Handleiding onderzoekscompetentie

Document Sample
Handleiding onderzoekscompetentie Powered By Docstoc
					           HANDLEIDING: ONDERZOEKSCOMPETENTIE

1      Wat is een onderzoeksopdracht?
In de derde graad van de middelbare school wordt er van je verwacht dat je voldoet aan de
specifieke eindtermen ‘onderzoekscompetenties’:

* De leerling kan zich oriënteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te
  verzamelen, te ordenen en te bewerken.
* De leerling kan een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren.
* De leerling kan de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en confronteren met
  andere standpunten.

De bedoeling van dit onderzoeksproject is dus om na te gaan of je competent bent om
zelfstandig een onderzoek uit te voeren. Het is niet de bedoeling dat je stukken tekst letterlijk
overneemt. De tekst moet door jou geschreven zijn en geen collage worden van citaten en
fragmenten.

In het hoger onderwijs wordt aan studenten steeds meer gevraagd papers te schrijven, waarbij je
moet tonen dat je in staat bent om aan bepaalde onderwerpen een persoonlijke verwerking te
geven. In principe is deze onderzoekscompetentie hierop een voorbereiding.


2      Voor welke vakken moet je een onderzoeksopdracht uitvoeren?
Het onderwerp van je onderzoek sluit aan bij je studierichting. Je studierichting in de derde
graad bestaat uit twee polen. Wie bijvoorbeeld de studierichting Wetenschappen-wiskunde
volgt heeft twee polen: de pool wetenschappen en de pool wiskunde. Voor elk van deze polen
moet je een onderzoeksopdracht uitvoeren.

Er geldt volgende verdeling:

              Klas        Vijfde jaar                    Zesde jaar
              Ec-mt       Frans of Engels                economie
              La-mt       Latijn                         Frans of Engels
              Ec-wi       wiskunde                       economie
              La-wi       Latijn                         wiskunde
              We-wi       wetenschappen                  wiskunde
              Mt-we       wetenschappen                  Frans of Engels
              La-we       Latijn                         wetenschappen

De richting Humane wetenschappen heeft slechts één pool en het onderwerp van de
onderzoekscompetentie sluit in zowel het vijfde als het zesde jaar aan bij de vakken cultuur- en
gedragswetenschappen.

Lyceum Martha Somers Brussel                         Handleiding OC                         1
3       Planning

Opdracht                                            Uiterlijke datum waarop de opdracht klaar
                                                    moet zijn
Keuze van het onderwerp                             21/09/2010

Indienen van de proefversie                         15/03/2011

Indienen van de definitieve versie (schriftelijk)   07/04/2011

Indienen powerpointpresentatie en spreekplan        17/05/2011

Mondelinge presentatie                              examenperiode juni


Je begeleidende leerkracht zal extra evaluatiemomenten met je vastleggen. Noteer de data
hiervan zorgvuldig.

Werken volgens een uitgestippeld plan maakt intrinsiek deel uit van de onderzoekscompetentie.
De einddata van de verschillende onderzoeksfasen moeten dan ook strikt gerespecteerd worden.
Indien de leerling door ziekte afwijkt van deze planning gelden dezelfde regels als voor de
examenperiodes: een gewoon afwezigheidsbriefje is niet voldoende; alleen een doktersattest is
geldig!


4       Logboek
Een logboek is in de eerste plaats een werkinstrument dat je moet helpen bij je planning en de
uitvoering van je onderzoeksopdracht. Bovendien krijgt je begeleidende leerkracht zo zicht op
je werkwijze en kan die leerkracht je bijsturen indien nodig. Een voorbeeld van een logboek
vind je in bijlage 1.


5       Welke stappen doorloop je bij het maken van een onderzoeksopdracht?
5.1 Oriënteren
  - De keuze van je onderwerp hangt af van de richting die je volgt. Ofwel is het een
     persoonlijk voorstel dat je leerkracht moet goedkeuren ofwel kies je uit de lijst met
     onderwerpen die de leerkracht je aanbiedt. Voor de richting Humane wetenschappen kies
     je een onderwerp binnen het onderzoeksterrein dat de leerkracht je aanbiedt.
  - Naargelang de keuze van je onderwerp zal je samen met je begeleidende leerkracht het
     onderwerp verder afbakenen. Dit wil zeggen dat je een goede onderzoeksvraag moet
     formuleren. Dit is een belangrijke stap want die onderzoeksvraag bepaalt je hele
     eindwerk. Formuleer één onderzoeksvraag zo concreet mogelijk en stel daarbij een aantal
     relevante deelvragen.
  - Formuleer je hypothese. Dit is wat jij nu denkt dat het antwoord zal zijn op je
     onderzoeksvraag.

5.2 Voorbereiden
  - Stel een persoonlijke planning op. Beslis wat je eerst gaat doen, wat daarop volgt, hoe je
     een onderwerp gaat aanpakken, hoe je een antwoord kan vinden op jouw
     onderzoeksvragen, welke onderzoeksmethode voor jouw onderzoek het meest geschikt is,

Lyceum Martha Somers Brussel                              Handleiding OC                        2
        wat je gaat doen, … Stel je persoonlijk plan op in overleg met je begeleidende leerkracht
        en met respect voor de vooropgestelde deadlines.
    -   Verzamel zoveel mogelijk betrouwbare informatie die je kan helpen bij het
        beantwoorden van je onderzoeksvraag. Je kan al contacten leggen met deskundigen,
        instellingen, … Zet je literatuuronderzoek verder: ga op zoek naar verschillende soorten
        gegevens en bronnen en pluk niet alles van het internet. Vergeet niet voor alle
        geraadpleegde bronnen de referentie op te schrijven. Bronnenvermelding is noodzakelijk.
        In bijlage 2 vind je een werkinstrument dat je hierbij kan helpen.

5.3 Uitvoeren
  - Voer nu aan de hand van je persoonlijke planning je onderzoek uit: een proef, een
      experiment, een vergelijking, een interview, een enquête, … Wat kun je hieruit besluiten?
      Hou er rekening mee dat je je planning voortdurend zal moeten bijsturen.
  - Vergelijk de informatie uit je literatuuronderzoek met de resultaten van je eigen
      onderzoek.
  - Kan je op basis van de verzamelde informatie een antwoord geven op je
      onderzoeksvraag? Zoniet zal je een aantal stappen opnieuw moeten doorlopen.
  - Schrijf nu al je informatie neer in een goed gestructureerde en samenhangende tekst.
      Deze tekst moet je opvatten als een wetenschappelijk onderzoeksrapport. Hierover
      krijg je meer informatie in de lessen Nederlands. Zie ook bijlage 3.
  - Op basis van dit schriftelijke werk maak je een presentatie. Let hierbij specifiek op de
      structuur en het gebruik van kernwoorden. In bijlage 4 kan je nalezen hoe je een
      aanschouwelijke presentatie maakt. Daarnaast maak je ook een spreekplan dat je kan
      helpen bij het mondelinge deel. Bereid je ook voor op eventuele inhoudelijke vragen van
      de aanwezige leerkrachten.

5.4 Reflecteren
  - Reflecteren is veel meer dan een algemene terugblik en gebeurt dus niet enkel op het
     einde van de rit.
  - Denk grondig na over de feedback die je leraar je geeft: jij zal de opmerkingen moeten
     integreren in je werk (integreren is niet hetzelfde als invoegen).
  - Lees je werk kritisch na. Verbeter eventuele taalfouten, controleer je zinsbouw en
     structuur en pas aan indien nodig. Doe dit systematisch terwijl je aan het schrijven bent.
  - Geef je in je conclusie een antwoord op je onderzoeksvragen?


6        Evaluatie
Het schriftelijk werk (2 exemplaren) wordt door iedereen persoonlijk afgegeven aan mevrouw
De Smedt uiterlijk op 07/04/2011 om 11u05.

Bij het niet afleggen van de verschillende fasen kan je niet slagen. Printer- of
computerproblemen kunnen geen excuus zijn voor het laattijdig indienen van de
onderzoeksopdracht. Maak systematisch een kopie van het werk dat je tot dan toe geleverd
hebt.

De vordering van je werk en de stiptheid worden niet enkel op het eindresultaat beoordeeld, je
krijgt hiervoor ook punten op je rapporten van DW2 en DW3. Uiteraard krijg je voortdurend
feedback van je begeleidende leerkracht. Hou hier rekening mee.


Lyceum Martha Somers Brussel                        Handleiding OC                        3
Het evaluatieformulier met de puntenverdeling vind je in bijlage 5.

Te laat komen of niet opdagen bij de presentatie, wordt als spijbelgedrag genoteerd, waardoor
men onvermijdelijk punten verliest op de mondelinge proef:
* te laat: -10
* afwezig: -15.




Lyceum Martha Somers Brussel                       Handleiding OC                      4
                                  BIJLAGE 1: VOORBEELD LOGBOEK

Naam:                                                                      Klas:
Onderwerp
                                                                                                   Handtekening
Datum          Plaats      Duur     Verrichte werkzaamheden                Opmerkingen-afspraken
                                                                                                   leerkracht


10 september   HOB         1u30     oriëntering: eerste literatuuronderzoek gevonden boeken: …
                                    trefwoorden ingetypt in catalogus: 19de
                                    eeuw, oriëntalisme, reizen,…
12 september   bedrijf X   1u       gesprek met mijnheer Y                  tips die hij gaf: …




Lyceum Martha Somers Brussel                                  Handleiding OC                         5
                                              BIJLAGE 2: BRONNEN
Bronnen                        Geraadpleegd                              Eventueel nog te raadplegen

naslagwerken (encyclopedie,
cd-rom,…)
kranten en tijdschriften

internet

boeken: fictie

boeken: non-fictie

documentaires en reportages

film en video

gesprek met een specialist

enquête

interview

observatie

experiment of proef

andere



Lyceum Martha Somers Brussel                            Handleiding OC                                 6
                    BIJLAGE 3: SCHRIFTELIJK WERK

A. Volgorde, opbouw en lay-out

1     Volgorde en opbouw van de onderdelen
1.1   Titelblad
  -   Links boven komt de volledige naam van de school.
  -   In het midden zet je de titel met eventuele ondertitel van de paper. Rechts onder plaats
      je jullie namen (eerst de voornaam), klas, schooljaar, naam van de begeleidende
      leerkracht.

1.2 Schutblad
Een schutblad is een wit blad dat je vlak na je titelblad plaatst.

1.3 Voorwoord
In een voorwoord bedank je de belangrijkste personen die behulpzaam zijn geweest. Naast de
naam, vermeld je eventueel de functie en titel. Let op de juiste schrijfwijze van de gegevens.
De tekst komt op een afzonderlijk blad na het schutblad.

1.4 Inhoudsopgave
(Taalkundig niet ‘inhoudstafel’!)
  - Bevat: alle titels en ondertitels van de hoofdstukken, conclusie, bijlage(n). Ook het
      voorwoord moet een titel zijn in de inhoudsopgave.
  - De titel van elk deel en/of hoofdstuk mag je duidelijk laten uitkomen (bijv. vet) en
      begint na één witregel. De paginanummers worden uitgelijnd met de rechtermarge,
      voorafgegaan door een rij puntjes. Gebruik hiervoor de inhoudsopgavefuncties van je
      tekstverwerker.

1.5 Inleiding
Het is belangrijk dat je aan de inleiding en het slot de nodige zorg besteedt, want bij een
eerste vluchtige blik op je werk zal de lezer zich vaak beperken tot het begin (de inleiding) en
het einde (het slot).
De inleiding bepaalt of iemand doorgaat met lezen. Je moet hier m.a.w. de belangstelling voor
je onderwerp opwekken.
Enkele tips voor de inleiding:
   - Je leidt je onderwerp in op een boeiende manier (verwijs naar de actualiteit, historiek,
      gebruik een anekdote, een citaat, een situatieschets, …)
   - Leg uit wat je precies wil onderzoeken en formuleer daarbij krachtig de centrale
      onderzoeksvraag
   - Schets de aanleiding of motivering voor deze onderzoeksvraag
   - Beschrijf je onderzoeksmethode(n)
   - Leg uit hoe je je informatie bekomen hebt
   - Schets de globale opbouw van je werk (m.a.w. de subvragen waarop je een antwoord
      zal formuleren)

1.6 Middenstuk/Kern
Elk hoofdstuk is eigenlijk een aparte tekst, met een titel, tussentitels, alinea’s, een inleiding en
een slot.
Lyceum Martha Somers Brussel                          Handleiding OC                        7
Alinea’s probeer je zo veel mogelijk als volgt op te bouwen: kernzin, uitwerking, slot.
 - Kernzin bevat de belangrijkste informatie
 - Uitwerking geeft voorbeelden, preciezere uitleg, oorzaken, …
 - Slotzin vat samen of is een overgangszin naar de volgende alinea.

Let erop dat de verbanden tussen de alinea’s verduidelijkt worden met signaalwoorden. Dit
helpt de lezer wegwijs maken in je tekst.

Formuleer je titels en tussentitels zakelijk en informatief. Zorg ervoor dat ze niet te lang zijn
en zet na een titel geen punt.

1.7 Slot
Terwijl je in de rest van je onderzoekscompetentie kon parafraseren, citeren en neutraal je
bevindingen kon neerpennen, moet je in dit onderdeel duidelijk en persoonlijk je bevindingen
formuleren.
In het besluit worden geen nieuwe dingen meer besproken. Wel mag je een weergave geven
van de hoofdpunten in je tekst, kom je tot een antwoord op je onderzoeksvraag, mag je het
antwoord of de oplossing van de onderzoeksvraag beoordelen en een verdere evolutie
aangeven of in verband hiermee een wens neerschrijven.

1.8 Bijlagen
Bijlagen kunnen tabellen, figuren of vragenlijsten zijn die van bijkomend belang zijn of soms
als bewijs moeten dienen. Als ze echter een onmisbaar onderdeel vormen om de
gedachtegang van de kern te volgen, dan moeten ze in de kern worden opgenomen.
Zorg ervoor dat de bijlagen genummerd zijn.

1.9 Bibliografie
De bibliografie geeft een opsomming van alle geraadpleegde bronnen en begint op een
afzonderlijke bladzijde. De precieze opmaak van een bibliografie vind je bij Een bibliografie
opstellen.


2       Lay-out
2.1     Lettertype en lettergrootte
  -     Voor de hele tekst gebruik je Times New Roman of Arial.
  -     De titels van een deel: vet en 24 punt.
  -     De titels van een hoofdstuk (en ook de titels ‘voorwoord’, ‘inleiding’, ‘slot’, ‘bijlage’,
        ‘bibliografie’): vet en 18 punt.
    -   Alle alineatitels: vet en 14 punt.
    -   De eigenlijke tekst: standaard, 12 punt.
    -   Kopteksten, voetteksten, voetnoten, eindnoten en bijschriften: standaard, 10 punt.
    -   Stukken zin of tekst die je eventueel wil beklemtonen: vet

2.2     Marges
  -     Boven en onder: 3 cm.
  -     Binnenkant: 3,5 cm.
  -     Buitenkant: 2,5 cm.



Lyceum Martha Somers Brussel                         Handleiding OC                       8
2.3 Regelafstand
In het hele werk: regelafstand 1.

2.4   Uitlijning
  -   Tekst links en rechts uitvullen.
  -   Titels enkel links uitlijnen.

2.5   Opsommingen
  -   Gebruik in de hele tekst hetzelfde niveau en dezelfde inspronggrootte.
  -   Je gebruikt nummers of (sobere) opsommingstekens

2.6   Titels
  -   De nummering van de titels begint bij elk hoofdstuk opnieuw.
  -   Na het nummer komt geen punt: 1/2/1.1/1.2/…
  -   Bij elk nummer moet een titel staan.
  -   Na het nummer komt voor alle niveaus dezelfde grootte van insprong.
  -   Na een titel komt geen witregel. De tekst sluit m.a.w. direct op de titel aan.
  -   Vermijd titels onderaan de bladzijde.

2.7   Paginanummering
  -   De paginanummers komen rechts onderaan.
  -   Je gebruikt een doorlopende nummering doorheen het hele werk.
  -   De nummering start vanaf het titelblad, maar wordt op die pagina niet vermeld. Ook op
      het blad met het voorwoord wordt het paginanummer niet vermeld.

2.8   Bijlagen
  -   Iedere bijlage krijgt een apart nummer en een titel.
  -   Vanuit de eigenlijke tekst wordt naar die bijlagen (aan de hand van het toegekende
      nummer) verwezen.



B. Een bibliografie opstellen

Wie voor een onderzoek gebruik maakt van bronnenmateriaal, moet dat op een duidelijke
manier weergeven. Naast een blijk van eerlijkheid, is dit ook een gebaar van hoffelijkheid
naar de lezer die de bronnen immers gemakkelijk moet kunnen terugvinden. Bovendien is het
voor jezelf handig om je materiaal bij de hand te houden. Er is immers niets vervelender dan
te weten dat je iets interessants gelezen had, maar niet meer te weten in welk boek je het
vond, op welke bladzijde, enz.
Net om de bovenstaande redenen moet je je bij het opstellen van een bibliografie strikt aan de
geldende conventies houden. Hieronder volgt een voorbeeld van een aanvaard systeem.
Noteer dat hierop verschillende systemen (bv. het Harvard Reference System of het Note
Reference System) en varianten bestaan. Welk systeem je ook gebruikt, belangrijk is in elk
geval dat je één systeem consequent aanhoudt.
Algemeen: de referenties moeten alfabetisch worden gerangschikt op auteursnaam (of naam
van de instelling). Heb je meerdere werken van eenzelfde auteur geraadpleegd, dan moeten
deze chronologisch worden gerangschikt (oudste eerst).


Lyceum Martha Somers Brussel                         Handleiding OC                    9
1     Boeken
Model:
    NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel van het werk. Ondertitel, druk,
    uitgeverij, plaats van uitgave, jaartal.

Voorbeeld:
    SWEEZY, P. M., The Theory of Capitalist Development, Monthly Review
    Press, New York, 2000.



2     Artikel uit een tijdschrift
Model:
    NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), ‘Titel artikel', Titel tijdschrift/weekblad,
    jaargang, (jaartal), maand, nummer, paginaverwijzing.

Voorbeeld:
    SIMONART, S., 'Een feest van tranen.Op bedevaart naar Dianaland', Humo, (1999), augustus, nr. 36, p.
    136-153.



3     Artikel uit een krant
Model:
    NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), 'Titel artikel', Naam krant, volledige
    datum.

Voorbeeld:
    RUYS, M., 'Het oude België hindert Vlaanderen', De Standaard, 23 september 1999.




4     Een rapport, cursus, eindwerk
Model:
    NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel en ondertitel, niet-gepubliceerd +
    type document (rapport, cursus,…), plaats, naam van de instelling, jaar.

Voorbeeld:
    DECLERCK, K. en VAN HOLM, B., De programmeerbare besturing. PLC, niet-gepubliceerd eindwerk,
    Brugge, VTI Brugge 6IW, 1998.



5     Een folder, brochure
Model:
    NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel brochure, organisatie of instelling,
    plaats, jaar.

Voorbeeld:
    VANNESTE , D., Informatiebrochure, Tele-Onthaal, 1998.

Lyceum Martha Somers Brussel                           Handleiding OC                          10
     INSTITUUT ENGEL BEWAARDER, Onthaalbrochure, Aartrijke, 1998.



6      Een elektronische bron
Model:
     NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel van de geciteerde informatie,
     internet, volledige datum updating zonder haakjes of de volledige datum van raadpleging tussen haakjes.
     Het volledige internetadres tussen haakjes.

Voorbeeld:
     UNICEF, About the convention, internet, 26 februari 1998. (http://www.unicef.org/crc/conven.htm).
     STUDIO BRUSSEL, Jimi Hendrix de beste gitarist, internet, (28 augustus 2010). (http://www.stubru.be).



7      Een video, DVD
Model:
     NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel, dvd (of video), productiehuis,
     plaats, jaartal.

Voorbeeld:
     OFFECIERS, W., Jacob van Maerlant. Omdat ic Vlaeminc ben, video, Electrabel/Toerisme
     Damme/KUB, 1996.



8      Een CD, CD-ROM
Model:
     NAAM AUTEUR(S), VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), Titel, cd/cd-rom, uitgeverij, plaats van
     uitgave, jaartal.

Voorbeeld:
     BOS, S., Breek de stilte, cd, Hans Kuster Music, België, 1991.

9      Een interview
Model:
     NAAM GEÏNTERVIEWDE, VOORNAAM GEÏNTERVIEWDE (INITIALEN), (indien nodig tussen
     haakjes de functie van de geïnterviewde), Mondelinge mededeling, via, manier waarop je informatie
     verkregen hebt: telefoongesprek, interview, bezoek, … , volledige datum.

Voorbeeld:
     VANDELANOTTE, J., Mondelinge mededeling, via interview, 20 september 1997.




C. Citeren

Citeren is het letterlijk overnemen van een stukje tekst van een andere auteur. Je kan dit doen
om je eigen ideeën te ondersteunen of omdat de interpretatie van die auteur belangrijk is.
Overdrijf echter niet, want te veel citeren wijst op luiheid en een gebrekkige inspiratiekracht.

Lyceum Martha Somers Brussel                              Handleiding OC                           11
Telkens je begrippen, argumenten en/of gegevens overneemt uit een bepaalde bron, moet je
naar die bron verwijzen. Het verwijzen naar een bron gebeurt via een voetnoot onderaan de
bladzijde. Ook voor dergelijke verwijzingen bestaan verschillende systemen. Hieronder vind
je een algemeen aanvaard systeem.


1        Voetnotensysteem
Als je een bron de eerste keer vermeldt in een voetnoot, gebruik je dezelfde methode zoals in
de bibliografische notatie, alleen zet je hier de eerste letter van de voornaam eerst, gevolgd
door de familienaam van de auteur. Op het einde plaats je de pagina waarop je het citaat
terugvond.

Model:
         VOORNAAM AUTEUR (INITIALEN), NAAM AUTEUR(S), Titel van het werk. Ondertitel, druk,
         uitgeverij, plaats van uitgave, jaartal, p.X.

Voorbeeld:
         SWEEZY, P. M., The Theory of Capitalist Development, Monthly Review
         Press, New York, 2000, p.245.

Verder in je onderzoekscompetentie mag je op een verkorte manier naar eenzelfde bron
verwijzen.

Voorbeeld:
         SWEEZY, P.M., 2000, p.245.



        2 Enkele tips voor het citeren
    -    Passages moeten van een redelijke omvang zijn, maar mogen ook niet te lang zijn (max.
         5 regels).
    -    Citeer enkel gezaghebbende teksten als je secundaire bronnen citeert.
    -    Uit elk citaat moet duidelijk blijken wie de auteur is en welke publicatie de bron is.
    -    Neem nooit iets letterlijk over zonder te citeren en zonder de bron duidelijk aan te
         geven. Dit is immers plagiaat en wordt zwaar bestraft!
    -    Citeer waar mogelijk in de meest oorspronkelijke uitgave en in de oorspronkelijke taal
         (d.w.z. Nederlands, Engels, Frans en Duits. Citeren in elke andere taal vereist een
         vertaling in het Nederlands in een voetnoot).
    -    Citaten moeten getrouw worden overgenomen. Eventueel bij weglating van een deel het
         beletselteken (...) gebruiken.
    -    Citaten plaats je altijd tussen dubbele haakjes.




Lyceum Martha Somers Brussel                             Handleiding OC                12
                           BIJLAGE 4: PRESENTATIE

A. Spreken in het openbaar: hoe begeester ik mijn publiek?

Het geven van een voordracht aan een grote groep is een activiteit die door mensen die dat
niet elke dag doen, soms als een lastige klus wordt ervaren. Dagen is men zich aan het inlezen
op de teksten, om op de grote dag een goed verhaal te kunnen houden.

Helaas wordt vaak verondersteld dat de inhoud van het betoog het belangrijkste is en dat
hetgeen wat uitgedragen moet worden, het enige is waar het bij de voorbereiding om gaat. We
vergeten vaak dat het even belangrijk is om ook een goede presentatie neer te zetten. Het gaat
dus niet alleen om de woorden, maar ook om de manier waarop je het brengt.

Het is een feit dat wanneer iemand een toespraak houdt, en de presentatie niet goed is, er bij
de toehoorders weinig blijft hangen van waar het nu eigenlijk over gaat. Als de presentatie op
een eentonige manier wordt gegeven, zakt de concentratie van de toehoorders erg naar
beneden. Ook verkrampte houdingen en onrustige bewegingen van een spreker, kunnen de
concentratie van de luisteraar afleiden. Kennis van lichaamstaal helpt bij het neerzetten van
een goede presentatie.


B. Handige tips: waar moet ik op letten?

1      Kledij en voorkomen
Het oog wil ook wel wat…Bij een mondelinge presentatie is het belangrijk om fris en monter
op de voorgrond te treden. Indien de eerste indruk positief is, maak je reeds een goede start.
De kledij speelt daarbij een belangrijke rol.

Zorg er in de eerste plaats voor dat je kledij netjes en fris is (geen vlekken, niet gekreukt,
geen scheuren of gaten, schoenen netjes gepoetst,…).

Draag neutrale en comfortabele kledij waar niemand aanstoot aan kan nemen. Het is
immers jouw taak om iedereen uit het publiek te bekoren.

Baggy jeans, shorts, t-shirts met grote prints, sportschoenen , korte rokjes, strapless topjes,
teenslippers…bewaar je in de kast voor een andere gelegenheid.

Kauwgom is absoluut te vermijden.


2      Verdorie, ik ben zenuwachtig!
Voor een groep spreken zorgt soms voor een zekere dosis stress. Alle ogen zijn op jou gericht
en iedereen luistert naar wat je te vertellen hebt. Aiaiai! Als dat maar goed komt!
Denk eraan dat het normaal is dat je zenuwachtig bent, de meeste mensen ervaren dit gevoel
wanneer ze voor een publiek staan. Jij voelt die zenuwen door je lijf razen, maar de
toeschouwers merken dit niet altijd op.
Lyceum Martha Somers Brussel                         Handleiding OC                        13
Er zijn enkele elementen die je zelf in de hand hebt en die je stressniveau kunnen doen dalen:

    -   Een goede voorbereiding: weet waarover je spreekt!
    -   Je tekst meermaals luidop inoefenen (liefst met publiek).
    -   Kies op voorhand je kledij uit en leg alles tijdig klaar.
    -   Didactisch materiaal voordien nog even uittesten (powerpoint, internet, fotomateriaal,
        proefopstelling…)
    -   Diep in- en uitademen alvorens te starten
    -   Geloven in jezelf!


3        Wie ben ik?

De meeste mensen uit de groep kennen jou, jullie zitten immers al vele jaren samen op school.
Toch is het belangrijk om jezelf nog even voor te stellen en te duiden waarom je daar bent.


4        Let op de non-verbale aspecten
Bij een goede voorbereiding van een toespraak is het belangrijk ook te letten op de non-
verbale aspecten. Een goed gebruik van lichaamstaal tijdens de voordracht zal ook de
belangstelling voor het onderwerp doen vergroten. Door gebaren, lichaamsexpressie,
gelaatsuitdrukking en toonhoogte geeft, ondersteunt of bekritiseert een spreker voortdurend
hetgeen hij zegt. Bewust toegepaste pauzes behoren ook tot het non-verbale deel van het
verhaal.

Een lachend en ontspannen gezicht spreekt meer aan dan een norse blik.


5        Contact en interactie
Tijdens een presentatie is het zeer belangrijk om contact te maken met je publiek. Dat
betekent dat je niet alleen iets voordraagt, maar dat je werkelijk met je publiek communiceert
en interageert. Deze interactie kun je sturen door de keuze van plaats, het aannemen van
een passende houding, een juiste afstemming van je bewegingen, een variërend
stemvolume en een goede timing van aankijken en wegkijken. Expressieve mimiek en
ondersteunende gebaren bevorderen het contact met de groep en verhogen de levendigheid
van je presentatie.


6        Intonatie
Je stem is ook een belangrijk non-verbaal hulpmiddel tijdens de voordracht. Je kunt er niet
alleen de woorden mee uitspreken, maar met behulp van intonatie kun je levendigheid in je
verhaal brengen. Het is juist de afwisseling van volume en toonhoogte die de toespraak
levendig houdt. Je kunt er iets mee accentueren of mee afzwakken.




Lyceum Martha Somers Brussel                       Handleiding OC                      14
7        Oogcontact
Tijdens een gesprek met iemand is oogcontact erg belangrijk. Bij spreken in het openbaar is
het eigenlijk niet veel anders, alleen richt je je tot een grotere groep. Oogcontact maken met
iemand die actief luistert, een persoon die wat naar voren leunt en af en toe instemmend knikt,
stimuleert je om verder te spreken. Het is goed om regelmatig je blik te verplaatsen naar
een andere persoon, bij voorkeur iemand die aan een andere kant van de groep zit. Als iemand
een vraag stelt, richt je doorgaans eerst je blik op de vraagsteller, terwijl je begint met
antwoorden. Vanaf een afstand van zo'n acht meter is oogcontact niet meer echt goed
mogelijk. Richt je daarom bij je interactie vooral op de voorste rijen. Werp wel af en toe een
blik naar boven (achteren) om ook de achterste mensen te betrekken. Als je hun richting
opkijkt, voelt iedereen zich aangesproken. Uiteraard is oogcontact onmogelijk als je
gedurende lange tijd iets afleest. Zorg dan ook voor een bondig spreekplan. Soms kan het niet
anders, maar als het niet nodig is, laat dan de volledige tekst achterwege.


8        Wat doe ik met mijn handen?
Het veel en onrustig bewegen van de handen geeft niet alleen de gespannenheid van de
spreker weer, maar kan de luisteraars afleiden van het verhaal. Nerveuze gebaren zoals
krabben aan je armen of aan je gezicht, draaien aan een ring, strijken over je haren en
friemelen aan je kleding kun je dus maar beter niet maken tijdens het spreken. Het is
goed om tijdens je betoog veel gebruik te maken van ondersteunende gebaren.


9        Lichaamshouding

Probeer volgende lichaamshoudingen te vermijden:

    -   De armen over elkaar
    -   Handen in de zakken
    -   Handen op de heupen
    -   Handen op de rug
    -   Het hoofd naar de grond gericht
    -   Met de rug naar je publiek staan


10       Gebruik van visuele hulpmiddelen
Het is slim om je boodschap via de verschillende zintuigen van de toehoorders te laten
binnenkomen. Probeer tijdens de voordracht zowel iets te laten zien als te laten horen. Beter
nog is het als je ook iets kunt laten voelen, hoewel dat niet altijd even praktisch is. Onderzoek
heeft uitgewezen dat een boodschap het best blijft hangen als deze via verschillende kanalen
binnen komt. Tijdens een voordracht wordt daarom vaak gebruik gemaakt van een
powerpointpresentatie.




Lyceum Martha Somers Brussel                        Handleiding OC                        15
Voor een vlotte en informatieve presentatie kan je best rekening houden met volgende
aanbevelingen:

  -       Voorkom dat er teveel informatie op een zelfde dia komt te staan.
  -       Laat niet in uw kaarten kijken: laat bv. opsompunten één voor één verschijnen.
  -       Gebruik een hoog contrast tussen tekst en achtergrond (zoals lichte letters op een
          donkere achtergrond) en gepaste kleurencombinaties.
  -       Verkies een duidelijk en voldoende groot lettertype, zeker als niet iedereen van het
          publiek dicht bij het scherm kan zitten.
  -       Regelmatig gebruik van animatie-effecten bij de diaovergangen kan tot ergernis leiden
          bij de toehoorders.
  -       Gebruik voor alle dia’s bij voorkeur steeds dezelfde kleurinstellingen en opmaak.
  -       Beperk het voorlezen van tekst van een dia, geef beter een toelichting of een uitdieping
          bij de getoonde tekst, die je in elk geval beperkt tot korte regels.

Bedenk: een presentatieprogramma maakt geen presentaties, maar geeft dia’s. Het is het
meest efficiënt als visuele ondersteuning van gesproken woorden.


11         Oef, ’t is gedaan!
Wanneer je voordracht afgelopen is wil je graag zo snel mogelijk terug naar je plaats of het
lokaal verlaten. Vergeet vooral niet je publiek te bedanken voor hun aandacht, spreek de
hoop uit dat je hen iets hebt bijgebracht en geef hen de kans om vragen te stellen.


12         Vraag feedback voor later
Bij je verdere studies of bij het uivoeren van je job zal je hoogstwaarschijnlijk ook moet
spreken voor een publiek. Daarom is het belangrijk te weten wat je goed gedaan hebt of waar
je in de fout gegaan bent. Vraag uitleg aan je klasgenoten en aan de leerkrachten die je
betoog bijwoonden.


13         Wil je nog meer weten?
          Eckhardt, L. en Th. IJzermans, Het woord is aan u! Over spreken voor groepen,
           Thema, 1994.

          Steehouder, M. (ed.), Leren communiceren; Handboek voor mondelinge en
           schriftelijke communicatie, Wolters-Noordhoff, 1999.

          Wagenaar, W. A., Het houden van een presentatie, In: "Studeren", Uitgeverij Balans,
           2002.

Vraag tips aan je leerkrachten en/of de leerlingbegeleiding.




Lyceum Martha Somers Brussel                          Handleiding OC                       16
                                    BIJLAGE 5: EVALUATIEFORMULIER

NAAM:
ONDERWERP:
                               max score     score                    toelichting
Onderzoeksproces                     30

  inhoud                       20

  logboek                      10

Verslag                              40

   inhoud                      20

   lay-out/illustraties        10

   taalgebruik                 10

Presentatie                          30

   inhoud                      10

   vorm                        10

   taalgebruik                 10

TOTAAL                              100
Lyceum Martha Somers Brussel                         Handleiding OC                 17
                    LYCEUM MARTHA SOMERS
                    Karel Bogaerdstraat 4, 1020 Brussel  Tel.: 02 474 06 00  Fax: 02
                    478 32 86
                    E-mail: info@lyceum-brussel.be  Website: www.lyceum-brussel.be




Ondergetekenden verklaren kennis genomen te hebben van de handleiding
onderzoekscompetentie.

Naam en voornaam:
Klas:
Datum:

Handtekening leerling:                          Handtekening van één van de ouders:




Lyceum Martha Somers Brussel                    Handleiding OC                    18

				
DOCUMENT INFO
Shared By:
Categories:
Tags:
Stats:
views:154
posted:12/8/2011
language:Dutch
pages:18