: een rechtbank
        van           eerste aanleg per arrondissement, beroepshoven te Brussel en te Luik;
        benoeming van de magistraten door het staatshoofd.
        De oprichting van de nieuwe rechtbanken bracht ook de publicatie met zich mee van
        een nieuw Burgerlijk Wetboek (Code Napoléon) en van een aantal wetten inzake
        procedure, fiscale rechten, notariaat en burgerlijke stand. Zij muntten alle uit door
        eenvoud en helderheid.


   3.     De invoering van de burgerlijke stand illustreerde de laïcisering die werd
   veralgemeend:
                  - het houden van de registers van burgerlijke stand werd onttrokken
                      aan de parochiegeestelijkheid en toevertrouwd aan de wereldlijke
                      overheid;
                  - het huwelijk werd een burgerlijk contract, waarvan de ontbinding
                      door echtscheiding mogelijk gemaakt werd;
                  - de priesters werden verplicht trouw te zweren aan de nieuwe staat
                      (1797).

   4. Het financiewezen werd onder het Consulaat eveneens gesaneerd, wat dringend vereist
      was na de overdreven belastingen die onder de eerste revolutionaire regimes waren
      opgelegd. In 1801 werd een aanvang gemaakt met de studie van het kadaster, dat de
      basis zou vormen van een eenvormige grondbelasting. Indirecte heffingen (bv. op
      tabak) werden verhoogd.

   5. Het archaïsche ambachtswezen werd opgegeven en de ambachtsgilden verboden. In
      de plaats daarvan werd de oprichting van grote bedrijven aangemoedigd, waar de zgn.
      „beurzen‟ werden geduld; tegelijk werd een „arbeidsboekje‟ ingevoerd.

   6. Het metriek systeem werd ingevoerd en het muntstelsel gestandaardiseerd.

C. De sociale ontwikkeling

   1. Hoewel niet meer geprivilegieerd blijft de adel een klasse van grootgrondbezitters,
      waarvan de economische en morele macht, vooral op het platteland onaangetast bleef.

   2. De kerk heeft haar bezittingen, in beslag genomen als nationale goederen (1796),
      verloren en is daardoor zeer verzwakt.

   3. De burgerij is het sociale element dat zich het sterkst ontwikkeld heeft, dank zij de
      industriële vooruitgang. (Gentse katoennijverheid: Lieven Bauwens; metaalindustrie
      van Luik – W. Cockerill 1801 – en Henegouwen; steenkoolontginning; wolnijverheid
      in het Vesdergebied (zie verder) dank zij een uitgestrekte markt, kapitalen afkomstig
      van speculatie op de nationale goederen, overheidssteun en leveringen aan de legers.
      Deze groep is dan ook het Franse regime gunstig gezind, al heeft zij geen deel aan de
      regering.

   4. Door de industriële ontwikkeling groeit vooral de nieuwe klasse van
      fabrieksarbeiders aan, gerekruteerd onder de paupers van het Ancien Régime. Zij
      vormen nochtans nog niet de meerderheid van de arbeiders, welke nog steeds
      overwegend ambachtelijk of huis- en plattelandsarbeiders zijn.



* 2. DE POLITIEKE ONTWIKKELING IN HET NOORDEN

   1. De komst van de Fransen en de vlucht van stadhouder Willem V naar Engeland was in
      het Noorden het sein tot de zgn. Bataafse Omwenteling (1795), dwz. Een geweldloze
      machtsovername door de democratische Patriotten, vooral in de Staten en steden van
      Holland, met de daarbij horende zuivering van het ambtenarencorps. De overige
      gewesten werden hierdoor minder beroerd, zodat zij gehecht bleven aan het
      gewestelijk particularisme.

   2. Na de verovering van het Noorden in 1795 door Frankrijk was er, in tegenstelling tot
      het Zuiden, geen sprake van inlijving: de zgn. Bataafse republiek (1795 – 1806) werd
      als satellietstaat van Frankrijk erkend en een verkozen Nationale Vergadering verving
      de vroegere Staten-Generaal. Daar in deze Nationale Vergadering de unitaristische
      Hollandse Patriotten het niet haalden op het gewestelijke particularisme, deden zij met
      Franse hulp een staatsgreep (1798), voerden een unitaire grondwet in naar Frans
      model, verdeelden het land in departementen, enz…
  3. Na een reactie enkel maanden later (juni 1798) in meer democratische zin van
     Daendels en zijn gematigde aanhangers, besnoeide Napoleon opnieuw de macht van
     de democratische volksvertegenwoordiging en herstelde gedeeltelijk de macht van de
     regenten (1801). Schimmelpenninck werd aangesteld tot „raadspensionaris‟ en het
     staatsapparaat werd grondig gemoderniseerd (1805).

  4. In het raam van zijn Europese politiek stelde Bonaparte zijn broer Lodewijk Napoleon
     aan tot koning van het koninkrijk Holland (1806 – 1810). Deze wist een zekere
     populariteit te verwerven, o.m. door zijn bevordering van het artistieke en intellectuele
     leven. Daar hij zich te weinig inzette voor Bonapartes objectieven, o.m. i.v.m. de
     dienstplicht, werd hij door zijn broer afgezet en werd het Noorden bij Frankrijk
     ingelijfd (1810 – 1813), evenwel met behoud van een zekere zelfstandigheid onder een
     gouverneur-generaal en een eigen Nederlandse administratie, waar een degelijke basis
     gelegd werd voor het staatsapparaat van Willem I. Van enige verfransing was slechts
     sprake ten zuiden van de grote rivieren, vooral in Limburg.




              XII. HET VERENIGD KONINKRIJK
               DER NEDERLANDEN (1815 – 1830)
* 1. HET HERSTEL VAN DE SOUVEREINITEIT VAN HET NOORDEN

         1. Het naderende einde van Napoleons heerschappij in het Noordenwas de
            aanleiding tot een opstand in november 1813, voorbereid door Van Hogendorp
            die een voorlopige regering oprichtte. De Franse troepen trokken zich terug.

         2. Willem I, zoon van stadshouder Willem V, onderscheepte kort daarop en werd
            aangesteld tot soeverein vorst (dec. 1813).

         3. Een nieuwe grondwet, die reeds de mogelijkheid van een vereniging met het
            Zuiden voorzag, werd geproclameerd (maart 1814): de uitvoerende macht
            behoorde aan de koning en aan de ministers die verantwoordelijk waren
            tegenover hem; ook de wetgevende macht behoorde aan de ministers; de
            Staten-Generaal, aangewezen uit de Provinciale Staten, konden enkel de
            voorgestelde wetten goedkeuren, zonder recht van wijziging.


* 2. DE VERENIGING VAN NOORD EN ZUID

  1. Het principe van de vereniging werd door Willem I van de geallieerden verkregen in
     juli 1814 en hij werd als koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg (dat
     geruild werd tegen Nassau) door het Congres van Wenen erkend (maart 1815), op
     initiatief van Engeland en Pruisen.

  2. Door de grote mogendheden (vnl. Engeland) werd een versmelting van de twee
     staatkundige entiteiten, i.p.v. een dynastieke unie opgelegd. Hiervoor was een
     aanpassing van de grondwet noodzakelijk. Zij werd voorbereid door een commissie
     bestaande uit een gelijk aantal leden uit Noord en Zuid. De aangepaste grondwet
     voorzag in een tweekamerstelsel (Eerste Kamer benoemd door de koning ; Tweede
     Kamer verkozen door de provinciale staten) en een gelijk aantal vertegenwoordigers
     van Noord en Zuid (ondanks het feit dat de bevolking van België dubbel zo groot was
     als die van Nederland: 4 miljoen t.o. 2 miljoen). Door de vertegenwoordigers van het
     Zuiden, vnl. door de katholieken in Vlaanderen om godsdienstige redenen, werd de
     grondwet verworpen. Toch werd zij door Willem I aanvaard op grond van zgn.
     „Hollandse rekenkunde‟ (de onthouders werden beschouwd als voorstemmers; de
     neenstemmen om godsdienstige redenen uitgebracht, werden beschouwd als nietig).

  3. Het nieuwe koninkrijk nam de napoleontische instellingen en het personeel over,
     waardoor de steun werd verworven van de bonapartisten, van de kopers van nationale
     goederen van industriëlen en liberalen (d.w.z. antiklerikalen).

* 3. DE TEGENSTELLINGEN TUSSEN NOORD EN ZUID

  1. Op godsdienstig gebied wantrouwden de katholieken de protestantse koning vooral
     sedert de oprichting door Willem I van het Filosofisch College te Leuven, van athenea
     en van drie rijksuniversiteiten te Luik, Gent en Leuven.

  2. Op taalkundig gebied vormde de Nederlandstalige bevolking de meerderheid in het
     nieuwe koninkrijk, zodat de Franstaligen de geleidelijke uitbreiding van het
     Nederlands als officiële taal in Vlaanderen naast het Frans (1818) vreesden, vooral
     toen Willem I vanaf 1823 de volledige vernederlandsing van bestuur en gerecht in
     Vlaanderen aanvatte en voor Wallonië tweetaligheid voorzag. De tegenstand kwam
     vooral vanwege de burgerij die vanaf de Oostenrijkse tijd geleidelijk en onder het
     Franse bewind grondig was verfranst.

  3. Hoewel er op economisch gebied een tegenstelling bestond tussen het
     handelsdrijvende, liberale Noorden en het industriële en agrarische, protectionistische
     Zuiden, slaagde Willem I erin, door een actieve economische politiek, de burgerij in
     het Zuiden voor zich te winnen door:
         a. de ontwikkeling van Antwerpen als haven,
         b. infrastructuurwerken (o.m. het kanaal Gent-Terneuzen),
         c. een intense industrialisatie (vnl. te Luik en Gent), d.m.v. kapitalen, grotendeels
            door de koning zelf bijeengebracht in de door hem in 1822 opgerichte „Société
            Générale‟ en dank zij het bestaan van een ruime afzetmarkt inzonderheid voor
            de textielnijverheid, wegens de uitvoer naar de Nederlandse kolonies.


*   4.   DE OPPOSITIE TEGEN WILLEM I EN DE BELGISCHE
REVOLUTIE

  1. Vooral na 1820 nam de ontevredenheid in omvang toe; de oppositie tegen Willem I
     was vooral het werk van een nieuwe generatie van :
        a. liberalen: deze geloofden niet meer in de restauratie van het Ancien Régime,
            uit vrees waarvoor de oudere liberalen het Hollandse bewind hadden gesteund;
            voor de jonge liberalen was hiertoe geen aanleiding meer, vooral toen de
            burgerij ontevreden werd wegens de politiek van Willem I op taalgebied,
               wegens de economische depressie en wegens haar te geringe deelname aan de
               macht;
            b. katholieken: die wilden onder invloed van de Franse priester en publicist
               Lamennais de kerk bevrijden van de staatscontrole en daarom het bestaande
               regime wijzigen (liberaal – katholieken), ondanks de conservatieve vleugel in
               de kerk (de Broglie en de Foere).

     2. Beide opposities verenigden zich in 1828 in het „Unionisme‟ o.l.v. de journalist Louis
        De Potter, waartegen Willem I brutaal en onhandig optrad (vnl. tegen de pers en de
        journalisten).

     3. De toegevingen van Willem I in 1829 (intrekking van de taalwetten) en 1830
        (opheffing van het Filosofisch College) kwamen te laat.

     4. De spanning nam geleidelijk toe en na de burgerlijke Juli-revolutie van 1830 te Parijs
        braken te Brussel kleine onlusten uit op 25 augustus 1830 (na de opvoering van de
        opera „De Stomme van Portici‟).              Die sloegen over op de werkloze
        arbeidersbevolking, waartegen de burgerij zich wapende. Na de onderdrukking van de
        arbeidersopstanden dwong de burgerij met de wapens de politieke hervormingen af,
        echter zonder verdere duidelijke objectieven betreffende de toekomst van het Zuiden.

     5. Het ingrijpen van de Hollandse troepen te Brussel, die tijdens de „Septemberdagen‟
        van 1830werden verdreven, maakte echter een compromis (bv. bestuurlijke scheiding)
        onmogelijk. Toch bleven velen aanhanger van de zoon van Willem I, de prins van
        Oranje, als staatshoofd, hetgeen echter na het bombardement van Antwerpen door
        Willem I onmogelijk werd.


                    XIII. BELGIE VAN 1830 TOT 1914
1.      HET TIJDVAK 1830-1848: HET UNIONISME
A. Het Voorlopig Bewind en het Nationaal Congres (sept.-nov. 1830)

1. Het Voorlopig Bewind, uitvoerend orgaan dat zichzelf had aangesteld (9 leden), riep op 4
okt. 1830 de onafhankelijkheid van België uit en bereidde de tekst van een nieuwe grondwet
voor.

2. Het Nationaal Congres (verkozen door 30 000 census- en capacitaire kiezers op 3 nov.
1830, eerste zitting op 10 nov. 1830) had verschillende taken en problemen te behandelen, in
de eerste plaats de stemming van een nieuwe grondwet die werd afgekondigd op 7 febr. 1831.
De grondwet was:
- zeer liberaal (vrijheid van uitdrukking, taal, onderwijs, godsdienst, vergadering);
- kende een essentiële rol toe aan het parlement (2 kamers);
- maakte de rol van de koning bijkomstig (gevolg van o.m. de sterke republikeinse stroming in
het Nationaal Congres);
- voerde het censitair kiesstelsel in, waardoor de politieke macht het monopolie bleef van de
gegoede klasse;
- en had een antiprovincialistisch en unitair karakter, als reactie tegen het particularisme van
het Ancien Régime.

Dank zij tussenkomst van kardinaal Sterckx (aartsbisschop van Mechelen 1832-1867) die
sterk beïnvloed was door de ideeën van Lamennais, werd de grondwet niet door paus
Gregorius XVI veroordeeld, ondanks diens veroordeling van de moderne vrijheden in de
encycliek Mirari Vos (1832).

3. De Belgische Revolutie stelde ook internationale problemen.
a. Wegens de afbreuk die de uitroeping van de onafhankelijkheid deed aan de beslissingen
van de grote mogendheden op het Congres van Wenen (1815), werd door Engeland te Londen
een internationale conferentie bijeengeroepen:
- op voorstel van Engeland en Frankrijk sloten de mogendheden zich eerst aan bij de
oplossing van een bestuurlijke scheiding onder het gezag van het huis van Oranje.
- I.v.m. een mogelijk oorlogsgevaar werd een wapenschorsing afgekondigd
- Door de machtsovername van de Whigs in Engeland werd Palmerston, die toenadering zocht
tot Frankrijk, minister van Buitenlandse Zaken: hij stelde de onafhankelijkheid van België
voor.
- Dit werd aanvaard door de mogendheden samen met een neutraliteitsstatuut voor België,
gegarandeerd door de mogendheden (dec.-jan. 1830-1831).
b. De besluiten van de Londense conferentie (=Grondslagen van de Scheiding) werden door
Willem I aanvaard doch door het Belgisch Nationaal Congres verworpen wegens het
probleem Limburg-Luxemburg en de vereffening van de staatsschuld.
- Door bemiddeling van J.B. Nothomb aanvaardde het Nationaal Congres en de Belgische
delegatie op de conferentie te Londen een regeling die voor België gunstiger was i.v.m. de
grenzen en de staatsschulden, nl. het zgn. Traktaat der XVIII Artikelen (juni-juli 1831), door
Leopold I als voorwaarde gesteld voor zijn troonsaanvaarding.
- Nu verwierp echter Willem I het voorgesteld compromis en ging over tot de zgn. Tiendaagse
Veldtocht (aug. 1831), waarin België werd verslagen ondanks Franse steun.

c. Een nieuwe regeling werd door de mogendheden uitgewerkt, het zgn. Verdrag der XXIV
Artikelen (okt. 1831): het was gunstiger voor Nederland, doch nadeliger voor België.
- Nederland verkreeg Maastricht en Nederlands Limburg; België Waals Luxemburg, terwijl
Duits Luxemburg als groothertogdom onder het gezag kwam van Willem I, doch tevens lid
bleef van de Duitse Bond.
- België moest een groot deel van de Noord-Nederlandse staatsschuld op zich nemen.
- België aanvaardde het verdrag, doch Willem I bleef weigeren tot 1839.

4. De keuze van een vorst was eveneens een moeilijk probleem.
A. De kroon werd door het Nationaal Congres eerst aangeboden aan de hertog van Nemours,
zoon van Louis-Philippe, koning van Frankrijk, doch dit stuitte op een Engels veto.
b. Om de hierdoor ontstane crisis te kunnen oplossen werd het regentschap opgedragen aan
Surlet de Chokier (24 feb.-21 juli 1831).
c. Eindelijk werden het Nationaal Congres en de mogendheden het eens over de verkiezing
van Leopold van Saksen-Coburg, weduwnaar van Charlotte, kroonprinses van Groot-
Brittannië; de aanhangers van Frankrijk werden door het huwelijk van Leopold met de
dochter van Louis-Philippe gerustgesteld.
d. Leopold I aanvaardde, na enige aarzeling, mits het Traktaat der XVIII Artikelen (21 juli
1831) door het parlement aanvaard werd (zie hoger).
B. De eerste Unionistische regeringen (1831-1847)

1. Unionisme is de naam die gegeven werd aan de samenwerking van de twee grote
opiniestrekkingen van het ogenblik –er bestonden nog geen politieke partijen- nl. de
katholieke, die conservatief was en bestond uit vertegenwoordigers van kerk, grootgrondbezit
en platteland, en de liberale strekking die de bourgeoisie vertegenwoordigd en haar
aanhangers vooral vond in kringen van handel, industrie en steden. Deze samenwerking bleef
na 1831 voortbestaan wegens het bestendig oorlogsgevaar t.o.v. Holland zolang het verdrag
der XXIV Artikelen niet door Willem I aanvaard was, hetgeen pas in 1839 geschiedde.

2. De houding van Leopold I was niet zonder betekenis:
a. hij bevorderde het unionisme omdat hij tegen partijvorming gekant was;
b. hij had nog een Ancien Régime-mentaliteit en verzette zich tegen de beperking van de
koninklijke macht:
- zo streefde hij naar een koninklijk benoemingsrecht voor burgemeesters en schepenen van
gemeenten, doch dit mislukte door de aanvaarding van de gemeentewet (1836);
- hij zocht (hoewel hij persoonlijk lutheraan was) de politieke situatie te beïnvloeden langs de
hoogste kerkelijke hiërarchie (nuntius- paus) om, doch ondervond in België zelf tegenstand
vanwege het episcopaat dat overwegend liberaal-katholiek was en de scheiding van kerk en
staat vooropstelde.

3. De geleidelijke verzwakking van het unionisme weerspiegelt zich of vond haar oorzaak in
volgende feiten en data:
a. 1839: Willem I aanvaardt het vredesverdrag (de zgn. XXIV artikelen);
b. 1840: het eerste (kortstondig) homogeen liberaal ministerie (o.l.v. Lebeau) komt tot stand;
c. 1842: de parlementaire discussies omtrent de wet-Nothomb betreffende het lager onderwijs
(waarin het godsdienstonderricht verplicht werd gesteld) brengen de eerste tegenstellingen
klerikaal-antiklerikaal aan het licht;
d. 1846: het eerste Liberaal Congres leidt tot de oprichting van de Liberale Partij onder impuls
van de antiklerikale Brusselse Liberalen en van de vrijmetselaarsloges;
e. 1847: de jonge Liberale Partij behaalt haar eerste kiesoverwinning en de liberale regering
Rogier wordt gevormd.

C. De economische ontwikkeling

1. De industriële revolutie deed zich, na Engeland, het eerst voor in België. De belangrijkste
redenen hiervoor waren:
a. de uitzonderlijk sterke vooruitgang van de landbouweconomie in de 18e eeuw, zodat dank
zij technische verbeteringen voor het eerst in de geschiedenis de voedselbehoeften van de
eigen bevolking konden gedekt worden, en zelf aan uitvoer kon gedaan worden. Hierdoor
werd
- een bevolkingstoename mogelijk, waardoor een belangrijk potentieel aan
arbeidskrachten voorhanden was;
- een kapitaalsaccumulatie gerealiseerd door de grondbezitters, die aldus in belangrijke mate
de industriële investeringen zou mogelijk maken.
b. de aanwezigheid van rijke kolen- en ertslagen in vier bekkens, nl. van West naar Oost: de
Borinage (nabij Bergen), het Centre, Charleroi, Luik (de Limburgse lagen zijn een 20 ste-
eeuwse ontginning);
c. de;
d. de gunstige transportmogelijkheden langs de stromen, nl. de Schelde voor het westelijk
bekken, en Samber en Maas aanwezigheid van drijfkracht, geleverde door watermolens op de
snelstromende rivieren, vnl. ten Oosten van Charleroi voor het oostelijk; de wegverbindingen
waren in de 18e eeuw aanzienlijk verbeterd; in de 19e eeuw werd het kanaal Brussel-Charleroi
aangelegd;
e. de eeuwenlange traditie van lokale metaalbewerking en koolontginning; de Oostenrijkse
overheid had ook reeds door protectionistische maatregelen de ontwikkeling van de nijverheid
bevorderd;
f. de technische vernieuwingen waren reeds in de 18e eeuw snel doorgedrongen in de Waalse
industriecentra (zie hoger).

2. De traditionele Vlaamse linnenindustrie werd vanaf 1780 sterk gemechaniseerd en
geconcentreerd in manufacturen te Gent. Ook hier speelde de toepassing van nieuwe Engelse
technieken en machines een doorslaggevende rol, vnl. dank zij de smokkel van spinmachines
en arbeiders door Lieven Bauwens, die in 1803 reeds drie fabrieken te Gent had doen draaien.
Deze ontwikkeling zette zich door, ondanks ernstige moeilijkheden ingevolge de
regimewisselingen. In de periode 1830 tot 1838 nam het aantal mechanische weefgetouwen
toe van 700 tot 2900. Het spinnen was nog belangrijker, met 70 000 wielen in 1806, en
283 000 in 1830.
In Verviers en de Vesdervallei werd omstreeks 180 het mechanisch spinnen ingevoerd door
de Engelsman William Cockerill.

3. De industriële expansie werd sterk gestimuleerd in de Franse en Hollandse tijd (vnl. sinds
1825) wegens de opening van zeer ruime afzetmarkten(o.m. de Franse legers en de Hollandse
koloniën).
De scheiding van 1830 bracht hierin een onderbreking teweeg; o.m. weken bepaalde
Belgische firma‟s uit naar het Noorden, waar zij vnl. te Haarlem een belangrijke
katoennijverheid vestigden.

4. De ijzer- en steenkoolnijverheid hebben in de jaren 1820-30 de belangrijkste technische
ontwikkeling doorgemaakt dank zij de invoering van stoommachines om de steenkool op te
halen en de snelle verspreiding van stoompompen. Hierdoor stegen zowel de productiviteit als
de omvang van de productie zeer sterk.

5. De mechanisering vergde de inzet van hoge kapitalen, wat tot concentratie der bedrijven
leidde. Deze ontwikkeling werd bevorderd door de wetgeving op de Naamloze
Vennootschappen, waardoor de risico‟s, die inderdaad zeer groot waren, verdeeld werden.
Brusselse banken namen in belangrijke mate deel aan de financiering van de nieuwe
ondernemingen, en verwierven zo een controle: vanaf 1836 kwamen de meeste
metaalbedrijven van Charleroi onder de controle van de Société Générale, in het Luikse
richtte de Banque de Belgique (zelf gesticht in 1835) verschillende ondernemingen op, die de
in geldnood verkerende bestaande bedrijven opslorpten. Het familiebedrijf Cockerill, dat zich
naar Luik en Seraing had uitgebreid, diende zich in 1842 wegens financiële moeilijkheden tot
N.V. om te vormen. Omstreeks 1850 overtrof het alle andere: het bezat 6 van de 18
hoogovens in de provincie, en telde met 4200 arbeiders ruim een derde van de werkkrachten
in de Luikse metaalnijverheid. Het was kenmerkend voor al deze bedrijven dat zij uitgroeiden
tot verticale trusts, omvattend koolmijnen, hoogovens, smelterijen, walserijen en
gespecialiseerde werkplaatsen.
6. Terwijl enerzijds de uitvoermogelijkheden werden verruimd door de oprichting van
tolunies met Duitsland (1844), Frankrijk (1845) en Nederland (1846), trof anderzijds in 1845-
47 een zware crisis vnl. Vlaanderen, zowel door de ondergang van de linnennijverheid, als
door misoogsten, vnl. van de aardappel. Het sterk verbreide pauperisme leidde tot massale
uitwijking.



2.     HET LIBERALE TIJDVAK: 1848-1884
A. De crisis van 1848

1. De golf van Europese omwentelingen in het jaar 1848 spaarde België, omdat de poging van
Belgische republikeinen om te Risquons-Tout vanuit Frankrijk België gewapenderhand
binnen te dringen mislukte en omdat de kiescijns door Rogier tot het grondwettelijk minimum
van 20 florijnen verlaagd werd, hetgeen een toegeving in democratische zin was.

2. Enkele belangrijke financiële maatregelen, o.m. de oprichting van de Nationale Bank
(1850) door Frére-Orban, met monopolie van de uitgifte van bankbiljetten en als kassier van
de staat, beperkten de gevolgen van de economische crisis van 1845 en volgende jaren.

B. De laatste unionistische regeringen (1852-1857)

1. De verzwakking van de liberale regering Rogier was het gevolg van:
a. de buitenlandse spanningen, o.m. de antinapoleontische campagne van Franse „émigrés‟
(o.a. Victor Hugo) te Brussel;
b. de strijd om de wet op het Middelbaar Onderwijs (1850), die van kerkelijke zijde
veroordeeld werd wegens de niet-verplichtstelling van het godsdienstonderricht op de
middelbare scholen;
c. de liberale nederlaag in de verkiezingen van 1852 die het ontslag van Rogier tot gevolg
had.

2. Van 1852 tot 1857 wendde Leopold I al zijn invloed aan om met gematigde unionisten van
het centrum te regeren. De toenemende partijenstrijd en de klerikaal/antiklerikale
tegenstelling leidde echter tot de val van de laatste unionistische regering o.l.v. Pieter De
Decker (1855-1857), na de liberale agitatie tegen de zgn. „kloosterwet‟, die voorzag in de
mogelijkheid tot oprichting van liefdadige stichtingen onder privaat beheer.

3. Tijdens de regering De Decker was het Vlaamse vraagstuk voor het eerst op politiek plan
gesteld, wegens het toenemend Vlaams verzet tegen de erkenning van het Frans als enige
officiële taal, zoals gedecreteerd door het Voorlopig Bewind (actie van Jan Frans Willems,
kanunnik David; petitionnement van1840).
Een „Commissie der Vlaamse Grieven‟ werd door de Regering opgericht (1856) onder druk
van een aantal literatoren en n.a.v. de 25e verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid: het
verslag van de Commissie vroeg o.m. de erkenning van het Vlaams in Vlaanderen naast het
Frans (leden o.a. Conscience, David, Snellaert).

C. De liberale regering Rogier- Frère Orban (1857-1870)
1. Deze regering voerde een uitgesproken liberale economische politiek, nl. door de invoering
van vrijhandel en de bevordering van de industrialisatie; de vrijhandel was noodzakelijk
wegens de beperkte binnenlandse afzet (gevolg van de lage lonen) en de stijgende industriële
productie, die in de uitvoer van half-afgewerkte producten een uitweg moest vinden. De
afschaffing, door afkoop, van de Scheldetol (1863), was één van de belangrijkste maatregelen
in het kader van deze politiek.

2. Het derde kwart van de 19e eeuw was op ideologisch gebied gekenmerkt door het groeiend
overwicht van de progressistische en antiklerikale strekking in de liberale partij, hetgeen tot
een tegenstelling leidde tussen de zgn. progressisten t.o.v. de zgn. doctrinairen.
a. Het progressisme werd gedragen door een nieuwe, jonge generatie liberalen (o.a. Paul
Janson), die democratisch ingesteld waren end e strijd voor het algemeen stemrecht in hun
programma opnamen, ten dele onder invloed van de opkomende arbeidersbeweging.
Het antiklerikalisme kreeg via de Brusselse liberale kringen (Théodore Verhaegen), die de
ULB (Universtié Libre de Bruxelles) in het teken van het vrij onderzoek hadden opgericht, vat
op de jonge liberalen, o.m. naar aanleiding van de moeilijkheden inzake het
godsdienstonderricht in het middelbaar onderwijs (rond 1850) en de kloosterwet (1857).
Een sterke beweging voor laïcisering ontstond (cfr. de oprichting van het genootschap Les
Solidaires, 1857, dat ijverde voor de aanleg van algemene niet-kerkelijke begraafplaatsen).
Ook de ontwikkeling van de vrijmetselarij droeg aanzienlijk bij tot de vooruitgang van het
antiklerikalisme bij de liberalen.
b. De doctrinairen waren de vertegenwoordigers van de oude liberale generatie, die deels nog
kerkelijk was en gekant tegen het algemeen stemrecht.

3. Het gevolg van deze liberale verdeeldheid was de verdwijning van Rogier uit de regering
(1868) en een liberale verkiezingsnederlaag in 1870, waardoor de katholieke regering Malou
aan de macht kwam van 1870 tot 1878. De liberalen herstelden echter hun eenheid in de
antiklerikale schoolstrijd van 1878-1884 (zie verder).

D. Het ultramontanisme en de katholieke regering Malou (1870-1878)

De evolutie van de katholieke strekking werd aanvankelijk gekenmerkt door verdeeldheid en
stuurloosheid na de liberale overwinning van 1847: hierdoor bleef het overwicht van de
liberaal-katholieke en unionistische strekking binnen de katholieke rangen voorlopig
behouden. Omstreeks 1860 echter won het ultramontanisme, dat thans door een nieuwe
generatie katholieken werd uitgedragen, vlug veld. Deze strekking kwam vooral op de
Mechelse Congressen (1863 en 1864) aan het woord. De ultramontanen waren gekant tegen
de liberale grondwet en vrijheden.
Tegelijkertijd droegen de ultramontanen bij tot de versteviging van de katholieke organisatie,
o.a. met de oprichting van de „Fédération des Cercles Catholiques‟ (1868), die later, in 1884,
omgevormd zal worden tot de Katholieke Partij.
Deze evolutie versterkte de tegenstelling met de liberalen en verklaart mede de katholieke
regering Malou van 1870-1878.


E. De liberale regering Frère Orban- Van Humbeeck (1878-1884)

De actie van deze regering stond geheel in het teken van de onderwijskwestie.
1. De voornaamste retroacta van de onderwijskwestie zijn terug te vinden, enerzijds in art. 17
van de grondwet betreffende „vrijheid van onderwijs‟, dat de mogelijkheid bood tot een
dubbelzinnige interpretatie i.v.m. de al of niet suppletieve rol van de staat bij de inrichting van
het onderwijs; anderzijds in de controverse over het al of niet verplicht karakter van het
godsdienstonderricht in ht Lager Onderwijs (wet-Nothomb, 1842) en in het Middelbaar
Onderwijs (wet-Rogier 1850).

2. Inzake onderwijs voorzag de wet-Van Humbeeck van 1879, de zgn. „loi de malheur‟:
a. in de oprichting van een Ministerie van Openbaar Onderwijs (terwijl vroeger het onderwijs
onder Binnenlandse Zaken ressorteerde);
b. wat het lager onderwijs betreft, in de verplichting van de gemeenten tot oprichting van een
openbare lagere school, in facultatief godsdienstonderricht, terwijl onderwijzersdiploma‟s uit
officiële normaalscholen verplicht werden gesteld;
c. wat het middelbaar onderwijs betreft, in een eigen initiatiefrecht van de regering voor de
oprichting van nieuwe scholen.

3. Een ware schooloorlog brak uit met o.m. boycot van officiële scholen door de katholieken
en tegenmaatregelen van de regering (o.a. afzetting van gouverneurs e.d.). N.a.v. deze
schooloorlog werd de katholieke eenheid hersteld, mede door de oplossing van het conflict
tussen liberaal-katholieken en ultramontanen door paus Leo XIII.

4. Bijkomende moeilijkheden voor de regering Frère Orban- Van Humbeeck waren:
a. de verbreking van de diplomatieke betrekkingen met de Heilige Stoel (1880);
b. de economisch-fiscale zorgen van de regering die een verhoging van de belastingen (de
zgn. „graux-impôts‟, genoemd naar de minister van Financiën Graux) noodzakelijk maakten;
c. de latente tegenstelling tussen progressieve en doctrinaire liberalen.
Het gevolg van deze moeilijkheden was een liberale nederlaag in de verkiezingen van 1884 en
een katholieke meerderheid in het parlement tot 1914.

F. De Vlaamse Kwestie: de eerste taalwetten

1. Nadat, tijdens de laatste unionistische regering De Decker (1856: zie hoger), het Vlaamse
vraagstuk voor het eerst op het politieke vlak was gesteld, kwam de Vlaamse Beweging,
wegens de groeiende tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen, resp. katholieken en
liberalen, in het vaarwater van de partijpolitiek terecht. Ondanks de verdeeldheid onder de
Vlaamsgezinden die er het gevolg van was, had deze ontwikkeling wel het voordeel de
partijpolitiek meer te sensibiliseren voor de Vlaamse grieven en de weg te openen naar een
parlementaire oplossing voor deze grieven.

3.      De tegemoetkoming aan de Vlaamse eisen langs wetgevende weg werd in de jaren
zestig begunstigd door volgende omstandigheden:
a. diverse taalincidenten vestigden de aandacht op het onrecht dat de Vlamingen werd
aangedaan, o.a. de zaak Karsman (1863), de onthoofding van Coucke en Goethals (1860), de
zaak Schoep (1872-73);
b. het imperialisme van Napoleon III, o.a. zijn aanhechtingsplannen t.o.v. België en de Frans-
Duitse oorlog van 1870-71, die de Franse invloed in België verminderden en zelfs de
pangermanistische strekkingen bevorderden;
c. de oprichting van de Meetingpartij te Antwerpen, ontstaan als protest tegen de inrichting
van Antwerpen als militaire vesting, doch die in de zestiger jaren tot een Vlaamsgezinde partij
van katholieken en liberalen evolueerde, waaruit verschillende Vlaamsegezinde
parlementairen voortkwamen die in de zeventiger jaren wetgevende initiatieven namen i.v.m.
de taalkwestie.

3. In dit gunstig klimaat werden door het Parlement de eerste taalwetten gestemd, die in
Vlaanderen het Nederlands een plaats bezorgden naast het Frans:
a. 1873: de wet-Coremans op het gebruik van het Nederlands in strafzaken;
b. 1878: de wet-de Laet op het gebruik van het Nederlands in bestuurszaken;
c. 1883: de wet-Coremans-De Vigne op het gebruik van het Nederlands in het officieel
middelbaar onderwijs.

4. BELGIE  VAN                      1884        TOT         AAN         DE        EERSTE
WERELDOORLOG
In verschillende opzichten luidt het jaar 1884 een nieuw tijdvak van de Belgische
geschiedenis in:

-Van 1884 tot 1914 zijn homogeen-katholieke regeringen aan het bewind.
-In 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij (BWP) gesticht en van dan af krijgen de sociale
problemen de voorrang op het politieke vlak.
-In economisch opzicht breekt een periode van economische welvaart zonder voorgaande aan,
terwijl België een koloniale mogendheid wordt.

A. De politieke ontwikkeling

1. de evolutie van de politieke partijen
a. Katholieken. De belangrijkste fazen in hun organisatorische en ideologische ontwikkeling
waren:
- de uitbouw na 1884 door Charles Woeste als contactorgaan van de „Federatie van
Katholieke Kringen en Conservatieve Verenigingen‟ als reactie op het slappe beleid van de
katholieke regering Beernaert;
- de stichting van de „Belgische Volksbond‟ („Ligue démocratique belge‟), in 1891, onder
invloed van de encycliek Rerum Novarum, door J. Helleputte en A. Verhaegen, met als doel:
de organisatie van de arbeiders in beroepsverenigingen met het oog op een corporatieve
herinrichting van de samenleving, d.i. de zgn. „Gildenbeweging‟;
- de vervanging van de vroegere tegenstelling tussen liberaal-katholieken en ultramontanen
door een groeiende tegenstelling tussen conservatieven en christen-democraten.
De tegenstelling tussen bepaalde Christendemocraten en de conservatieve Katholieke partij
o.l.v. Woeste leidde in 1893 zelfs tot de oprichting van een onafhankelijke „Christene
Volkspartij‟ o.l.v. priester Adolf Daens.
b. Liberalen. De evolutie van de liberale partij werd grotendeels bepaald door:
- een toespitsing van de tegenstelling tussen doctrinairen en progressisten n.a.v. het probleem
van de invoering van het algemeen stemrecht;
- de afscheuring van de progressieve liberalen, die o.l.v. Paul Janson een „Progressistische
Partij‟ oprichtten (1887), waarvan een deel in 1894 overging naar de BWP;
- het herstel van de eenheid onder de liberalen door P. Hymans (1900).
c. Socialisten. De oprichting van een socialistische partij kende een lange voorgeschiedenis:
- De eerste lokale socialistische politieke verenigingen, welke even antiklerikaal als sociaal
gericht waren (bv. Le Peuple, te Brussel, gesticht in 1860), werden na de oprichting van de
Eerste Internationale te Londen (1864), onderafdelingen van de Belgische afdeling van de
Internationale.
- Na de mislukking van de Eerste Internationale op het Congres te Den Haag (1872) trad de
Belgische afdeling toe tot de afgescheurde anarchistische Internationale, onder invloed van
Cesar De Paepe te Brussel en van de Waalse anarchisten, vnl. te Verviers. Dit was een gevolg
van het conflict tussen de aanhangers van Karl Marx, die voorstander waren van politieke
acties en de verovering van de staat, en van de anarchist Bakoenin die een voorstander was
van economische acties en de afschaffing van de staat.
- In Vlaanderen sloten de socialisten (vnl. te Gent; Edw. Anseele en Edm. Van Beveren) meer
aan bij de reformistische richting van de Duitse sociaal-democraten. In die geest gingen zij
over tot de stichting van een „Vlaamse Socialistische Partij‟ en van een „Brabantse
Socialistische Partij‟ (1877), die in 1879, zonder Waalse medewerking, versmolten.
- Een toenadering tussen Vlamingen en Walen kwam tot stand n.a.v. de grote staking in de
Borinage van 1885: de Gentse socialistische bakkerij-coöperatieve „Vooruit‟ stuurde onder
impuls van Anseele brood aan de stakers.
- Dank zij deze toenadering werd de oprichting mogelijk van de Belgische Werklieden Partij
(BWP) (Brussel, 1885). Deze sloot aan bij de Tweede Internationale (1889) en aanvaardde de
zgn. Verklaring van Quaregnon (1894) welke een beginselverklaring was, waarin o.m.
collectivisme, nationalisaties enz. werden vooropgesteld.
- Na de grondwetswijziging van 1893 (zie hierna) kon de BWP een behoorlijk aantal zetels in
het Parlement veroveren.

2. Koning, regering en parlement
a. De koning
Met zijn sterke persoonlijkheid heeft Leopold II (1865-1909) getracht zoals zijn voorganger
zijn wil op te dringen aan regering en parlement. Gedurende de laatste jaren van de 19e eeuw
is zijn gezag over de regering voortdurend toegenomen, doch het parlement bleef weerspannig
en de publieke opinie, waarbij Leopold II iedere populariteit miste, wendde zich van hem af.
Zijn neef Albert I die hem in 1909 opvolgde, trok hieruit de conclusies en hield zich voor
1914 op het politieke achterplan, behalve in 1911 toen hij het kabinet Schollaert deed
aftreden.

b. De regering
Van 1884 tot 1914 leidde de Katholieke Partij onafgebroken de regering. Afgezien van enkele
misbruiken op het gebied van het schoolwezen, het kiesrecht en de liefdadigheid waar zij haar
opvattingen aan de niet-gelovige minderheid ondanks sterk verzet, opdrong, kon de
Katholieke partij haar meerderheid, die van 1900 tot 1914 gevoelig slonk, bezwaarlijk tot een
antiparlementaire actie aanwenden omdat zij zelf verdeeld was tussen conservatieven en
christen-democraten.
Na een aanvankelijke revanchepolitiek tegenover de liberalen, vooral op schoolgebied, door
de regering Malou, onder invloed van Woeste, kort na de verkiezingsoverwinning van 1884
gevoerd, huldigden de twee lange homogeen-katholieke regering van Beernaert (1884-1894)
en van De Smet-De Nayer (1896-1907) een meer gematigde politiek.
Naast de schoolkwestie (subsidiëring van de vrije scholen en invoering van de leerplicht), de
legerkwestie (invoering van de dienstplicht) heeft vooral de sociale kwestie de regeringen
tussen 1884 en 1894 beziggehouden (zie hierna).

c. Het Parlement
Nauw verbonden met het sociale probleem was het politieke probleem van de hervorming van
het kiesrecht: de socialisten, de progressieven onder de liberalen en de christen-democraten
zagen in de afschaffing van het cijnskiesstelsel en de invoering van het algemeen stemrecht
het middel om het sociale probleem grondiger op te lossen dan door de eerste sociale wetten
van de tachtiger jaren was geschied.
- Een eerste, gedeeltelijke hervorming van de kieswetgeving, werd mede onder invloed van
eerste minister Beernaert verkregen door de herziening van de grondwet en de invoering van
het meervoudig algemeen stemrecht (1893): iedere man van 25 jaar kreeg één stem, terwijl
één of twee bijkomende stemmen werden toegekend aan de gezinshoofden, de eigenaars of
renteniers en de humanioragediplomeerden. Hierdoor steeg het aantal kiezers voor de Kamer
van 137 000 (2% van de bevolking)tot 1 370 000. De verkiezingen van 1894, volgens het
nieuw stelsel gehouden, leverden een versterking op van de katholieke meerderheid, de
intrede in het Parlement van een belangrijke socialistische vertegenwoordiging en de
uitschakeling van de liberalen.
- In 1899 werd het tot dan toe vigerende meerderheidsstelsel (waarbij alle kandidaten van de
meerderheid verkozen werden verklaard en in de kiesomschrijving geen enkele zetel werd
toegekend aan kandidaten van de minderheid) vervangen door de evenredige
vertegenwoordiging.
Deze wijziging had een afbrokkeling van de katholieke meerderheid voor gevolg (wegens de
verdeeldheid tussen conservatieven en christen-democraten), doch betekende een versterking
voor de liberalen, die samen met de socialisten bleven ijveren voor de invoering van het
algemeen enkelvoudig stemrecht, dat alleen de katholieke meerderheid kon teniet doen.
- Na de Eerste Wereldoorlog, die de democratiseringsgedachte sterk vooruit had geholpen,
werden in 1919, onder de druk van de openbare opinie en vóór een eigenlijke
grondwetsherziening die pas in 1921 plaats had, verkiezingen gehouden op basis van het
algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen.
De katholieke meerderheid werd aldus vernietigd, zodat voortaan coalitieregeringen van drie
of twee partijen onvermijdelijk waren. De deelneming van de BWP aan de regering leidde tot
de stemming van nieuwe sociale wetten en tot een compromis in de schoolkwestie.

3. Het sociaal probleem
a. De ontwikkeling van de socialistische arbeidersbeweging
- De eerste georganiseerde arbeidersbeweging ontstond te Gent in 1857 met de oprichting van
twee vakverenigingen door de arbeiders van de textielnijverheid.
De vakverenigingen die omstreeks dezelfde tijd te Brussel ontstonden groepeerden eerder, per
sector, de arbeiders uit de artisanale nijverheid. De doelstellingen van deze verenigingen
waren doorgaans beperkt tot de verbetering der werkvoorwaarden: zij waren weinig politiek
ingesteld en misten meestal deskundige tactische leiding, bij gebrek aan intellectuele vorming.
- Pas de Eerste Internationale, gesticht in 1864, waarvan een Belgische afdeling in 1865 werd
opgericht onder impuls van Cesar De Paepe, werkte de synthese van syndicale en politieke
actie in de hand, doch door de mislukking van de Eerste Internationale (1872) gingen ook
talrijke arbeidersverenigingen ten onder.
- De stichting van arbeiderscoöperatieven door Van Beveren en Anseele te Gent (1871)
vormde het uitgangspunt en de basis voor een meer politieke organisatie van de
arbeidersbeweging in Vlaanderen (vnl. te Gent) en te Brussel, terwijl de Waalse afdelingen
van de Internationale trouw bleven aan het anarchisme en weigerachtig stonden tegenover
politieke structurering.

b. De eerste sociale wetten
- De economische crisis van 1884-85 had prijsstijgingen, loondaling en werkloosheid tot
gevolg. Spontane stakingsoproeren braken uit te Luik en in de Borinage, vooral onder invloed
van de anarchisten: zij werden door het leger onderdrukt (maart 1886).
- Een parlementaire onderzoekscommissie over de arbeidsvoorwaarden werd ingesteld (april
1886). De conclusies van deze commissie leidden tot de stemming van de eerste sociale
wetten op het loon (1887) en op de kinder- en vrouwenarbeid (1889).

c. De rol van de BWP
- De BWP kanaliseerde de sociale agitatie door een algemeen stemrecht (gedeeltelijk
verworven met de grondwetsherziening van 1893: zie hoger).
De algemene stakingen van 1902 en 1913, georganiseerd door de BWP en gericht op het
bekomen van het algemeen enkelvoudig stemrecht, mislukten echter.
-Na de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 en de deelneming van de
BWP aan de regering, konden opnieuw enkele sociale wetten gestemd worden, zoals de
achturendag (wet van 1921).

B. De economische ontwikkeling

De economische welvaart was te danken aan:

1. De verovering van de internationale markt door de Belgische metaalindustrie en
machinebouw (vgl. de stijging van de ijzerproductie van 100 000 ton in 1880 naar 2.5 milj.
ton in 1912- Frankrijk: 3.5 milj. ton in 1910). Een grote rol werd hierin gespeeld door de
Société Générale.

2. De dominerende positie van Belgische elektrische constructie, vnl. dank zij Edward
Empain, wiens voornaamste initiatieven waren:
- de aanleg van elektrische tramwegen (1901) in België, Frankrijk, Egypte;
- de bouw van de metro van Parijs (1900);
- de oprichting van de ACEC-bedrijven te Charleroi.

3. De ontdekking van steenkool in de Kempen (1901) en de vestiging van nieuwe industrieën
in Antwerpen en Limburg (zink, lood, foto= Gevaert, 1891-1905).

4. De uitbreiding en modernisering van de Belgische havens: Antwerpen, Gent, (kanaal van
Terneuzen), Zeebrugge (1907).

C. De opbouw van het Belgische koloniale rijk

1. Aanvankelijk werd de Belgische koloniale politiek gekenmerkt door de overwegende en
persoonlijke rol van koning Leopold II. De bijeenroeping van een internationale geografische
conferentie te Brussel (1876) en de oprichting van de Association Internationale du Congo,
met het oog op de inbezitneming van Kongo, dank zij verdragen met inlandse stamhoofden,
waren grotendeels aan zijn initiatief te danken. Een belangrijke voorafgaande rol was
gespeeld door de ontdekkingsreiziger Stanley die reizen langs de Kongostroom in opdracht
van Leopold II ondenam, met stichting van posten.

2. Internationale verwikkelingen rond het optreden van Leopold II in Kongo leidden tot
bijeenroeping van de Internationale Conferentie van Berlijn (1884), waar de oprichting en de
erkenning door grote mogendheden (Portugal, Engeland, Frankrijk) van de Onafhankelijke
Kongostaat met Leopold II als soeverein werd beslist.
3. Internationale ( Portugal, Engeland, Frankrijk) en Belgische kritiek (o.a. door financiële
groepen) tegen het inlands beleid van Leopold II (geruchten over wreedheden, afpersingen en
over de inzichten van Leopold II tot stichting van een afzonderlijk kroondomein), gaven
aanleiding tot de instelling van een onderzoekscommissie die de overtuiging ingang deed
vinden dat alleen een naasting van Kongo door België uitkomst kon bieden.

4. De financiële moeilijkheden van Leopold II droegen eveneens bij tot die oplossing en om
ze te ondervangen werden openbare leningen in België, goedgekeurd door het Parlement dank
zij steun van Beernaert (1890 en 1894), uitgeschreven en werden financiële groepen in Kongo
toegelaten (o.a. aanleg van de spoorlijn Matadi-Leopoldstad, 1898).

5. Kort voor de dood van Leopold II (1908) werd Kongo door de Belgische staat als kolonie
overgenomen.




              XIV. NEDERLAND VAN 1830 TOT 1914

1. VAN DE NAWEEEN DER BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID TOT
DEABDICATIE VAN WILLEM I (1830-1840)
A. Willem I en de Belgische onafhankelijkheid

Door zijn koppige houding tegenover de Belgische onafhankelijkheid verloor Willem I de
steun van Engeland, waar de liberale regering Palmerston gekant was tegen het autoritarisme
van Willem I.

De Tiendaagse Veldtocht van Willem I tegen België (aug. 1831) en zijn weigering, tot in
1839, het verdrag der XXIV artikelen te aanvaarden, schiepen een aanhoudende spanning
tussen Nederland en België, die ook in het Noorden meer en meer op kritiek werd onthaald.
De neiging tot het voeren van een Nederlandse neutraliteitspolitiek nam hierdoor toe.

B. Binnenlandse moeilijkheden

1. De t.o.v. België gevoerde politiek was mogelijk dankzij het feit dat Willem I als koning de
beschikking had over inkomsten uit de kolonies (één vijfde van de staatsinkomsten, via de
Nederlandsche Handelsmaatschappij waarvan hij de stichter was), maar de kritiek op zijn
koloniaal beleid nam toe.

2. De vijandigheid van liberalen en van strenge calvinisten leidden tot toegevingen van de
koning onder de vorm van lichte hervormingen van de grondwet i.v.m. de inkomsten uit
kolonies en de ministeriële verantwoordelijkheid (1840).

3. Uiteindelijk abdiceerde Willem I om de genoemde politieke en ook om persoonlijke
redenen, nl. zijn voorgenomen huwelijk met de katholieke hofdame gravin d‟Oultremont,
langs vaderszijde van Belgische afkomst, dat op een hevige oppositie van de Protestanten
stuitte (7 okt. 1840). Op grond van zijn opvattingen kon hij evenmin de ministeriële
verantwoordelijkheid aanvaarden, daar hij zijn ministers aanzag als zijn dienaars.
4. Op economisch gebied betoonde Willem I zich een actief promotor, die beoogde de
letargische renteniersmentaliteit te doorbreken.

2. HET LIBERALE TIJDVAK (1848-1901)

A. De herziening van de grondwet (1848)

1. De herziening van de grondwet was voorbereid door een liberale agitatie o.l.v. Johan
Rudolf Thorbecke (vóór 1830 hoogleraar te Gent), vnl. met de publikatie van zijn
„Aanteekening op de Grondwet‟ (tweede druk 1941). Hierop was trouwens een
behoudsgezinde reactie gevolgd van Groen van Prinsterer, voorloper der Anti-
Revolutionairen met de publikatie van 'Bijdrage tot herziening der Grondwet in
Nederlandschen Zin, (1840).

2. Onder invloed van de omwentelingen van 1848.in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en
 elders, zwichtte de koning uit vrees voor woeli ngen in eigen land.

3. Een nieuwe grondwet, geïnspireerd door Thorbecke, werd in 1848 aangenomen en voerde
        als vernieuwingen o.m. in:
 a. de ministeriële verantwoordelijkheid t.o.v. Tweede Kamer;
 b. de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer i.p.v. hun benoeming door de koning;
 c. directe verkiezingen voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraden;
 d. parlementaire controle op de financiën en het beheer van de koloniën, en recht op
        amendering;
 e. vrijheid van pers en vereniging.

4. Het kiesrecht bleef echter censitair: de grondwet beperkte de macht van koning en kabinet
       om die van de welgestelde burgerij uit te breiden. Nog in 1880 genoot slechts 13 %
       der volwassen mannen kiesrecht.

 B. Drie liberale regeringen o.l.v. Thorbecke met conservatieve onderbrekingen (1849-
 1872)

 1.    De eerste regering Thorbecke (1849-1853), gesteund door de rooms-katholieken en
 met oppositie van Groen van Prinsterer en van de conservatieve liberalen o.l.v. Van Hall,
 verrichtte belangrijk wetgevend werk: o.m. de uitwerking van de kieswetgeving, de
 provinciale- en gemeentewet en de vrijhandelspolitiek.
 In 1853 viel de regering Thorbecke door de hevige calvinistische reactie ('April-Beweging'),
 tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie - dat door de liberale
 grondwet mogelijk was gemaakt - en door de vijandschap van
 Willem III.
 Het ministerie Van Hall, dat conservatief-liberaal was, beperkte opnieuw de vrijheid der
 rooms-katholieken.

 2.    De tweede regering Thorbecke (1862-1866) werd mogelijk gemaakt dank zij een
 hergroepering der liberalen n.a.v. de onderwijskwestie: de anti-revolutionairen bevorderden
 het calvinistisch staatsonderwijs, terwijl de liberalen voorstanders waren van de neutraliteit
 van de scholen. De verdeeldheid van de liberalen over het koloniaal beleid dat onder
 invloed van de 'Max Havelaar' van Multatuli aan felle kritiek was blootgesteld, veroorzaakte
 de val van de tweede regering Thorbecke (1866).

 3.    De derde regering Thorbecke (1871-1872) dankte haar ontstaan aan een liberale
 kiesoverwinning, ondanks steun van de koning aan de conservatieve regering, doch haar
 snelle val was te wijten aan de liberale verdeeldheid over de kieswethervorming.



C.     De opgang der confessionele partijen

l.    Protestanten
a.     De stichting van de Anti-Revolutionaire Partij, voorbereid door Groen van Prinsterer
       (+ 1876). o.l.v. de predikant Abraham Kuyper (1878-1879) was een belangrijk
       nieuw politiek feit, mede omdat het de eerste politieke partij was die werd gesticht.
       Zij richtte zich tegen de burgerlijke idealen van de Franse Revolutie, zoals die o.m.
       uitgedrukt waren in de grondwet van 1848, en spiegelde zich aan de ethiek der
       vaderen uit de Gouden Eeuw. Als hoogleraar, publicist, predikant en politiek leider
       oefende Kuyper een diepgaande invloed uit op de calvinistische burgerij.
b.     Onder invloed van Kuyper (1885-1892) scheidden de orthodoxe calvinisten zich af uit
       de        Nederlands-Hervormde Kerk en vormden de Gereformeerde Kerk. Kuyper
       bewerkte ook de stichting van de Vrije Universiteit van Amsterdam (1880).
C.     Door de afscheiding van de conservatieve Vrije A.R.Partij o.l.v. Lohman, later
       omgevormd tot Christelijk Historische Unie (1909), werden de protestanten verzwakt.

2.   Katholieken
De katholieken waren in Nederland sinds de opstand tegen Spanje en de machtsgreep van een
     calvinistische minderheid geleidelijk uit het openbare leven uitgesloten geraakt, doch
     dank zij de regering Thorbecke (zie hoger) had de katholieke „emancipatie‟ plaats
     (1853). In 1883 werd met een programma door Mgr. Schaepman het fundament van
     een rooms-katholieke partij gelegd, waarvan de formele stichting-echter pas in 1896
     plaats had. Na de grondwetswijziging van 1887 (uitbreiding van het kiesrecht) en de
     verkiezingen van het volgende jaar werden de R.K. zodanig versterkt, dat zij op
     regeringsdeelname konden aansturen. Dit werd hen vergemakkelijkt door hun
     wezenlijk conservatieve koers.

3.      De herziening van de schoolwet bewerkte het samengaan van R.-K. en A.-R. (1889)
en dit resulteerde in de subsidiëring van de zgn. 'bijzondere‟ (= vrije,confessionele) scholen.

D.     Het einde van het liberale tijdvak (1891-1901)

1.    De liberale meerderheid bij de verkiezingen van 1891 bracht
een liberale regering met radicale inslag aan de macht, waarin Tak, voorzitter van Liberale
Unie, die voorstander was van uitbreiding van het kiesrecht, minister van Binnenlandse
Zaken werd.

2.     Over de uitbreiding van het kiesrecht bestond echter verdeeldheid in liberale rangen,
die na de crisis van 1894 leidde tot de afscheiding van de conservatieve 'Vrij-Liberalen' of
'Oud-Liberalen'.
3.      Het sociaal-vooruitstrevend liberaal ministerie-Pierson (1897-1901) ging onder
invloed van de groeiende arbeidersbeweging over tot de stemming van de eerste sociale
wetten.

4.     De overwinning van de A.R. o.l.v. Kuyper bij de verkiezingen van 1901, bevorderd
door de liberale verdeeldheid, betekende het einde van het liberale tijdvak.


3. HET TIJDVAK 1901-1914

A.     De regering Kuyper (1901-1905)

1.    Het samengaan van anti-revolutionairen en rooms-katholieken
in deze regering wijzigde de wetgeving op het hoger onderwijs (erkenning van diploma‟s der
Vrije Universiteit) , en op het lager onderwijs (betere subsidiëring van het zgn. „bijzonder‟
onderwijs).

2.     Een uitbreiding van de sociale wetgeving werd niet voltooid door de val van de
regering wegens de agitatie van de sociaal-democraten (1905).

B.     De ontwikkeling van het socialisme

1.   In 1888 werd het eerste socialistisch Tweede Kamerlid verkozen, nl. de uit de kerk
     getreden predikant F. Domela Nieuwenhuis. Zijn isolement dreef hem spoedig tot het
     anarchisme.

2.      In 1894 werd de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht o.l.v.
Troelstra, onder de indruk van de grenzeloze ellende op het Friese platteland. Sinds de
verkiezingen van 1901 groeide de SDAP sterk.

3.      Inwendige spanningen tussen de doctrinaire en de gematigde opvattingen n.a.v. de
stakingen van 1903 leidden tot de oprichting van een afgescheiden Sociaal-Democratische
Partij (1909), later evoluerend tot de Communistische Partij (waartoe Henriette Roland Holst
en Herman Gorter toetraden).

4.     Na hun kiesoverwinning van 1913 weigerden de socialisten iedere deelname aan de
regering.

5.     De socialistische vakcentrale NVV, opgericht in 1903, kreeg reeds in 1913 van
staatswege de taak toegewezen de aanvullende uitkeringen uit overheidstoelagen aan
werklozen te verrichten, een symptoom van toenemende „wederzijdse doordringing van staat
en maatschappij‟ (Jan Romein), ofwel verzuiling.

6.     Om het socialisme de pas af te snijden werden ook spoedig protestantse en katholieke
vakverenigingen.opgericht.

C.     Afwisseling van liberale en christelijke regeringen (1905-1913)
1.     De politieke onstabiliteit na het aftreden van de regering Kuyper (1905) werd vooral
veroorzaakt door de moeilijkheden i.v.m. een grondwetsherziening die moest leiden tot de
invoering van het algemeen stemrecht.

2.     Een conservatief kiesontwerp leidde tot de val van de regering dank zij een coalitie
van liberalen en socialisten (1913).

3.     Als overgangsregering werd een extra-parlementair kabinet Cort van der Linden
aangesteld (1913) dat wegens de oorlogsdreiging aanbleef tot 1918, toen het Algemeen
Stemrecht werd ingevoerd.

4. DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING TIJDENS D.E 19de EEUW

Het is een algemeen verschijnsel dat een structuur die tot grote expansie heeft geleid, zich
moeilijk aanpast aan gewiizigde omstandigheden, en daardoor achterop geraakt (de
zgn. 'wet van de remmende voorsprong', geformuleerd door Jan Romein).
Dit was typisch het geval in Nederland, dat zich zeer laat en in geringe mate industrialiseerde,
maar eerder vasthield aan de traditionele veredelingsnijverheden, handel en scheepvaart.

1.      De meeste bedrijven,bleven in de 19de eeuw (met uitzondering van de uit België
geïmporteerde Haarlemse katoennijverheid) zeer bescheiden van omvang. Ook de Twentse
textielindustrie concentreerde en ontwikkelde zich veel trager dan bv. de Gentse.
- De aanleg van spoorwegen, die in België vanaf de onafhankelijkheid de expansie sterk had
gestimuleerd bleef erg achter in het Noorden: in 1850 telde Nederland 170 km sporen, België
reeds 861 km.
        - Het aantal stoommachines bedroeg in Nederland in 1837: 72 (totaal 1120 PK) en in
        1853: 392 (totaal 7193 PK), terwijl België in 1838 reeds 1049 stoommachines telde,
        met een totale capaciteit van 25.312 PK.

2.      Door een gunstige economische ontwikkeling werd de achterstand tijdens de tweede
helft van de 19de eeuw ingelopen:
- grote kanalen werden aangelegd zoals de Nieuwe Waterweg voor Rotterdam in 1872 en het
Noordzeekanaal voor Amsterdam in 1876;
        - grote droogleggingswerken in de vroegere binnenmeren werden ondernomen, o.m.
        het droogleggen van het Haarlemmermeer;
        - in 1909 was de beroepsbevolking aldus tewerkgesteld:
                35 % in de industrie
                27 % in de landbouw
                19 % in de handel.
                 XV. BELGIE VAN 1914 TOT HEDEN

1. DE TOESTAND VAN DE BELGISCHE LANDSVERDEDIGING VOOR 1914

1.      De neutraliteit van België was de voorwaarde geweest van zijn onafhankelijkheid
tussen de grote mogendheden (Engeland, Frankrijk, Pruisen) (verdrag van 1839).
Het gevolg hiervan was een veiligheidsgevoel en een afkeer van militaire inspanning (bvb. in
1859 lokte de oprichting door Leopold I van en citadel te Antwerpen het verzet uit van de
daartoe opgerichte Meetingpartij; bovendien was er de morele kritiek van de katholieken op
het kazerneleven).

2.      De Frans-Duitse oorlog van 1870-71 leidde tot de oprichting van de Maas-Linie met
forten te Luik en te Namen (1887-92), ten einde een eventuele Duitse bedreiging op te
vangen.

3.      Het leger bestond oorspronkelijk enkel uit vrijwilligers en militieplichtigen aangeduid
door loting, met mogelijkheid van plaatsvervanging door afkoop.
In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht (1 zoon per gezin) ingevoerd en de loting
afgeschaft.
In 1913 werd de dienstplicht uitgebreid tot een algemene dienstplicht wegens het dreigend
oorlogsgevaar.


2. DE EERSTE WERELDOORLOG

A. Militair
a.     De Duitse strategie berustte op het zgn. plan-Schlieffen, nl. de omzeiling van de
Franse linkerflank, hetgeen de vrije doortocht door België impliceerde.
b.     Het Duitse ultimatum van 2 aug. 1914 met eis tot vrije doortocht werd geweigerd;
       hierop volgde de Duitse inval van 4 augustus 1914.
c.     De Belgische troepen trokken zich terug op Antwerpen, daarna op de Ijzer: hier greep
       gedurende vier jaar een stellingoorlog plaats, waarna het geallieerd offensief van
       september 1918 tot de wapenstilstand van 11 november 1918 leidde.

B.    Bestuurlijk-politiek

a.    Koning Albert I was krachtens de Grondwet tevens opperbevelhebber van het keger en
      bleef met zijn hoofdkwartier op Belgisch grondgebied (De Panne).
b.    De regering verbleef te Le Havre.
               Het was een homogeen-katholieke regering die in 1914, bij het uitbreken van
       de oorlog, aangevuld werd met twee liberale ministers en een socialistisch minister,
       die pas in 1917 een effectieve portefeuille kregen.
       Wegens het niet vergaderen van het Parlement verrichtte de regering wetgevend werk
       d.m.v. zgn. besluitwetten. Er bestonden interne meningsverschillen in de regering
       betreffende de te voeren naoorlogse buitenlandse politiek (neutraliteit of
       expansionisme).
       Anderzijds beval de regering het onderzoek door commissies van de taaltoestanden in
       leger, het algemeen stemrecht en de schoolkwestie.
c.     Het bezette gebied stond onder Duits militair bestuur (o.l.v. een gouverneur-generaal)
       terwijl daarnaast een Duits burgerlijk bestuur de Belgische administratie
       superviseerde. Het Nationaal Hulp- en Voedingskomitee speelde een belangrijke rol,
       niet alleen door de import
       van levensmiddelen uit de V.S., doch tevens door inlichtingen over de publieke opinie
       aan de regering door te geven en de na-oorlogse democratiseringsmaatregelen voor te
       bereiden.
       Vooraanstaande persoonlijkheden zoals kardinaal Mercier, burgemeester Ad. Max,
       e.a., symboliseerden de weerstand tegen de bezetter, terwijl anderzijds in Vlaanderen
       het Activisme een zeker succes kende (zie hierna).



3.     DE NAOORLOGSE SITUATIE

1. De Belgische eisen op de vredesconferentie van Versailles (1919) werden vnl. door P.
Hymans, minister van Buitenlandse Zaken, geformuleerd. In België werden ze gesteund door
rechtse ultra-nationalistische groepen. Het waren vnl. eisen voor territoriale expansie en
behelsden o.m.:
a.     de aanhechting van Eupen-Malmédy, dat sedert 1815 tot Pruisen behoorde; deze eis
werd ingewilligd
b.     de herziening van de in 1839 vastgelegde grenzen met
       Nederlands-Limburg: deze eis werd afgewezen vnl. onder invloed van de Ver. Staten
       (president Wilson), wegens de neutraliteit van Nederland tijdens WO I. Deze eis had
       een verkoeling van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen voor gevolg, die pas vanaf
       1936 zou verdwijnen;
c.     de herziening van de grenzen t.o.v. Luxemburg: deze eis stuitte op weerstand van
       Frankrijk;
d.     de verwerving van het mandaat over de voormalige Duitse kolonies in Afrika, nl.
       Rwanda en Urundi; deze eis werd ingewilligd.

2.      Anderzijds werd de in 1839 vastgelegde Belgische neutraliteit opgeheven. De poging
om een bondgenootschap met Frankrijk en Engeland af te sluiten mislukte echter wegens de
terughoudendheid van Engeland. Alleen met Frankrijk werd een geheim Frans-Belgisch
Militair Akkoord gesloten (1920), dat echter door Frankrijk als een volwaardige alliantie werd
geïnterpreteerd.

4. DE VLAAMSE             BEWEGING        VOOR,     TIJDENS      EN     NA    DE    EERSTE
WERELDOORLOG

A.     Vóór de Eerste Wereldoorlog

1. Sedert de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1893) waren de
Vlaamsgezinden in het Parlement talrijker vertegenwoordigd. Dit maakte o.m. de
aanvaarding van de Gelijkheidswet (1898) mogelijk, waardoor het Nederlands als officiële
taal erkend werd naast het Frans.

2. Vanaf dat ogenblik werd ook meer de nadruk op de sociaal-economische factoren i.p.v. op
de uitsluitende taalaspecten van de Vlaamse Beweging gelegd, o.m. door August Vermeylen
en Lodewijk de Raet. Hiermee in verband stond de actie voor de vernederlandsing van de
Gentse Universiteit, waarin o.m. prof. Mac Leod, L. De Raet en de zgn. 'drie kraaiende
hanen', de parlementairen Van Cauwelaert (katholiek). Huysmans (socialist) en Franck
(liberaal), die een wetsvoorstel in die zin neerlegden een belangrijke rol speelden.

B.     Tijdens de Eerste Oorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog viel de Vlaamse Beweging drie takken uiteen:
1.      Het Activisme was dat deel van de Vlaamse Beweging dat de samenwerking met de
bezetter niet afwees voor de verwezenlijking van vroegere en ook nieuwe Vlaamse eisen zoals
besturlijke scheiding. De meest markante feiten in de geschiedenis van het Activisme waren:
a.      de opening van de vernederlandste universiteit door de Duitse gouverneur-generaal
von Bissing (1916) (met de deportatie van de professoren Pirenne en Fredericq, die hiertegen
geprotesteerd hadden);
b.      de oprichting van de Raad van Vlaanderen, die de bestuurlijke scheiding (1917) en de
        zelfstandigheid van Vlaanderen (1918) uitriep.

2.     De Passivisten waren de naar Nederland uitgeweken Vlaamsgezinden die zich afzijdig
hielden, doch trachtten de Belgische regering te Le Havre te beïnvloeden (F. Van Cauwelaert,
J. Hoste).

3.      De Frontbeweging groepeerde de Vlaamsgezinden in het leger aan de IJzer.
a. Oorzaak van de actie van de Frontbeweging waren de wantoestanden op taalgebied in het
leger, dat voor meer dan de helft uit Vlaamssprekende soldaten bestond, doch bevolen werd
door overwegend Franstalige officieren, hetgeen het gevolg was enerzijds van een vollediger
mobilisatie in Vlaanderen en anderzijds van de verfransing van de burgerij, waaruit de
officieren afkomstig waren.
b. Oorspronkelijk had de Frontbeweging het karakter van een beweging van katholieke
Vlaamsgezinde intellectuelen, die o.m. ook bezorgd waren om het onderwijs, de moraliteit en
de grafzerken van de soldaten (AVV-VVK), o.l.v. Dr. F. Daels. Zij werd echter omgevormd
tot een illegale algemeen-politieke beweging (1917) wegens de tegenmaatregelen van de
legeroverheid. Dank zij de zgn. 'godsvrede‟ tussen katholieken en vrijzinnigen verloor de
Frontbeweging haar exclusief katholieke karakter en aanvaardde zij het beginsel van
zelfbestuur voor Vlaanderen. De leiding was toen in handen van Ad. De Beuckelaere, F. De
Pillecijn en H. Borginon.

     C.    Na de Eerste Wereldoorlog

     1. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd de Vlaamse
     Beweging gehinderd door Belgisch-nationalistische en francofiele reacties enerzijds,
     door de verdeeldheid van de Vlaamsgezinden anderzijds, nl. de zgn. minimalisten
     (vroegere passivisten, o.l.v. F. Van Cauwelaert) tegenover de zgn. maximalisten
     (aanhanger van de Frontbeweging, sympathisanten van het Activisme, voorstanders van
     de bestuurlijke scheiding).

     2. De Frontbeweging werd de basis van een Vlaams-nationale politieke partij: de
     Frontpartij.

     5. DE JAREN 1929-1932: IN HET TEKEN VAN DE VLAAMSE PROBLEMEN
     De economische moeilijkheden, veroorzaakt door de economische crisis van 1929,
     werden op het politieke vlak aanvankelijk overschaduwd door de politieke
     moeilijkheden rond de taalstrijd, veroorzaakt door het stijgend ongeduld der
     Vlaamsgezinden. Deze politieke evolutie kristalliseerde zich rond drie belangrijke
     feiten:

     1. Na de opening van een nog volledig Franstalige Universiteit te Gent in 1919, werd in
     1923 door het Parlement overgegaan tot een gedeeltelijke vernederlandsing van de
     Gentse universteit (Wet-Nolf, vandaar de spottende uitdrukking der Vlaamsgezinden:
     Nolfbarak), die niemand, zeker de Vlaamsgezinden niet, tevreden stelde.

     2. De overwinning van de Frontpartij in 1928 bij gedeeltelijke tussentijdse verkiezingen
     te Antwerpen, waarbij de niet verkiesbare, terdoodveroordeelde, nog gevangen
     gehouden activist August Borms, 83.000 stemmen behaalde (tegenover 44.000 voor de
     liberale kandidaat en 53.000 blancostemmen) had een symptomatische betekenis en
     maakte grote indruk op de partijen.

     3. Een door Camiel Huysmans en de Waal Jules Destrée uitgewerkte zgn. „Compromis
     des Belges‟, dat door het BWP-congres van 9-10 nov. 1929 werd aanvaard was een
     eerste stap van die partij naar de eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië en culturele
     autonomie, vermits de mogelijkheid werd opengelaten voor tweetaligheid in gemeenten
     waar een deel van het kiezerskorps zulks zou vragen. Zeven maanden later echter
     begroef de BWP het 'Compromis' en aanvaardde de eentaligheid, ook van Vlaanderen.

De resultaten van deze ontwikkeling waren:
a.     de volledige vernederlandsing van de Gentse Universiteit
       (1930: eerste rector August Vermeylen);
b.     de taalwetten van 1932 voor administratie en onderwijs, die de eentaligheid van
       Vlaanderen en Wallonië, het principe streektaal = onderwijstaal en de tweetaligheid
       van Brussel vastlegden.

6.   REGERINGEN WORSTELEN                   MET      EEN     ECONOMISCHE          EN     EEN
PARLEMENTAIRE CRISIS (1932-1939)

A.     De mislukking van de deflatiepolitiek der katholiek-liberale regeringen (1932-1935)

De strijd tegen de economische crisis, die zich in België vooral vanaf het einde van 1930 had
doen voelen, werd door de katholiek-liberale regeringen van die jaren met klassieke deflatoire
maatregelen gevoerd: loonsverlaging, belastingsverhoging (met het oog op de besnoeiing van
het binnenlands verbruik en de stimulering van de export). Deze hadden echter geen invloed
op de werkloosheid, die duizelingwekkend bleef stiigen.
De politieke weerslag van deze crisissituatie was groot:

1.      In de BWP zag men aanvankelijk de opkomst van een links-revolutionaire vleugel
o.l.v. Paul Henri Spaak, die zich echter weldra aansloot bij Hendrik De Man, theoreticus van
een niet-marxistisch socialisme (Au-delá du Marxisme, 1927), professor in
Duitsland,verdreven door Nazi's, die aangesteld werd tot ondervoorzitter van de BWP (1933)
en het 'Plan van de Arbeid, (plannificatie, nationalisatie van basissectoren, gemengde
economie) lanceerde.
2. Anderzijds greep een evolutie naar extreem-rechts plaats waarvan de symptomen o.m.
waren:
-de omvorming van de Frontpartij in V(laams) N(ationaal) V(erbond) (1933), gevolgd door
het vertrek van haar vrijzinnige leiders naar de BWP (H. Vos) en het overwicht van een
autoritaire strekking in de partijleiding o.l.v. Staf De Clercq, o.m. wegens de concurrentie van
het Verdinaso o.l.v. Joris Van Severen dat het corporatisme in een autoritaire staatsordening
voorstond.
      -de snelle opgang van Rex o.l.v. Léon Degrelle (van 0 naar 21 zetels (= 10 %) in 1936)
      e.a. Fascistische bewegingen (Légion Nationale).

B.     De twee regeringen van Nationale Unie o.l..v. Paul Van Zeeland (1935-1937)

Om aan de crisis het hoofd te bieden werd uiteindelijk een driepartijenregering gevormd, met
deelname van de BWP (o.a., Spaak en De Man).

1. Het eerste kabinet Van Zeeland (maart 1935 - mei 1936)mocht zich verheugen in een snel
economisch herstel dat o.a. bewerkt werd door:
a. de gunstige wending van de wereldconjunctuur en de invloed van de Wereldtentoonstelling
te Brussel (1935);
b. de devaluatie van de Belgische frank met 28 %, waardoor een stijging van de export
verkregen werd;
c. verschillende interventionistische economische maatregelen, o.m. de oprichting van het
Office de Redressement Economique (OREC);
d. de instelling van een Bankcommissie die na de scheiding van banken en holdings controle
op de activiteit van de banken ging uitoefenen.

2.      Niettemin openbaarden de verkiezingen van 24 mei 1936 een crisis van het
        parlementair regime, zoals o.m. bleek uit:
a.      de opzienbarende vooruitgang van de extremistische partijen (Rex: van 0 naar 21
zetels; V.N.V. : van 8 naar 16 zetels; Kommunisten: van 3 naar 9 zetels);
b.      de zware verliezen voor de katholieken, vnl. ten voordele van Rex;
c.      de toenadering tussen Rex en V.N.V.: beide partijen sloten in 1936 een
        beginselakkoord met het oog op een federale en corporatistische staatsinrichting;
d.      de herinrichting van de Katholieke partij in twee taalvleugels en het beginselakkoord
        tussen V.N.V. en K(atholieke) V(aamse) V(olkspartij) (dec. 1936) over de federale en
        corporatieve herinrichting van de staat (medeondertekend door Gaston Eyskens
        namens de K.V.V.).
e.    de tegenstelling in de BWP tussen de oudere leiding (voorzitter Emile Vandervelde) en
      de jongere leiders Spaak en De Man, o.m. inzake buitenlandse politiek (n.a.v. de
      houding aan te nemen tegenover de Spaanse burgeroorlog en de neutraliteitspolitiek: zie
      verder).

3. Het tweede kabinet Van Zeeland (juni 1936-okt. 1937) ging over tot diepgaande
hervormingen op sociaal gebied, door invoering van de 40-uren-week in de mijnen en het
betaald verlof (gevolg van de grote staking van 1936) en wilde dit ook doen op politiek
gebied zoals bleek uit de oprichting van een Studiecentrum voor de hervorming van de Staat.
In okt. 1937 moest de regering echter ontslag nemen, niet alleen wegens de toenemende
oppositie van de liberalen na de goedkeuring van de Amnestiewet voor activisten (juni 1937),
maar vooral i.v.m. de beschuldigingen tegen Van Zeeland geuit door Gustaaf Sap (eigenaar
van De Standaard), Rex en V.N.V., betreffende de financiële banden van Van Zeeland met de
Nationale Bank tijdens zijn premierschap.

C.     Onstabiele regeringen en crisis van het parlementaire regime (1937-1939)

1.     Na de val van Van Zeeland hadden de driepartijenregeringen met herhaalde incidenten
wijzigingen af te rekenen (nov. 1937 - febr. 1939) wegens o.a.:
a.     de ongunstig wordende economische toestand (werkloosheid) veroorzaakt dor het
toenemend protectionisme der grote mogendheden;
b.     het toenemend verzet van de liberalen teqen de politiek van de regering op
economisch en Vlaams gebied.

2.       De drieledige regering Spaak werd in februari 1939 tot aftreden gedwongen door het
ontslag van de liberale ministers wegens de benoeming van de oud-activist Dr. Martens tot lid
van de pas opgerichte Vlaamse Academie van Geneeskunde, terwijl de sterker wordende
greep van de politieke partijen op de regering leidde tot tussenkomsten van koning Leopold
III ten gunste van een versterking van de uitvoerende macht.

3.     De tweeledige regeringen Pierlot I (kath.-soc.) en Pierlot II (kath.-lib.) (februari - sept.
1939) die met veel moeite nade val van de regering Spaak waren tot stand gebracht, werden
door de opname van de socialisten uitgebreid tot de regering van Nationale Unie Pierlot III
aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (3 sept. 1939).
Deze drieledige regering Pierlot III ging met enkele wijzigingen en incidenten (o.a. wegens
het verzet van de liberalen tegen de taalkundige reorganisatie van het Ministerie van
Openbaar Onderwijs) de Tweede Wereldoorlog in.


7.     INTERNATIONALE SPANNINGEN EN TWEEDE WERELDOORLOG

A.    De nieuwe Belgische neutraliteitspolitiek (1936-1940)

1.    Na de Eerste Wereldoorlog had België afstand gedaan van de neutraliteit die het,
      krachtens het verdrag van 1839, tot 1914 in acht genomen had (zie hoger): in 1920 was
      een Frans-Belgisch Militair Akkoord gesloten, dat door Frankrijk werd geïnterpreteerd
      als een bondgenootschap, doch door België in een ruimer svsteem van collectieve
      veiligheid werd gesitueerd sedert de ondertekening van het Pact van Locarno (1925)
      tussen Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland en België. Dit Pact bezegelde het einde
      van de Ruhrbezetting door Frankrijk en België (voorwerp van één der clausules in het
      Fr. Belg. Mil. Akkoord) en waarborgde de Belgisch-Duitse grenzen (met o.m. de
      erkenning door Duitsland van de Belgische inlijving van Eupen-Malmédy.

Voor België verloor het Frans-Belgisch Militair Akkoord aldus sedert 1925 steeds meer zijn
betekenis. De opzegging ervan (6 maart 1936) was de afsluiting van een eerste fase in de
formulering van een nieuwe zg. onafhankelijkheids- of neutraliteitspolitiek.
Tot de opzegging van net Frans-Belgisch militair Akkoord hebben geleid:
a.     het toenemend gevaar dat Duitsland sedert de machtsovername van Hitler (1933)
vertegenwoordigde;
b.     de argwaan van rechtse kringen (o.a. ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse
       Zaken) tegenover het naar links evoluerende Frankrijk (Frans-Sovjetrussisch verdrag
       van wederzijdse bijstand, 1935, en verkiezingsoverwinning van het Front Populaire, 3
       mei 1936);
c.      het verlangen van Leopold III (die in 1934 de door een ongeval overleden koning
       Albert I had opgevolgd) en van zijn raadgevers terug te keren naar de traditionele
       Belgische neutraliteitspolitiek van vóór 1914: het was de uitvoering van een
       verlangen dat Albert I wegens de overwinning van 1918 en de daarop gevolgde
       francofiele stemming nooit had kunnen realiseren;
d.     het toenemend verzet van Vlaamse zijde, vnl. V(laamse) 0(ud-) S(trijders) en V.N.V.,
tegen de handhaving van het Frans-Belgisch Militair Akkoord.

2.     Een tweede fase bestond uit de formulering zelf van de nieuwe onafhankelijkheids- of
       neutraliteitspolitiek. Na de opzegging van het Frans-Belgisch Militair Akkoord ging
       men op de ingeslagen weg verder, wegens:
a.     de toenemende internationale spanning waarvan de opzegging door Hitler van het
Locarno-pact (6 maart 1936), de Spaanse burgeroorlog (juli 1936) en de machteloosheid van
de Volkenbond t.a.v. de Italiaanse verovering van Ethiopië (okt. 1936) de voornaamste
oorzaken of symptomen waren;
b.     de herbewapening van Duitsland, met o.a. de wederinvoering van de algemene
       dienstplicht (maart 1935), de bezetting van het gedemilitariseerde Rijnland (7 maart
       1936).
       De formulering van de nieuwe neutraliteitspolitiek van België geschiedde
       achtereenvolgens in de vorm van een toespraak, van P.H. Spaak (nieuw minister van
       Buitenlandse Zaken in de tweede regering Van Zeeland) tot de buitenlandse
       journalisten (30 juli 1936) en een rede van Leopold III in de kabinetsraad van 14
       okt. 1936 die grote indruk in let buitenland maakte.
       De aanvaarding van de Belgische neutraliteit door Duitsland (jan. 1937) en Engeland-
       Frankrijk (april 1937) bezegelde de nieuwe koers.

3.      De derde en moeilijkste fase was de realisatie van de Belgische neutraliteit in de
praktijk (1937-1940) .
        De handhaving van de Belgische neutraliteit werd bemoeilijkt door:
a.      de waarschijnlijkheid dat een eventueel oorlogsgevaar vooral vanwege Duitsland
dreigde;
b.      de groeiende anti-Duitse gevoelens van de ganse Belgische bevolking n.a.v. Hitler's
        optreden t.o.v. Oostenrijkj en Tsjechoslowakije;
c.      de francofiele gevoelens van Wallonië en de bezorgdheid van Wallonië om de
        versterking van de Belgisch-Duitse grens;
d.      de geheime contacten van de Belgische en Franse legerleiding met het oog op de
        opstelling van een verdediging tegen een eventuele Duitse inval en de bezorgdheid
        (vnl. aan Vlaamse zijde en vanwege Leopold III) om de Frans-Belgische grens tegen
        een overscnrijding door Frankrijk te beveiligen in het kader van een strikte neutraliteit.


B. Aan de vooravond van W.O.II
Wegens het dreigend oorlogsgevaar werd een gedeeltelijke mobilisatie in september 1938
n.a.v. Hitlers optreden tegenover Tsjechoslowakije) en een volledige mobilisatie in aug. 1939
afgekondigd.
Onder impuls van Leopold III werden intussen vredespogingen ondernomen:
- Leopold III deed een oproep voor wereldvrede namens de zg. Oslogroep (de Skandinavische
landen en België, Nederland, Luxemburg (23 aug. 1939);
        - De Belgische regering legde bij het uitbreken van de oorlog tussen Duitsland, Polen,
        Frankrijk en Engeland (3 sept. 1939) een plechtige neutraliteitsverklaring af;
        - Leopold III en koningin Wilhelmina van Nederland boden hun goede diensten aan
        als bemiddelaars in het conflict (nov. 1939).


8.      DE TWEEDE WERELDOORLOG

A.      De Duitse inval in België en de capitulatie

1.      De militaire operaties

     a. De Duitse inval van 10 mei 1940 werd voorafgegaan door verschillende
        alarmtoestanden, overeenstemmend met berichten over een nakende inval (november
        1939; januari 1940: incident van Mechele aan de Maas; april 1940): dit was de zgn.
        „drôle de guerre‟.
     b. De Duitse inval (zonder oorlogsverklaring) en opmars was zeer snel (Blitzkrieg). De
        zgn. Achtiendaagse Veldtocht leidde tot de omsingeling van het Belgisch leger tussen
        Ieper, Oostende en Brugge, wegens de onmogelijkheid tot terugtrekking in zuidelijke
        richting door de Duitse opmars naar de Kanaalkust (Abbeville werd door de Duitsers
        bereikt op 21 mei). Intussen kan toch de inscheping gebeuren van de Engelse troepen
        te Duinkerken (21mei-3juni).
     c. Het Belgisch leger capituleerde onvoorwaardelijk op 28 mei 1940.

2.     Koning Leopold III en de regering Pierlot

     a. Krachtens de grondwet was de koning, naast staatshoofd, ook opperbevelhebber van
        het leger, welke functie hij ook effectief op zich had genomen. Het gevolg hiervan was
        o.m. het moeilijke contact tussen de regering (vooral na de ontruiming van Brussel) en
        de koning (die ten velde bleef).
     b. Bovendien meende Leopold III trouw te moeten blijven aan zijn
        neutraliteitsopvattingen: daar België dientengevolge volgens hem geen eigenlijke
        bondgenoten had, eindigde met de volledige bezetting van het Belgische grondgebied
        en de capitulatie ook de oorlog; België had volgens Leopold III geen verdere
        verplichtingen.
     c. De regering (vnl. Pierlot, eerste minister en Spaak minister van Buitenlandse Zaken)
        huldigde een andere opvatting: tijdens een dramatisch onderhoud te Wijnendale (25
        mei 1940) vroeg de regering de koning hen te volgen en België te verlaten. De
        weigering van Leopold III bracht een breuk met de regering teweeg.

3.     De Belgische regering in Frankrijk en Londen

     a. Tijdens bijeenkomsten van de regering in Frankrijk (26-27 mei te Parijs; 28 mei te
        Poitiers) verklaarde zij de strijd te zullen voortzetten, constateerde de onmogelijkheid
        van de koning om te regeren en nam zijn prerogatieven over.
     b. Op de bijeenkomst van de in Frankrijk aanwezige Belgische parlementsleden te
        Limoges (31 mei 1940) werd een motie met afkeuring van de houding van Leopold III
        aangenomen met algemene stemmen (min 2) van de 170 aanwezige kamerleden en
        senatoren.
     c. Na de Frans-Duitse wapenstilstand van 18 juni 1940 volgde een aarzelende houding
        van de Belgische regering te Bordeaux. Zij ondernam o.m. pogingen om contact te
        krijgen met Leopold III, doch deze werden door de koning afgewezen (juni 1940).
     d. De Belgische regering vestigde zich dan in onbezet Frankrijk (Vichy) en nam eindelijk
        de beslissing tot het vertrek naar Londen (augustus 1940), waar minister C. Gutt nog
        in augustus 1940 aankwam, doch Pierlot en Spaak slecht in oktober 1940, via Spanje,
        waar zij enige tijd werden tegengehouden.
     e. Op 31 oktober 1940 werd een regering te Londen gevormd, bestaande uit Pierlot,
        Spaak, Gutt, en De Vleeschouwer; zij werd in 1942 en 1943 uitgebreid met sindsdien
        te Londen gearriveerde ministers. De wetgevende macht werd door deze regering
        uitgeoefend d.m.v. besluitwetten, terwijl zij de volledige uitvoerende macht bezat,
        wegens de onmogelijkheid tot regeren van de koning. Zij nam een mildere houding
        aan t.o.v. Leopold III.

B.     Bezetting en bevrijding

1.     De houding van Leopold III

     a. De koning verbleef tot aan zijn deportatie naar Duitsland, op 7 juni 1944, op het paleis
        te Laken, waar hij officieel het statuut van krijgsgevangene had.
     b. Hoewel hij ieder contact met de Belgische regering in Frankrijk en nadien te Londen
        weigerde, om redenen die omstreden zijn, had hij aanvankelijk, d.i. juni-juli 1940 via
        raadgevers (o.a. graaf Capelle, H. de Man) contacten met de in België verblijvende
        politici die aandrongen op de vorming van een regering onder zijn leiding. Vanaf
        midden juli 1940 werden deze contacten, op last van de bezetter, verboden.
     c. Via tussenpersonen, o.a. zijn zuster, koningin Marie-José van Italië, zocht Leopold III
        contact met Hitler, met het oog op een ontmoeting. Deze had plaats op 19 november
        1940 te Berchtesgaden, doch de inhoud en de draagwijdte van het gesprek zijn
        omstreden.
     d. Het zgn. politiek testament van Leopold III van 11 januari 1944, was een antwoord
        aan de regering te Londen, dat deze echter niet bereikte en pas, via een tussenpersoon
        aan de regering bij de bevrijding werd overhandigd en waarin Leopold III zijn houding
        rechtvaardigde, doch tevens liet blijken dat hij na de bevrijding met een andere
        regering dan de regering-Pierlot wenste te regeren.

2.     Het bestuur van het bezette land

     a. Een Duits militair bestuur o.l.v. de Militärbefehlshaber generaal von Falkenhausen
        werd –in tegenstelling tot Nederland- gehandhaafd, waarschijnlijk o.m. wegens het
        probleem van de aanwezigheid van de koning in het bezette land. Pas in juli 1944
        werd het vervangen door een burgerlijk bestuur o.l.v. de nationaal-socialistische
        Gauleiter Grohé, nadat Leopold III op 7 juni 1944 reeds naar Duitsland was
        overgebracht.
     b. Het Belgische bestuursapparaat werkte verder o.l.v. het college der Secretarissen-
        Generaal, waarvan sommigen pas tijdens de bezetting door de overige secretarissen-
        generaal, vaak onder Duitse druk, werden benoemd (Romsée, Leemans).
     c. Talrijke nieuwe instellingen voor de regeling en de controle van het sociaal-
        economisch leven, in dienst van de Duitse oorlogsvoering werden opgericht, o.m. een
        eenheidssyndicaat (de zgn. Unie van Hand- en Geestesarbeiders) onder impuls van H.
        de Man, na de opheffing van de BWP. Nadat aanvankelijk de werving van vrijwillige
        arbeiders voor tewerkstelling in Duitsland succes kende wegens de dreigende
        werkloosheid, werd later de verplichte tewerkstelling in Duitsland ingevoerd (oktober
        1942).

3.     Collaboratie en verzet

     a. In de collaboratie bestonden verschillende politieke strekkingen:
            - Het V.N.V., o.l.v. Staf Declercq, na diens dood o.l.v. H.J. Elias, bekeerde zich
                tot het nationaal-socialisme (de zgn. Nieuwe Orde), doch geraakte vanaf 1943
                meer en meer in dikrediet bij de Duitse overheid, vnl. bij de SS-leiding.
            - De DEVLAG, o.l.v. Jef Van de Wiele, was een zuiver nationaal-socialistische
                beweging, die de opslorping van Vlaanderen in een Groot-Germaans rijk
                voorstond: zij won bij de Duitsers –met de steun van Himmler en de SS-
                geleidelijk meer en meer invloed.
            - REX, o.l.v. Leon Degrelle, was de politieke uitdrukking van de Waalse
                collaboratie: om meer politieke invloed bij de Duitsers te verwerven t.o.v. de
                V.N.V. en DEVLAG, trok Degrelle als SS-officier met het zgn. Waals Legioen
                naar het Oostfront. Hij slaagde er echter niet in de leiding te verwerven van een
                algemeen Belgisch collaboratie.
     b. Na de oprichting van para-militaire organisaties van collaborateurs (Vlaamse SS,
        Zwarte Brigade, Fabriekswacht) werden voor de strijd tegen Rusland een Vlaams en
        Waals vrijwilligerslegioen opgericht en op het Oostfront ingezet (1941).
     c. Georganiseerde verzetstroepen van enige omvang ontstonden vooral vanaf 1942. Zij
        waren van diverse strekking: het Onafhankelijkheidsfront (O.F.), had een links-
        communistische strekking; de Nationale Koninklijke Beweging (NKB) had een
        rechtse strekking. Terwijl de clandestiene pers steeds omvangrijker werd, namen ook
        de sabotagedaden van het verzet, vnl.vanaf 1943, in aantal en hevigheid toe. De
        bezetter reageerde op het toenemend verzet met een steeds scherpere repressie, zoals
        de executie van gijzelaars, deportaties, enz. Vooral de terreur tussen paramilitaire
        collaboratie-organisaties nam grote afmetingen aan.

4.     De bevrijding (september 1944)

     a. De snelle militaire operaties van de geallieerden (o.a. de Belgische brigade Piron)
        bevrijdden tussen 2 september en 3 november 1944 het gehele Belgische grondgebied.
     b. De Antwerpse haven, onbeschadigd veroverd door verzetslieden en geallieerden, was
        het voornaamste doelwit van het Duitse tegenoffensief doorheen de Ardennen, onder
        generaal von Rundstedt (december 1944 – januari 1945), dat echter tot stilstand
        gebracht werd bij Dinant. Antwerpen en Luik werden tot mei 1945 met V1 en V2
        raketten beschoten.
     c. De regering Pierlot keerde op 8 september te Brussel terug en riep het vooroorlogse
        parlement bijeen, dat overging tot de aanstelling van Prins Karel, broer van Leopold
        III, tot regent (21 september 1944), wegens de afwezigheid van de op 7 juni 1944 naar
        Duitsland gedeporteerde koning Leopold III.


9.     NAOORLOGSE PROBLEMEN

A.     De economische toestand
1.
De economische vooruitzichten waren gunstig wegens het feit dat door de snelle geallieerde
opmars, het Belgisch productieapparaat praktisch onbeschadigd was gebleven. België kende
bovendien een dollar-toevloed wegens de stationering van geallieerde troepen en dankzij de
economisch-financiële hulp van de Verenigde Staten (Marshall plan).


2.
De te vrezen inflatie, wegens de overvloed van bankbiljetten uit de bezettingstijd, waaraan
een onvoldoende hoeveelheid goederen beantwoordde, werd vermeden dankzij de operatie-
Gutt (minister van financiën), d.w.z. de intrekking van alle bestaande bankbiljetten, die
slechts voor een deel met nieuwe bankbiljetten werden terugbetaald; de overige biljetten
werden „geblokkeerd‟ en omgezet in staatsobligaties.

3.
Een politiek van hoge lonen en een uitgebreide sociale politiek leidden snel tot een hoge
levensstandaard.

B.     De koningskwestie

1.
Leopold III werd pas op 7 mei 1945 door de Amerikanen in de omgeving van Salzburg
bevrijd. Tegen zijn onmiddelijke terugkeer naar België rees verzet van de communistische,
socialistische en deels ook liberale zijde; Leopold III vestigde zich voorlopig in Zwitzerland.
De terugkeer van de koning werd aldus een politiek probleem.

2.
Hem werd door zijn tegenstanders verweten: zijn autoritaire houding voor 1940; zijn breuk
met de regering in mei 1940; zijn ontmoeting met Hitler te Berchtesgaden (nov. 1940); zijn
tweede huwelijk tijdens de bezetting (sept. 1941) met Liliane Baels; zijn zgn. politieke
testament van jan. 1944 (zie hoger).

3.
De terugkeer van Leopold III werd afhankelijk gemaakt:
   a. van de inrichting van een volksraadpleging: dit was de wens van de koning zelf en van
       een deel van de CVP, doch deze oplossing werd door het parlement verworpen
   b. van de stemming van beide kamers van een wet waarin vastgesteld werd dat de
       onmogelijkheid tot regeren een einde had genomen: dit standpunt van de 4-
       partijregering van Van Acker werd goedgekeurd door het Parlement (juli 1945),
       ondanks de tegenstand van een groot deel van de CVP. Het gevolg was het ontslag van
       de CVP-ministers uit de regering en de identificatie van deze partij met de
       koningsgezinden.

4.
Wegens anticommunistische evoluties in de Westerse internationale politiek in 1946-1947,
kon een zgn. linkse regering (lib., soc., comm.), die afhankelijk was van de communistische
steun, wegens oppositie van de CVP zich niet langer handhaven. Zo kwam het tot de vorming
van een BSP- CVP regering Spaak-Eyskens, die de koningskwestie een tijdlang bevroor
(maart 1947 to juni 1949).
5.
Na de overwinning van de CVP in de verkiezingen van juni 1949 (danzij de koningskwestie
en de invoering van het vrouwenstemrecht) werd door de katholieke-liberale regering Eyskens
op 12 maart 1950 een volksraadpleging ingericht. De uitslag luidde: 58% voor de terugkeer
van de koning (Vlaanderen 72% ja; Wallonië 42% ja; Brussel 48% ja).


 6.
De verkiezingen van juni 1950 die hierop volgden leverden een volstrekt meerderheid op voor
de CVP en openden aldus de weg naar de vorming van een homogene CVP-regering
Duvieusart die op 22 juli 1950 Leopold III terugbracht te Brussel.

7.
Onlusten braken uit, vooral in Wallonië (3 doden te Grâce-Berleur) en de antileopoldisten
dreigenden met een mars op Brussel, zodat Leopold III in de nacht van 31 juli – 1 augustus
besloot tot een feitelijke troonsafstand ten voordele van zijn zoon Boudewijn, met de titel van
Koninklijke Prins, in afwachting van de grondwettelijke troonsafstand aan Boudewijn als
koning, die op 17 juli 1951 plaats had.

C.     Schoolvraagstuk

1.
De in 1950, n.a.v. de koningskwestie, aan de macht gekomen homogene CVP-regering bleef
tot 1954 aan het bewind en begunstigde het vrij onderwijs.

2.
De socialistische-liberale regering Van Acker (1954-1958), liet de zgn. wet-Collard stemmen
die het recht en de plicht van de staat om openbare scholen op te richten, als een interpretatie
van de grondwetsbepaling, bevestigde. Hierop ontketende de CVP een heftige agitatie
(betogingen, dreiging met terugtrekking van gelden uit postcheckrekeningen, enz.).

3.
Na de verkiezingen van juni 1958, die een vooruitgang betekende voor de CVP, doch haar de
volstrekte meerderheid niet bezorgde, kwam in november 1958, onder CVP-
minderheidsregering Eyskens, het Schoolpact tot stand als een driepartijenakkoord,
ondertekend door de voorzitter van de CVP, BSP en Liberale Partij en voor de duur van 12
jaar. Dit pact werd in 1959 met eenparigheid van stemmen door het parlement omgezet in een
wettekst. Het voorzag o.a. een ruimere subsidiëring van het vrij onderwijs en de erkenning
van het beginsel van de wet-Collard, nl. de oprichting van rijksscholen om de vrije
schoolkeuze te waarborgen.

D.     Het Kongolese vraagstuk

1.
Wegens de geringe belangstelling van Parlement en openbare opinie, was Kongo jarenlang
overgelaten aan de belangen van financiële groepen en de Kerk. Daardoor ontbrak een
koloniale politiek op lange termijn en inz. een dekolonisatieplan.

2.
Het gevolg hiervan was een zeer snelle onafhankelijkheidsverklaring (op 1 juli 1960), waarna
troebelen uitbraken waarvan vooral Belgische kolonisten het slachtoffer werden.

3.
De binnenlandse gevolgen van deze situatie waren o.m. spanningen tussen de politieke
partijen en het opduiken van rechtse organisaties met infiltratie van ex-kolonialen.


E.     De sociale problemen

1.
De aangroei van de technologische werkloosheid en de crisis van de Waalse steenkoolmijnen
werden bestreden door de katholiekliberale regering Eyskens-Lilar (1959-1961), die
anderzijds een Bureau voor Economische pragrammatie oprichtte en een regionale
expansiewetgeving deed goedkeuren.

2.
Wegens de mijnsluitingen in Wallonië en de sluitgang van verschillende textielbedrijven in
Vlaanderen braken talrijke stakingen uit die aangewakkerd werden door de BSP-oppositie.

3.
De stemming van de zgn. Eenheidswet (januari 1961), die voorzag in nieuwe belastingen en
in bezuiningen op de overheidsuitgaven, o.a. in sociale sector, lokte een algemene staking uit
(dec. 1960 – januari 1961), geleid door het ABVV, vnl. in Wallonië (o.l.v. André Renard).

4.
Hoewel de staking haar doel niet bereikte, kwam de regering verzwakt uit de strijd en werden
de Vlaams-Waalse tegenstellingen verscherpt: na de verkiezingen van maart 1961 kwam een
CVP-BSP-regering Lefèvre-Spaak aan het bewind, die in ruime mate met de syndicale eisen
rekening hield.

F.     De communautaire problemen

1.
Sinds 1960-61 werd het taalprobleem en meer algemeen de verhouding tussen de
taalgemeenschappen scherper gesteld, wegens :
    a. Het verzet aan Vlaamse zijde tegen het feit dat de volkstelling, te houden in 1960, nog
       zoals steeds in het verleden een talentelling zou bevatten, omdat door de taalwet van
       1932 aan deze 10-jaarlijkse tellingen automatisch gevolgen waren verbonden i.v.m.
       het taalregime te Brussel en in de taalgrensgemeentes. Na de publicatie in 1954 van de
       resultaten van de (betwiste) talentelling van 1947 waren opnieuw 3 Brusselse
       randgemeentes naar het tweetalig regime overgegaan., zodat het Vlaamse verzet tegen
       de uitbreiding van de verfransing in en rondom Brussel aanzienlijk toenam;
    b. de beklemtoning aan Waalse zijde, vnl. na de grote staking van 1960-1961 tegen de
       zgn. Eenheidswet, van de Waalse noden en eisen t.g.v. de demografische en
       economische achteruitgang van Wallonië. Dit ging gepaard met een sterke tendens van
       federalisme (onder invloed van de Waalse ABBV-leider André Renard, stichter van
       het Mouvement Populaire Wallon), vnl. op economische gebied en een verzet tegen de
       aanpassing van de parlementszetels aan het bevolkingscijfer wegens de minoriteitvrees
      t.o.v. de Vlamingen; in verband hiermede werd van Waalse zijde de eis gesteld van
      grondwettelijke waarborgen tegen minoriteit d.m.v. een grondwetsherziening;
   c. de parlementaire vooruitgang van de Volksunie bij de verkiezingen van 1961.

2.
Voornamelijk onder druk van twee Vlaamse „marsen‟ te Brussel (oktober 1961 en okto1962)
ingericht door Vlaamse drukkingsgroepen, liet de CVP-BSP regering Lefèvre-Spaak
volgdende wetgevende maatregelingen door het Parlement stemmen:
    a.     de afschaffing van de talentelling (juli 1961);
    b.     de definitieve afbakening van de talengrens (oktober 1962) d.m.v. een aanpassing
           van de administratieve grenzen aan de werkelijke taalgrens, inzonderheid door do
           overheveling van Komen-Moeskroen uit de provincie West-Vlaanderen naar de
           provincie Henegouwen en door de overheveling van de Voerstreek uit de provincie
           Luik naar de provincie Limburg;
    c.     de uitbreiding van de taalwetgeving (juli 1963) door, een versterking van de
           eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië inzake o.m. het onderwijs (afschaffing
           van de zgn. transmutatieklassen in Vlaanderen) en het bedrijfsleven; de versterking
           van het tweetalig regime te Brussel inzake onderwijs (oprichting van Vlaamse
           scholen en beperking van de taalkeuze van het gezinshoofd door een zgn.
           taalverklaring) en administratie (pariteit van Nederlandstalige en Franstalige
           ambtenaren van niveau 1 in de gemeentelijke administaties); de toekenning van
           faciliteiten aan de Franstaligen in 6 Vlaamse randgemeenten rondom Brussel
           (regeling uitgewerkt op het conclaaf van de regering op het kasteel van
           Hertoginnedal, 5 juli 1963).

3.
Om aan de Waalse verzuchtingen tegemoet te komen werd een driepartijencommissie
geïnstalleerd die de grondwetsherziening zou voorbereiden (zgn. Rondetafelconferentie,
1964-1965). Door de verkiezingen van 1965, de korte levensduur van de CVP-BSP-regering
Harmel-Spinoy die erna werd gevormd en haar vervanging in maart 1966 door de CVP-PVV-
regering Van den Boeynants-De Clercq, die de oplossing van de communautaire problemen
bevroor door de studie ervan toe te vertrouwen aan de zgn. Commissie-Meyers, kregen de
besluiten van de Rondetafelconferentie (o.a. de waarborgen tegen minoriteit van de Walen)
geen begin van uitvoering.

4.
Intussen stelde zich, vanaf 1966, het probleem van de Franstalige afdeling van de Katholieke
Universiteit te Leuven, waarvan de overheveling naar Wallonië werd geëist door de
Vlamingen: na de algemeen-Vlaamse betoging van 5 november 1967 te Antwerpen en
studentenrellen te Leuven (januari – februari 1968) viel de CVP-PVV regering Van den
Boeynants-De Clercq over dit probleem (februari 1968).

5.
De verkiezingen van 31 maart 1968 brachten een CVP-BSP-regering Eyskens-Merlot (nadien
Cools) aan het bewind die als voornaamste programmapunt de grondwetherziening
vooropstelde, waarvan ze de goedkeuring door het Parlement verkreeg in december 1970.
Deze grondwetsherziening. Deze grondwetsherziening behelsde o.m.:
   a. de erkenning van vier taalgebieden, het Nederlandse, het Franse, het Duitse en het
       tweetalig gebied rond Brussel (beperkt tot de negentien gemeenten); de indeling van
       het Parlement in taalgroepen; culturele autonomie op wetgevend gebied;
   b. verdeling van de vier taalgebieden over drie Gewesten, Vlaanderen, Wallonië, Brussel
      die hoofdzakelijk voor sociaal-economische materies bevoegd zijn en over drie
      Gemeenschappen, de Vlaamse, de Franse en de Duitse, die hoofdzakelijk voor
      culturele zaken bevoegd zijn.
   c. Verdere decentralisatie; vorming van agglomeraties en federaties van gemeenten;
   d. talrijke waarborgen zijn ingebouwd:         - voor de Walen o.a. de pariteit in de
      ministerraad, - voor de Vlamingen, inz. te Brussel, zoals de begrenzing van het
      tweetalig gebied Brussel-hoofdstad tot 19 gemeentes; agglomeratieorganen met o.m.
      een paritair N-F agglomeratiecollege en zgn. culturele commissies.
6.
Na de mislukking van het zgn. Egmontpact (24 mei 1977 - 19 okt. 1978) werd de
grondwetsherziening van 1970 in federalistische zin uitgebreid in 1980, 1988 en 1993. Deze
wijzigingen kwamen er ondermeer wegens zware economische en sociale problemen die
leidden tot sterke communautaire spanningen. De wijzigingen van 1993 tijdens het
premierschap van Jean-Luc Dehaene zijn opvallend:
a. rechtstreekse verkiezing van vier deelstaatparlementen (de Vlaamse en Duitse
Gemeenschap, het Brusselse en Waalse Gewest);
b. hervorming van Kamer en Senaat: het aantal federale kamerleden werd sterk ingeperkt en
hun bevoegdheden veranderden;
c. de financiële middelen van de deelstaten werden uitgebreid evenals hun bevoegdheden op
buitenlands gebied;
d. de provincie Brabant werd opgesplitst in een Vlaams- Brabantse en een Waals-Brabantse
provincie.

G. De evolutie van de politieke partijen

1.
De in 1946 opgerichte C(hriste1ijke) V(olks) P(partij) is:
a. sociologisch heterogeen samengesteld (middenstand, arbeiders, boeren), met toenemende
overheersing door de zgn. ACV-vleugel (arbeiders), hetgeen tot spanningen tussen
vooruitstrevenden en conservatieven aanleiding geeft;
b. ideologisch nog homogeen-katholiek ondanks de officiële zgn. deconfessionalisering;
c. taalkundig gesplitst in twee onafhankelijke partijen (CVP en PSC.) sedert de crisis over de
Leuvense Universiteit (1968) .

2.
De B(elgische) S(ocialistische) P(artij) werd in de zestiger jaren gekenmerkt door:
a. een radicalisering van de linkervleugel in Wallonië in federalistische zin;
b. ideologische vernieuwingspogingen d.m.v. de zgn. progressieve frontvorming met de
katholieke arbeidersbeweging (1969);
c. een geringe invloed van de communautaire spanningen (Vlaamse en Waalse voorzitter),
behalve te Brussel;
d. in het begin van de jaren '70 greep een generatiewisseling plaats in de leiding van de BSP,
doch pas eind 1978, na de mislukking van het Egmontpact, zou de Waalse covoorzitter A.
Cools eenzijdig een zelfstandige Franstalige PS oprichten en werd K. Van Miert voorzitter
van een zelfstandige Vlaamse SP, hetgeen op haar congres van maart 1980 werd bezegeld.

3.
De Liberale Partij werd in 1961, onder impuls van o. Vanaudenhove, omgevormd tot P(artij)
voor V(rijheid) en V(ooruitgang), hetgeen gepaard ging met:
a. op ideologisch gebied: de opneming van katholieken en de verwerping van het vroegere
anticlericalisme;
b. op sociologisch gebied: een versterking van de
conservatieve tendens, o.m. wegens de overkomst van conservatieve katholieken;
c. op taalkundig gebied:

- enerzijds strak-unitaire opvattingen, die o.m. wegens de sterk positie van de Brusselse
federatie in de partij en het gezag van o. Vanaudenhove, tot de verkiezingen van maart 1969
gehandhaafd bleven;
- anderzijds communautaire spanningen die in 1970 leidden tot een crisis in de PVV,
gekenmerkt o.m. door scheuringen in de Brusselse federatie, waardoor de vorming van een
autonome Vlaamse en Waalse PVV (1971) bespoedigd werd. De Waalse PVV (PLP) werd
einde 1976, door opneming van afgescheurden uit het Rassemblement WalIon, omgevormd
tot PRLW (sedert 1979 PRL = parti des Réformes et de la Liberté).

4. De communautaire problemen hebben anderzijds de oprichting en het succes van politieke
partijen uitgelokt die enkel in één landsgedeelte optreden:
a. De Volksunie boekte bij de parlementsverkiezingen van 1961, 1965 en 1968 telkens
vooruitgang, doch stagneerde vanaf 1971; ze zet ten dele de traditie van het vooroorlogse
Vlaams-nationalisme verder en ijvert voor een tweeledig federalisme; na de oprichting van
het Vlaams Blok (zie verder) heeft de partij onder voorzitterschap van Bert Anciaux
radicalere standpunten ingenomen, in meer separatistische zin.

b. Het Vlaams Blok, afgescheurd van de Volksunie toen die in 1977 als regeringspartij deel
nam aan het Egmontpact, ontwikkelde tot een extreem-rechtse partij; het boekte veel winst
tijdens gemeenteraadsverkiezingen, vooral in Antwerpen.

c. Het Rassemblement WalIon, verbonden met het F(ront) D(émocratique) des
F(rancophones) dat alleen te Brussel optreedt, verdedigde de Waalse en inz. de francofone
belangen en streefde een drieledig federalisme na. Een crisis. in het RW, gevolg van zijn
deelneming aan de regering Tindemans (1974-1977), en van een meer links- progressieve
koers onder impuls van zijn voorzitter Gendebien, leidde tot de afscheuring van een
belangrijke groep o.l.v. de stichter Perin, die overging naar de Waalse liberalen (zie
hierboven).


           XVI. NEDERLAND VAN 1914 TOT HEDEN

1. NEDERLAND EN DE EERSTE WERELDOORLOG

1.     Tijdens de Eerste Wereldoorlog slaagde Nederland er in zijn
       neutraliteit te handhaven, ondanks:
a.     moeilijkheden met Engeland i.v.m. de kustverdediging en Nederlands weigering van
       toelating van bewapende geallieerde handelsschepen
b.     de voortdurende Duitse druk; Duitsland had nl. Nederlands neutraliteit gerespecteerd
       om een doortocht van goederen mogelijk te maken.

2.     Het land kende desondanks zware financiële en economische moeilijkheden:
a.     grote bevoorradingsmoeilijkheden wegens de strenge geallieerde controle op
       ingevoerde goederen (vnl. levensmiddelen, ook uit de koloniën) omwille van de
       mogelijke uitvoer naar Duitsland (in ruil voor Duitse steenkool)
b.     de bestendige mobilisatie van het leger drukte op de economie
c.     Nederland ving duizenden Belgische vluchtelingen op.

3.     In 1917 zijn belangrijke wetten gestemd:
a.     het openbaar en bijzonder onderwijs werden financieel gelijkgesteld mits bepaalde
       normen gerespecteerd werden, met als gevolg de uitbreiding van het aantal
       confessionele scholen;
b.     het algemeen evenredig kiesrecht voor mannen vanaf de leeftijd van 23 jaar werd
       ingevoerd; het vrouwenkiesrecht volgde pas in 1922.


2. TUSSEN DE TWEE WERELDOORLOGEN

A. Het einde van de Eerste Wereldoorlog

1.     Zoals elders in Europa mislukte ook in Nederland een socialistisch-communistische
       opstand o.l.v. P.J. Troelstra (einde 1918). Deze opstand was een gevolg van de
       economische ellende enerzijds en van de invloed van buitenlandse voorbeelden
       (Duitsland, Rusland) anderzijds.

2.     België wilde vruchten plukken van het feit dat het in de oorlog veel zwaarder geleden
       had dan Nederland. Om die reden eiste België op het Congres van Versailles (1919)
       Zeeuws- Vlaanderen en Nederlands Limburg op en vroeg het de aanleg van een
       Schelde-Rijn-kanaal. Dit zorgde voor diplomatieke moeilijkheden en de spanningen
       met Nederland hieromtrent eb den slechts na jaren weg.

B. De politieke ontwikkeling

1.     De eerste verkiezingen op basis van het in 1917 ingevoerde algemeen stemrecht voor
       mannen brachten de uitschakeling van de liberalen met zich mee maar niet de
       overwinning van de socialisten.



2.     Van 1918 tot 1925 waren confessionele regeringen (ARP, KVP en CHU) aan de
       macht, die vooral de verdere gelijkschakeling van het officieel en het bijzonder
       onderwijs inzake subsidiëring realiseerden. Na de regeling van de schoolkwestie
       verzwakten de confessionele regeringen en viel de regering H. Colijn (ARP) in 1925.

3.     Talrijke extraparlementaire regeringen waren nu noodzakelijk wegens de
       onmogelijkheid van samenwerking tussen socialisten en RK en wegens de
       versnippering der politieke partijen.

4.     In 1933 werd een regering van nationale unie onder Colijn gevormd als reactie tegen
       extreemrechtse (Nationaal Socialistische Beweging o.l.v. Anton Mussert) en
       extreemlinkse bewegingen.
5.     De verzuiling, die reeds in de loop van de negentiende eeuw was ingezet, ging het hele
       maatschappelijke leven domineren: onderwijs, politiek, media, cultuur,
       verenigingsleven, ontspanning, gezondheidszorg.

C. De economische situatie

De belangrijkste feiten in dit opzicht waren:

1.     De economische crisis in 1929/1930 sloeg zwaar toe. Deels om de werkloosheid tegen
       te gaan, deels uit veiligheidsoverwegingen en deels om de voedselbevoorrading veilig
       te stellen werden de inpolderingwerken in de Zuiderzee verder gezet de voltooiing van
       de Afsluitdijk had plaats in 1932.

2.     De ontginning van kolenmijnen in Nederlands-Limburg zorgden voor de
       industrialisering van het economisch zwakkere Zuid- Nederland.

3.     Het ontstaan van moderne chemische en elektronische industrieën (Shell, Unilever,
       Philips, AKU).


3. DE TWEEDE WERELDOORLOG EN ZIJN GEVOLGEN

A. Oorlog en bezetting

1.     De Duitse inval van 10 mei 1940 - ondanks Nederlands neutraliteit - leidde tot een
       snelle verovering van het grondgebied, dank zij de tactiek van de Blitzkrieg en het
       gebruik van parachutisten. Het Nederlandse leger capituleerde reeds op 15 mei onder
       de indruk van het vernielings bombardement op Rotterdam van 14 mei.

2.      De regering en de koninklijke familie weken uit naar Engeland en Canada.

3.     Een burgerlijk, nationaal-socialistisch bezettingsbestuur (Aufsichts Verwaltung) onder
       leiding van Seyss-Inquart, met grote invloed van de SS, voerde een harde
       repressiepolitiek tegen een sterke weerstandsbeweging (o.m. met stakingen).




B. Bevrijding

1.     De geallieerde bevrijdingsoperaties werden vertraagd en bemoeilijkt door de
       mislukking van de gealliëerde luchtlandingsoperatie bij Arnhem (17 sept. 1944).

2.     Tengevolge hiervan maakte Nederland ten N. van de grote rivieren de vreselijke
       hongerwinter 1944/45 mee met duizenden doden tot gevolg. (2% oorlogsslachtoffers
       in Nederland tegen 1% in België).

3. Het Duitse leger in Holland capituleerde op 4 mei 1945.

C. Naoorlogse situatie
1.     De troonsafstand van koningin Wilhelmina ten voordele van
       koningin Juliana (1948) droeg aanzienlijk bij tot de populariteit van het Oranjehuis.
       Zelf deed ze troonsafstand ten gunste van haar dochter Beatrix in 1980. Ook deze
       vorstin is populair wegens de ernst en de degelijkheid waarmee ze haar taak vervult.

2.     Door de talrijke oorlogsvernielingen o.m. van de droogleggingwerken verliep het
       materieel herstel aanvankelijk moeizaam; doch met de hulp van de Marshall gelden
       (1079 miljoen Amerikaanse dollars) en de samenwerking van het bedrijfsleven, de
       werknemers en de overheid werd de wederopbouw een succes.

3.     Nieuwe welvaartsbronnen zoals de ontdekking van aardgas, de Deltawerken in de
       Scheldemonding (1953-1986), de wederopbouw van Rotterdam en de uitbreiding van
       zijn haven en de reconversie van de industrie, onder meer na de sluiting van de
       Limburgse mijnen, verzekerden een nieuwe economische opbloei.

4.     De naoorlogse politiek wordt gekenmerkt door een verregaande ontzuiling en
       depolitisering. Dit leidde ondermeer tot de fusie van de katholieke en christelijke
       partijen (KVP, ARP, CHU) tot één partij, het CDA (Christen Democratisch Appel) in
       1980.

5.     Tussen 1982 en 1994 heeft de CDA, met haar minister-president Ruud Lubbers de
       macht in handen. De 'no-nonsense'- politiek van Lubbers heeft na de overvloed der
       jaren zestig en vroege jaren zeventig en de daaropvolgende economische crisis, op het
       einde van de jaren tachtig geleid tot een opmerkelijk herstel.

6.     Tegen de verwachtingen in leed het CDA zware verliezen bij de verkiezingen van
       1994. Voor het eerst sedert 1917 zaten de christen-democraten niet in de regering. Er
       werd een Paars kabinet gevormd van liberalen (VVD), socialisten (PvdA) en D66 met
       de socialist Wim Kok als minister-president.

D. Dekolonisatie

De liquidatie van het koloniaal rijk daarentegen zorgde voor vele spanningen.




1. Nederlands-Indië

a.     De verzaking aan Nederlands-Indië was versneld door de Japanse bezetting van
       Indonesië, de gedeeltelijke collaboratie met Japan van Indonesische nationalisten (o.m.
       Soekarno) en de feitelijke onafhankelijkheid van Indonesië onder gezag van
       Indonesische nationalisten bij de Japanse capitulatie (17 augustus 1945).
b.     De geleidelijke soevereiniteitsoverdracht voorzien in de akkoorden van Linggadjati
       (1948), mislukte o.a. door de zgn. politionele acties van Nederlandse troepen.
c.     Door bemiddeling van de UNO (Ronde tafelconferentie 1949) werd de
       soevereiniteitsoverdracht versneld, doch de Nederlands-Indonesische Unie mislukte
       (ze werd in 1954 door president Soekarno opgezegd).
d.      Nieuwe moeilijkheden over Nieuw-Guinea (Irian) werden opgelost doordat de
       administratie overgedragen werd aan de UNO, die in 1963 de soevereiniteit over
       Nieuw-Guinea aan Indonesië gaf.
e.     De Zuid-Molukse eilanden weigerden om aan te sluiten. Na de invasie van Indonesië
       zijn duizenden Molukkers in de jaren zestig naar Nederland gevlucht. Ze vervoegden
       er de Molukse militairen die er met hun gezinnen bij de demobilisatie van het KNIL
       (Koninklijk Nederlandsch- Indisch Leger) in 1951 waren heengebracht. Na jarenlange
       acties hebben de Molukkers de hoop op een onafhankelijke staat opgegeven en hebben
       ze zich in Nederland geïntegreerd.

2. West-Indië

a.     In 1975 besliste een nipte meerderheid over de onafhankelijkheid van Suriname. Een
       derde van de Surinamers is voor de overdracht naar Nederland verhuisd.
b.     De Nederlandse Antillen (Aruba, Bonaire, Curaçao en enkele kleinere eilanden)
       kennen een grote mate van zelfbestuur. Over een definitief statuut is nog geen
       beslissing genomen.




        XVII. CULTUUR IN BELGIE EN NEDERLAND
                 IN DE 19E EN 20E EEUW


1.     NEGENTIENDE EEUW

A.     Romantiek: eerste helft 19e eeuw

1.     Periode van de Romantiek, met een sterke nadruk op het gevoel. Voor de beweging is
       weinig plaats in Nederland. De cultuur daar wordt gedragen door dominees, brave
       kooplieden en professoren en wordt gekenmerkt door zelfgenoegzaamheid.
2.     Nederland is dan ook vatbaar voor de leefwereld van Biedermaier, dat uit Duitsland en
       Oostenrijk werd ingevoerd en vooral floreerde tussen ca 1815 en 1850.
       De naam is afgeleid van de humoristische gedichten van de schoolmeester Gottlieb
       Biedermaier.

       a.       Kenmerken van deze cultuuruiting: burgerlijkheid, bekrompenheid,
                gezapigheid, optimisme, overgoten met een dosis sentimentaliteit. Het is een
                soort reactie op de hoge verwachtingen van de Franse Revolutie.
       b.       Uitingen in de woonkunst, schilderkunst, kledij en literatuur.
       c.       In de literatuur in Nederland zijn de vertegenwoordigers J. Tollens, Potgieter,
                Nicolaas Beets (Hildebrand). Zijn Camera Obscura was zeer populair omdat
                het de werkelijkheid weergaf zoals de lezers die zagen.


B.     Tweede helft van de 19e eeuw
1.   In België speelt de Vlaamse Beweging een essentiële rol in het behoud en de
     verspreiding van de Nederlandse (Vlaamse) taal (zie hierover meer in hoofdstuk van B
     de Wever). Binnen de Vlaamse Beweging hebben het Willemsfonds en het
     Davidsfonds tot op de dag van vandaag daarin een grote bijdrage geleverd met hun
     publicaties en socio-culturele activiteiten. Het liberale Willemsfonds, gesticht in 1851
     en zo genoemd naar Jan Willems (1793-1846), ijvert voor de algemene geestelijke
     ontwikkeling van de Vlaamse volksmens in antiklerikalzin. In 1875 wordt als
     tegenstander het katholieke Davidsfonds opgericht, zo genoemd naar Jan Baptist
     David (1801-1866). Het socialistische Vermeylenfonds is er pas in 1945 gekomen na
     het overlijden van August Vermeylen (1872-1945). Deze vereniging streeft naar de
     verruiming van de Vlaamse Beweging door intellectuele ontvoogding en sociale
     rechtvaardigheid te bevorderen. Na WOII zijn de drie fondsen, samen in het
     Overlegcentrum van de Vlaamse Verengingen, erg actief in de taalstrijd en in het
     streven naar culturele autonomie.

2.   De tweede helft van de 19e eeuw wordt in Nederland gekenmerkt door een nieuw elan,
     ook in de cultuur. Dat weerspiegelt zich vooral in de literatuur met de Tachtigers (Van
     Eeden, Kloos, Gorter, Van Deyssel, Verwey, Couperus) De literatuur is sterk
     picturaal; gevoelens en wederwaardigheden worden als het ware geschilderd en
     moeten de allerindividueelste emoties weergeven.

3.   Vanaf de jaren negentig wordt in de kunst en in de cultuur meer belang gehecht aan de
     gemeenschap. Dit uit zich in monumentale kunst met talrijke neostijlen. In de
     Katholieke gebieden bloeit vooral de neogotiek.

4.   Rond de eeuwwisseling kent een nieuwe kunststijl een kort succes. De “art nouveau”
     of “Jugendstil” verbindt natuurlijke motieven en figuren (vooral;planten) met en op
     een industrieel vervaardigde basis, waaronder vooral smeedijzerwerk.            Deze
     kunststroming vond vooral ingang bij de bourgeoisie en het betrof een te exuberante
     architectuur en toegepaste kunst. Brussel wordt samen met Parijs, de hoofdstad van de
     “art nouveau”, met gebouwen, waaronder talrijke private woningen, ontworpen door
     Horta.


2.   TWINTIGSTE EEUW

A.   Eerste helft van de 20e eeuw

1.   De strakke stijl van de ingepolderde gebieden van de Zuiderzee (Flevoland) wordt als
     het ware weerspiegeld in de kunstrichting „De Stijl‟, genoemd naar het kunsttijdschrift
     dat in 1917 werd opgericht door beeldend kunstenaar Theo Doesburg (+1933) samen
     met de schilder Piet Mondriaan en de architect J.J.P. Oud.
     De Stijl groepeert schilders, architecten, beeldhouwers en schrijvers die aansluiting
     zochten bij internationale ontwikkelingen van de abstracte kunst. Verschillenden
     onder hen hebben internationale betekenis zoals de schilder Piet Mondriaan en de
     architect Rietveld.

2.   Beginselen van De Stijl: volstrekte abstractie met uitbanning van elke referentie naar
     een onderdeel van de waarneembare werkelijkheid. Rechte lijnen (horizontale en
     verticale) en rechte hoeken; drie primaire kleuren (rood, geel en blauw) en drie niet
       kleuren (zwart, wit en grijs) domineren. De Stijlers streven naar een universele
       harmonie tussen het oude, nl. het individuele en het nieuwe, nl. het universele.

3.     In de bouwkunst werd ondermeer geëxperimenteerd met sociale huisvesting. De
       Amsterdamse artistieke sociale woningbouw kreeg internationale vermaardheid.

B.     Tweede helft van de twintigste eeuw

aansluitend bij de internationale experimentele en abstracte kunstuitingen.

1.     In de beeldende kunst kende de Nederlanders en Belgen van de groep Cobra
       (Kopenhagen, Brussel en Amsterdam) grote internationale vermaardheid (Karel
       Appel, Corneille, Dotremont). Hun experimentele schilderwijze wordt ook „abstract
       expressionisme‟ genoemd.

2.     Nauw aansluitend bij de Cobra-groep zochten de Vijftigers of „experimentelen‟ naar
       taalvernieuwing en nieuwe literaire expressievormen (Lucebert, Gerrit Kouwenaar,
       Simon Vinkenoog, Dotrement, Hugo Claus en Jan Walravens om er slechts enkelen te
       noemen).

3.     Gelijktijdig in Amerika en Engeland kwam in de jaren 50 Pop Art (popular art) op, een
       stroming in de beeldende kunst. Met Pop Art wordt popular culture bedoeld, nl. alles
       wat een geïndustrialiseerde massacultuur haar inzicht geeft. In diezelfde tijd ontstaat
       de popmuziek (popular music). De pop cultuur heeft ook kunst en cultuur in de Lage
       Landen sterk beïnvloed.




          XVIII. OVERKOEPELENDE INSTELLINGEN


1.     BENELUX


2.     NEDERLANDSE TAALUNIE (NTU)

De NTU is een gemeenschappelijk Nederlands-Vlaams overheidsorgaan ter bevordering van
de Nederlandse taal en letteren.


3.     ALGEMEEN NEDERLANDS VERBOND (ANV)

Het ANV is opgericht in 1895. Het is een internationale vereniging met afdelingen en
werkgroepen in Vlaanderen, Nederland en Overzee. Het beheert een aantal fondsen waarvan
het belangrijkste het ANV-Visser-Neerlandia Fonds is, dat prijzen toekent.

Doelstellingen:
- Het ANV komt op voor de belangen van de Nederlandse taal en cultuur overal waar het
Nederlands gesproken wordt en/of gedoceerd wordt.
- Het ANV wil de ruimste samenwerking op elk terrein tussen Vlaanderen en Nederland
bevorderen.
- Thans beschouwt het ANV als kerntaak het behoud van het Nederlands als de officiële taal
binnen de Europese Unie en al haar organen.
- Het ANV biedt een maatschappelijk draagvlak voor de Nederlandse Taalunie.




                  Geschiedenis van de Nederlanden
      De Vlaamse beweging als factor in de Belgische geschiedenis
                         Bruno De Wever


0. Inleiding

Het is bekend dat wie de Belgische geschiedenis bestudeert, oog moet hebben voor 3 grote
conflictzones die voortdurend aanwezig waren en zijn:

1. de conflictzone „arbeid versus kapitaal‟. De problematiek van de sociale beweging en de
   emancipatie van de arbeiders. Of in een hedendaagse betekenis de conflictzone tussen
   werkgevers en werknemers;
2. de conflictzone „klerikalisme versus antiklerikalisme‟. De problematiek van de positie van
   de kerk en de katholieke zuil in een gelaïciseerde moderne samenleving. Vandaag
   concentreert deze tegenstelling zich meer op de „waarden in de samenleving‟, al blijft de
   positie van de katholieke zuil conflictgeladen;
3. de conflictzone „Nederlandstaligen versus Franstaligen‟. De problematiek van de
   ontvoogding van de Nederlandstalige Belgen of Vlamingen in een in oorsprong
   Franstalige Belgische staat. Vandaag is dit hoofdzakelijk een institutioneel conflict dat
   zich afspeelt binnen het Belgische labyrint van gewesten, gemeenschappen, parlementen
   en raden van Vlamingen, Walen en Brusselaars.

Deze syllabus handelt over de laatste tegenstelling. De focus wordt gericht op de
ontwikkeling van de Vlaamse beweging. Dat impliceert een welbepaald perspectief. De
conflictzone „Nederlandstaligen versus Franstaligen‟ is ruimer dan alleen maar de Vlaamse
beweging, al is de Vlaamse beweging er zonder twijfel de drijvende kracht van (geweest).
Maar je had (en je hebt vandaag meer dan ooit) ook de Waalse beweging en een beweging
van Franstalige Brusselaars. Voorts is er het feit dat de conflictzone tussen Nederlandstaligen
en Franstaligen vandaag geïnstitutionaliseerd is. Het is niet meer alleen een zaak van politieke
bewegingen, het is ook een zaak geworden van politieke instellingen. Sedert de laatste
staatshervorming hebben Vlaanderen en Wallonië elk een eigen rechtstreeks verkozen
parlement en Brussel een dito Hoofdstedelijke Raad. Dat is de voorlopige bekroning van het
federaliseringsproces dat de unitaire Belgische staat heeft afgetakeld. De Belgische staat heeft
een ruim pakket bevoegdheden afgestaan aan regio‟s die zich langzaam maar zeker als staten
of deelstaten opwerpen. Dat is een proces dat schoorvoetend begon voor de Tweede
Wereldoorlog, maar dat zich vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft afgetekend en in een
versnellingsfase is gekomen sedert de grondwetsherzieningen van de jaren zeventig en
tachtig.
Dat dit staatshervormingsproces zich heeft afgewikkeld is op zich geen evidente zaak. Het
stond m.a.w. niet in de sterren geschreven dat uit de Belgische staat die in 1830 ontstond, na
verloop van tijd twee deelstaten zouden ontstaan van Nederlandstaligen/Vlamingen enerzijds
en Franstaligen/Walen anderzijds (met een aparte constructie voor Brussel).
Het feit op zich dat in een staat meer dan één taalgroep aanwezig is, is geen voldoende reden
om zo‟n proces op gang te brengen. Er zijn veel voorbeelden te noemen van staten waar dit
anders liep. Het feit dat mensen dezelfde taal spreken hoeft er ook niet toe te leiden dat ze één
natie vormen.

Vlaanderen zoals wij dat vandaag kennen is dus geen „natuurlijk gegroeid‟ product.
„Vlaanderen‟ is evenmin het gevolg van een zich uit de nevelen der tijden ontwikkelend
Vlaams volk dat zich na een lange maar onvermijdelijke weg heeft ontvoogd. Dat is
mythologie die met de werkelijkheid niets te maken heeft. Het begrip „Vlaanderen‟ in zijn
hedendaagse betekenis bestond niet eens voor 1830 en zelfs na 1830 duurde het jaren
vooraleer men het begrip Vlaanderen zo gebruikte. Er waren veel andere wegen mogelijk. De
toestand zoals we die vandaag kennen is het resultaat van een heel complexe en contingente
ontwikkeling waarin de Vlaamse beweging een rol heeft gespeeld. Daarover gaat onderhavig
verhaal. Het begint in 1830 toen na de Belgische revolutie uit het Verenigd Koninkrijk de
Belgische staat ontstond. In een eerste etappe komt de ontwikkeling van de Vlaamse
beweging tot de Eerste Wereldoorlog aan bod. In een tweede etappe behandel ik de verdere
evolutie van de Eerste t.e.m. de Tweede Wereldoorlog en tenslotte wordt de periode na 1944
even aangeraakt.

1. De Vlaamse beweging tot 1914

De Belgische staat werd in 1830 opgericht als een zeer liberale staat, de meest liberale van de
wereld. België werd gevormd en beheerst door de burgerij, actief in industrie en handel. Zij
had behoefte aan een minimaal maar efficiënt staatsapparaat en een moderne bureaucratie.
Een geüniformiseerde staatstaal maakte daar deel van uit. Het was evident dat die taal het
Frans was. Frans was de taal van de liberale revolutie, de taal van de vrijheid en de
vooruitgang. Het was een taal met prestige, die al eeuwen gesproken werd door de elites in de
Zuidelijke Nederlanden. De „volkstaal‟ was een verzameling van Vlaamse en Waalse
dialecten, elk met een lokale reikwijdte. Dat volstond in een agrarische samenleving met
uitsluitend lokale communicatie, maar niet meer in de moderne staat. Het aanzien van de
volkstaal in Vlaanderen had bovendien fel aan prestige ingeboet en stond erg zwak als
cultuurtaal.
Zeer snel kwam er in België een totale verfransing van het openbare leven. Officieel werd de
totale taalvrijheid afgekondigd (cfr. de liberale principes), in de praktijk was alleen het Frans
denkbaar. Er bestond evenwel geen plan om de „volkstaal‟ uit te roeien. Integendeel. De
Belgische staat verleende steun aan allerlei culturele initiatieven inzake de „volkstaal‟. De
moedertaal van het overgrote gedeelte van de inwoners van de noordelijke provincies
Limburg, Antwerpen, Brabant, Oost- en West-Vlaanderen sprak een Vlaams dialect. Dat werd
beschouwd als een onderdeel van de Belgische identiteit, vooral verwijzend naar een
luisterrijk verleden (de Vlaamse primitieven enz.). Voor het overige was de burgerlijke elite
niet bekommerd om de taal van wat toen nog het „gemene volk‟ heette. In deze toestand werd
het „Vlaams‟ in het beste geval gezien als een te koesteren relict uit het verleden, in het
slechtste geval als boers, onbeschaafd en achterlijk.
Maar ondanks de verder schrijdende verfransing bleef het grootste gedeelte van de bevolking
in het noorden onverfranst. In deze sociale realiteit en in de staat België zelf liggen de wortels
van de Vlaamse beweging.
De Franstalige Belgische staat creëerde het begrip „Vlaanderen‟ en de Vlaamse beweging.
Vlaanderen als een aparte entiteit van Nederlandstalige Belgen, ontstond als gevolg van een
Vlaamse beweging die op haar beurt voortsproot uit de Belgische Revolutie en het nationale
Belgische elan dat er het gevolg van was. Er ontstonden tijdschriften en kringen van zgn.
„taalminnaars‟ , mensen die beroepshalve of uit liefhebberij betrokken waren bij de volkstaal.
Hun bekommernis voor de volkstaal werd als gevolg van het Belgisch patriottisme in een
modern concept vertaald. De strijd voor de volkstaal werd een strijd voor de Belgische
nationaliteit: de Vlaamse beweging ontstond m.a.w. als een Belgische ultra-patriottistische
beweging die België meer Belgisch wilde maken, nl. een cultureel-administratieve tweetalige
natie die een brug tussen de Germaanse en Latijnse wereld vormde. Die brugfunctie
legitimeerde de Belgische onafhankelijkheid en maakte deel uit van de Belgische identiteit.
Tweetaligheid moest er een uiting van zijn. De Vlaamse beweging ontstond dus uit het
Belgische bewustzijn.
De Vlaamse beweging creëerde uiteindelijk het moderne Vlaanderen. Vanaf ca. 1860
evolueerde de Vlaamse beweging weg van haar Belgisch-patriottische oorsprong naar een
beweging die de rechten van de Vlamingen opeiste binnen de Belgische staat. De
taalminnaars eisten dat de volkstaal in Vlaanderen bestuurstaal werd en zij ijverden ook voor
een Vlaamse/Nederlandse standaardtaal. De Vlaamse beweging werd een taalbeweging die
rechten opeiste voor de Nederlandstalige Belgen. De Franstalige dominantie en de weigering
van het Franstalige establishment om op deze eisen in te gaan, leidde tot een Vlaams-Waalse
tweeledigheid en uiteindelijk tot een groeiende tegenstelling tussen Walen en Vlamingen.
Daardoor ontstond een zelfstandig Vlaams bewustzijn (Vlaams samenhorigheidsgevoel) dat
naast een Belgisch bewustzijn kwam te staan.
De Vlaamse beweging won aan impact naarmate zij haar politieke eisen een sociale dimensie
wist te geven enerzijds en naarmate de politieke democratie uitbreiding nam anderzijds.
De Vlaamse beweging kreeg een ander karakter toen ze de taalproblematiek als een sociale
problematiek definieerde. Dat gebeurde vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw met het
ontstaan van het zgn. „cultuurflamingantisme‟. De „cultuurflaminganten‟ beschouwden
taalongelijkheid als een democratisch deficit. De algemeen gebruikte term
„cultuurflamingantisme‟ heeft in die zin een wat misleidende connotatie. Cultuurflaminganten
voegden precies een sociale dimensie toe en onderscheidden zich daardoor van de eerste
generatie flaminganten die zuiver „taalminnaars‟ waren.
Deze verruimde Vlaamse beweging stimuleerde het Vlaams natiegevoel. De bewustwording
van sociale achteruitstelling deed het samenhorigheidsgevoel tussen de Nederlandstalige
Belgen toenemen. Zo werd de Vlaamse beweging meer en meer een nationale beweging. Ze
was evenwel geen nationalistische beweging omdat zij zichzelf bleef definiëren als een
onderdeel van de Belgische natie. De vijand was niet de Belgische staat of de Belgische natie
maar degenen die de gelijkberechtiging van het Nederlands in de weg stonden. Vooral de
Franstaligen in Vlaanderen werden onder vuur genomen.
De zeer gematigde doelstellingen van de Vlaamse beweging waren ook het gevolg van haar
zwakte.
Ze kon maar steunen op een klein deel van de bevolking. De hogere klassen waren al
generaties lang verfranst. Dat gold ook voor een deel van de burgerij, de natuurlijke drager
van het nationalisme. Zo kon de Vlaamse beweging niet rekenen op een vitaal deel van de
bevolking. De lagere klassen waren vaak nog analfabeet. Zij ondervonden dan ook niet zoveel
hinder van de verfransingsdruk. Voor het socialisme waren de eisen van de Vlaamse
beweging bijgevolg geen prioriteit. Het waren vooral leden van de lagere middenklasse voor
wie de verfransingsdruk ingreep in hun dagelijkse leven. Zij werden gedwongen om een
vreemde taal te leren en te gebruiken om zich sociaal te handhaven. Zij werden voor de keuze
geplaatst te kiezen voor het Frans of zich daartegen te verzetten. Een deel koos voor de
moedertaal. Dit deel van de middenklasse was de sociale groep waarop de Vlaamse beweging
steunde. We vinden ze terug in de Liberale Partij, waar ze het Liberaal Vlaams Verbond
vormden; in de Katholieke Partij, waar ze aan de basis van de christen-democratie lagen.
Een tweede reden voor de zwakte van de Vlaamse beweging was het feit dat ze haar eisen niet
op de politieke agenda kon plaatsen. Het partijpolitieke leven werd beheerst door de
Franstalige hogere burgerij die haar macht beschermde met een politiek systeem dat grote
groepen van de bevolking onmondig maakte. De macht van de Vlaamsgezinde middenklasse
was beperkt. Dat kwam ook doordat ze zelf levensbeschouwelijk verdeeld was. De
tegenstelling tussen klerikalen en anti-klerikalen was prioritair en maakte dat de loyauteit aan
de Franstalige geestesgenoten vaak groter was dan de solidariteit tussen Vlaamsgezinden. De
katholieke kerk nam een dubbelzinnige positie in. Ze verzoende zich met de liberale principes
waarop de Belgische staat was gebouwd in de mate dat haar de mogelijkheid werd geboden
een staat in de staat te bouwen. Het kerkelijke instituut creëerde een „zuil‟ die het „godsvolk‟
kon beschermen tegen anti-klerikale en vrijzinnige invloeden. Voor de hoge geestelijkheid
primeerde het belang van het kerkelijk instituut. Zij conformeerde zich met het Franstalige
Belgische establishment. Tegelijk zag zij in dat de volkstaal in Vlaanderen een dam kon
opwerpen tegen de door haar als verderfelijk beschouwde liberale ideeën, die immers meestal
in het Frans werden verspreid. Zij gaf dan ook steun aan de volkstaalbeweging in de mate dat
die de katholieke zaak diende. Vooral de lagere geestelijkheid, „les petits vicaires‟, werden zo
een steunpilaar voor de Vlaamse beweging. Deze dubbelzinnige houding entte zich op de
tegenstellingen die zich in de loop van de 19de eeuw in het politieke katholicisme vormden.
Met name voor de christen-democratie in Vlaanderen werd de strijd voor de volkstaal een
instrument om de volksmassa aan zich te binden tegen het liberalisme en het socialisme.
Tegelijk was het een terrein waarop de christen-democratie zich kon profileren ten opzichte
van de Franstalige katholieke conservatieve burgerij in Vlaanderen.
Het belang van de christen-democratie nam toe naarmate de politieke democratie verruimde.
Met de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht (1893) werd de steun van de
massa belangrijker. De christen-democratie kreeg meer armslag. Dit ging gepaard met een
doorbraak van de Vlaamse beweging naar de katholieke massa. Daar waar de conservatieve
katholieke burgerij te veel weerstand bood ontstond een dissidente christen-democratische
beweging (in Vlaanderen het zgn. Daensisme).

Aan het eind van de 19de eeuw slaagde de Vlaamse beweging er dankzij de politieke
democratisering voor het eerst in een massabeweging te vormen, zij het dan vooral in en door
de christen-democratie. Zij kon haar eerste parlementaire successen boeken met enkele prille
taalwetten. De buitenparlementaire acties rond de „Gelijkheidswet‟ (1898) bewezen de
toegenomen mobilisatiekracht. De „Gelijkheidswet‟ draaide vooral om de principiële
gelijkheid van het Frans en het Nederlands als bestuurstaal. Deze principestrijd had een grote
symboolwaarde. Maar vooral de strijd voor een Nederlandstalige universiteit in Gent kreeg
symboolwaarde. Het dreef Vlaamsgezinden uit alle partijen naar elkaar (cfr. „de drie
kraaiende hanen‟ Frans Van Cauwelaert (christen-democraat), Camille Huysmans (socialist)
en Louis Franck (liberaal) interpelleerden gezamenlijk in het parlement.
Door de toegenomen slagkracht van de Vlaamsgezinden voelden de Franstaligen zich
bedreigd in hun privileges, in de eerste plaats de Franstaligen in Vlaanderen. Het is dan ook
niet verwonderlijk dat op het einde van de 19de eeuw de Waalse beweging in Vlaanderen
ontstond als een anti-flamingantische beweging. In Wallonië groeide de onrust ook. Men
besefte dat een principiële taalgelijkheid wel eens tot gevolg kon hebben dat Waalse
ambtenaren Nederlands zouden moeten leren. Daartegen ontwikkelde de Waalse beweging
het idee van een „séparation administrative‟: een „bestuurlijke scheiding‟ of m.a.w. een
federalisering van België. In de ogen van de Waalse bewegers moest dat leiden tot een
ééntalig Wallonië en een tweetalig Vlaanderen.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd het idee van een bestuurlijke scheiding
voor het eerst overgenomen in de Vlaamse beweging, zij het in een heel beperkte kring.
Vanzelfsprekend werd de bestuurlijke scheiding heel anders opgevat dan bij de Waalse
beweging, nl. als een splitsing tussen een ééntalig Wallonië en ééntalig Vlaanderen. In mei
1914 verscheen in Gent het maandblad „De Bestuurlijke Scheiding‟. Het werd uitgegeven
door geradicaliseerde studenten van de universiteit. Zij maakten plannen voor de oprichting
van een Vlaams-nationalistische partij. Het is niet onbelangrijk op te merken dat deze groep
uitgesproken antiparlementair was. De leden hadden elk geloof verloren in de parlementaire
weg om de Vlaamse eisen te realiseren. Ze spraken over een „werkelijk nationale politiek‟ die
zou gedragen worden door „het volk‟ dat een revolutionaire potentie werd toegedicht.

2. De Vlaamse beweging van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog

2.2. De Eerste Wereldoorlog
2.1.1. Frontbeweging
Dat de Vlaamse beweging nog steeds stevig Belgisch verankerd was, bleek bij het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog. De flaminganten schaarden zich geestdriftig achter koning
Albert en zijn regering. Er was zelfs een sfeer van euforie toen de Koning een memorabele
proclamatie tot het Belgische volk richtte: „Herinnert U Vlamingen, de slag der Gulden
Sporen, en gij Luiker Walen, dat op dit ogenblik de eer der 600 Franchimontezen U te beurt
valt.‟ Vele flaminganten beschouwden dit als een impliciete erkenning van de Vlaamse
identiteit. Gedreven door het patriottische vuur meldden vele Vlaamsgezinden zich als
oorlogsvrijwilliger. De Koning riep ook nog op tot een „godsvrede‟. De Belgen moesten één
partij vormen: „celui de la patrie‟.
Het enthousiasme van zowat de hele Vlaamse beweging om het Belgische vaderland te
verdedigen had zeker ook een opportunistische drijfveer. Er werd verondersteld dat een
dankbaar vaderland de flamingantische inzet na de oorlog zou honoreren met taalwetten.
Eenzelfde redenering treffen we mutatis mutandis aan bij de socialisten.
Maar al in het begin van 1915 kwam de godsvrede onder druk te staan. De eerste taalklachten
van frontsoldaten doken op. Medio 1915 kregen de eerste taalklachten echo‟s in de pers. Het
leger was nagenoeg eentalig Frans. Er waren net voor het uitbreken van de oorlog wel enkele
prille taalwetten voor het leger gestemd maar die waren of symbolisch of ze werden niet
toegepast omdat de legerleiding een totale onwil toonde. Koning Albert beschouwde een
Franstalig leger als een instrument om een Franstalige Belgische natie te vormen. Toen uit het
bezette land de eerste geruchten over het activisme (=collaboratie van Vlaamsgezinden – cfr.
infra) opdoken, verhardde de wil om elk teken van Vlaamsgezinde contestatie te
onderdrukken. Vlaamsgezindheid werd beschouwd als subversie.
Vanuit deze situatie broeide een ernstig conflict. Vlaamsgezinden vormden immers een
tegenelite in het leger die zich inspande voor een lotsverbetering van de Fransonkundige
Vlaamse soldaten. Er werden studiekringen opgericht en frontblaadjes uitgegeven. Ze werden
vaak geleid door Vlaamsgezinde priesters, seminaristen en jonge academici. Uit de
frontblaadjes en de studiekringen groeide vanaf 1916 stilaan de Frontbeweging. Contacten
tussen de legereenheden konden gemakkelijk worden georganiseerd door de stabiliteit van het
front en door het feit dat ook burgers bij de beweging waren betrokken. De legerleiding
koesterde een diep wantrouwen tegen deze spontaan gegroeide beweging. Ze organiseerde
immers in haar ogen een tegengezag dat een bedreiging vormde voor de militaire discipline.
De doorbraak van het activisme in het bezette land deed de rest. Toen in 1917 de legerleiding
zich klaarmaakte voor een groot offensief, werd tegen de Frontbeweging opgetreden. De
studiekringen en de frontblaadjes werden verboden. Een deel van de beweging besloot
ondergronds te gaan. Het zorgde voor een verdere radicalisering. De clandestiene
Frontbeweging werd georganiseerd per legerafdeling. De geheime had een aanhang van ca.
5000 leden. Haar activiteiten waren in feite semi-clandestien, daar de contacten met de
Vlaamsgezinde politici (vnl. katholieken, bv. Frans Van Cauwelaert), tot in de regering toe,
gehandhaafd bleven. De militaire veiligheid was goed op de hoogte van de acties van de
beweging maar schatte ze verkeerd in. Ze meende dat het om een verlengstuk van het
activisme ging. Vlaamse beweging en collaboratie werden op één lijn geplaatst. De
legerleiding reageerde met tuchtstraffen, mutaties, verbanningen en degradaties. Bij de
Frontbeweging leidde dit tot verbittering en verdere radicalisering. In een aantal „Open
Brieven‟ en in nachtelijke „vliegtochten‟ werden de eisen scherp geformuleerd. De algemene
atmosfeer van oorlogsmoeheid en defaitisme (massale deserties, ook in de andere legers), de
angst voor een nieuw offensief en de turbulente internationale gebeurtenissen (Ierland met de
Paasopstand in 1916, de februari- en oktoberrevoluties in Rusland in 1917, de intrede van de
Amerikanen in de oorlog met het 14-puntenprogramma (o.m. het „zelfbeschikkingsrecht der
volkeren‟) van president Wilson van januari 1918).
De Frontbeweging zag zich meer en meer als een revolutionaire groep terwijl de legerleiding
in de Frontbeweging een geschikte zondebok vond voor alle problemen die voortvloeiden uit
de totale oorlogsmoeheid en verbittering van de soldaten. Deze elkaar versterkende gegevens
leidden ertoe dat de leiding van de Frontbeweging elk vertrouwen verloor in de Belgische
staat en dat er een verwijdering kwam met de Vlaamsgezinde katholieke politici die er niet in
slaagden ook maar één toegeving van de regering te bekomen. Er groeide sympathie voor het
activisme. Binnenskamers overwogen de leiders van de Frontbeweging het idee van een
gewapende opstand. Zij beslisten contact op te nemen met de gematigde activisten om overleg
te plegen. Daartoe stuurden ze op 1 mei 1918 zelfs enkele manschappen over de linies.
De leiders van de Frontbeweging hebben hun macht danig overschat. Dat bleek toen na het
geallieerde eindoffensief België bevrijd werd. Van het revolutionaire elan bleef niet veel over.
De meeste leden van de Frontbeweging verlangde zoals de andere soldaten naar huis, naar
rust en vrede. De meeste leiders van de Frontbeweging kozen in die omstandigheden voor een
voortzetting van de legale politieke strijd, hetzij in de Katholieke Partij, hetzij in een nieuw
opgerichte Vlaams-nationalistische partij. De revolutionaire plannen werden opgeborgen.
Maar niet alle leden gaven hun revolutionaire droom van een gewapende opstand op. Zij
kregen steun van verbannen of gestrafte activisten die op geen enkele manier nog een
constructieve politiek binnen het Belgische staatsverband wensten te voeren.

2.1.2. Het activisme
De Vlaamse beweging in het bezette land viel uiteen in twee delen. Een deel wilde haar eisen
realiseren door samenwerking („collaboratie‟) met de bezetter. Een ander deel vond elke
politieksamenwerking met de bezetter principieel onaanvaardbaar. De eersten werden
„activisten‟ genoemd, de anderen „passivisten‟ (zij die passief wilden blijven).
Het activisme startte vrijwel onmiddellijk, zij het op een bescheiden schaal. Niet toevallig
treft men de eerste collaborateurs aan bij de geradicaliseerde Gentse groep rond „De
Bestuurlijke Scheiding‟. In oktober 1914 werd in Gent „Jong-Vlaanderen‟ gesticht. De groep
pleitte in eerste instantie zonder meer voor de annexatie van Vlaanderen bij Duitsland. Zij zag
de oorlog als een strijd tussen het Germaanse ras en het Romaanse ras. In tweede instantie
ijverden de „Jong-Vlamingen‟ voor een onafhankelijk Vlaanderen geklonken aan Duitsland.
Om dat te bereiken klopten ze aan bij de bezetter die hen graag steun verleende. Er werden
elders in het bezette land Jong-Vlaanderengroepjes gesticht. Er werden ook wat door de
bezetter gesubsidieerde persorganen in het leven geroepen. Maar al bij al bleef het activisme
beperkt tot een klein groepje. De Vlaamse beweging liet er zich niet aan vangen.
Daarom lanceerde de bezetter einde 1915 een nieuw initiatief. Op 31 december kondigde hij
het plan aan om de Gentse universiteit te vernederlandsen. Het nieuws sloeg in als een bom.
De belangrijkste eis van de Vlaamse beweging werd nu op een presenteerblaadje aangeboden.
Het was een meesterzet. Het plan slaagde. Niet weinig Vlaamsgezinde intellectuelen
verklaarden zich bereid aan het initiatief mee te werken. Het waren meestal mensen uit de
buitenparlementaire Vlaamse beweging. Een meerderheid van de flaminganten, de
parlementaire leiders op kop, wezen het vergiftigde geschenk af.
DE bezetter rekende erop dat de zgn. „Vlaamse Hogeschool‟ (voor de tegenstanders de „Von
Bissing –universiteit‟, genoemd naar het hoofd van de Duitse bezettingsadministratie) een
dynamiek zou geven aan het activisme. Ook dat lukte. Er kwam in flamingantische middens
een beweging op gang ten gunste van de vernederlandste universiteit. Velen kwamen zo in het
activisme terecht. Ook de berekening dat de „Vlaamse Hogeschool‟ een begin van structuur
aan het activisme zou geven klopte. Uit het professorenkorps groeide de eerste „Raad van
Vlaanderen‟, opgericht op 4 februari 1917, als een embryo van een Vlaamse
volksvertegenwoordiging. Het was op een moment dat het gonsde van geruchten over
vredesonderhandelingen. Diegenen die zich in het activisme hadden gewaagd, wilden daar
klaar voor zijn. In principe moest de Raad 90 leden tellen, 1 per 50.000 inwoners. De leden
weerspiegelden de diverse stromingen in het activisme. Samen met de verbreding van de basis
van het activisme waren er verschillende stromingen in ontstaan. Er was een gematigde
vleugel (de zgn. unionisten) die ten minste formeel wilde vasthouden aan de Belgische
legaliteit door aan te sturen op een zelfstandig Vlaanderen in een federale Belgische
bondsstaat enerzijds en de radicale Jong-Vlaamse vleugel die opteerde voor een onafhankelijk
Vlaanderen anderzijds. Elke discussie over legaliteit was evenwel zuiver formalistisch, daar
de essentiële democratische voorwaarde ontbrak. De leden van de Raad wisten zeer goed dat
ze allerminst de wil van het soevereine volk weerspiegelden. Ze beseften integendeel dat ze
door het volk werden uitgespuwd als landverraders. Dat verbeterde er niet op toen Duitsland
de bestuurlijke scheiding van België in het vooruitzicht stelde. Er rees een breed verzetsfront
tegen elke maatregel die tot een bestuurlijke scheiding kon leiden. Vooral het openlijke verzet
van kardinaal Mercier maakte grote indruk.
De Belgische regering in Le Havre vaardigde op 8 april 1917 een besluitwet uit waarin alle
maatregelen van de bezetter nietig werden verklaard en waarin strenge straffen werden
voorzien voor eenieder die met de bezetter meewerkte. Dat betekende dat alle
verwezenlijkingen van het activisme nietig verklaard werden. Alle diploma‟s van de
vernederlandste Gentse universiteit bv. dreigden de prullenmand in te gaan. Iedereen die zich
had geëngageerd hing een straf boven het hoofd. De kloof tussen het activisme en de
Belgische staat werd onoverbrugbaar.
In deze omstandigheden koos de Raad van Vlaanderen nu ondubbelzinnig voor de vlucht
vooruit. Op 22 december 1917 riep de Raad de Vlaamse onafhankelijkheid uit. Ze richtte in
haar schoot een „Commissie van Gevolmachtigden‟ op, een embryonale regering. Bij de
Duitse aftocht vluchtten de meeste activistische verantwoordelijken naar Nederland of naar
Duitsland. Ze werden bij verstek veroordeeld. Diegenen die in het land bleven hoorden zware
straffen tegen zich uitspreken. Ze vlogen voor jaren achter de tralies, sommigen met een
levenslange vrijheidsberoving als perspectief.

2.1.3. Loppem
Op wapenstilstandsdag, 11 november 1918, greep een bijeenkomst van de politieke wereld
plaats op het hoofdkwartier van Albert te Loppem. De Koning voerde er besprekingen over
het naoorlogse politieke landschap. Hij besefte dat dit grondig zou veranderen en wilde
daarop inspelen om erger te voorkomen. Albert wenste een voortzetting van de „godsvrede‟
en de goedkeuring van het principe van het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht. Het was een
toegeving aan de arbeidersbeweging, maar vooral aan de socialisten die beloond werden voor
hun patriottische inzet.
Albert sprak ook over de noodzaak om de Gentse universiteit te vernederlandsen vanuit zijn
bekommernis om de unitaire Belgische staat en de monarchie te vrijwaren. Hij dacht daarbij
aan een ontdubbelde universiteit, dus geenszins aan een volledige vernederlandsing.
De gevolgen van Loppem zijn fundamenteel voor de Belgische geschiedenis. De invoering
van het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht voor mannen werd onmiddellijk ingevoerd en al bij
de verkiezingen van 1919 werden de gevolgen zichtbaar: coalitieregeringen en een
compromissenbeleid waren niet meer te vermijden. De socialistische Belgische
Werkliedenpartij (BWP) en de christen-democratie kregen meer macht en er moest voortaan
in het beleid rekening worden gehouden met de arbeidersbeweging.
Loppem was ook fundamenteel voor de Vlaamse beweging, maar dan in een heel andere zin.
Doordat er geen politieke meerderheid werd gevonden om de belofte van de vernederlandsing
van de Gentse universiteit te realiseren, radicaliseerde de Vlaamse beweging. Met name het
Vlaams-nationalisme kreeg groeikansen en kon zich ontwikkelen in anti-Belgische zin.
Tegelijk was het een bron voor een beweging die zich afkeerde van de democratie.

2.2. De Frontpartij en het Vlaams minimumprogramma in de jaren twintig
Vrijwel onmiddellijk na de oorlog werd uit de Frontbeweging een politieke partij geboren:
„het Vlaamse Front‟, ook wel „Frontpartij‟ genoemd. Ze droeg de sporen van een beweging
die in de loopgraven was ontstaan. „Nooit meer oorlog‟ was één van haar programmapunten.
Tegelijk was ze het product van de geradicaliseerde Vlaamse beweging zoals die geëvolueerd
was in de Frontbeweging en het activisme. Het revolutionair anti-Belgisch vuur smeulde
voort. Het flakkerde voorlopig niet op omdat de Frontpartij vrij snel gedomineerd werd door
eerder gematigde figuren. Zij wilden het anti-Belgische Vlaams-nationalisme omsmeden tot
een constructieve en realistische politiek: de federalisering van België. „Zelfbestuur‟ was dan
ook het tweede belangrijke programmapunt. Om dat te bereiken moesten vrijzinnigen en
katholieken samenwerkten binnen één partij. Dit pluralisme („Godsvrede‟) was het derde
programmapunt, waarmee de Frontpartij zich nadrukkelijk distantieerde van het klerikalisme.

Omwille van haar Vlaams-nationalistisch federalisme en pluralistisch standpunt stond de
Frontpartij tegenover de organisatie van katholieke flaminganten o.l.v. Frans Van Cauwelaert.
Zij wilden de unitaire Belgische staat behouden en ijverden voor de integrale
vernederlandsing van Vlaanderen. Dat werd het „Minimumprogramma‟ genoemd: de
volledige wettelijke en feitelijke vernederlandsing van Vlaanderen d.m.v. efficiënte
taalwetten. De minimalisten en de fronters werden dus gescheiden door een andere visie op de
noodzaak van een staatshervorming. Ze stonden zij aan zij, als twee vleugels van één Vlaamse
beweging in het streven voor een gelijkberechtiging van de Vlamingen.

Er waren zeker nog flaminganten buiten de Frontpartij en de Katholieke Partij, zij het dat ze
veel minder gewicht in de schaal legden. De liberale partij werd de partij van het francofoon
establishment. Vlaamsgezinde liberalen werden in hun partij volkomen gemarginaliseerd. De
socialisten concentreerden zich op sociale hervormingen die nu door het Algemeen
Enkelvoudig Stemrecht en door het gestegen electorale gewicht van de BWP in het bereik
kwamen.
De macht van de Vlaamse beweging tijdens het interbellum hing af van een aantal factoren.
Ten eerste van de electorale resultaten. De Frontpartij had een matig succes, maar zat
duidelijk in de lift. Ze behaalde bij de eerste verkiezing in 1919 ca. 50.000 stemmen (5,2 % in
Vlaanderen). Goed voor vijf kamerzetels. In 1929 haalde ze al 130.000 stemmen of 11,6% in
Vlaanderen en 10 kamerzetels. De groeiende aanhang kwam vooral door de instroom van
geradicaliseerde katholieke jongeren. In sommige arrondissementen scheurden
Vlaamsgezinde katholieken af om over te stappen naar de Vlaams-nationalisten. Het resultaat
was dat de Frontpartij meer en meer een katholiek imago kreeg.
Maar de vlucht van radicalen deed de impact van de Vlaamsgezinden in de Katholieke Partij
niet verminderen. Integendeel. Een man als Van Cauwelaert werd één van de invloedrijkste
politici in de Katholieke Partij.
Een tweede factor van de macht van de Vlaamse beweging was de stijgende
vlaamsgezindheid bij de bevolking, vooral dan van het katholieke deel ervan. Er ontstonden
tal van Vlaamsgezinde organisaties. Davidsfonds en Willemsfonds (cultuurverenigingen)
zagen hun ledenaantal groeien. Vlaamse Wetenschappelijke Congressen, Vlaamse
Toeristenbond, Vlaams Economisch Verbond, Vlaams bankwezen, Vlaamse
kwaliteitskranten, de Ijzerbedevaarten enz. waren het topje van de ijsberg. In de Vlaamse
gemeenten bloeiden vele honderden culturele en semi-politieke Vlaamsgezinde verenigingen
die allemaal samen zorgden voor een groeiende Vlaamse identiteit.
Een derde factor was de houding van het Belgische establishment dat té weinig en té laat
inging op de legitieme verzuchting van de Vlaamse beweging voor een wettelijke en
werkelijke gelijkberechtiging van de Nederlandstaligen. Elke toegeving aan de Vlaamse
beweging beschouwden ze als een ondergraven van de Belgische staat zoals zij die zagen, nl.
een Franstalige staat met het Nederlands ten hoogste als tweede taal in Vlaanderen. Met deze
hardnekkige kortzichtigheid hebben zij ironisch genoeg de Belgische staat zelf mee
ondergraven. Het is immers duidelijk dat hun volgehouden verzet tegen taalregelingen de
Vlaamse beweging populair maakte in Vlaanderen en voor een radicalisering van de
beweging zorgde. Steeds meer mensen geraakten ervan overtuigd dat de Belgische staat moest
worden hervormd of zelfs afgeschaft om de Vlaamse kwestie op te lossen.

Dat werd zeer duidelijk met de zgn. „Bormsverkiezing‟ op 9 december 1928. August Borms
was één van de vooraanstaande activisten uit de Eerste Wereldoorlog. In tegenstelling tot vele
van zijn medestanders vluchtte hij niet naar het buitenland in 1918. Hij werd door het
Belgische gerecht veroordeeld tot de doodstraf, maar bekwam gratie. In 1928 zat hij nog
steeds in de gevangenis met een levenslange gevangenisstraf. Hij was niet de enige activist
die zo zwaar gestraft werd. De anderen werden echter vervroegd vrijgelaten nadat ze een
verklaring ondertekenden dat ze afzagen van politieke activiteiten. Borms weigerde dat. Zo
werd hij de laatst overgebleven activist in de gevangenis. Hij werd het symbool van een
radicaal flamingant die omwille van zijn overtuiging onbarmhartig gestraft was. Samen met
de uitbreiding en de radicalisering van de Vlaamse beweging was ook de sympathie voor het
activisme gegroeid. Binnen de Vlaamse beweging ijverde men voor amnestie: een algemeen
pardon voor de politieke collaborateurs van de oorlog. Tegen de amnestie werd scherpe actie
gevoerd door Franstalig Belgisch patriottische groepen die de collaboratie tijdens de Eerste
Wereldoorlog beschouwden als het ultieme bewijs van het incivieke karakter van de Vlaamse
beweging. Ook voor hen was Borms een symbool: dat van de landverrader.
Toen in Antwerpen in 1928 een tussentijdse verkiezing plaatsgreep wierp de Frontpartij
Borms in de strijd tegen een liberale kandidaat. Normaal bestond de gewoonte dat bij een
tussentijdse verkiezing als gevolg van het overlijden de andere partijen geen tegenkandidaten
in de strijd wierpen. De Frontpartij hield zich niet aan deze geplogenheid en rekende erop dat
vele socialistische en katholieke kiezers nog liever voor Borms kozen dan voor een
„franskiljonse‟ liberaal. Dat was goed gerekend. De Antwerpse politieke leiders Huysmans en
Van Cauwelaert speelden het spel mee doordat ze beseften dat Borms hoe dan ook
onverkiesbaar was. Borms haalde ruim 83.000 stemmen, de liberale kandidaat slechts 44.000.
Het was een belangrijk politiek signaal. De politieke elites (ook aan de Franstalige zijde)
begrepen dat de Vlaamse kwestie een duurzame oplossing vergde. Aan Franstalige kant
besefte men dat men de francofone minderheid in Vlaanderen moest opofferen en het principe
van een ééntalig Nederlands Vlaanderen aanvaarden. De BWP sloot een „compromis des
Belges‟ in 1929. Dat betekende dat de principes van het minimumprogramma door de
socialisten werden aanvaard. In feite bleef nu alleen nog de liberale partij (-kleine
Vlaamsgezinde groep) over die zich verzette tegen de eentaligheid van Vlaanderen, gesteund
door conservatieve katholieken.
Het minimumprogramma werd vanaf 1929 doorgevoerd in de vorm van een aantal belangrijke
taalwetten en maatregelen:
- 1929 vernederlandsing van de RUG (ook aan de KUL werden Nederlandstalige
    leergangen opgericht, naast de Franstalige die bleven bestaan);
- 1932 wet inzake taalgebruik in het onderwijs: streektaal=onderwijstaal;
- 1935 wet op het gebruik van talen in rechtszaken;
- 1932 wet op het taalgebruik in de administratie;
- 1936 wet op het taalgebruik in het leger;
Deze wetten realiseerden het minimumprogramma op wettelijk vlak. Maar het wettelijke land
en het werkelijk land zijn zoals bekend niet identiek, o.m. doordat de wet niet altijd even vlug
en volledig wordt toegepast en omdat sommige wetten geen sancties voorzien bij niet-
naleving. Dat bleek zeer duidelijk door de acties van Florimond Grammens, een
Vlaamsgezinde militant die op eigen houtje de taalwetten ging toepassen. Hij overschilderde
of vernietigde onwettige tweetalige of Franse opschriften. Zijn acties leidden tot een versnelde
effectieve vernederlandsing. Op het einde van de jaren dertig werden de eerste officiële
instellingen gecommunautariseerd:
- op 16 maart 1938 werd de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren
    en Schone Kunsten van België opgericht;
- Rond dezelfde tijd zagen twee „cultuurraden‟: het idee van culturele autonomie was
    doorgedrongen. De kiemen van een verdere communautarisering zaten er in vervat. Aan
    de vooravond van de Tweede Wereldoorlog lagen de plannen voor een splitsing van het
    Ministerie van Onderwijs.
De eerste barsten in het unitaire België werden zichtbaar.

2.4. De evolutie van het Vlaams-nationalisme in de jaren dertig
De Vlaamse beweging boekte onmiskenbaar successen tijdens het interbellum. Men zou dus
kunnen veronderstellen dat het Vlaams-nationalisme zich weer meer zou gaan verzoenen met
de Belgische staat.
Niets is minder waar. Het Vlaams-nationalisme evolueerde integendeel tot een virulent anti-
Belgische beweging. De revolutionaire onderstroom haalde meer en meer de bovenhand.
Tegelijk deed zich een ideologische evolutie voor in de richting van het afwijzen van de
democratie. De oorzaken daarvan zijn zeer complex. Sterk vereenvoudigd komt het erop neer
dat vele Vlaams-nationalisten samen met de Belgische staat ook de liberaal-democratische
principes waarop die staat gebouwd is overboord wierpen. Zij weten het te trage inspelen op
de eisen van de Vlaamse beweging aan het niet functioneren van de democratie.
De Vlaams-nationalisten droomden luidop van een Nieuwe (maatschappelijke) Orde die
gestalte zou krijgen in het onafhankelijke Vlaanderen of in een Dietse staat (Vlaanderen +
Nederland) waarin alle Nederlandstaligen zouden samenwonen.
De mijlpalen voor deze evolutie waren:
de stichting van het Verbond van Dietse Nationaalsolidaristen (Verdinaso) in 1931 o.l.v. Joris
Van Severen. Van Severen was één van de gewezen van de Frontbeweging en één van de
eerste verkozenen van de Frontpartij. Het Verdinaso beschouwde zichzelf als de elitaire
voorhoede van een Dietse staat die d.m.v. van een revolutie gesticht zou worden. Het
Verbond nam niet deel aan de verkiezingen. De verkondigde maatschappelijke ideeën leunden
aan bij het fascisme. Het bleef een kleine beweging die al vlug afweek van het Vlaams-
nationalisme en de Vlaamse beweging doordat ze zich meer en meer op de Belgische staat
ging richten en Franstaligen opnam. Van Severen wilde een herstel van de oude Nederlanden
waartoe ook Wallonië behoorde.
De stichting van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) in 1933. Het VNV was in feite een
nieuwe Vlaams-nationalistische eenheidspartij. De Frontpartij was uiteengevallen doordat
haar ideologisch credo: „Zelfbestuur‟, „Godsvrede‟ en „Nooit meer oorlog‟ niet meer werkte.
Zelfbestuur werd als te slap ervaren: een onafhankelijk Vlaanderen of Dietsland werd het
doel; godsvrede-pluralisme was in feite al uitgehold doordat het overgrote deel van de uit de
Frontpartij ontstane groepen een expliciet katholiek etiket droegen. Het afwijzen van de
godsvrede kreeg nog een andere inhoud, nl. het afwijzen van de democratie als politieke
vorm. Politiek moest worden bedreven door een elite die de weg aangaf. Vlaanderen zou
slechts onafhankelijk kunnen worden door een revolutionaire beweging van politieke soldaten
die trouw een leider volgden. Het is evident dat in het licht van dit laatste ook de „nooit meer
oorlog‟-gedachte werd uitgehold. Geweld werd een valabele optie in het politieke bedrijf.

Verdinaso 1931 – VNV 1933: niet toevallig ontstonden deze bewegingen in het dieptepunt
van de economische crisis die ons land vanaf 1930 trof. De verschrikkelijke sociale gevolgen
gaven vele mensen het gevoel dat de massademocratie zoals die in 1914 was ontstaan niet
meer werkte. De malaise was een algemeen maatschappelijk fenomeen. Het tastte alle
maatschappelijke en politieke groepen aan. Het Vlaams-nationalisme was er bij uitstek
kwetsbaar voor. De andere politieke families maakten deel uit van het establishment. Zij zaten
vastgeankerd in de Belgische structuren. Politieke avonturen kregen daardoor minder kans.
Dat gold niet voor het Vlaams-nationalisme. Deze politieke familie slorpte de anti-
democratische tendensen in die mate op dat de antipool volledig verdween. Daardoor gleed
het VNV steeds verder weg in de richting van de fascistische Nieuwe Orde. De partij was
bovendien onderhevig aan buitenlandse verlokkingen. De democratie stond internationaal erg
zwak en leed prestigeverlies. Een zware slag was de teloorgang van de Weimarrepubliek in
Duitsland door de machtsovername van Adolf Hitler en de NSDAP. Er kwam een regime aan
de macht onder het motto: „Ein Volk, ein Reich, ein Führer‟. Het was erg inspirerend voor het
VNV dat dezelfde principes in het vaandel droeg.
Op de achtergrond van een nieuwe oorlogsdreiging t.g.v. een agressiever wordend Duitsland,
werd het Vlaams-nationalisme door zijn politieke tegenstanders steeds meer beschouwd als
een potentiële Vijfde Colonne. Dat was niet helemaal ten onrechte. Sommige leiders en met
name Staf De Clercq, de Algemene Leider van het VNV, bereidden zich inderdaad voor op
een nieuwe oorlog waarin het Vlaams-nationalisme niet noodzakelijk de Belgische staat trouw
zou blijven. Een tweede activisme werd m.a.w. niet uitgesloten.


2.5. De collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog
Toen op 10 mei 1940 de Duitse troepen voor een tweede maal België bezetten, aarzelde de
VNV-leider geen moment om een tweede activisme op te starten. Het duurt nog wel tot
november 1940 vooraleer de collaboratiepolitiek openlijk werd verkondigd. Dat gebeurde ter
gelegenheid van de eerste openbare redevoering van Staf De Clercq, waarin hij zijn
volgelingen opriep zich te onderwerpen aan Hitler. Achter de schermen en in de dagelijkse
praktijk werkte het VNV al met de bezetter samen vanaf de meidagen.
De snelle en relatief massale collaboratie van het VNV vormt een eerste verschil met het
activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog. De collaboratie had toen een uiterst kleine aanhang
tot aan de bekendmaking van het plan om de RUG te vernederlandsen en ook daarna bleef het
een relatief kleine beweging. Het VNV telde in 1940 zo‟n 30.000 leden en in 1939, bij de
laatste vooroorlogse parlementsverkiezingen kreeg de partij bijna 200.000 stemmen. In de
beginfase van de bezetting kon ze haar aanhang nog uitbreiden. Eind 1940 telde de partij ca.
50.000 leden. Vooral heel wat katholieke Vlaamsgezinden traden toe, mensen uit de talrijke
Vlaamsgezinde brugorganisaties tussen het VNV en de katholieke partij. Zij meenden dat de
tijd rijp was voor een radicale Vlaamse politiek en dat de Belgische staat ten dode was
opgeschreven in het Nieuwe Europa. Veel van die Vlaamsgezinde organisaties verzeilden
trouwens zelf in vormen van collaboratie met de bezetter. Zo geraakte niet alleen het Vlaams-
nationalisme, maar ook de brede Vlaamse beweging gecompromitteerd. Dat betekende niet
dat alle flaminganten collaboreerden. Politieke tegenstanders hadden het niettemin niet
moeilijk om het odium van collaboratie op elke vlaamsgezindheid te kleven. Dat kon des te
gemakkelijker omdat er omzeggens geen Vlaamsgezind verzet bestond.
Een tweede verschil is dat de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog een sterk
ideologisch gekleurde collaboratie was, waar in het activisme allerlei ideologische
strekkingen bestonden. Het VNV nam de nationaal-socialistische ideologie in al zijn aspecten
over van de bezetter. Dat kostte geen moeite. Er kwam geen noemenswaardige tegenstand
toen het VNV zich vanaf 1941 een nationaal-socialistische partij noemde. Dat is alleen te
verklaren als men er vanuit gaat dat het VNV al voor de oorlog heel dicht alleen aanleunde bij
de fascistische Nieuwe Orde-ideologie.

De geschiedenis van de collaboratie is complex. Ten eerste i het duidelijk dat het VNV
collaboreerde om zijn doelstellingen te verwezenlijken. Die waren tweeledig: Vlaanderen
onafkankelijk en liefst samengesmolten met Nederland enerzijds en het politieke monopolie
verwerven in Vlaanderen anderzijds. Het VNV zag Vlaanderen dus als een éénpartijstaat waar
buiten het VNV geen politiek leven mogeklijk was. Maar voor wat hoort wat. Het VNV moest
natuurlijk om macht te verwerven met Duitse steun ook de Duitse zaak verdedigen. Dat is
letterlijk te interpreteren: militaire collaboratie, politionele collaboratie, administratieve
collaboratie. Dat laatste leverde het VNV trouwens effectieve macht op. De partij kon haar
leden laten benoemen op alle niveaus van het Belgische bestuur: secretarissen-generaals,
gouverneurs, burgemeesters en schepenen (dat is een derde verschil met het activisme). Door
die machtsuitoefening geraakte het VNV ook muurvast in de collaboratie.
Ten tweede moet men voor ogen houden dat de doelstellingen van het VNV niet samenvielen
met die van de bezetter. De bezetter kon het VNV uitstekend gebruiken om mee België te
besturen. Maar de leiding in Berlijn wilde niets weten van Dietsland of een onafhankelijk
Vlaanderen. Zij wilde Vlaanderen aanhechten bij Duitsland. Het VNV kon dan ook geen
enkele politieke waarborg afdwingen. Vanuit Berlijn werd een verdeel-en-heerspolitiek
gedicteerd. In Vlaanderen kwam zo een groot-Duitse beweging tot stand die het VNV politiek
bestreed: de Vlaamse SS en de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap (DeVlag). Die strijd
tussen de twee fracties was soms zo hevig dat men soms zou gaan vergeten dat ze ook in
hetzelmfde kamp stonden, nl. dat van de collaboratie.
Wie ook in dat kamp stond was Rex. In tegenstelling met de Eerste Wereldoorlog was er nu
ook een belangrijke Franstalige collaboratie. Ze werd geleid door Léon Degrelle, een
katholiek politicus die in de jaren dertig een beweging stichtte waarin hij tegenstanders van de
massademocratie bijeenbracht. Aan de vooravond geraakte Rex in fascistisch vaarwater.
Tijdens de bezetting trok Degrelle volledig de Duitse kaart, in die mate dat hij een
voorstander werd van een aanhechting van Wallonië bij Duitsland.

3. De Vlaamse beweging na de Tweede Wereldoorlog

Na de bevrijding van België in september 1944 werden de Belgen die gecollaboreerd hadden
vervolgd. Er kwam een zuiveringsperiode die in het Belgische collectieve geheugen
bekendstaat als „de repressie‟. Ze had verscheidene gezichten. Er was de zgn.
„straatrepressie‟, bestaande uit een korte eruptie van straatgeweld waarbij een deel van de
bevolking al dan niet in samenwerking met leden van het verzet jacht maakte op
collaborateurs. Er was de wettelijke repressie waarbij het Belgische gerecht op heel
verschillende manieren optrad tegen collaborateurs (doodstraf, celstraf, geldboetes, ontzetting
uit politieke en burgerlijke rechten, ontneming van „het bewijs van burgertrouw‟, confiscatie
van bezittingen enz.).
Het is evident dat de radicale Vlaamse beweging sterk werd geviseerd tijdens de repressie.
Het Vlaams-nationalisme, de radicale anti-Belgische vleugel van de Vlaamse beweging, was
immers vrijwel integraal in de collaboratie verzeild geraakt. Dat impliceert evenwel niet dat
de repressie ook anti-Vlaams zou zijn geweest. In Vlaanderen werd niet strenger opgetreden
dan in Wallonië tegen de collaboratie van Rex. Het is bovendien evident dat het Vlaams-
nationalisme niet samenviel met Vlaanderen. Het overgrote deel van de Vlamingen bleef
buiten de collaboratie. Er bestond in Vlaanderen ook verzet. Toch is het correct dat de
collaboratie (en dus de repressie) in Vlaanderen veel dieper ingreep in de samenleving. Het
Vlaams-nationalisme was verankerd in een brede Vlaamse beweging en heel wat
flaminganten hadden zich verbrand aan de Vlaams-nationalistische collaboratie. Zo
stigmatiseerde de Vlaams-nationalistische collaboratie de hele Vlaamse beweging. Diegenen
die verantwoordelijkheid droegen in de repressie maakten bovendien niet altijd voldoende
onderscheid tussen louter Vlaamsgezindheid en daden van collaboratie. Het gebrek aan
objectiviteit en sereniteit werd in de hand gewerkt door het feit dat sterke geledingen van het
verzet en vele leden van de magistratuur anti-Vlaamsgezind waren en dat er net als na de
Eerste Wereldoorlog een felle opstoot was van Belgisch patriottisme.
Het waren Belgische patriotten uit het verzet die op 16 maart 1946 de IJzertoren opbliezen. In
hun visie was de toren een symbool van incivisme. Maar in feite was het monument ook een
symbool van een veel breder spectrum Vlaamsgezinden, zodat ook vele Vlamingen die niet
gecollaboreerd hadden dit als een anti-Vlaamse daad beschouwden. Het feit dat de daders,
hoewel bekend, nooit officieel vervolgd werden was olie op het vuur.
Behalve de repressie was de Koningskwestie hét politieke strijdpunt in de jaren na de oorlog.
Koning Leopold had anders dan zijn regering besloten in het land te blijven. Hij voerde een
aanwezigheidspolitiek terwijl de Belgische regering na enige aarzeling in Londen
terechtkwam en de strijd voortzette aan de zijde van de geallieerden. Na de bevrijding was de
koning voor een deel van de publieke opinie en de politieke elites onaanvaardbaar. Het kwam
tot een hevige confrontatie. Er liep een duidelijke scheidingslijn tussen Vlaanderen en
Wallonië. In Vlaanderen was er een uitgesproken meerderheid (72%) pro-Leopold, terwijl in
Wallonië en Brussel een meerderheid tegen de terugkeer was van Leopold als koning.
Uiteindelijk deed de koning troonsafstand in 1950. Vele Vlamingen ervoeren dit als een slag
in het gelaat. Ze voelden zich bevoogd door Franstaligen. De breuk had bovendien een
ideologische dimensie doordat de katholieke rechterzijde zich tegenover een vrijzinnige
linkerzijde plaatste. Het voedde de beeldvorming van een rechts koningsgezind Vlaanderen
tegenover een links Wallonië.
De koningskwestie maakte in ieder geval duidelijk dat Vlaanderen en Wallonië politiek uit
elkaar groeiden.
De economische ontwikkeling in de jaren zestig zou dit proces stimuleren. Vlaanderen
expandeerde economisch. Er werd zwaar geïnvesteerd door multinationale ondernemingen die
de centrale ligging apprecieerden maar ook het sociaal rustige klimaat en de matige lonen.
Wallonië boerde economisch achteruit met een verouderde industrie (de wet van de
remmende voorsprong), een sterke arbeidersbeweging en hogere lonen.
Dat uiteen groeien van Vlaanderen en Wallonië was een ideale teeltbodem voor de Vlaamse
beweging die natuurlijk ook zelf een drijvende rol speelde in het scheidingsproces. In eerste
instantie eiste ze een correct toepassen van de taalwetten uit de jaren dertig en wettelijke
maatregelen op de gebieden die nog niet geregeld waren (bijv. de toestand in Brussel en de
vastlegging van de taalgrens). Parallel met de economische expansie kregen de eisen ook een
financiële en economische dimensie (het armlastig „uit de staatsruif etend‟ Wallonië als blok
aan het been van een dynamisch Vlaanderen).

Een graadmeter voor de wederopstanding van de Vlaamse beweging enerzijds en de verder
schrijdende radicalisering anderzijds is het succes van het politieke Vlaams-nationalisme. Al
enkele jaren na de oorlog ontstond met de Volksunie (VU) een nieuwe Vlaams-
nationalistische partij. De VU koos ongenuanceerd voor een politieke strijd binnen de
democratische wettelijkheid en dus voor een federalisering van België. In de jaren zestig
expandeerde de partij. Ze werd de derde partij in Vlaanderen, vrijwel even groot als de
socialisten.
Mede onder druk van het succes van de VU federaliseerden de traditionele Belgische partijen
één na één in de loop van de jaren zeventig. Vlaanderen en Wallonië groeiden politiek steeds
verder uit elkaar.
Het is duidelijk dat in dat klimaat structuurhervormingen niet konden uitblijven. Het startsein
werd gegeven door de strijd rond de splitsing van de Leuvense universiteit. De overheveling
van de Franstalige afdeling naar Wallonië was een belangrijk psychologisch moment. Bij de
politieke elites drong het besef door dat er fundamentele hervormingen nodig waren.
Dat besef leidde tot staatshervormingen die uiteindelijk België omvormden tot een federale
staat. De eerste staatshervorming kwam er in 1970-1970 met de erkenning van de Franse en
Nederlandse Cultuurgemeenschappen die bevoegd waren voor culturele aangelegenheden en
onderwijs. Deze materies waren voortaan de bevoegdheid van de Nederlandse en Franse
Cultuurraad, bestaande uit leden van de Nederlandse en Franse taalgroep in de wetgevende
kamers. Daarnaast werd België in drie gewesten opgedeeld: Wallonië, Brussel en Vlaanderen
die bevoegd waren voor een aantal sociaal-economische materies. Resultaat was een
bijzonder ondoorzichtige structuur met instellingen die wel bevoegdheden hadden maar geen
financiële verantwoordelijkheid (één van de oorzaken van onze openbare schuld vandaag). De
volgende staatshervormingen, die van 1980-1981 en 1988-1989 handelden dan ook over de
afbakening van bevoegdheidspakketten en politieke responsabilisering van de deelstructuren
van België. Het voorlopige eindresultaat is dat Vlaanderen en Wallonië politiek autonoom
zijn voor persoons- en plaatsgebonden aangelegenheden. Zij beschikken daarvoor over een
eigen rechtstreeks verkozen parlementen.
De Belgische staatsstructuur blijft ook na de laatste staatshervorming (1993) een uiterst
complexe aangelegenheid. Dat komt ook omdat het een democratisch gegroeide structuur is
met allerlei subtiele evenwichten.

4. Uitleiding

De Vlaamse beweging heeft een zeer groot deel van haar programma gerealiseerd. Binnen de
Vlaamse beweging heeft de stroming die ijverde voor een politieke zelfstandigheid van
Vlaanderen het pleit gewonnen, zij het dan binnen het keurslijf van de democratische
Belgische wettelijkheid.
Het is niet waarschijnlijk dat we op een eindpunt zijn beland. Er blijft een buitenparlementaire
Vlaamse beweging bestaan die een verdergaande splitsing van België eist. Belangrijker is dat
ook het geïnstitutionaliseerde Vlaanderen een dynamiek in die zin vertoont.
Voorts heeft zich in de jaren tachtig een nieuwe Vlaams-nationalistische partij gevormd: het
Vlaams Blok. De partij streeft de Vlaamse onafhankelijkheid na en is eventueel bereid
daarvoor de Belgische wettelijkheid opzij te schuiven. Zij knoopt op dat vlak terug aan bij het
vooroorlogse programma van het VNV. Er zijn trouwens meer parallellen te trekken, bv. in de
manier waarop het Vlaams Blok de Vlaamse identiteit definieert. Zij doet dat op een cultuur-
racistische grondslag. De partij wenst niet alleen een zelfstandig Vlaanderen, ze eist ook een
mono-etnisch Vlaanderen. Of we dat nu willen of niet, ook dat spruit voort uit de traditie van
een fractie van de Vlaamse beweging.

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:112
posted:12/8/2011
language:Dutch
pages:122