Monografieën Milieu 43:
Bouw- en Sloop Afval
ir. G.J. de Noord
sectoren Milieutechnisch Ontwerpen en Materiaalkunde (CT)
oktober 2001
Technische Universiteit Delft Faculteit der Bouwkunde Vakgroep Stedebouw Werkverband Ruimtelijke Planning Leerstoel
Technische Ecologie & Milieuplanning
2
Inhoud
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
3
1 Inleiding
Dit is een nieuwe versie van de monografie 43 waarin artikelen zijn verwerkt van het promotie-onderzoek
van ir. Pauline Boedianto naar demontabel bouwen.
Bij sloop ontstaat bouw en sloopafval (BSA). In dit deel wordt uitsluitend hierop ingegaan.
In 1990 vormde de hoeveelheid van 14 miljoen ton BSA 25 % van de totale afvalstroom. De
samenstelling van dat BSA is vermeld in hoofdstuk 2. Het beleid van de overheid is om de
hoeveelheden BSA terug te dringen. Dit resulteert erin dat het steeds moeilijker wordt om BSA te
storten en in 1996 komt er zelfs een absoluut verbod op het storten van BSA. Daarmee kan worden
begonnen door preventieve maatregelen tijdens het bouwproces. Hoe de verschillende partijen in het
bouwproces kunnen bijdragen aan preventie is vermeld in hoofdstuk 3.
Renoveren
In 1992 werden 80.000 nieuwe woningen gebouwd, en worden 70.000 woningen gerenoveerd.
Verspilling bij onderhoud en renovatie kan worden beperkt door vóór de keuze van milieuvriendelijke
materialen eerst de volgende stappen te doorlopen:
1. zoveel mogelijk handhaven van bestaande elementen, zoals muren, deuren en kozijnen;
2. repareren en partieel vervangen, het liefst in een fabriek;
3. materiaal hergebruiken en sloophout gebruiken.
Door deze stappen wordt de hoeveelheid BSA bij renovatie met 75 % verminderd.
Slopen
Om de hoeveelheid sloopafval te verkleinen moet het slopen van gebouwen een apart vak worden dat
gericht is op zo hoogwaardig mogelijk hergebruik van gebouwen, gebouwdelen en materialen.
Een gebouw dient bij voorkeur te worden hergebruikt in dezelfde vorm, anders na verbouwing.
Als dat niet mogelijk is dan dient het gedemonteerd worden. Hierbij is het nodig dat er een sloopplan
en een logboek is.
Demonteren kost geld en tijd maar bespaard stortkosten.
De voorkeur gaat dan uit naar hergebruik van drooggemonteerde (hele) bouw- en constructiedelen,
zoals hergebruik van kozijnen, ramen en deuren, gevolgd door het loszagen van stukken metselwerk.
De kapitaalvernietiging die gepaard gaat met slopen kan sterk worden gereduceerd door hergebruik.
Om sloopafval te kunnen hergebruiken is het nodig om selectief te slopen. Dit vergt veel
voorbereiding. Om selectief te kunnen slopen moeten ontwerpers en constructeurs rekening houden
met de sloop. Zij dienen ook tekeningen en berekeningen te bewaren.
Hoe de vrijkomende hoeveelheden BSA kunnen worden verwerkt is vermeld in hoofdstuk 4, waarna in
hoofdstuk 5 de hergebruikmogelijkheden zijn aangegeven.
Kunststofafval is een hoofdstuk apart, hier is danook een apart hoofdstuk (6) aan gewijd.
5
2. Hoeveelheden bouw- en sloopafval (BSA)
2.1 Inleiding
Bij het storten en verbranden van BSA ontstaan omvangrijke milieuproblemen. In 1990 was de
hoeveelheid BSA 12,2 miljoen ton. Hiervan werd 60 % hergebruikt, 15 % onbewerkt toegepast en 25
% gestort of verbrand. Het percentage dat werd hergebruikt was medio 1992 gestegen tot 70 % van
14 miljoen ton (N.B.: huishoudelijk afval: 7 miljoen ton).
De rijksoverheid streeft ernaar om het hergebruikpercentage te laten stijgen tot 80 à 90 % in 2000
|1,5|. Dit kan alleen als de (puin)granulaten ook gebruikt worden in beton.
2.2 Samenstelling BSA
In 1990 werd er in de bouw 125 miljoen ton bouwmaterialen gebruikt, waarvan 110 miljoen ton
primaire en 15 miljoen ton secundaire materialen. Van die 15 miljoen ton was 8 miljoen ton afkomstig
uit BSA en 7 miljoen ton uit industriële reststoffen (slakken, vliegas, RO-gips) |18|.
De verdeling tussen bouw- en sloopafval en herkomst per sector in 1990 is vermeldt in Tabel 2.1 en
de samenstelling in Tabel 2.2.
Tabel 2.1: Herkomst bouw- en sloopafval (x miljoen ton) |5|
woningbouw utiliteitsbouw weg- en waterbouw totaal
bouwafval 1,4 0,9 1,3 3,6
sloopafval 1,4 4,5 2,7 8,6
totaal BSA 2,8 5,4 4,0 12,2
Tabel 2.2: Samenstelling bouw- en sloopafval (x duizend ton) |5|
woningbouw utiliteitsbouw weg- en waterbouw
[%]
[%] [%]
steenfractie 2400 89 5170 96 3980 99
hout 225 8 50 0,9 0 0
metalen 35 1,2 140 2,6 0 0
teerhoudend 10 0,3 10 0,2 0 0
kunststof 15 0,4 5 0,1 15 1
rest 35 1,2 25 0,5 0 0
totaal 2800 5400 3995
Van de totale hoeveelheid van 12,2 miljoen ton in 1990 bestond de steenfractie uit 11,6 miljoen ton.
Die hoeveelheid bestond op haar beurt weer uit 2,5 miljoen ton oud asfalt, 5,3 miljoen ton betonpuin
en 3,8 miljoen ton metselwerkpuin.
Van de steenfractie werden in 1990 - na bewerking tot granulaten in brekerinstallaties - de volgende
hoeveelheden hergebruikt:
6
Tabel 2.3: Hoeveelheden hergebruikt granulaat in 1990 (x miljoen ton) |2|
produkt
betongranulaat 0,8
metselwerkgranulaat 0,5
1
menggranulaat 1,8
asfaltgranulaat 0,7
2
hydraulisch granulaat 1,0
zeefzand 0,6
overig 0,5
granulaten van mobiele brekers 0,6
totaal 6,5
Per woning kwam in 1990 aan bouwafval vrij:
Tabel 2.4: Samenstelling bouwafval per woning |5|
3
per woning [m ] [ton]
steenfractie 6,0 6,6
hout 0,84 0,3
metalen 0,03
papier/karton
kunststof verpakkingen
restanten minerale olie 1,59 0,5
afval van derden 0,22 0,1
totaal 7,68 7,5
Daarnaast kwam in 1988 10 kg chemisch afval
per nieuwbouwwoning vrij |4|.
1
Menggranulaat is een mengsel van beton- en metselwerkgranulaat dat meer dan 50 % gebroken beton bevat
3
met een soortelijke massa > 2100 kg/m .
2
Hydraulisch granulaat is een mengsel van granulaten en hydraulische slak.
7
8
3 Preventie bouwafval tijdens bouwproces
BSA komt vrij tijdens alle fasen van de levenscyclus van een gebouw.
De vrijkomende hoeveelheid BSA kan in elke fase van het bouwproces worden beïnvloed.
Het bouwproces kan worden onderverdeeld in:
• initiatief
• programma van eisen
• locatiekeuze
• voorlopig ontwerp (ruimte)
• definitief ontwerp (inclusief materiaalkeuze)
• bouwvoorbereiding
• realisatie
• gebruik en onderhoud
• sloop en hergebruik
3.1 Voorkomen bouwafval
Het ontstaan van bouwafval kan worden verminderd door de volgende maatregelen |5,8,10|:
• verantwoord ontwerpen:
• met materialen met een lange levensduur die goed herbruikbaar zijn en waarvan de maatvoe
ring is afgestemd op handelsmaten;
• bij voorkeur modulair en demontabel ontwerpen, met gebruik van prefab elementen;
• kwalitatief goede materialen gebruiken: kritisch inkopen, leveringen op breuk controleren,
• niet meer materiaal inkopen dan nodig is,
• verspilling tegengaan van materialen door:
• type en maten af te stemmen op de te leveren prestatie
• zoveel mogelijk prefabrikage,
• direct hergebruiken bouwafval op de bouwplaats,
• verbeter de kwaliteit van het resterend afval door:
• scheiden, waarbij verpakkingen, chemisch afval, glas, gips, gasbeton en tapijt apart worden
gehouden,
• ervoor te zorgen dat het zoveel mogelijk geschikt is voor hergebruik en
• het resterende deel zoveel mogelijk nuttig toepassen,
• voor onbruikbaar afval afbreekbare materialen kiezen en sterk milieuvervuilend afval voorko
men.
• preventie op de bouwplaats:
• zo min mogelijk verpakking, en dan nog liefst herbruikbaar; anders terug laten nemen door de
leverancier,
• een schone bouwplaats en goede opslag: bescherming van materialen tegen water, vuil en
beschadiging.
De verschillende partijen tijdens het bouwproces hebben ieder invloed op het voorkomen en beperken
van bouwafval |5,8,9,10|.
3.2 Opdrachtgever
De opdrachtgever kan invloed uitoefenen op:
• huisvesting:
• een gebouw (her)gebruiken in de huidige vorm,
• gevolgd door verbouwen,
• bouwen op een nieuw terrein en ten slotte
9
• slopen en nieuwbouw.
• lokatiekeuze:
• terrein controleren op bodemvervuiling,
• ligging t.o.v. openbaar vervoer,
• mogelijkheden voor opslag en scheiding van bouwafval.
• programma van eisen:
• zorgvuldig formuleren,
• materiaalkeuze: herbruikbare materialen,
• vastleggen van oppervlakte/volumeverhouding en van isolatiewaarden in de It-waarde.
• randvoorwaarden:
• niet in herfst of winter starten met de bouw,
• voldoende voorbereidingstijd,
• voorkom tijdsdruk tijdens de bouw,
• geen wijzigingen tijdens de bouw.
3.3 Architekt
De architekt kan invloed uitoefenen op:
• vormgeving bouwmassa:
• een compactere bouwwijze leidt tot minder geveloppervlak, en daarmee tot een lager
materiaalgebruik, minder bouwafval, een lager energieverbruik en lagere kosten
• complexiteit en afwijkende maten leidt tot meer bouwafval en hogere kosten.
• bouwmethodiek:
• keuze van de fundering: heeft invloed op bekisting, resten beton en betonkoppen,
• ruw- en afbouw: meer prefab betekent minder afval,
• afwerking: hoe meer afwerking, hoe meer afval,
• installaties: zonering voor installaties; niet inbouwen.
• materiaalkeuze:
• natuurlijke of secundaire materialen, niet samengesteld,
• zo min mogelijk lijmen (liever schroeven), verf, impregneermiddelen of coatings toepassen,
• meer dan 80 % herbruikbare materialen toepassen,
• vermijd niet herbruikbare materialen,
• geen kwetsbare materialen toepassen in verband met risico op breuk.
• maatvoering:
• maatvoering afstemmen op de courante handelsmaten van de meest gebruikte plaatma
terialen, dure materialen en materialen die moeilijk of niet verwerkbaar afval opleveren,
• maatvoering en aansluitingen op elkaar afstemmen, ook van elektrische en werktuig
bouwkundige installaties.
• detaillering:
• eenvoudige details,
• als de detaillering complexer en bewerkelijker is dan is de uitvoerbaarheid en in de
uitvoerbaarheid moeilijker, komt er meer bouwafval vrij en zijn de kosten hoger,
• zo min mogelijk kitten en PUR toepassen door beter te detailleren; eventueel EPDM-rubber
profielen gebruiken.
• prefabrikage:
• in het ontwerp kiezen voor zoveel mogelijk geprefabriceerde gebouwdelen. Hierdoor wordt
materiaal, bouwtijd, geld en energie bespaard.
10
• bestek:
In het bestek dient de architekt het volgende vast te leggen:
• definitieve keuze materialen en afwerking,
• afstemming maatvoering,
• coördinatie van bouwkundige deel en elektrische en werktuigbouwkundige installaties,
• bouw- en voorbereidingstijd: lang genoeg,
• keuze uitvoeringsmethode,
• opruimen bouwplaats,
• mate van afvalscheiding,
• opschrift containers,
• terugname verpakkingen door leveranciers.
3.4 Aannemer
De aannemer kan invloed uitoefenen op:
• werkvoorbereiding:
• gedegen en zorgvuldig,
• prefabrikage van gebouwdelen, zeker op plaatsen waar weinig ruimte is voor materiaalopslag,
• goede logistiek - afstemming mensen, middelen en tijd - en juiste volgorde,
• goede afspraken met onderaannemers.
• inkoop materialen:
• inkoper opnemen in projectteam,
• projectmatige inkoop (niet te veel),
• levering op juiste moment; hierdoor is minder of geen opslag op de bouwplaats nodig,
• verpakking van toe te leveren materialen (laten) beperken, liefst herbruikbare verpakkingen
en laten terugnemen door leveranciers.
• uitvoering:
• uitvoeringsmethode: heeft invloed op hoeveelheid en aard van het bouwafval en op de
arbeidsomstandigheden,
• gebouw zo snel mogelijk waterdicht,
• personeel motiveren om nauwkeurig te werken,
• kennis en verantwoordelijkheid bij personeel leggen,
• inrichting bouwplaats:
• voldoende ruimte voor scheiding van bouwafval,
• droge opslag, schone en opgeruimde bouwplaats.
• afvalbakken en containers goed bereikbaar, eventueel met mobiele containers,
• containers voorzien van duidelijke opschriften,
• containers bijhouden en controleren op inhoud,
• zoveel mogelijk materialen hergebruiken op de bouw (met name hout en folie),
• zoveel mogelijk andere bruikbare materialen hergebruiken door onderaannemers of anders
verkopen,
• een container plaatsen voor de buurt, om te voorkomen dat de buurt haar afval in de
containers op de bouwplaats deponeert.
• afvalscheiding:
De aannemer moet de volgende stappen doorlopen:
1. schatting aard en hoeveelheid; indien kleine hoeveelheden: scheiding achteraf,
2. afzetmogelijkheden fracties nagaan; tijdig contact opnemen met de inzamelaar in verband
met acceptatie en kosten (bonafide bedrijven); chemisch afval en asbest altijd apart en
melden,
3. wijze van inzameling en hoeveelheid containers bepalen; puin mag geen glas, gips of
gasbeton bevatten en bij voorkeur geen hout of tapijt,
11
4. voorlichting aan en motivatie van alle betrokken bij de uitvoering over het hoe en waarom van
scheiding; onderaannemers moeten ook meedoen, evenals aangrenzende bouwprojecten,
5. inzameling zelf,
6. registratie, nacalculatie en evaluatie.
De grote aannemers scheiden hun bouwafval, de kleine vaak nog niet. Toch zullen ook zij in de nabije
toekomst hun afval ook moeten scheiden. Scheiding heeft een aantal voordelen voor aannemers:
• het geeft inzicht in hoeveelheden en soorten afval. Daardoor is het mogelijk om afval te
vermijden en scherper te calculeren;
• scheiding van BSA geeft de aannemer een (beter) milieu-imago
• terug geven van verpakkingsmateriaal zal ertoe leiden dat toeleveranciers minder of herbruik-
bare verpakking gebruiken,
12
4 Flexibel bouwen met prefab betonelementen
In de DDR zijn veel flats gebouwd volgens het zgn. "Plattenbau"-principe: verdiepinghoge prefab-
betonelementen. Ze gaven vele steden in de DDR - mede wegens achterstallig onderhoud - een
troosteloze aanblik. Vele van die flats zijn klein maar goedkoop. Woontechnisch hopeloos verouderd.
Toch kunnen die flats in Oost-Berlijn rekenen op een sterk toenemende populariteit (augustus 2001).
Dit komt misschien mede door de overspannen woningmarkt in de nieuwe hoofdstad van het
herenigde Duitsland.
Pauline Boedianto promoveert |29-34| rond het voorkomen van het slopen van gebouwen met prefab
betonelementen ruim voordat het einde van de technische levensduur van die prefab betonelementen
is bereikt. Veel ter plaatse gestorte betonnen knooppunten zijn knelpunten. Zij leiden ertoe dat
demonteerbare structuren alleen kunnen worden gesloopt.
Doel van de promotie van Pauline is hoogwaardig hergebruik van de prefab betonelementen.
In grote steden, zoals Amsterdam en Rotterdam, maar ook in Groningen, worden steeds meer
woningen gesloopt. Dit komt door veroudering en verpaupering maar ook door een optredende
verschuiving in de woonbehoeften, van jongeren (al dan niet startend, maar wel steeds jonger
startend) en tweeverdieners (met of zonder kinderen) naar persoonlijker en gevarieerder wonen.
Nederland vergrijst en invidualiseert.
Er is een toenemende behoefte aan ruim (en goedkoop) wonen en woningen voor een- en
tweepersoons huishoudens. Verwacht wordt dat die toename aan ruimte in de toekomst alleen maar
zal blijven groeien. En voldoen aan die behoefte betekent een behoefte bevredigen. Dit leidt tot een
groei in het welbevinden. Bovendien is er een toenemende behoefte aan woningen voor ouderen (55+,
al of niet alleenstaand) en éénouder gezinnen.
Er is behoefte aan woningen waarin de bewoners zelf de ruimte indeling aan kunnen passen aan de
verandering in ruimtebehoefte of gezinssamenstelling, aan woningen die kunnen worden aangepast
aan de wensen van de bewoners.
Bij voorkeur dient industrieel, flexibel en demonteerbaar te worden gebouwd.
Demonteerbaar betekent onder meer dat prefab betonelementen niet te groot moeten zijn en dat ze
demonteerbaar (niet met ter plaatse gestorte beton) met elkaar worden verbonden.
Die prefab betonelementen dienen niet zo groot te zijn dat ze de lengte of breedte van de hele woning
ineens bedekken. Ze kunnen wel verdiepinghoog zijn i.v.m. de stabiliteit maar dat hoeft niet persé.
De lay-out van prefab betonelementen (en de daarmee gemaakte draagconstructie) moet zowel
horizontaal als vertikaal koppelen mogelijk maken van (gedeelten van) woningen om toekomstige
toename in de behoefte aan ruimte mogelijk te maken.
Zo zijn woningen horizontaal te koppelen. Dan zijn de woningen - zonder moeilijk hak- en breekwerk -
in de lengte of breedte uitbreidbaar of veranderbaar qua indeling.
Om vertikaal koppelen van woningen mogelijk te maken moet aandacht besteed worden aan de lay-
out van de vloeren. Bij de vormgeving van de vloeren gaat de voorkeur uit naar kanaalplaten boven
breedplaatvloeren waarbij bij voorkeur al stalen schoenen in de vloeren dienen te worden opgenomen
die het mogelijk maken om in de toekomst gaten in de vloeren te maken zonder gecompliceerd hak-
en breedwerk en woningen vertikaal samen te voegen en zonder dat er kostbare bouwmaterialen
verloren gaan.
Met deze maatregelen wordt voorkomen dat de hoeveelheid BSA verder groeit.
13
.
14
5 Verwerkingsmogelijkheden BSA
BSA of materialen kunnen op een zestal manieren worden herverwerkt |1|:
• hergebruik voor hetzelfde gebruiksdoel,
• nuttige toepassing voor een ander gebruiksdoel,
• scheiden in deelstromen, waarbij de hoeveelheid niet bruikbaar afval wordt gereduceerd,
• opwerken, waarbij door behandeling het afval in een minder schadelijk produkt wordt
3
omgezet. Dit kan fysisch (thermisch, o.a. verbranden en pyrolyse ), biologisch of chemische
gebeuren (extractie, o.a. wassen).
• chemische recycling, waarbij het afvalmateriaal wordt ontleed in bouwstenen voor nieuwe
produkten,
• immobilisatie om de uitloogbaarheid te beperken.
BSA kan worden onderverdeeld in afval dat geschikt is voor:
a. direct hergebruik (indien gaaf): hout en staal;
b. hergebruik en nuttige toepassing na bewerking: (metselwerk- en beton)puin, hout;
c. verbranding: papier, textiel, hout;
d. fabricage van nieuwe materialen (na omvorming): metalen, hout voor pyrolyse, glas,
kunststof;
e. onbruikbare materialen, verontreinigd (asbest, chemisch afval) of niet (pleisterwerk, glas,
gemengd BSA).
5.1 Scheiding BSA |9|
Scheiding op de bouwplaats heeft alleen zin als gescheiden verwerking en afzet mogelijk is.
In sommige gevallen wordt het op de bouwplaats gescheiden BSA weer samengevoegd in één
container om vervolgens weer bij de verwerker te worden gescheiden. Dit werkt zeer demotiverend
voor de aannemer.
Ook als scheiding bij de verwerker plaats vindt moeten stoffen (verontreinigingen) apart gehouden
worden die problemen veroorzaken bij hergebruik. Dit geldt onder meer voor (klein) chemisch afval,
teerhoudende produkten, asbest, gips, gasbeton, vezelbeton en glas.
4
Teer- en andere PAK -houdende materialen kunnen apart worden gehouden door schoorsteen en
dakbedekking apart slopen.
Bij optimale scheiding worden de volgende componenten afzonderlijk ingezameld:
• puin, schoon, direct geschikt voor hergebruik
• puin, schoon, voor puinbreker,
• asfaltpuin,
• grond, schoon, direct geschikt voor hergebruik,
• water, verontreinigd,
• grond, te reinigen,
• grond, verontreinigd, te storten op IBC-stortplaats,
• grond, verontreinigd, te storten op stortplaats met speciale vergunning,
• puin, chemisch verontreinigd,
• metaal, gescheiden naar soorten,
3
Pyrolyse is het ontleden van hout door indirecte verhitting zonder dat het gas verbrandt. Hierbij kunnen houtges,
houtskool en houtteer vrijkomen. Uit het houtgas kan o.a. methanol worden gemaakt en uit houtteer
isocyanaat. Isocyanaat wordt gebruikt in PIR en PUR en in de verfindustrie.
4
PAK = poly-aromatische koolwaterstoffen
15
• chemisch afval, gescheiden in de volgende oplossingen: zure (1) en alkalische (2,
b.v. afbijtmiddel) anorganische stoffen, halogeenarme (3, b.v. olie en terpentine) en
halogeenrijke (4, b.v. tri en per) organische stoffen;
afvalstoffen met vaste stoffen: zware metalen (5, b.v. straalgrit, loodmenie) en met
buitengewone risico's (6, asbest, spuitbussen, teer)
• elektriciteitskabels,
• kunststof (thermoplasten), gescheiden naar soorten,
• glas, gescheiden in blank en gekleurd,
• bruikbaar hout,
• papier en karton, gescheiden,
• groen- en tuinafval,
• resterend niet chemisch verontreinigd afval.
Als er weinig ruimte is voor afvalscheiding op een bouwplaats, of een bouw- of sloopwerk slechts een
geringe omvang heeft dan kan worden overwogen om beperkt te scheiden.
Bij beperkte scheiding dient het BSA bij voorkeur per (genummerde) groep te worden gescheiden.
KCA dient in ieder geval apart te worden gehouden.
Storten |2|
BSA mag alleen worden gestort als de invloed op bodem- en grondwater heel klein is. De
bodembelasting in de bovenste meter mag 1 % in 100 jaar zijn.
BSA dat een ongunstiger samenstelling heeft dan de bodem:
• mag worden toegepast, mits het niet uitloogt en niet wordt gemengd met de bodem,
5
• moet bij toepassing worden omhuld met bentoniet of folie als het wel uitloogt (o.a. zeefzand),
• moet worden gestort (duur!) als het teveel uitloogt.
5.2 Brekerinstallaties |2,11|
In 1990 telde Zuid-Holland 7 brekerinstallaties of bouw- en sloopafvalbewerkingsinstallaties (BSBI's)
zoals ze voluit heten. In 1993 telde Nederland 50 brekerinstallaties.
Om in brekerinstallaties te kunnen worden verwerkt moet sloopafval worden verkleind tot stukken van
3
maximaal 1 m voor dat het kunnen worden aangeboden bij een brekerinstallatie.
In brekerinstallaties wordt het BSA gescheiden in verschillende fracties en ondergaat de volgende
bewerkingen:
• voorzeven: verwijdering en afvoeren van aanhangend (zeef)zand (fractie 40 mm,
• handpicking: verwijdering van grove verontreiniging,
• magneet: verwijdering van ferrometaal,
• wervelstroom: verwijdering van non-ferro metalen.
• windzifter: verwijdering van papier en plastic,
• zeven: verwijdering van brekerzand (fractie 2100 kg/m . Bovendien mag het maximaal 10 % andere steensoorten en ten
hoogste 5 % asfalt bevatten. Betonpuin mag niet meer gips bevatten dan 1 %.
Voor hoogwaardiger betonsoorten dient betongranulaat minimaal 95 % gebroken beton te bevatten.
3
Betongranulaat met een soortelijke massa > 2100 kg/m is bruikbaar voor alle soorten beton. Ten
opzichte van grind is er weinig extra cement nodig.
Voor hoogwaardige toepassingen van puingranulaat kan het nodig zijn dat eerst de pleisterlaag van
wanden wordt verwijderd. Hendriks |2| gaat er echter vanuit dat gips en ook grond voldoende worden
verwijderd tijdens de eerste zeefronde in de puinbreker.
Bij toepassing van puingranulaat moet worden gelet op de korreldichtheid. Als die dichtheid groter is
dan is de sterkte groter. Verder moet worden gelet op de mechanische eigenschappen. Ter
voorkoming van schade is kwaliteitsbewaking nodig.
Granulaatbeton heeft een ongunstiger vervormingsgedrag dan grindbeton. Voor dit probleem zijn er
twee oplossingen:
a. 100 % grind door granulaat vervangen en een 10 % grotere constructie-afmeting kiezen;
b. niet meer dan 20 % grind door puingranulaat vervangen.
Vervanging van 20 % grind door puingranulaat leidt niet tot kwaliteitsvermindering. Door de lagere
massa kan de toepassing van puingranulaat ertoe leiden dat er een grotere dikte voor woning-
3
scheidende wanden moet worden gekozen omdat beton met puingranulaat iets lichter (30 kg/m ) is
3
dan grindbeton (2500 kg/m ).
De grotere porositeit leidt tot een grotere opname van water, wat weer kan leiden tot meer zwellen en
krimpen van het beton. Door de grotere opname van water is granulaatbeton niet geschikt voor
buitentoepassingen.
Kosten
De brekerinstallaties moeten worden bekostigd door de tarieven die zij berekenen aan de sloper voor
verwerking van BSA ( 5/ton) en de verkoopkosten van granulaat.
Granulaat als funderingsmateriaal van wegen is goedkoper dan grind (respectievelijk 18 en 20 per
ton) maar betongranulaat is duurder ( 22/ton).
Grind wordt traditioneel toegepast in beton, en er bestaat weerstand tegen het hoekiger puingranulaat.
Er wordt echter steeds meer gebruik gemaakt van (evenals puingranulaat hoekig) gebroken kalksteen
en gebroken natuursteen.
Om het gebruik van puingranulaat als grindvervanger in beton te stimuleren is het nodig dat de prijs
van het granulaat omlaag gaat en in bestekken wordt voorgeschreven dat gebruik gemaakt moet
worden van puingranulaat, anders wordt grind gebruikt.
Een andere kans voor toepassing van puingranulaat in beton is het absolute verbod op het storten van
BSA in 1996.
Knelpunten
In de wegenbouw is de vraag naar puin groter dan het aanbod. In 1988 werd 99 % van de totale
hoeveelheid hergebruikt puin afgezet in de wegenbouw, met name als onderlaag van wegen. Puin on-
dervindt echter toenemende concurrentie van andere afvalstoffen. Daarom is een verschuiving
gewenst naar gebruik van puingranulaat als grindvervanger in beton.
Andere knelpunten zijn:
• het is moeilijk om te voldoen de kwaliteitseisen voor beton op het gebied van verontrei
nigingen,
• meerkosten door extra kwaliteitscontrole, opslag van het granulaat, aanpassing van het
produktieproces of betonsamenstelling,
19
• transportkosten van sloop naar breker naar bouw,
• "granulaat is afval".
Kansen
• de overheid zal op termijn bewerking van puin verplicht stellen,
• de produktiekosten van granulaat voor de wegenbouw en voor beton naderen elkaar. In beide
gevallen moet het granulaat schoon zijn,
• de overheid schrijft het gebruik van granulaat soms voor.
Brekerzand |2,4,5|
De fractie < 4 mm moet worden uitgezeefd in verband met de water- en cementbehoefte. Deze fractie
(brekerzand) kan in de wegenbouw worden gebruikt in plaats van zand.
De milieuhygiënische kwaliteit van brekerzand is vaak problematisch.
2-
Het kan PAK's, SO4 , antimoon (Sb), minerale olie en soms lood en zink bevatten.
Mogelijke oplossingen voor de vervuiling zijn:
• als voorlopige oplossing: gecontroleerd toepassen,
• selectief slopen van schoorstenen, asbest en bitumenhoudende dakbedekking,
• reiniging.
Kosten |2|
Het storten van brekerzand kost 60/ton inclusief transport.
Verwijdering van PAK's en zware metalen met natte technieken bieden de meeste perspectieven. De
capaciteit van deze techniek is 100 ton per uur en de kosten zijn 50-70/ton.
Er blijft een afzetbaar produkt over en een sterk verontreinigde restfractie (10%) die moet worden
gestort (kosten 140/ton incl. transport).
6.2 Metselwerkpuin (inclusief kalkzandsteen, keramiek en natuursteen) |1,2,4,12|
Voor metselwerk gelden grotendeels dezelfde toepassingsmogelijkheden en problemen als voor
betonpuin. Verschillen zijn er bij de toepassingsmogelijkheden 6, 7 en 8.
6. toeslagstof asfaltbeton.
Metselwerkpuin is ongeschikt als toeslagstof voor asfalt in verband met een te hoge porositeit en een
te hoog verbrijzelingspercentage.
7. funderingsmateriaal van wegen.
Door het te hoge verbrijzelingspercentage is metselwerkpuin minder geschikt als funderingsmateriaal
van wegen.
8. toeslagstof in beton.
Metselwerkpuin kan toegepast worden tot betonkwaliteit B 22,5. De sterkte is 65-90 % van grindbeton.
Verder zijn bij gebruik van metselwerkpuin de treksterkte en de elasticiteitsmodulus lager, de kruip
groter en de krimp 10-65 % groter dan bij grind.
Als toch een betere betonkwaliteit gewenst is dan kan de verslechtering van de kwaliteit van het beton
3
gecompenseerd worden door voor de kwaliteit B 25 20-40 kg cement per m en voor de kwaliteit B 45
3
50 kg cement per m extra toe te voegen.
Een specifieke toepassingsmogelijkheid van metselwerkpuin is:
9. korrelbeton.
Deze betonsoort is licht en warmte-isolerend.
Een specifieke toepassingsmogelijkheid van baksteenpuin is:
10 toeslagstof in baksteen en kalkzandsteen (in onderzoek).
Het gaat hierbij om de 0/4 fractie als kleivervanger in baksteen of als zandvervanger in kalkzandsteen.
Om als toeslagstof in baksteen te kunnen dienen mag die fractie geen kalk bevatten in verband met
sterkte, bakkrimp, duurzaamheid (zwelgedrag) en kleur.
Om als toeslagstof in kalkzandsteen te kunnen dienen mag die fractie wel kalk bevatten.
20
Kalkzandsteen wordt onder een druk van 15 atmosfeer en bij een lagere temperatuur dan baksteen
gemaakt.
Cementmortel moet bij toepassing van de 0/4 fractie van te voren mechanisch (schuren of borstelen)
of thermisch worden verwijderd. Bij verhitting van bakstenen met mortel tot 900 C ontstaat spanning
op het aanhechtingsvlak en kan de mortel worden afgevoerd als gruis. Mortel kan worden gebrand tot
cementklinker. Hierbij komt minder CO2 vrij dan bij natuurlijk materiaal.
Kalkmortel is na verhitting direct geschikt voor hergebruik.
Lijm dient ook bij kalkzandsteen (mechanisch) te worden verwijderd.
6.3 Grond |4,12|
Voor zover grond terecht komt in BSA gaat het om aanhangende grond bij sloopafval en container
afval. Grond maakt het BSA minder geschikt voor puinbreekinstallaties, omdat het extra ballast is.
Veel aanhangende grond kan betekenen dat puin geweigerd wordt.
De hoeveelheid aanhangende grond kan worden beperkt door extra aandacht te besteden aan het
voorkomen van aanhangende grond.
6.4 Hout |4,9,12,13|
Jaarlijks komt 400.000 ton bouw- en sloophout en hout van gebruikte pallets vrij. Dat hout wordt
voornamelijk gestort en verbrand.
Indien gaaf kan hout direct worden hergebruikt. Dit geldt onder meer voor planken, balken, deuren en
funderingspalen.
Anders kan hout worden:
• bijgeschaafd, verkleind of
• verwerkt tot papier, karton,
• board, al of niet cementgebonden spaanplaat en chipwood.
Een kwart van het houtafval wordt verpoederd en geëxporteerd naar Duitsland, waar er spaanplaat
van wordt gemaakt.
De hiervoor genoemde verwerkingsmogelijkheden gelden niet voor board, spaanplaat, geplastificeerd-
en geïmpregneerd hout.
Geverfd hout levert over het algemeen geen probleem op. Die verf scheidt zich in deeltjes af tijdens
het vermalen en wordt vervolgens afgezogen.
Ook kan hout worden verbrand of ontleed door vergassen (zie Figuur 5.2) of pyrolyse. Bij pyrolyse
komen stoffen vrij die na hydrolyse gebruikt kunnen worden voor fabricage van chemische produkten.
Daarnaast is hout geschikt om te worden verstookt in poederkolencentrales met (apart aan te
brengen) houtbranders. Het hout dient voor dat doel zeer fijn te worden vermalen, zodat het volledig
verbrandt. Het is de bedoeling om in de Nederlandse poederkolencentrales ongeveer 10 %
houtpoeder bij te gaan stoken.
Knelpunten
Knelpunt bij de verwerking van houtafval is het gebrek aan afzetmogelijkheden voor verkleind en
bewerkt hout. De fabrikanten van plaatmaterialen hebben al voldoende aanbod uit andere (schonere)
bronnen. Daarnaast is de spaanplaatindustrie in Duitsland sinds kort verplicht om gebruikte platen
terug te nemen en opnieuw te gebruiken.
Vergassing en pyrolyse komen niet van de grond omdat deze methoden te duur zijn.
21
Figuur 6.2: Schema reactorvat houtvergasser
22
6.5 Asfaltpuin |1,4,5,12|
Asfaltpuin is goed geschikt voor hergebruik in wegen, en kan zowel koud als warm worden
hergebruikt. Bij recycling van asfalt moet transport zoveel mogelijk worden beperkt.
In 1990 werd 50 % van het oude asfalt verwerkt in nieuw asfalt, dat 10-15 % van dat oude asfalt bevat.
Een derde van het oude asfalt is freesafval, dat zeer geschikt is voor hergebruik, maar voornamelijk
wordt gestort.
In 1992 werd een derde van de 2,5 miljoen ton asfaltpuin warm hergebruikt en een derde koud
hergebruikt in funderingen. Die laatste toepassing geschiedt zonder bijmenging in licht belaste wegen
en met bijmenging van cement in zwaar belaste wegen.
Met warm hergebruik zijn hoge hergebruikpercentages mogelijk (95 %). Een nadeel van warm
hergebruik is het vrijkomen van PAK's, afkomstig uit teer.
Voor koud hergebruik moet het asfaltpuin worden verkleind, en er moet regeneratiemiddel aan worden
toegevoegd.
Er resteert breekasfalt, dat met cement gebonden gebruikt kan worden ter vervanging van
zand/cement fundering.
Hergebruik van asfalt is niet mogelijk in zeer-open-asfalt-beton (ZOAB), omdat dat mengsel zeer
kritisch is.
Asfalt kan warm worden hergebruikt met de volgende verwerkingsmethoden:
Renofalt procédé
Bij dit procédé kan tot 95 % oud asfalt worden gebruikt.
Dit asfalt is gelijkwaardig aan nieuw asfalt. Het procédé vereist een continue aanvoer en produktie, en
er is bovendien een dure installatie nodig. Die installatie heeft (goed) gefunctioneerd in Nederland,
maar is ontmanteld wegens gebrek aan werk.
Minnesota of Aduco procédé
Met dit procédé is het mogelijk om maximaal 25-30 % oud asfalt te verwerken, met bijmenging in een
charge menger van nieuw zand en grof aggregaat. Het procédé is geschikt voor kleine hoeveelheden
oud asfalt, en voor discontinuë aanvoer. Als het oude asfalt eerst wordt voorverwarmd in een parallelle
trommel kan tot 50 % oud asfalt bijgemengd worden.
HWZ procédé
Met dit procédé wordt gewerkt met een trommelmenger, en is het mogelijk om maximaal 50 % oud
asfalt her te gebruiken.
Marsmethode
Deze methode werkt met een magnetron en met deze methode kan tot 95 % oud asfalt worden
gebruikt.
6.6 Metalen |4,9,12|
Metaal moet eerst worden geselecteerd, dan brengt het aanzienlijk veel meer geld op.
Staal dient bij voorkeur direct te worden hergebruikt. Als het daarvoor niet geschikt is dan wordt het
als schroot gebruikt voor de fabricage van nieuw staal.
Van het schroot wordt 70 % gexporteerd, en van de overblijvende 30 % wordt 53 % verwerkt door
Hoogovens, 35 % door Nedstaal, en 12 % in ijzergieterijen.
Smeed- en gietijzer worden direct verhandeld, en de overige metalen worden omgesmolten.
6.7 Glas |3,4,9,12|
Glas is bij grove sloop van gebouwen zeer moeilijk te sparen. De aanwezigheid van glas in
puingranulaat als toeslagstof voor beton of asfalt kan leiden tot vermindering van de sterkte.
23
Door verwijdering van de kozijnen (met glas) kan voorkomen worden dat kozijnhout en glas in het
bouwpuin terecht komen. Verder is het mogelijk om glas uit de kozijnen te snijden.
Als blank glas zonder verontreinigingen kan worden verzameld dan kan het worden omgesmolten tot
nieuw blank glas.
6.8 Papier/karton |4,12|
Alleen als papier en karton zorgvuldig gescheiden ingezameld worden kunnen ze worden hergebruikt,
en worden afgevoerd naar de oudpapier handel. De residuen moeten worden gestort of verbrand.
6.9 Isolatiematerialen |14|
De meest toegepaste isolatiematerialen zijn steenwol, glaswol, polystyreen (PS) en polyurethaan
(PUR). Voor alle isolatiematerialen geldt dat ze de hergebruikmogelijkheden van het BSA verkleinen
omdat ze de sterkte negatief beïnvloeden. Het ligt daarom voor de hand om isolatiemateriaal
gescheiden af te voeren. Gescheiden afvoer van ter plaatse gespoten PUR-schuim is moeilijk omdat
het zich hecht aan andere materialen.
Steenwol
Indien bevestigd met spouwankers kunnen platen en dekens gemakkelijk worden verwijderd en, mits
heel, worden hergebruikt. Steenwol kan na verkleining worden hergebruikt als grondverbeteraar (NB:
vorm van storten!), verwerkt tot klinkers en gebruikt als toeslagstof in bouwmaterialen. Deze
hergebruikmogelijkheden zijn ontwikkeld voor steenwol afkomstig uit de glastuinbouw (substraatteelt),
en bevinden zich in een experimenteel stadium.
Uit oud steenwol kunnen door verkleinen en zeven korrels gemaakt worden, die geschikt zijn als
grondstof voor nieuw steenwol. Steenwol uit de glastuinbouw wordt teruggenomen en hergebruikt door
Grodan/Rockwool en Cultilène/Isover.
Glaswol |15|
Voor de produktie van glaswol gebruikt Isover 50 % glasscherven.
Isover heeft ook een methode ontwikkeld om glaswol her te gebruiken.
Eerst worden door pyrolyse bij 500 C in een zuurstofloos milieu (stikstof) de organische stoffen en het
bindmiddel vergast (zie ook hoofdstuk 8.4). Vervolgens worden de vezels gebruikt als grondstof voor
nieuw glaswol.
Verkleind glaswol is niet geschikt als grondverbeteraar of toeslagstof. Het hecht slecht, en kan door
expansie leiden tot breuk in beton. Wel zou verkleind glaswol geschikt kunnen zijn als grondstof voor
nieuw glaswol. Over deze hergebruikmogelijkheid is niets bekend.
PUR-schuim
Mits gaaf kunnen PUR-platen worden hergebruikt.
Als PUR-schuim gestort wordt dan kunnen de isocyanaten uitlogen.
Als ondanks alle milieubezwaren toch gekozen wordt voor PUR dan kan het beste worden gekozen
voor watergedragen PUR met CO2 als drijfgas |6|.
Geëxpandeerd PS-schuim
Als PS-platen heel blijven bij sloop dan kunnen ze direct worden hergebruikt.
Gemalen PS-platen kunnen worden hergebruikt als grondverbeteraar. In sommige gevallen is dat niet
mogelijk omdat het waterafstotend is. PS is een thermoplast, en kan daarom ook worden verweekt, en
verwerkt tot nieuw materiaal. Deze mogelijkheid wordt nog niet toegepast.
Het is volgens Roest |16| mogelijk om de bolletjes van geëxpandeerd PS-schuim weer van elkaar te
scheiden en nieuwe platen te maken. Die mogelijkheid wordt nog niet toegepast.
UF-schuim
Ureumformaldehyde-(UF)-schuim werd met name gebruikt voor naïsolatie van spouwmuren.
Het hecht zich aan één van de spouwbladen, en krimpt los van de andere.
UF-schuim kan niet worden hergebruikt.
24
Perlite korrels
Perlite wordt gemaakt uit vulkanisch gesteente dat bestaat uit siliciumoxide (SiO2) en aluminiumoxide
(Al2O3). Mits los gestort kunnen Perlite-korrels direct worden hergebruikt.
6.10 Groen- en tuinafval |9|
Bij bouw en renovatie komt groen- en tuinafval vrij. Dat kan worden gecomposteerd.
6.11 Klein chemisch afval |9|
Per nieuwbouwwoning komt 10-20 kg (klein) chemisch of gevaarlijk afval (KCA) vrij, respectievelijk bij
traditioneel gebouwde en grote woningen. Chemisch afval moet altijd apart worden gehouden, omdat
de aanwezigheid van chemisch afval in BSA ertoe leidt dat die volledige partij BSA ongeschikt is voor
hergebruik, en die volledige partij BSA wordt aangemerkt als chemisch afval.
Chemisch afval moet daarom per soort gescheiden worden (gehouden) en alleen worden vervoerd en
verwerkt door bonafide bedrijven.
Als asbest moet worden bewerkt of verwijderd dan dient dit te gebeuren door specialisten.
In Breda |17| is in 1989 een proef gedaan met het inzamelen van KCA op bouwplaatsen. Tijdens die
proef bleek dat 80-85 % KCA vrijkomt tijdens de afbouwfase.
Een viertal soorten chemisch afval kan worden hergebruikt:
1. afgewerkte olie: direct of na opwerking als brandstof, of na rerafinage als olie,
2. verf- en oplosmiddelrestanten: herwinnen door distillatie of verwerken tot grondverf,
3. straalgrit: na reiniging geschikt voor hergebruik (N.B.: liever CO2 gebruiken),
4. batterijen en accu's.
Andere soorten chemisch afval moeten worden verbrand of gestort.
Voor chemisch afval moet een aanmeldingsformulier worden ingevuld.
6.12 Asbest
Asbestvezels zijn kankerverwekkend en mogen daarom niet meer worden toegepast.
Asbestplaten dienen met zorg te worden verwijderd, afgevoerd en verwerkt door een gespecialiseerd
bedrijf. Alleen losse vezels zijn kankerverwekkend. Dat betekent dat mensen die werken in fabrieken
waar asbestplaten gemaakt worden, en mensen die boren en zagen in asbest een verhoogde kans op
kanker hebben. Zo lang in platen niet geboord of geschroefd wordt komen geen vezels vrij en kan
asbest geen kwaad.
Het vrijkomen van vezels kan grotendeels worden voorkomen door asbest platen heel te verwijderen
en af te voeren. Alle afgedankte asbest wordt gestort.
6.13 Overige fracties |4,12|
• Dakpannen kunnen - mits heel - direct worden hergebruikt.
Anders kunnen dakpannen worden hergebruikt als metselwerkpuin.
• Grind kan - na te zijn gewassen - direct worden hergebruikt.
• Bitumen houdende dakbedekking kan niet worden hergebruikt, en moet worden gestort.
• Gips, anhydriet, poriso, kalkzandsteen, aluminium, teerhoudende produkten en gasbeton
hebben een negatieve invloed op de hergebruikmogelijkheden van BSA en dienen selectief te worden
verwijderd. Voor sommige van deze materialen is herverwering mogelijk. Voor andere niet, die moeten
danook worden gestort.
25
Tabel 7.1: De belangrijkste toepassingen van kunststof in een doorsnee woning |20|
Tabel 7.2: Samenstelling kunststofafval |4,19,21|
[%]
PE & PP 30
PVC 40
PS 10
PUR 10
Overig 10
26
7. Kunststofafval
Van de ruwe olie die in Europa wordt verwerkt dient 4 % als grondstof voor kunststoffen, met name
voor PE (polyetheen) en PP (polypropeen) |27|.
Van het totale verbruik aan kunststof wordt 20-25 % in de bouw gebruikt (en 40 % in de
verpakkingsindustrie) |20|.
In 1988 werd er 300.000 ton kunststof in de bouw verbruikt. Hiervan werd 50.000 ton verbruikt bij
onderhoud, herstel en verbouw en 200.000 ton verbruikt in de woning- en utiliteitsbouw. Van die
300.000 ton was 120.000 ton PVC, 30.000 ton in de vorm van PVC-buizen. De andere standaard
kunststoffen in de bouw zijn PE (polyetheen, m.n. verpakkingsmateriaal en dampremmende folie) en
PS (polystyreen, m.n. isolatie). Deze drie kunststoffen zijn thermoplasten en herverwerkbaar.
3
Thermoharders - zoals PUR (420.000 m ), polyester en formaldehydeharsen - zijn slecht
herverwerkbaar. Een overzicht van de belangrijkste toepassingen van kunststof in een doorsnee
woning is opgenomen in Tabel 7.1.
7.1 Samenstelling kunststofafval
In 1988 maakte de hoeveelheid kunststoffen met 35.000-39.000 ton 0,3 % uit van het BSA afkomstig
uit de bouw |20|. Die 35.000 ton kwam
• voor 15.000 ton vrij in de grond-, weg- en waterbouw-(GWW)-sector.
Het gaat hierbij met name om leiding- en kabelafval.;
• voor 1.000 ton als sloopafval en
Verwacht wordt dat het kunststofaandeel in het sloopafval snel zal groeien door een sterke
toename van het gebruik van kunststof in de bouw vanaf de zestiger jaren.
• voor 19.000 ton als bouwafval.
Die 19.000 ton kunststof in het bouwafval vormde 0,8 % oftewel 1 volumeprocent.
Van het kunststofafval was 6.000-10.000 ton kortcyclisch. Het gaat het om verpakkingsmateriaal, met
name (LD)PE en PVC dat tijdens de bouw vrijkomt.
Door de hoeveelheid verpakkingen te verminderen en verpakkingen te standaardiseren kan de
hoeveelheid verpakkingsmateriaal in het BSA worden teruggedrongen.
Het restant (13.000 ton) was gemiddeld 60-65 kg per woning en bestond met name uit (langcyclische)
hak-, zaag- en snijverliezen (zie ook Tabel 7.2).
Van het kunststofafval was 29.000 ton langcyclisch.
Verwacht wordt dat de hoeveelheid langcyclisch kunststofafval toe zal nemen van 29.000 ton in 1988
tot 54.000 ton in 2000.
In Zuid-Holland werd van 8235 ton kunststofafval maar 260 ton hergebruikt, na verwijdering uit
containerafval. Het kunststofafval bestond voornamelijk PE-folie (0,1 % van hoeveelheid BSA) en
PVC-buizen (0,03 %) |4,21|.
In 1990 kwam in Nederland in de bouwsector 35.000 ton kunststofafval vrij. Verwacht wordt dat die
hoeveelheid is verdubbeld in 2010 en vernegenvoudigd in 2040 |5,10,19|.
7.2 Hergebruikmogelijkheden kunststofafval |3,9,20,24|
Over het algemeen worden kunststoffen niet hergebruikt, maar gestort of verbrand. Hergebruik van
thermoplasten is rendabel vanaf 200 ton kunststof per regio |24|. Gescheiden aanlevering is daarbij
nodig. Schoon kunststofafval wordt vermalen tot korrels die als grondstof worden gebruikt voor nieuwe
kunststof produkten.
Hoogwaardig hergebruik van PE, PP, PS, PVC e.d. is mogelijk als het gescheiden en schoon wordt
ingezameld. Naarmate het kunststof afval meer is vermengd met andere kunststoffen of sterker is
vervuild worden de toepassingsmogelijkheden laagwaardiger.
Hoogwaardig hergebruik van kunststof is beperkt mogelijk, wegens verlies van materiaal-
27
eigenschappen. Bij hoogwaardig hergebruik moet steeds voldoende éénmalig gebruikt kunststof
worden toegevoegd.
Gemengd kunststof kan maar enkele keren worden gerecycled. Daarna moet het (alsnog) worden
gestort of verbrand.
De materiaaleigenschappen van hergebruikte gemengde kunststoffen zijn slechter dan van de
samenstellende kunststoffen afzonderlijk. Mede daarom hebben regranulaten een slecht imago.
Mogelijke oplossingen zijn uniformering van kunststofgebruik, en de verplichting om kunststofafval
apart te houden.
Algemeen wordt maar 3 % kunststof gerecycled. Een reden daarvoor is dat recyclen moeilijk en
kostbaar is. Zeker voor eenvoudige kunststoffen geldt dat nieuw materiaal goedkoper is dan gerecy-
cled. Dit geldt met name voor verpakkingsmaterialen die gemaakt zijn uit PE, PP, PS en PVC.
Bovendien is er altijd kwaliteitsverlies doordat gerecycled kunststof altijd 1-2 % vervuiling bevat |25|.
In de bouw is 85 % van de leidingen van PVC gemaakt.
Sinds de jaren vijftig is ondergronds 1,5 miljoen ton aan PVC-buizen gelegd. Jaarlijks wordt 100.000
ton PVC-buizen geïnstalleerd. Die buizen hebben een levensduur van 75-100 jaar. Voorlopig komt
jaarlijks 5000-6000 ton van die buizen terug uit de markt. Door onbekendheid met het
recyclingsysteem wordt daarvan jaarlijks slecht 1500 ton gerecycled.
PVC-gevelelementen gaan 50 jaar mee en kunnen, evenals buizen, tot 7 keer gerecycled worden |26|.
PVC-kozijnen kunnen sinds 1992 worden gerecycled door Hüls Troisdorf (HT).
Uit dat gerecyclede materiaal worden nieuwe kozijn(profiel)en gemaakt, die bestaan uit 70 %
gerecycled materiaal die niet voldoende UV-bestendig is. Vandaar dat het gerecyclede materiaal door
coëxtrusie wordt voorzien van een toplaag van 30 % nieuw materiaal. Die verhouding kan in de
toekomst verschuiven naar 80-20 of zelfs 90-10 |22|.
PVC-dakbanen kunnen sinds 1992 eveneens worden gerecycled door HT. Het gerecyclede materiaal
is door vuil en wapening minder van kwaliteit dan nieuwe dakbanen en is daarom alleen geschikt voor
onderbanen. De dakbanen worden gerecycled door cryogene vermaling tot poeder, waarna met
weekmaker en toeslagstoffen nieuwe dakbanen worden gemaakt |23|.
7.3 Hergebruikmogelijkheden gemengd kunststofafval
In Duitsland moet vanaf medio 1995 80 % van het kunststofafval worden gerecycled |27|.
Omdat dit ook geldt voor (gemengd) huishoudelijk kunststofafval is het niet mogelijk om dat
percentage met bovengenoemde methoden te bereiken. Vandaar dat gezocht is naar een methode
om (al of niet apart ingezameld) gemengd kunststofafval te verwerken.
Sas |28| heeft gezocht naar de verwerkingsmethode voor kunststofafval die leidt tot de laagste
milieubelasting. Hij heeft de volgende verwerkingsmethoden vergeleken:
Integrale verbranding met energieterugwinning
Met deze methode kunnen alle soorten kunststofafval worden verbrand in een afvalverbrandingsinstal-
latie. Kunststofafval kan worden verwerkt als onderdeel van ander afval. Scheiding is niet nodig.
Grondstoffenrecycling
Bij het VEBA-Öl-proces (zie Bijlage 1) wordt kunststofafval omgezet in een synthetische ruwe olie en
energetisch gas. Met dit proces kunnen bijna alle kunststofsoorten gemengd worden verwerkt. Bij dit
proces is het wel nodig dat het kunststofafval gescheiden wordt van ander afval, met name van
anorganisch afval.
Door BP is een soortgelijk proces ontwikkeld (zie Bijlage 1).
Mechanische verwerking
Als kunststofafval wordt (na)gescheiden dan kan het worden vermalen tot regranulaat en dienen als
grondstof voor nieuw kunststof.
28
Knelpunten
De belangrijkste knelpunten voor grondstoffenrecycling en mechanische verwerking van kunststof is
verontreiniging met o.a.:
• restanten van het verpakte materiaal,
• kit, PUR, bitumen,
• gelijmde verbindingen,
• Cadmium in PVC-kozijnen (van voor 1990),
• brandvertragers.
Milieubalans
In een milieubalans worden de milieu-ingrepen van het volledige verwerkingstraject meegenomen:
• inzameling,
• scheiding en voorbewerking,
waarbij het kunststofafval wordt verkleind en regranulaatkorrels worden geproduceerd.
De milieubelasting van deze stap is minimaal;
• verwerking,
• logistiek (transport en overslag);
• uitgespaarde produktie,
milieubelasting van produktieprocessen die uitgespaard worden.
Er is vanuit gegaan dat het aangeboden kunststofafval volledig wordt verwerkt en dat alle hiervoor
genoemde stappen worden doorlopen.
Aan de debetzijde van die milieubalans staan alle toegerekende milieu-
ingrepen en aan de creditzijde de vermeden milieu-ingrepen (energie en grondstoffen). Resultaat van
de milieubalans is het ketendeficit.
Sas heeft de drie verwerkingsmethoden vergeleken. Uit de vergelijking volgt dat:
de eigenlijke verwerking van kunststofafval door integrale verbranding met energieterugwinning in
een afvalverbrandingsinstallatie leidt tot de hoogste milieubelasting en de hoogste kosten. De
kosten van het totale proces zijn echter het laagst doordat scheiding en voorbewerking niet nodig
6
zijn. Het energetisch rendement van dit proces gaat omhoog als het huishoudelijk afval eerst
7
wordt vergast, gereinigd en wordt gebruikt in een STEG -turbine.
de hoge verwerkingskosten bij grondstoffenrecycling leiden tot een produkt met een hoge waarde,
maar ook tot een hoge milieubelasting. Hoewel het proces anders doet vermoeden levert
grondstoffenrecycling door die hoge milieubelasting geen duidelijke milieuwinst ten opzichte van
verbranding met warmteterugwinning.
de eigenlijke mechanische verwerking van kunststofafval een positieve financiële opbrengst heeft.
Dat financiële voordeel wordt echter teniet gedaan door de kosten die met afscheiding gemoeid
zijn. Mechanische verwerking is daarom vooral aantrekkelijk als kunststof per soort gescheiden en
schoon wordt aangeleverd. Deze verwerkingsmethode is de enige met een positief
milieuresultaat.
6
nu elektrisch rendement: 17 % en thermisch rendement: 16 %
7
STEG staat voor SToom En Gas
29
30
Literatuur
1 Hendriks, Ch.F.
Intreerede TU Delft: Bouwen met duurzame materialen
Delft, februari 1993
2 Hendriks, Ch.F.
Collegedictaat Bouwmaterialen en Milieu
Delft, januari 1993
Lezingen Bouwkunde in het kader van Blok 10
Delft, 23/6/1993, 7/3/1994 en 20/6/1994
3 Vroonhof, J.T.W. et al.,
Centrum voor energiebesparing en schone technologie
Hergebruik van kunststofafval in de provincie Zuid-Holland
Delft, augustus 1990
4 Bouwcentrum
Huidige situatie en prognose bouw- en sloopafval
Delft, augustus 1989
5 Natuur en Milieu Overijssel & Zuidhollandse Milieufederatie
Bakker, B et al
Paal en perk aan Bouw- & Sloopafval
Rotterdam 1992
6 Studiemiddag Zuidhollandse Milieufederatie
Paal en perk aan Bouw- & Sloopafval
Delft, 2/4/1992
7 Klijn, M., Zuidhollandse Milieufederatie
Paal en perk aan Bouw- & Sloopafval, verslag studiemiddagen
Rotterdam, juni 1992
8 Oppen, P.W. van, Stichting Bouw Research
SBR 230 a: Scheiding bouwafval loont
Rotterdam 1991
9 Kamp, A.J., Stichting Bouw Research
SBR 230 b: Bouwafvalstoffen gids
Rotterdam 1991
10 Dicke, D.W., Stichting Bouw Research
SBR 230 c: Bouwafval, wat doe je eraan?
Rotterdam 1992
31
11 Laak, P.J.A. v.d. et al
Kosten voor de verwijdering van BSA
TNO Delft, november 1992
12 DHV en Verbond van aannemers van sloopwerken BABEX
Sloopmethoden en hergebruik van sloopmateriaal
november 1982
13 Scholtens, B.
Fijngemalen sloophout is brandstof voor kolencentrales
Volkskrant 17/10/1992
14 Velema, E en I de Moel, Nieuw Rollecate en Woon/Energie
De milieu-effecten van spouwmuurisolatie in de afvalfase
Deventer, mei 1985
15 Rubriek energie en milieu
Isover neemt unieke recyclinginstallatie in gebruik
Verwarming & Ventilatie 1(1993)
16 Mondelinge informatie van RA Roest, 21/9/1990
17 Milieudienst Gemeente Breda
Bouwen aan een beter milieu
Breda 1991
18 AVBB
Bouwen en milieu
Den Haag, september 1992
19 RIVM
concept informatie document bouw- en sloopafval
1991
20 Cramer, J. en M. Smits
Duurzaamheidsstrategieën in de bouw, kunststof als voorbeeld
TNO Apeldoorn, november 1992
21 Provincie Zuid-Holland
Startnotitie ten behoeve van het plan voor de verwijdering van bouw- en sloopafval en
daarmee te verwerken bedrijfsafvalstoffen, alsmede het Milieu-effectrapport voor dit plan.
Den Haag, juni 1988
22 Wilschut, J.
Nieuwe PVC-kozijnen uit oud materiaal
Bouwwereld 1(1993)
23 Gordijn, W.M.
Gerecycleerde PVC dakbanen mogelijk,
De Bouwadviseur, november 1992
24 NRC, 7/5/1990
32
25 Klooster, L. van
Dit pak gaat zestig jaar mee
Delta, 3/12/1992
26 Moerman, C.
Recyclingsysteem kunststof gevelelementen
De Bouwadviseur, januari/februari 1993
27 Scholtens, B.
Oud plastic kan bijna helemaal nieuw worden
Volkskrant 22/10/1994
28 Sas, H.J.W., Centrum voor energiebesparing en schone technologie
Verwijdering van huishoudelijk kunststofafval
Delft, september 1994
29 Boedianto, P.
Demontabel bouwen
Delft, DIOC-DGO 1997-1998 271-275
30 Boedianto, P.
Demografie, woningvoorraad & Demontabel bouwen
Delft, De ecologische stad 59-66
31 Boedianto, P.
Demontabel bouwen in nieuwbouw woningen
Delft, De ecologische stad 85-89
32 Boedianto, P.
Paper: Demountable building and concrete reuse
Conferentie "Deconstruction, Closing the Loop", CIB-TG-39, 18-19/5/2000
BRE-Watford, VK
33 Boedianto, P. en J.C. Walraven
Paper: Optimizing the environmental impact of demountable building
Conferentie "Integrated Life-Cycle Design of Materials and structures-ILCDES 2000,
22-24/5/2000, RILEM/CIB/ISO, Helsinki, Finland
34 Boedianto, P.
Paper: Continuous Customization in Housing
Conferentie "Open Building Implementation, CIB W 104, 16-18/10/2000
Architectural Institute of Japan, Tokyo
33
34
Bijlage 1: Veba-Öl- en BP-proces voor verwer
king van gemengd kunststofafval
Het is mogelijk om van kunststofafval weer grondstof voor nieuwe kunststoffen te maken.
Veba-Öl-proces |28|
In het Veba-Öl-proces wordt tijdens een eerste stap 70 % van het kunstsofafval gekraakt tot lichte
produkten.
Tijdens een tweede stap wordt de resterende 30 % onder hoge druk en met waterstof gekraakt. Het
vrijkomende gas wordt nuttig gebruikt. Het residu is chemisch afval.
In het proces is 10-20 % papier en organisch materiaal en geen anorganisch materiaal toegelaten.
BP-proces |27|
In het BP-proces wordt versnipperd kunststofafval verhit tot 500 C in een met zandkorrels gevuld
wervelbed (in een reactorvat). De koolwaterstoffen in die kunststoffen verdampen bij die temperatuur.
De kleinere ketens (80 %) worden afgetapt en kunnen weer worden gebruikt als grondstof voor
nieuwe kunststoffen. De langere ketens gaan terug in het reactorvat, worden gekraakt en dienen als
brandstof voor het proces. In het reactorvat blijven vul- en kleurstoffen achter.
De verwerkingskosten van kunststof in het BP-proces bedragen 300/ton. Daar komt nog eens 300-
600/ton bij aan kosten voor inzameling en bewerking. Door deze kosten is het proces niet rendabel en
kan het alleen uit als de heffingen op verpakkingen voor het proces kunnen worden gebruikt.
De capaciteit van een verwerkingsinstallatie voor kunststofafval dient niet te groot te zijn om de
transportkosten binnen de perken te houden.
35