Embed
Email

ECONOMIE VANDAAG

Document Sample
ECONOMIE VANDAAG
Shared by: HC11112612592
Categories
Tags
Stats
views:
1
posted:
11/26/2011
language:
Dutch
pages:
32
Economie







ECONOMIE VANDAAG

Inleiding

1. Doel van de economische wetenschap



Het economisch aspect van het handelen bestaat in het kiezen.



behoeften middelen



Economisch principe

(met opgegeven middelen een maximale behoeftenbevrediging bereiken)



1.1. behoefte

= aanvoelen van het tekort en het streven naar bevrediging ervan



 primaire of levensnoodzakelijke behoeften

 behoeften van immateriële aard

 collectieve behoeften

 Individuele behoeften



1.2. schaarse of economische middelen

schaars  zeldzaam

schaars = een middel waarvan de verlangde hoeveelheid de beschikbare hoeveelheid zou overtreffen

indien het gratis ter beschikking stond

gevolg: waardeverschijnsel

schaarsheid = beperktheid van inkomen



1.3. nuttigheid en keuzeprobleem

goederen en diensten zijn nuttig als ze behoeften bevredigen

doel = maximale behoeftebevrediging

d.w.z. keuzes maken



economie = de studie v/h menselijke streven naar bevrediging van behoeften m.b.v. schaarse middelen



2. de productiefactoren



 vrije goederen = niet-schaarse goederen

 economische goederen = schaarse goederen

 consumptiegoederen

 verbruiksgoederen

 gebruiksgoederen

 investeringsgoederen

 kapitaalgoederen

 vlottende investeringsgoederen



consumptie = aanwending van economische goederen voor niet-productieve doeleinden

 besteding van inkomenn



productie = het scheppen of toevoegen van waarde aan economische goederen

 verwerven van inkomen





-1-

Economie





3. de methode



 inductieve methode = vertrekken v/e groot aantal feitelijke gegevens een wetmatigheid formuleren

 deductieve methode = vertrekken van een algemeen beginsel om nieuwe besluiten af te leiden



4. de ceteris paribus - clausule



= als het overige gelijk is, of onder overigens gelijke omstandigheden

vb: vraag naar videocassettes



5. Micro- meso- en macro-economie



 Micro-economie : beschrijven van het gedrag van een individuele huishouding

 Meso-economie : beschrijven van het gedrag van een bepaalde bedrijfstak

 Macro-economie : beschrijven van economische grootheden voor een heel land



Productiefactoren :

 primaire productiefactoren

 natuur = leverancier van grondstoffen en energie

 arbeid = fysieke en intellectuele arbeid



 afgeleide productiefactor

 kapitaal = reële kapitaalgoederen









Hoofdstuk 1 : Het consumentengedrag

1.1. de optimale goederencombinatie



onbeperkt aantal goederen en diensten



combineren



hoe ???



preferenties prijzen budget



1.1.1. De preferenties



sociologische factoren sociologische invloeden

 gezinssituatie  persoonlijkheid

 sociale klasse  levensstijl

 religie  attitude

 woonplaats

 nationaliteit



De eerste wet van Gossen :

naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor de

consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt









-2-

Economie





1.1.2. Budget en prijzen budgetlijn

1.1.2.1. Opstellen van een budgetlijn

18



Gegeven: 16



 inkomen: 180 € 14



 prijs van een CD: 15 € 12









boeken

 prijs van een boek: 11,25 € 10

8



het volledige inkomen wordt besteed aan 6



boeken en cd’s 4

2



Pcd * Qcd + Pboek * Qboek = inkomen 0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

15 * Qcd + 11,25 * Qboek = 180 cd's





de budgetlijn is een rechte, het volstaat de twee snijpunten te vinden. De budgetlijn verbind de twee

punten door een rechte lijn.



15 * 0 + 11,25 * Qboek = 180  Qboek = 16 (180 / 11,25)

15 * Qcd + 11,25 * 0 = 180  Qcd = 12 (180 / 15)



1.1.2.2. Gevolgen van inkomensverandering budgetlijn



24

Wat is de weerslag op de budgetlijn ingevolge 22

een stijging v/h inkomen tot 270 € bij 20



constante prijzen? 18

16

14

boeken









 Qboek = 24 (270 / 11,25) 12

10

 Qcd = 18 (270 / 15) 8

6

4

de budgetlijn verschuift naar rechts  2

0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

Besluit cd's

De budgetlijn verschuift naar rechts bij een

stijging van het nominaal inkomen en gelijkblijvende prijzen van de goederen.

= toename van de koopkracht



1.1.2.3. Gevolgen van prijsveranderingen budgetlijn





Uitgangssituatie: inkomen: 180 € 24

22

(afname van de koopkracht) 20

prijs van een boek: 11,25 € 18

16

prijs van een CD: 15 € 14

boeken









12



Nieuw gegeven: De prijs v/e CD daalt : 11,25 €

10

8

Gevolg: de maximale hoeveelheid CD’s die de 6

consument kan kopen wordt 16 4

2

0

besluit 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16



 een prijsdaling of een prijsstijging wijzigt de cd's



helling van de budgetlijn

 omwille van de toename van de koopkracht terwijl het nominaal inkomen constant is gebleven









-3-

Economie





1.2. De prijsvraagcurve

1.2.1. De afleiding van de individuele vraagcurve



Om te bepalen wat de gevolgen zijn van de prijsdaling van cd’s moeten we weten wat de preferentie van

de consument is voor boeken.



Veronderstelling: de consument wil steeds 8 boeken hebben



Pcd * Qcd + Pboek * Qboek = inkomen



15 * Qcd + 11,25 * 8 = 180  Qcd = 6

11,25 * Qcd + 11,25 * 8 = 180  Qcd = 8



besluit

 De gevraagde hoeveelheid neemt toe als de prijs van het goed daalt

 De gevraagde hoeveelheid neemt af als de prijs van het goed stijgt



Afleiding van de individuele vraagcurve

budgetlijn individuele vraagcurve





18 30



16 26,25

14 22,5

prijs van de cd's









12 18,75

boeken









10

15

8

11,25

6

4 7,5



2 3,75



0 1.2.2. Verschuivingen van de individuele

0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 vraagcurve

0 2 4 6 8 10 12

cd's hoeveelheid cd's







Een beweging langs de vraagcurve zelf is duidelijk het gevolg van een wijziging van de prijs.

De individuele vraagcurve zelf verschuift evenwel wanneer, bij constante prijs van het goed, de overige

determinanten van het consumentengedrag wijzigen :

 bij een verandering van het inkomen

 bij veranderingen in de prijs van de andere goederen

 bij veranderingen in de preferentieschaal



1.2.2.1. Veranderingen in het inkomen



Besluit:

Een verandering v/h inkomen heeft een verschuiving van de vraagcurve tot gevolg. Zo is bij een toename

van het inkomen de consument bereid meer v/e bepaald goed te kopen voor eenzelfde prijs en verschuift

de vraagcurve naar rechts. Wanneer zijn inkomen vermindert verschuift de vraagcurve naar links.



1.2.2.2. Veranderingen in de preferentieschaal



Het budget en de prijzen blijven onveranderd.

De consument krijgt een grotere preferentie voor boeken.

Het logische gevolg is dat de consument minder cd’s consumeert.





-4-

Economie





1.2.2.3. Prijsveranderingen van andere goederen



Het inkomen en de preferenties blijven constant en één van de prijzen daalt



complementaire goederen : (auto en benzine)

 (goederen bevredigen samen een behoefte waarbij men ze enkel in bepaalde verhoudingen

benut)een prijsdaling van auto’s heeft een toename van de vraag naar auto’s en van benzine

(waarvan de prijs constant blijft) als gevolg



substitueerbare goederen : (appelen en peren)

 (deze goederen kunnen elkaar in bepaalde verhoudingen vervangen, zonder dat het niveau van de

behoeftebevrediging verandert) Een prijsdaling van appelen heeft een toename in het verbruik

van appelen en een afname in het verbruik van peren (waarvan de prijs constant blijft) tot gevolg



1.2.3. De collectieve of marktvraagcurve

= de totale hoeveelheid die alle consumenten in de markt vragen tegen een reeks van prijzen.

(vraagcurven gelden steeds ceteris paribus)



Een stijging of daling van de marktvraag kan het gevolg zijn van veranderingen in een aantal factoren.

 De grootte en de samenstelling van de bevolking

 Het inkomen

 De inkomensverdeling

 De toekomstvooruitzichten

 De preferenties van de consumenten

 Het vermogen

 De prijzen van de andere goederen



1.3. De elasticiteit van de vraag

1.3.1. De prijselasticiteit van de vraag



producenten zijn geïnteresseerd in de vraag hoe t met de verkoop gaat als de prijs v/e goed stijgt of daalt

overheid is geïnteresseerd in accijnsverhogingen of verlagingen



De prijselasticiteit van de vraag = de verhouding tussen de procentuele (relatieve) verandering van de

gevraagde hoeveelheid van een goed en de procentuele (relatieve) verandering van de prijs van dat goed

De prijselasticiteit van de vraag is een verhoudingsgetal = onbenoemd getal



Gegeven:

 Auto kostte 10.000 €

 Aantal verkopen: 50.000

 Omwille van prijsstijging: 12.500 €

 Aantal verkopen daalt tot 40.000



Gevraagd:

 Bereken de prijselasticiteit van de vraag

Oplossing:



de relatieve verandering van de gevr.hoeveelheid : de relatieve verandering van de prijs :

40.000 – 50.000 / 50.000 = -0,20 12.500 – 10.000 / 10.000 = +0,25



de prijselasticiteit = -20 % / + 25 % = - 0,8









-5-

Economie





Opmerkingen:

 De prijselasticiteit is doorgaans negatief omdat een prijsstijging een daling van de gevraagde

hoeveelheid tot gevolg heeft (en omgekeerd).

 De waarde van de prijselasticiteit geldt ceteris paribus.



mogelijke situaties omtrent de prijselasticiteit



E=-1

unitair prijselastische vraag

d.w.z. Een bepaalde prijsverandering leidt tot een evenredige verandering van de gevraagde

hoeveelheid



E= -1





P omzet omzet omzet

stijgt daalt constant stijgt

P Omzet omzet omzet

daalt stijgt constant daalt



1.3.2. De kruiselingse prijselasticiteit van de vraag



De vraag naar een bepaald goed hant niet alleen af van zijn eigen prijs maar wordt ook beïnvloed door de

prijswijzigingen van andere goederen.





-6-

Economie





De kruiselingse prijselasticiteit v/d vraag is de verhouding tussen de procentuele verandering v/d

gevraagde hoeveelheid v/e bepaald goed (x) en de procentuele verandering van de prijs van een goed (y)



E>0

In t geval van substitueerbare goederen leidt de prijsstijging v/e goed (y) tot meer vraag naar t goed (x)

Voorbeeld : openbaar vervoer en autovervoer



E1

= inkomenselastische vraag

wanneer het inkomen stijgt neemt de vraag naar het goed meer dan evenredig toe



luxegoederen

drempelinkomen



E>1

= inkomensinelastische vraag

wanneer het inkomen stijgt neemt de vraag naar het goed minder dan evenredig toe

wanneer het inkomen nul is, koopt men noodzakelijke goederen toch bv. door spaargeld te gebruiken.



opmerkingen

 normaal is de inkomenselasticiteit positief

 voor een inferieur goed kan dit negatief zijn

de gevraagde hoeveelheid daalt als de inkomens toenemen

de vraag stijgt opnieuw in een periode van inkomensdaling



Praktisch belang van de elasticiteitscoëfficiënten

 Een bedrijf kan zich een idee vormen van wat er gebeurt met zijn verkopen als de prijzen van

substituten voorzijn product dalen

 Een bedrijf kan zo het effect nagaan v/e verhoging van de indirecte belastingen op zijn verkopen

 De overheid weet welke soort bedrijven t slechter hebben als de beschikbare inkomens afnemen

 Een bedrijf kan zien aankomen waarop de consumenten het meest bezuinigen als de overheid de

tarieven van de inkomstenbelasting verhoogt.







-7-

Economie





1.4. Het consumentengedrag in België

1.4.1. Het bestedingspatroon van de Belgische particulieren



N.I.S. : Nationaal Instituut van de Statistiek

Stelde volgende volgende veranderingen vast :

 een afname van het aandeel voor primaire goederen

 een toename van de uitgaven voor gezondheid

 een verhoging van de bestedingen ver vervoer en communicatie

 een stijging van de uitgaven i.v.m. ontspanning, cultuur en onderwijs

 een toename van lichaamsverzorging en uitgaven in de horecasector



1.4.2. Het spaargedrag van de Belgische particulieren



De consumenten kunnen naargelang hun motivering :

 hun inkomen uitgeven : CONSUMEREN

 hun inkomen niet uitgeven : SPAREN



1.4.2.1. Begrip



Sparen : het gedeelte van het beschikbaar inkomen dat overblijft nadat de consumptieve uitgaven

voldaan werden.

Brutospaarquote : het meetinstrument om de spaarneiging van de particulieren weer te geven.

= het aandeel van het beschikbaar bruto-inkomen dat de particulieren sparen



1.4.2.2. Factoren die het spaargedrag van de gezinshuishoudingen bepalen



Talrijke determinanten bepalen het spaargedrag van de gezinnen.

 Op LT : een aantal factoren geven de richting aan waarin de spaarneiging beweegt

 Op KT : onder invloed van de economische omgeving, kunnen zich in het spaargedrag tijdelijke

wijzigingen voordoen.



1.4.2.2.1. Factoren bepalend voor het spaargedrag op lange termijn (LT)



Levenscyclusmodel van Modigliani

= dit model geeft de relatie weer tussen het sparen van een persoon, het verloop van zijn

toekomstig beschikbaar inkomen en zijn leeftijd.

 kan een verklaring geven voor het spaargedrag van de gezinnen op LT



 De toenemende vergijzing van de bevolking heeft een dalend effect op de gezinsspaarquote, dit

omdat het spaargedrag varieert volgens leeftijd.

 Ook de stijging van werkende vrouwen, door het 2 e inkomen in het gezin, neemt het

voorzorgssparen af.

 Het sociale zekerheidsstelsel zorgt voor het verschaffen van vervangingsinkomens, wat de

schokken in de inkomens opvangt.



1.4.2.2.2. Factoren bepalend voor het spaargedrag op korte termijn (KT)



Op korte termijn wijkt men tijdelijk af door wijzigingen in de economische omgeving van bovenstaande

trend op LT. Zo hebben veranderingen in het inflatiepeil een invloed op de spaarneiging van de gezinnen

via het “vermogenseffect”.



Inflatie is echter nauw verbonden met een rente-evolutie. Bij een toename van de inflatie verhoogt

normaliter de rente om het sparen te stimuleren en aldus de vraaginflatie te bestrijden.







-8-

Economie





Ook de al dan niet gemakkelijke toegankelijkheid van de kredietmarkten voor particulieren beïnvloedt het

spaargedrag in dalende of stijgende zin.



1.5. Metingen van de prijzen. Het indexcijfer der consumptieprijzen

= meet de evolutie van de prijzen bij het verbruik



De index : een meetinstrument, waartoe wel enkele voorwaarden verbonden zijn.



1.5.1. Voorwaarden waaraan het indexcijfer als prijsmeter moet voldoen.



 Het indexcijfer moet representatief zijn

 Het indexcijfer moet soepel zijn :

de nieuwe indexkorf van 01/01/98 bevat 481 producten i.p.v 429, er zijn goederen geschrapt en

andere toegevoegd naargelang de bruikbaarheid in de hedendaagse samenleving.

bv.: cassettespelers zijn vervangen door cd-spelers

 Het indexcijfer moet gewogen zijn :

Niet ieder product is even belangrijk in de gezinsuitgaven.



De berekeningsmethode :

1) het enkelvoudige prijsindexcijfer berekenen voor ieder product

2) de 481 artikelindexcijfers berekenen per lokaliteit (65 gemeenten) als een ongewogen indexcijfer.

dit indexcijfer bereken je door de gem. prijs van elk product te vergelijken met de basisprijs.

Vervolgens de gewogen samengestelde prijsindex per lokaliteit berekenen. Dit door elk ongewogen

indexcijfer te vermenigvuldigen met zijn wegingscoëfficiënt. dan ga je de som van al die vermenig-

vuldigingen delen door de som van de wegingscöefficiënten.

3) Ten slotte herleidt men de 65 lokale indexcijfers tot 1 algemeen prijsindexcijfer voor het hele land.

De gebruikte wegingscoëfficiënten bepaalt men nu in verhouding tot de bevolking van de lokaliteit.



 Het indexcijfer moet geijkt zijn

Men houdt bv. rekening met de nettoprijzen i.p.v. de brutoprijzen. Dit betekent dat men voor de ge-

zondheidszorg enkel nog het remgeld in rekening brengt.



1.5.2. Het indexcijfer der consumptieprijzen



Sinds 1914 kent men het indexcijfer van de kleinhandelsprijzen. De referentiejaren en

berekeningsmethode veranderden meermaal.

Om te beletten dat de verhoging van de indirecte belastingen op benzine, diesel, alcohol en tabak de

arbeidskost via de index zou verzwaren, worden vanaf 01/01/1994 de lonen, wedden en sociale

uitkeringen gekoppeld aan het GEZONDHEIDSINDEXCIJFER VAN DE CONSUMPTIEPRIJZEN.









-9-

Economie







Hoofdstuk 2 : producentengedrag

2.1. de bepaling van de optimale productiegrootte

= bij welke productieomvang is de winst maximaal ???



TW = TO - TK

(totale winst = totale opbrengst – totale kosten)



productiefunctie = het verband tussen

 omvang van de productie

 hoeveelheid ingezette productiefactoren



op korte termijn  productiecapaciteit blijft gelijk

op lange termijn  alle kosten zijn variabel



2.1.1. het kostenverloop

2.1.1.1. Het productieverloop



TP = opbrengst van de ingezette productiefactoren gedurende een bepaalde tijd

MP = meeropbrengst wanneer de hoeveelheid v/d variabele productiekosten met één eenheid toeneemt

GP = de gemiddelde opbrengst van één eenheid van de variabele productiefactor

totale prodcutie









200 30

150 20

100

10

50

0 0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 -10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

aantal arbeiders -20



De wet v/d niet-proportionele meeropbrengsten of de wet v/d de toe- en afnemende meeropbrengsten.

redenen:

 efficiëntere organisatie

 arbeidsherverdeling



2.1.1.2. De productiekosten

2.1.1.2.1. de totale constante kosten (= TCK)



 blijven constant op korte termijn

 wijzigen niet onmiddellijk door een wijziging van de bedrijfsdrukte

bv: afschrijvingen van machines

brandverzekering



2.1.1.2.2. de totale variabele kosten (= TVK)



 zijn afhankelijk van de productie

bv: grondstofkosten (het verloop van de TVK-curve hangt nauw samen met de TP)

arbeidskosten



Dit betekent m.a.w.

 zolang TP meer dan evenredig toeneemt, verlopen TVK degressief stijgend

 wanneer TP evenredig toeneemt, stijgen TVK evenredig

 van zodra TP minder dan evenredig toeneemt, verlopen TVK progressief stijgend







- 10 -

Economie





2.1.1.2.3. de totale kosten (= TK)



 de TCK blijven gelijk en hebben bijgevolg geen invloed op de vorm van de curve



1375

1250

1125

1000

875

750

625

500

375

250

125

0

0 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150 165



2.1.1.2.4. De gemiddelde en marginale kosten



de gemiddelde constante kosten (=GCK) : TCK / Q

de gemiddelde variabele kosten (=GVK) : TVK / Q

de gemiddelde totale kosten (=GTK) : TK / Q

de marginale kosten (=MK)

= zijn de extra kosten die ontstaan door de productie met één eenheid uit te breiden



2.1.2. Het opbrengstverloop



winstmaximalisatie

 kosten

 opbrengsten



prijszetter

hoeveelheidsaanpasser



volkomen concurrentie of volledige mededinging

= markt met zeer veel vragers en zeer veel aanbieders

noch de aanbieders, noch de vragers kunnen invloed uitoefenen op de markt (= op de prijs)



gevolg: elke extra geproduceerde eenheid brengt = prijs op als de reeds geproduceerde eenheden



 de totale opbrengst = TO = P * Q

 vermits de prijs steeds = blijft, is de totale opbrengst recht evenredig met de verkochte hoeveelheid

 de gemiddelde totale opbrengst = GTO = TO / Q = P * Q / Q = P

 bij volkomen concurrentie levert elke extra-verkochte hoeveelheid steeds dezelfde prijs op



de marginale opbrengst = MO = P



2.1.3. De optimale productiegrootte bij volkomen concurrentie



gekend zijn :

 kostenverloop

 opbrengstenverloop









- 11 -

Economie





gevolg : bepaal het punt van winstmaximalisatie



uit vergelijking met TO en TK : wanneer wordt winstmaximalisatie bereikt ?

 zo hoog mogelijk opbrengsten behalen

 productiehoeveelheid realiseren met een minimum aan kosten.



dus: is dat punt waarbij het positief verschil tussen TO en TK het grootst is



uit vergelijking van MK met MO : in dit geval duidt de marginale winst aan of de totale winst maximaal is

extra winst wordt gerealiseerd wanneer : MO > MK

dus winstmaximalisatie = optimale productiegrootte

of MO = MK



2.2. de afleiding van de aanbodcurve

2.2.1. de individuele aanbodcurve



= het nagaan van de reactie van de producent bij een verandering in de prijs van het betrokken goed



achtereenvolgens wordt :



de prijs (P) de productie (Q)

6€ 125 eenheden

6,98 € 131 eenheden

7,75 € 136 eenheden

12,5 € 148 eenheden



De winst is maximaal bij MO = MK

 bij volkomen concurrentie geldt : MO = MK = P



dus P = GO > GTK  winst

P = GO = GTK  er is winst noch verlies

P = GO +1  prijselastisch aanbod

E P * T



6.2. De monetaire politiek van het Eurosysteem



Verdrag van Maastricht



Prijsstabiliteit : jaarlijkse stijging met minder dan 2% v/h geharmoniseerd indexcijfer v/d consumptie-

prijzen voor de hele eurozone

 Ondersteuning van het algemeen economische beleid van de eurozone









- 22 -

Economie





Twee pijlers

 Een referentiegroeivoet voor de geldhoeveelheid, er bestaat nl. een vrij stabiel verband tussen de

geldhoeveelheid M3 en het prijspeil binnen het eurogebied

 Een breed gebaseerde beoordeling van de vooruitzichten inzake prijsevolutie en de risico’s voor

prijsstabiliteit in het eurogebied als geheel



TARGET

= Trans-European Automated Real-time Gross settlement Expres Transfer

= grensoverschrijdende betalingssyteem



6.2.1. De monetaire beleidsinstrumenten

6.2.1.1.De open marktoperaties



 beheer van de liquiditeit van de geldmarkt

 sturen van de korte termijnrente

 Soorten opmarktoperaties

 Wekelijkse aanbestedingen van kredieten

 Langlopende herfinanciering

 Fijnregelinstransacties

 Structurele operaties



6.2.1.2. De permanente faciliteiten



 globaal evenwicht

 evenwicht van de deelnemers

 geldmarktrente



6.2.1.3. De monetaire reserve

= een deposito van een kredietinstelling bij hun centrale bank tegen vergoeding



doel = geldcreatie controleren

creëren van een structureel tekort bij de banken



6.2.2. De geldmarkt = de markt waar professionelen uit de financiële sector tg vergoeding liquiditeiten

beleggen bij andere professionelen die kortlopende middelen nodig hebben.



6.2.2.1. De markt van schatkistcertificaten



Men verhandelt hier schuldtitels uitgegeven door de schatkist met een looptijd van ten hoogste één jaar

Dit verloopt via een systeem van periodieke aanbestedingen = tendersysteem



6.2.2.2. De interbankenmarkt



= markt waar bankiers onderling kortlopende middelen kunnen plaatsen en lenen



6.3. Het inflatieverschijnsel

6.3.1. Begrip

= aanhoudende algemene prijsstijging van de consumptiegoederen



 basis = indexcijfer  hyper inflation

 deflatie = tegenovergestelde  stagflatie (aanhoudende inflatie tijdens

 creeping inflation (3 à 4 %) een recessie)

 galloping inflation (+ 10%)







- 23 -

Economie





6.3.2. Oorzaken van inflatie



 Conjuncturele oorzaken

 Structurele oorzaken

 Monetaire oorzaken



6.3.2.1. Conjuncturele oorzaken van inflatie



Vraag naar goederen > productiecapaciteit

prijsstijgingen = vraaginflatie (demand pull inflation)



Oorzaken van overbesteding:

 een tekort op de overheidsbegroting

 overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans ingevolge bv; exportoverschot

 belangrijke investeringen in de publieke of in de privésector



6.3.2.2. Structurele oorzaken van inflatie



kosten voor vervaardiging stijgen

= kosteninflatie

= cost push inflation

= lonen stijgen sterker dan productiviteit



 Ingevoerde inflatie

 productiviteitsinflatie



6.3.2.3. Monetaire oorzaken van inflatie M*V = P*T



 stijging van maatschappelijke geldhoeveelheid en/of een toename van omloopsnelheid van het geld

 verhoging van de goederenstroom maar de productiecapaciteit is volledig benut



dan moet de prijs stijgen : Monetaire inflatie



6.3.3. Gevolgen van inflatie



 Een daling van de export en een toename van de import wanneer de binnenlandse inflatie de

buitenlandse overtreft

 het aantasten van de rentabiliteit van de ondernemingen wanneer de loonstijgingen groter zijn

dan de productiviteitsstijgingen

 de reële kost v/h kapitaal wordt opgedreven, en als gevolg worden de investeringen ontmoedigd

 een reële daling van de lonen, als die slecht of slechts gedeeltelijk werden geïndexeerd

 gezondheidsindexcijfer

 een verzwaring van het progressieve belastingstelsel als het niet geïndexeerd is

 dit tast het reële gezinsinkomen aan

 voor de schuldenaar is inflatie voordelig, omdat zij in koopkracht minder terugbetalen dan ze

oorspronkelijk ontvangen hebben

 stijging van de overheidsuitgaven, omdat de overheidsactiviteiten sterk arbeidsintensief zijn



6.3.4. Bestrijding van inflatie



 de middelen zijn afhankelijk van de oorzaak van inflatie

 meestal een strikt monetair beleid









- 24 -

Economie







Hoofdstuk 7 : Het internationale betalingsverkeer

7.1. De wisselmarkt

7.1.1. Begrip



 De wisselkoers is de prijs van de buitenlandse valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land.

 De wisselmarkt is het geheel van vraag naar en het aanbod van twee valuta.

 De aankoopkoers of biedkoers is de prijs die de banken willen betalen voor de valuta’s die hen

aangeboden worden.

 De verkoopkoers of laatkoers is de prijs waartegen de banken valuta’s verkopen.



7.1.2. De hoogte van de wisselkoers

7.1.2.1. De vraag naar en het aanbod van vreemde valuta



Huishoudingen van de eurozone oefenen vraag uit naar allerlei vreemde valuta’s om betalingen te

verrichten ivm :

- invoer van goederen en diensten van buiten de eurozone

- primaire inkomens naar buiten de eurozone

- inkomensoverdrachten naar buiten de eurozone

- het aankopen van aandelen of obligaties van buiten de eurozone door ingezetenen van de eurozone

- investeringen buiten de eurozone van ingezetenen van de eurozone



Huishoudingen van buiten de eurozone vragen de Euro om betalingen te verrichten ivm :

- de uitvoer van goederen en diensten van de eurozone naar buiten de eurozone

- primaire inkomens van buiten de eurozone

- inkomensoverdrachten van buiten de eurozone

- het aankopen van euro-aandelen of –obligaties door niet-ingezetenen van de eurozone



De vraag naar en het aanbod van vreemde valuta’s hebben een afgeleid karakter. De vreemde valuta’s

worden gevraagd en aangeboden i.v.m. invoer- en uitvoerverrichtingen.



Hoe ontstaat de wisselkoers ? (~ de voorwaarden van volkomen concurrentie)

 zeer veel importeurs en exporteurs

 de wisselmarkt is volledig toegankelijk (= open)

 de wisselmarkt is doorzichtig of transparant

 elke vreemde valuta is een homogeen product



1,16  De wisselkoer ontstaat uit de confrontatie

tussen de vraag aar en het aanbod van

P usd (x EUR)









1,14

1,12 een vreemde valuta.

1,1 Aanbod USD  Het snijpunt van A en V is de evenwichts-

1,08 Vraag USD wisselkoers (hier 1,11€)

1,06  Bij een wisselkoers van 1,15€ is de

1,04 aangeboden hoeveelheid > gevraagde

1,02 hoe-veelheid  aanbodoverschot.

1000 1200 1500  Dit overschot wordt weggewerkt als de

Q usd wissel-koers daalt (en omgekeerd)



7.1.2.2. Factoren die de vraag naar en het aanbod van vreemde valuta’s bepalen



ceteris paribus-clausule : alle factoren die een invloed op de hoogte van de wisselkoers kunnen

uitoefenen, veronderstellen we steeds als constant.







- 25 -

Economie





7.1.2.2.1. Aan de vraagzijde



 de prijsontwikkeling binnen en buiten de eurozone



Bepalend hierbij is de verschillende graad van inflatie. Dit kan leiden tot duurdere producten buiten de

eurozone, wat natuurlijk leidt tot een vermindering van de import van de eurozone. Er is een

aanbodsverschuiving naar rechts, wat wil zeggen dat de buitenlandse munt gedeprecieerd is t.o.v. de

Euro ofwel de Euro is geapprecieerd t.o.v. de buitenlandse munt.



 veranderingen in de voorkeur van de consumenten



Wijzigt de voorkeur van de consumenten in de eurozone ten voordele van producten die wij invoeren van

buiten de eurozone. Dan betekent deze stijging van de import een stijging in de vraag naar deze vreemde

valuta, waardoor de vraagcurve naar rechts verschuift. Dit is een depreciatie van de Euro t.o.v. de

buitenlandse munt.



 de veranderingen in het inkomensniveau



hier gaat het om relatieve veranderingen : het inkomensniveau in de Eurozone stijgt trager of sneller dan

in andere landen. Stel dat het inkomensniveau buiten de Eurozone dubbel zo snel aangroeit, dan stijgt

hiermee de vraag naar goederen en diensten sterker buiten deze Eurozone. Wat resulteert in:

 enerzijds een grotere export van de Eurozone : stijging van de vraag naar de vreemde valuta

 anderzijds een grotere import in het buitenland : stijging van het aanbod van de vreemde valuta

Gevolg : de vraag naar vreemde valuta stijgt minder sterk dan het aanbod, het uiteindelijke effect is een

appreciatie van de Euro t.o.v. de vreemde valuta.



7.1.2.2.2. Aan de aanbodzijde



 de rentevoeten binnen en buiten de Eurozone



Als de rentevoeten buiten de Eurozone stijgen, wordt het voor ons aantrekkelijker in het buitenland te

beleggen. Hiervoor moeten we vervolgens vreemde valuta aankopen, waardoor de V ernaar stijgt 

vraagcurve verschuift naar rechts.

Anderzijds gaan de buitenlandse beleggers er van afzien om binnen de Eurozone te beleggen, waardoor

in de Eurozone minder vreemde valuta aangeboden worden  aanbodscurve verschuift naar links  de

wisselkoers van de vreemde valuta stijgt tot een nieuwe evenwichtskoers. De vreemde valuta is

geapprecieerd t.o.v. de Euro.



 veranderingen in de productiviteit



Als de productiviteit (in relatie tot het loonniveau) van de bedrijven in de eurozone sneller stijgt dan

buiten deze Eurozone, dan betekent dit dat onze producten goedkoper worden. Hierdoor stijgt de

importvraag vanuit het buitenland en betekent dit een stijging van het aanbod van vreemde valuta.

 daling van de wisselkoers van de vreemde valuta



7.1.3. Wisselkoerssysteem



Een wisselkoers die tot stand komt door de vrije interactie van de vraag naar en het aanbod van vreemde

valuta’s, zijn vrije, vlottende, zwevende of flexibele wisselkoersen.



De evenwichtskoersen veranderen vrijwel voortdurend. Door deze schommelingen is het moeilijk handel

te drijven. Men kan zich hiertegen beveiligen door de vreemde valuta aan te kopen op termijn. Maar dit

brengt bijkomende kosten met zich mee.







- 26 -

Economie





De wisselkoers van de Euro wordt volledig bepaald door de wet van vraag en aanbod (= vlottende

wisselkoers). De ECB heeft daarom NIET als doelstelling de wisselkoersstabiliteit na te streven.

De overheid stelt vaak een officiële wisselkoers vast : de spilkoers of pariteit. Zo worden de

schommelingen van de koersen binnen vrij enge perken gehouden. We spreken dan ook van vaste,

stabiele of gebonden wisselkoersen. Vaak stelt men ook een schommelingsmarge vast. Binnen het EMS II

is dit 2,25% boven en onder de spilkoers, waaruit men zo dus volgende 2 punten kan bepalen :

 plafondkoers of bovenste interventiepunt

 bodemkoers of onderste interventiepunt



Indien de wisselkoers buiten deze grenzen dreigt te komen, moet de centrale bank op de wisselmarkt

tussen beide komen (= interveniëren).

 Munten aankopen op de wisselmarkt : steunaankopen. De vraagcurve verschuift daardoor naar

rechts waardoor de wisselkoers stijgt naar een nieuwe evenwichtskoers.

 De rente verlagen. Dit gebeurt vooral als de verschuiving van de aanbodcurve naar rechts het

gevolg is van een grote kapitaalinvoer.



7.1.4. De evolutie van het internationale monetair systeem

7.1.4.1. Het Bretton Woods Systeem



Juli 1944 te Bretton Woods : internationale conferentie waar 44 landen een zekere ordening in het

internationale betalingsverkeer probeerden te brengen.

 gebruik van vaste wisselkoersen

 de Dollarstandaard



 De waarde van USD was vast en gekoppeld aan de waarde van het goud

 De waarde van de valuta’s van de deelnemende landen drukte men uit in USD, de dollarpariteit

 De lidstaten hadden de verplichting op zich genomen de valutatransacties binnen een marge van 1%

onder en boven die USD-pariteit te laten verlopen, zoniet interveniëren.

 De VS verklaarden zich bereid de dollars die hen aangeboden werden om te ruilen tegen hun

goudgewicht. De USD was dus volledig convertibel tegen goud. USA = sleutelvaluta



7.1.4.2. De ineenstorting van het internationale muntstelsel



Tijdens de jaren 60 verspreiden zich veel dollars over de wereld (vooral Europa), als gevolg van de sinds

1958 sterk gestegen tekorten op de Amerikaanse betalingsbalans, als gevolg van een immense

kapitaaluitvoer.

 Amerikaanse multinationals richtten een groot aantal filialen op in de EEG-landen

 Het militair vergrijpen in Vietnam  meer goederen en diensten in te voeren, vooral uit W-Europa

 De koude oorlog tegen de USSR leidde tot heel wat financiële steun aan de NAVO landen



 de USD wisselkoers daalde sterk : interventieplicht !

 sommige landen, vooral Frankrijk o.l.v. generaal de Gaulle, gingen hun dollartegoeden omzetten in

goud, wat leidde tot een versnelde afname van de Amerikaanse goudvoorraad.

 15/08/’71: Nixon maakt hier een eind aan door de convertibiliteit van de dollar in goud af te

schaffen. De dollar verloor hierdoor zijn sleutelpositie en hierdoor kwam het het hele internationale

muntstelsel in gedrang. De dollarkoers begon te zweven en er was een sterke depreciatie v/d dollar.



7.1.4.3. De monetaire evolutie na 15 augustus 1971



Een monetaire ontreddering.

18/12/1971 : Smithosian Agreement of akkoord van Washington : nieuwe spilkoersen waarbij de dollar

werd gedevalueerd. De interventiemarge werd vergroot tot 2x 2,25% i.p.v. 2x 1%. Deze bandbreedte

noemde men ook de “tunnel”.







- 27 -

Economie





21/03/1972 : Monetair akkoord van Bazel : het slang-arrangement met als doel het verschil tussen de

wisselkoersen te beperken tot max.2,25% (nl.1,125% rond hun pariteit) Deze slang verplaatste zich wel

binnen deze tunnel.



12/03/1973 : Monetair akkoord van Parijs : einde aan de steun aan de dollar. De EEG-valuta verlieten de

dollartunnel en gingen gezamenlijk zweven tegenover de dollar (dirty floating)



7.1.4.4. het Europees Monetair Stelsel (EMS)



13/03/1979 : ontstaan van een Europese muntzone, het EMS, onder impuls van de Duitsers en de

Fransen. 5 lidstaten : België, Nederland, Luxemburg, Duitsland & Denemarken.

Later sloten ook Frankrijk, Ierland, Italië, Spanje en Portugal aan.



Binnen het EMS ontstond een nieuwe munt : de ECU (European Currency Unit) deze munt werd

samengesteld uit een vaste hoeveelheid van 12 EU-valuta : een korf van munten die de waarde van de

ECU bepaalde: DEM, FRF, GBP, ITL, NLG, BEF, LUF, DKK, IEP, GRD, ESP en PTE.



De evolutie van de ECU-marktkoers hing dus af van de evolutie van de marktkoersen van de verschillende

valuta’s van de ECU-korf.



7.1.4.5. Van EMS naar EMU



dec.1991 : Verdrag van Maastricht : men wilde komen tot een EMU : Europese en Monetaire Unie

01/01/1999 : ontstaan van de eenheidsmunt de Euro, waaraan alle lidstaten automatisch deelnemen

(uitz.: UK, Denemarken en Zweden)

5 economische convergentiecriteria :



 Inflaticriterium :

inflatie moet stabiel zijn, max.1,5 procentpunten hoger dan de gemiddelde inflatie van de 3 lidstaten

met laagste inflatie



 Rentecriterium :

de langetermijnrente (10 jaar) mag max.2 procentpunten boven de gemiddelde rente van de lidstaten

met de laagste inflatie liggen.



 Wisselkoersstabiliteit :

de nationale valuta moeten tenminste de laatste 2 jaar binnen de smalle schommelingsmarges van

het EMS-wisselkoersmechanisme gebleven zijn, zonder ernstige inspanningen (bv.devaluatie)



 Overheidstekort :

het overheidstekort mag niet meer dan 3% van het BBP m bedragen (3%-norm)



 Overheidsschuld :

de overheidsschuld mag niet meer dan 60% van het BBPm bedragen.



Elke munt kreeg op 31/12/1998 een vaste omrekeningskoers tegenover de Euro.



7.1.4.6. De economische en monetaire unie

7.1.4.6.1. 1999 en later



De nationale munten blijven tijdens de overgangsfase tot 31/12/2001 circuleren als wettig betaalmiddel.

Uiterlijk op 01/01/2002 moeten alle landen de euro invoeren door eurobiljetten en munten in omloop te

brengen.







- 28 -

Economie





7.1.4.6.2. Argumenten pro en contra EMU



 mogelijke voordelen :

- uitschakeling van de wisselrisico’s

- vermindering van de transactiekosten

- bevordering van de doorzichtigheid van de markt

- vorming van een euroblok

- geloofwaardigheid en duurzaamheid EMU

- eenvoudiger monetair beleid

- grotere macro-economische stabiliteit

- eenvormige jaarrekeningen



 mogelijke nadelen :

- verlies van nationale soevereiniteit

- verlies van de munt als economische barometer

- noodzaak aan fiscale en sociale harmonisering

- aanpassingskosten in o.a. de banksector

- heel wat praktische problemen



7.1.4.6.3. het Stabiliteits- en Groeipact



Het deficit in de lidstaten van de EMU mag nooit meer dan 3% van het BBP m bedragen, tenzij bij

uitzonderlijke gebeurtenissen zoals een zware recessie.



7.1.4.6.4. EMS II



Wordt ook wel EMS-bis genoemd. Dit systeem koppelt de munten van de EU lidstaten die niet aan de

eenheidsmunt (EURO) deelnemen.



7.2. De Betalingsbalans

7.2.1. Begrip



De betalingsbalans is een systematisch overzicht van alle economische transacties tussen de eigen

ingezetenen en die van andere landen, voor een bepaalde periode, meestal een jaar.



Transacties tussen eigen ingezeten en ingezetenen van de Eurozone , geven aanleiding tot betaling of

ontvangsten in Euro. Transactie met ingezetenen buiten de Eurozone brengen ee omzetting van onze

munt in vreemde valuta (of omgekeerd) met zich mee. Hierdoor kunnen onze deviezenvoorraden toe- of

afnemen.

Uitgaven (-) Ontvangsten (+)

- invoer van goederen - uitvoer van goederen

- invoer van diensten - uitvoer van diensten

- primaire inkomens betaald aan het - primaire inkomens ontvangen in het

buitenland buitenland

- inkomstenoverdrachten aan het - inkomstenoverdrachten van het

buitenland buitenland

- uitvoer van kapitaal - invoer van kapitaal



7.2.2. De deelrekeningen van de betalingsbalans van de BLEU en van België



Bij het opstellen van de betalingsbalans geeft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) de voorkeur aan

een betalingsbalans op transactiebasis. Bij zo’n betalingsbalans op transactiebasis neemt men elke

transacties op bij het afsluiten van de transactie zelf.







- 29 -

Economie





Een balans is een momentopname van activa en passiva

 de betalingsbalans geeft een overzicht weer van de transacties met het buitenland gedurende één jaar

(= stroomgrootheid)



7.2.2.1. Het lopend verkeer

 het goederenverkeer

 dienstenverkeer

 de inkomens

 de lopende overdrachten



7.2.2.2. Het kapitaal- en financieel verkeer

 kapitaalverkeer

 financieel verkeer



7.2.3. De betalingsbalans van de eurozone

 Op de betalingsbalans kan een onevenwicht ontstaan.



7.2.4. Oorzaken van een betalingsbalansonevenwicht

 Deze oorzaken kunnen zowel in het binnen- als buitenland liggen en kunnen van conjuncturele,

structurele of toevallige aard zijn.



7.2.4.1. Oorzaken van conjunturele aard



- De internationale economische conjunctuur : de ongunstige internationale economische situatie kan

zich zo via de betalingsbalansen over verschillende landen verspreiden.

- Het (relatief) kosten- en prijspeil t.o.v. het buitenland

- Het renteniveau in binnen- en buitenland

- Speculatie



7.2.4.2. Oorzaken van structurele aard



Deze worden als oorzaken op lange termijn beschouwd.

- Wijziging in de internationale arbeidsverdeling : de nieuw-geïndustrialiseerde landen leggen zich meer

en meer toe op de arbeidsintensieve sectoren, gezien hun laag loonniveau. Ook de snel economische

groei in Azië ligt mee aan de basis van een tekort op de betalingsbalans.

- Een grote buitenlandse schuld van landen zoals Brazilië en Mexico, die zelfs hun rente niet meer

kunnen betalen

- De uitputting van bepaalde natuurlijke hulpbronnen verandert de productiekosten en beïnvloedt de

aanbodvoorwaarden

- Nieuwe technieken beïnvloeden de opbrengst van investeringen en op die manier de richting van de

kapitaalbewegingen. Deze nieuwe technieken beïnvloeden eveneens de vraag naar goederen.



7.2.4.3. Oorzaken van toevallige aard



- de internationale grondstoffenprijzen

- klimatologische omstandigheden



7.2.5. De gevolgen van een betalingsbalansonevenwicht



Een betalingstekort betekent dat ons land schuldenaar wordt ten aanzien van het buitenland.

Op korte termijn proberen we onze schulden te betalen door betaling in Euro voor onze transacties met

andere Eurolanden of door betaling in deviezen, goud of SDR voor onze andere transacties.









- 30 -

Economie





 betalingen in Euro : de maatschappelijke geldvoorraad vermindert

 betalingen in deviezen, goud of SDR : internationale betaalmiddelen verminderen. Zo komt op LT wel

de financiering van onze noodzakelijke invoer in gevaar.



Een betalingstekort wijst erop dat het land een ongunstige prijsverhouding heeft t.o.v. het buitenland.

Dus vanuit het buitenland is er een minder sterke vraag naar goederen en diensten en er is een sterke

binnenlandse vraag naar ingevoerde goederen en diensten. Deze gestegen invoer beconcurreert de

binnenlandse productie en kan dus leiden tot een ongebruikte productiecapaciteit en arbeidsoverschot

(= werkloosheid)



 onze schulden financieren door het aangaan van leningen in het buitenland : deze kapitaalsinvoer kan

het lopend verkeer van de betalingsbalans in evenwicht brengen.



Het is vooral de overheid die kapitaal invoert vanuit het buitenland ome ene tekort op het lopend

verkeer en op het kapitaalverkeer van de private sector te financieren. (= compenserende bewegingen)

Natuurlijk moet hierop ook vaak een hoge rente betaald worden, wat dan weer een bedreiging vormt

voor het evenwicht van de betalingsbalans.



 beroep doen op het IMF en gebruik maken van de trekkingsrechten waarover de aangesloten leden

beschikken. Deze zijn beperkt en kan men slechts aanwenden voor een tijdelijk tekort op de

betalingsbalans



Een betalingsbalansoverschot betekent dat ons land schuldeiser wordt tegenover het buitenland. Onze

maatschappelijke geldhoeveelheid en/of onze voorraad internationale betaalmiddelen neemt toe. Dit is

inflatiebevorderend en dit duidt op een gunstige concurrentiepositie. Er is dus vanuit het buitenland

sprake van een sterk vraag naar goederen en diensten en dat de binnenlandse vraag naar ingevoerde

producten niet zo sterk is. Dit kan daarop leiden tot overbesteding.



(de volgende onderdelen moeten niet gekend zijn, het volgende punt is de DEVALUATIE)



7.2.6.3.3. Het devalueren van de nationale munt



Een devaluatie is een wettelijke waardevermindering van de nationale valuta ten opzichte van andere

valuta’s. Via een devaluatie worden enerzijds de ingevoerde producten duurder, wat de import afremt, en

anderzijds worden de eigen producten voor het buitenland aantrekkelijker, waardoor de export stijgt. Dit

werkt het herstel van het betalingsbalansevenwicht in de hand.



Devaluatie Depreciatie



Beiden hebben hetzelfde effect : een valuta wordt minder waard, wat een land relatief goedkoper maakt.



- Overheid verlaagt officiële koers v/e valuta. - Depreciatie is enkel van toepassing op

Het gaat hier om een beleidsmaatregel in zwevende valuta’s

een systeem van vaste, doch aanpasbare

wisselkoersen.



Of een devaluatie uiteindelijk een succes wordt, hangt af van de volgende factoren :

 Import- e exportelasticiteiten

 Reacties van de concurrerende landen

 De binnenlandse prijsevolutie









- 31 -

Economie







Hoofdstuk 9 : De economische groei

(enkel de rol van de Nationale bank en KBC)



De nationale bank van België

= de belangrijkste vertrouwens- of klimaatindicator in België



- houdt rekening met kwalitatieve gegevens afgeleid uit maandelijkse conjunctuurenquêtes. Hierin vragen

ze bedrijfsleiders naar de huidige economische situatie en de te verwachten ontwikkeling. Per vraag

wordt er een % bepaald en de gemiddelden van alle vragen levert een synthetische indicator op, die

het algemeen psychologisch klimaat weerspiegelt waarin de bedrijfsleiders beslissingen nemen en

daarmee dan ook het conjunctuurverloop bepalen



KBC

= kwantitatieve conjunctuurindicator : vatten de feitelijke ontwikkeling van diverse factoren samen in 1

kengetal. Deze indicator omvat ;



- aanbodfactoren : industriële productie en het elektriciteitsverbruik en de invoer in volume

- vraagfactoren : omzet in kleinhandel & dienstensectoren, investeringen, aantal begonnen woningen en

de uitvoer in volume

- evenwichtsindicator : de niet-werkende werkzoekenden, de ouderen en de niet-werkende werklozen







Hoofdstuk 10 : De overheid

(geen theorie hoeft gekend te zijn, enkel oefn.1)









- 32 -


Related docs
Other docs by HC11112612592
Communication colloque
Views: 2  |  Downloads: 0
REPUBLIQUE DU SENEGAL
Views: 7  |  Downloads: 0
science economique
Views: 2  |  Downloads: 0
CODIGO DE CANTO DEL VERDECILLO
Views: 13  |  Downloads: 0
bids
Views: 1  |  Downloads: 0
LES PRINCIPES DE LA DSE
Views: 0  |  Downloads: 0
insuffisance cardiaque
Views: 7  |  Downloads: 0
POLITIQUES AGRICOLES
Views: 3  |  Downloads: 0
By registering with docstoc.com you agree to our
privacy policy

You are almost ready to download!

You are almost ready to download!