Embed
Email

Economie Triviant

Document Sample
Economie Triviant
Shared by: HC111126122954
Categories
Tags
Stats
views:
0
posted:
11/26/2011
language:
Dutch
pages:
30
Economie Triviant

Gerriët van Zuthem

Ichthus College Kampen

HAVO/VWO





Motivatie

Voor leerlingen is de laatste periode van het schooljaar, zo net voor de eindexamens, altijd een

vervelende. Het eindeloos examens oefenen, herhalen van lesstof en nog maar een keer hetzelfde

sommetje maken is voor de meeste leerlingen niet motiverend.

De nadruk wordt in de herhaling het meest gelegd op het kunnen toepassen van het geleerde en niet

zozeer op het herhalen van begrippen. En als de docent de hele les vragen gaat stellen als: wat is

inflatie precies, welke landen doen mee aan de Europese Unie en wat is het kenmerk van een

vrijhandelszone zullen leerlingen na 5 minuten afhaken vanwege de saaiheid van deze les.

Daarom bedacht ik dat het anders moest; ik wilde ook begrippen klassikaal herhalen én ik wilde dit in

een motiverende werkvorm. Ik kwam toen op het idee van een economie-triviant.





Leerlingeninstructie

De bedoeling van het spel

Het team wint dat als eerste door beantwoording van vragen alle zes de vakjes van de speelschijf

gevuld heeft met verschillende gekleurde partjes én daarna naar het midden is gegaan en de

beslissende eindvraag juist heeft beantwoord. De categorie van de beslissende eindvraag wordt

gekozen door de speler rechts.



Het spel spelen

Als je aan de beurt bent, gooi je met de dobbelsteen. Je verplaatst je speelschijf altijd het volledig

gegooide aantal vakjes over het speelbord. Als je op een gekleurd vak eindigt, moet je de vraag van

die categorie beantwoorden. Je krijgt een partje van de betreffende kleur in je speelschijf als je op het

triviant-vak van die kleur bent gekomen.



Vragencategorieën

BLAUW CONSUMENT en PRODUCENT

GEEL BANK en GELDWEZEN

ROZE ARBEIDSMARKT en SOCIALE ZEKERHEID

GROEN BETALINGSBALANS en WISSELKOERSBELEID

BRUIN EUROPESE INTEGRATIE

ORANJE ECONOMISCHE KRINGLOOP



Voor het stellen van de vraag pakt de speler rechts of de spelleider de eerste kaart van de stapel van

de categorie. Hij leest de vraag voor. De antwoorden staan onderaan hetzelfde kaartje. Weet de

speler het goede antwoord dan behoudt hij zijn beurt en mag hij opnieuw gooien. Is het antwoord

fout dan is de speler links van hem aan de beurt (met de klok mee.) Bij elke worp mag je met de

speelschijf vooruit, achteruit of afslaan bij kruispunten. Het is verboden om vooruit én achteruit te

gaan in één worp. Het is ook verboden om niet te gooien en niet te verplaatsten.



Als een speler alle 6 categorieën juist heeft beantwoord en de partjes in zijn speelschijf heeft, moet hij

proberen het centrum van het speelbord te bereiken. Daar aangekomen bepaalt de speler rechts van

hem uit welke categorie de beslissende vraag gesteld wordt. Wordt de vraag goed beantwoord, dan is

het spel gewonnen. Wordt de vraag fout beantwoordt, dan moet hij bij zijn volgende beurt het

centrum verlaten. Pas als hij weer in het centrum is aangekomen krijgt hij een nieuwe beslissende

vraag uit een opnieuw gekozen categorie.



Docenteninstructie

Benodigdheden:

Spel Trivial Pursuit (voor speelschijf, bord en dobbelsteen)

Kaartjes (in de bijlage – afdrukken op gekleurd papier)

Mogelijkheid 1

Je speelt het spel klassikaal. De docent is de spelleider en stelt de vragen. Je verdeelt de klas in 4

groepen en gaat om het bord heen zitten. Elke groep heeft een teamleider. Het antwoord dat door de

teamleider gegeven wordt geldt als antwoord van de betreffende groep.



Mogelijkheid 2

Je geeft verschillende groepen in je klas een eigen bordspel. Ze kunnen dan met hun eigen groep het

spel spelen. Als docent kun je dan langslopen en eventuele onduidelijkheden toelichten en vragen

beantwoorden.



De bedoeling van het spel

Het team wint dat als eerste door beantwoording van vragen alle zes de vakjes van de speelschijf

gevuld heeft met verschillende gekleurde partjes én daarna naar het midden is gegaan en de

beslissende eindvraag juist heeft beantwoord. De categorie van de beslissende eindvraag wordt

gekozen door de speler rechts.



Het spel spelen

Als je aan de beurt bent, gooi je met de dobbelsteen. Je verplaatst je speelschijf altijd het volledig

gegooide aantal vakjes over het speelbord. Als je op een gekleurd vak eindigt, moet je de vraag van

die categorie beantwoorden. Je krijgt een partje van de betreffende kleur in je speelschijf als je op het

triviant-vak van die kleur bent gekomen.



Vragencategorieën

BLAUW CONSUMENT en PRODUCENT

GEEL BANK en GELDWEZEN

ROZE ARBEIDSMARKT en SOCIALE ZEKERHEID

GROEN BETALINGSBALANS en WISSELKOERSBELEID

BRUIN EUROPESE INTEGRATIE

ORANJE ECONOMISCHE KRINGLOOP



Voor het stellen van de vraag pakt de speler rechts of de spelleider de eerste kaart van de stapel van

de categorie. Hij leest de vraag voor. De antwoorden staan onderaan hetzelfde kaartje. Weet de

speler het goede antwoord dan behoudt hij zijn beurt en mag hij opnieuw gooien. Is het antwoord

fout dan is de speler links van hem aan de beurt (met de klok mee.) Bij elke worp mag je met de

speelschijf vooruit, achteruit of afslaan bij kruispunten. Het is verboden om vooruit én achteruit te

gaan in één worp. Het is ook verboden om niet te gooien en niet te verplaatsten.



Als een speler alle 6 categorieën juist heeft beantwoord en de partjes in zijn speelschijf heeft, moet hij

proberen het centrum van het speelbord te bereiken. Daar aangekomen bepaalt de speler rechts van

hem uit welke categorie de beslissende vraag gesteld wordt. Wordt de vraag goed beantwoord, dan is

het spel gewonnen. Wordt de vraag fout beantwoordt, dan moet hij bij zijn volgende beurt het

centrum verlaten. Pas als hij weer in het centrum is aangekomen krijgt hij een nieuwe beslissende

vraag uit een opnieuw gekozen categorie.



TIP 1 (bij mogelijkheid 1)

Vanwege de tijd kun je er ook voor kiezen om niet te werken met de gekleurde partjes, maar een

groep bij elke goed beantwoorde vraag een punt te geven. Je kunt de punten dan op het bord

bijhouden.



TIP 2 (bij mogelijkheid 1)

Wanneer groep 1 een vraag krijgt en deze fout beantwoordt, kan een groep de beurt overnemen door

het goede antwoord te geven. De groep links van de speler is als eerste aan de beurt om de beurt

over te nemen. Voordeel hiervan is dat elke groep meteen gaan overleggen wanneer er een vraag

gesteld is en ze elkaar zelfs kritiek geven wanneer de eerste groep niet helemaal het juiste antwoord

geeft.

TIP 3 (bij mogelijkheid 1)

Stel de leerlingen een prijs in het vooruitzicht, of laat ze strijden tegen een parallelklas (welke klas

heeft meer punten verzameld?). Dit competitie-element werkt motivatie verhogend.



Geschiktheid

De kaartjes zijn nu geschikt voor havo en vwo.

Als je het eindexamenprogramma erbij pakt kun je dit aanpassen voor VMBO – je kunt dan zelf

vragen filteren en een aantal bestaande vervangen.

Het concept blijft bruikbaar.



Mijn ervaring

Ik heb het spel vooral in groepsvorm gespeeld. Voordeel van deze manier van theorie herhalen is dat

leerlingen gemotiveerd zijn. Juist door het competitie-element strijden ze tegen elkaar en zijn dan heel

kritisch ‘mevrouw, dat klopt nog niet hoor, dit hoort ook nog bij de verklaring/definitie/etc.’ Of als je

tegen een parallelklas speelt zijn ze heel hulpvaardig ‘joh, bijna… denk nog even aan … ‘

Leerlingen vinden het een heerlijke manier van examenvoorbereiding – ze oefenen begrippen (leren

ook erg van elkaar) en het doorbreekt de sleur van ‘alleen maar examens maken’.

Daarnaast zet ik het spel ook in de voorexamenklassen in, en dan alleen met de onderdelen die zij al

hebben gehad. Ik kies dan voor dezelfde speelwijze en zeg dat wanneer je op roze komt je opnieuw

een bruine vraag beantwoordt bijvoorbeeld.

Tijdens het spel blijkt bijvoorbeeld dat ze de gele categorie het slechtst doen en daar ook voor

weglopen (‘niet naar geel, die is zo moelijk!’). Dit betekent dat ik in de lessen erna juist weer extra

aandacht geef aan deze categorie.





Bijlagen

Foto’s van het spel

Kaartjes per categorie – downloaden, afdrukken op de kleur van de categorie en in kaartjes knippen.

Lege kaartjes – in te vullen met eigen vragen

Categorie-kleuren





Ingezonden door

Gerriët van Zuthem

Docente Economie en M&O



Ichthus College Kampen

Locatie Bovenbouw Havo VWO

Jan Ligthartstraat 1

8265 CJ Kampen

038-3316022

g.vanzuthem@ichthus.ssco.nl

gvanzuthem@gmail.com

Vraag: Noem de 4 vraagfactoren die Vraag: Is de volgende stelling juist of

bepalend zijn voor de individuele vraag naar onjuist?:

een product. Wanneer een prijsdaling van 20% leidt tot een

stijging van de afzet met 15% dan noem de

afzet prijsinelastisch.







Antwoord: prijs van het goed, prijs van

andere (substitutie)goederen, het inkomen

en de behoefte Antwoord: juist







Vraag: Wat wordt verstaan onder de ceteris Vraag: Is de volgende stelling juist of

paribus clausule ? onjuist?:

De prijselasticiteit van de vraag kan als volgt

worden berekend: de procentuele

verandering van de prijs gedeeld door de

procentuele verandering van de gevraagde

hoeveelheid.





Antwoord: één van de (vraag)factoren

verandert, alle andere factoren blijven gelijk. Antwoord: onjuist, precies andersom.







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Waar staan de 4 “P’s”van de

onjuist?: marketing-mix voor?

De collectieve vraaglijn geeft de vraag naar

collectieve goederen weer.









Antwoord: onjuist Antwoord: Prijs, Product, Plaats en Promotie







Vraag: Hoe noem je de productie-omvang Vraag: Behoren verzekeringsmaatschappijen

waarbij de totale kosten en totale tot de primaire, secundaire, tertiaire of

opbrengsten exact gelijk zijn? quartaire sector?









Antwoord: Het break-even point Antwoord: tertiaire sector

Vraag: Wanneer een bedrijf zijn assortiment Vraag: Hoe noem je winstuitkering op

vergroot, dan noemt men dat parallellisatie. aandelen?

Geef een ander woord voor parallellisatie.









Antwoord: branchevervaging Antwoord: dividend







Vraag: Wat is het verschil tussen een fusie en Vraag: Staan op de balans de bezittingen (

een overname? ook wel activa genoemd ) links of rechts?









Antwoord:

Fusie: bedrijven gaan vrijwillig samenwerken

Overname : Het ene bedrijf wordt

overgenomen/opgekocht door een ander

bedrijf Antwoord: links







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Is de volgende stelling juist of

onjuist?: onjuist?:

De vakantiebeurs in de Jaarbeurs te Utrecht Als een bedrijf een deel van het

is een typisch voorbeeld van een abstracte productieproces afstoot naar andere

markt. bedrijven binnen de bedrijfskolom dan noem

je dat integratie.









Antwoord: onjuist

Antwoord: onjuist







Vraag: Wat is het tegenovergestelde van Vraag: Zijn het de constante of de variabele

parallellisatie? kosten die reageren op een

productieverandering?









Antwoord: specialisatie Antwoord: de variabele kosten

Vraag: Wat betekent de afkorting GVK? Vraag: Is de volgende stelling juist of

onjuist?:

Op de resultatenrekening kun je aflezen welk

gedeelte van de bezittingen is gefinancierd

met vreemd vermogen.









Antwoord: gemiddelde variabele kosten Antwoord: onjuist







Vraag: Hoe heet de belasting die BV’s en Vraag: Wat is het verschil tussen de afzet en

NV’s verschuldigd zijn over hun behaalde de omzet?

winst?









Antwoord:

Afzet: de afgezette/verkochte hoeveelheid

Omzet: de afzet vermenigvuldigd met de

Antwoord: Vennootschapsbelasting verkoopprijs







Vraag: Wat is het kenmerk van een Vraag: Hoe heet het proces van

evenwichtsprijs? verzelfstandiging van staatsbedrijven?









Antwoord: de prijs die ontstaat bij vraag =

aanbod Antwoord: privatisering







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Hoe heet de marktvorm die behoort

onjuist?: bij een perfect werkend marktmechanisme?

De overheid stelt een maximumprijs in om

de producenten een gegarandeerd minimum

inkomen te verschaffen.









Antwoord: onjuist Antwoord: volkomen concurrentie

Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Behoren de gemeenten (zoals

onjuist?: Kampen, Dronten, Elburg enz. ) wel of niet

De vraag of je een hoeveelheidsaanpasser tot de collectieve sector?

bent, kan allen worden toegepast op de

aanbodkant van de markt









Antwoord: onjuist Antwoord: wel







Vraag: Hoe heet het mechanisme dat in een Vraag: Wat is fout aan de volgende stelling?:

zogenoemde planeconomie de productie De marktvorm oligopolie wordt gekenmerkt

bepaalt: door:

- weinig aanbieders en

- homogene producten en

- wel prijszetters







Antwoord: geen homogene maar heterogene

Antwoord: het budgetmechanisme producten







Vraag: Hoe heet de marktvorm die Vraag: Wat is het tegenovergestelde van een

gekenmerkt wordt door een totaal gebrek markteconomie?

aan concurrentie?









Antwoord: monopolie Antwoord: een planeconomie







Vraag: Vraag:







Antwoord:

Antwoord:

Vraag: Welk woord kun je gebruiken voor het Vraag: Geef een voorbeeld van een tarifaire

proces van internationalisering van de belemmering.

wereldeconomie?









Antwoord: globalisering Antwoord: invoerrechten







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Samenwerking tussen landen kan op

onjuist?: verschillende niveaus plaatsvinden. Is de

Als de Franse overheid regels instelt om de minst vergaande vorm (van samenwerking)

hoeveelheid geïmporteerde auto’s uit Japan de douane-unie of de vrijhandelszone?

aan banden te leggen; dan is dat een typisch

voorbeeld van een non-tarifaire

belemmering







Antwoord: juist Antwoord: vrijhandelszone







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Is de volgende stelling juist of

onjuist?: onjuist?:

Het verschil tussen een economische unie en Een interventieprijs als gevolg van het

een monetaire unie is dat alleen bij een Europese landbouwbeleid is lager dan de

monetaire unie vrij verkeer van kapitaal marktprijs.

mogelijk is.









Antwoord: onjuist Antwoord: onjuist







Vraag: Is een douane-unie een gebied met Vraag: In welke organisatie onderhandelen

of zonder een gemeenschappelijk landen over vrijhandel?

buitentarief?









Antwoord: met Antwoord: WTO

Vraag: Behoort een contingent tot de Vraag: Is de volgende stelling juist of

tarifaire belemmeringen? onjuist?:

In de EU gaat veel geld op aan ondersteuning

van de landbouwsector. Deze uitgaven vallen

onder monetair beleid.









Antwoord: nee Antwoord: onjuist (sociaal/economisch)







Vraag: Ligt de dagelijkse leiding binnen de Vraag: Hoe noem je de afspraak binnen de

EU bij de Europese Raad of de Europese WTO dat leden elkaar op het gebied van de

commissie? internationale handel niet mogen

discrimineren?









Antwoord: commissie Antwoord: meestbegunstigingsclausule







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Hebben zachte leningen een lange of

onjuist?: een korte aflossingstermijn?

Structurele hulp is ontwikkelingshulp die

besteed moet worden in het land dat de hulp

verstrekt.









Antwoord: onjuist (gebonden hulp) Antwoord: lang







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Noem een andere naam voor

onjuist?: garantieprijzen.

De Wereldbank financiert alleen

investeringsprojecten van rijke

geïndustrialiseerde landen.









Antwoord: onjuist Antwoord: interventie- of minimumprijzen

Vraag: In welk orgaan vindt de uiteindelijke Vraag: Hoe noem je het op elkaar afstemmen

besluitvorming van de EU plaats? van bijvoorbeeld belastingwetten en

milieuvoorschriften?









Antwoord: In de Raad van Ministers Antwoord: harmonisatie







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Is de volgende stelling juist of

onjuist?: onjuist?:

Door het vrij verkeer van kapitaal zullen de Exportsubsidies worden verstrekt om een

renteverschillen tussen de EU-lidstaten eerlijke concurrentie te bevorderen.

kleiner worden.









Antwoord: juist Antwoord: onjuist, eigen markt beschermen







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Waar staat de afkorting WTO voor?

onjuist?:

De term concentratielanden wordt gebruikt

voor de voor Nederland belangrijkste

exportlanden.









Antwoord: onjuist, concentratielanden zijn

landen waaraan hulp wordt gegeven. Antwoord: World Trade Organization







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Is de volgende stelling juist of

onjuist?: onjuist?:

Gezien de grootte van het land en de De term MOL’s staat voor meest ontwikkelde

economie heeft de VS een hogere landen.

exportquote dan Nederland.









Antwoord: onjuist Antwoord: onjuist, minst ontwikkelde landen

Vraag: Noem één oorzaak voor de sterke Vraag: Als een land voor de exportinkomsten

concurrentiepositie van Nederland grotendeels van één product afhankelijk is

dan noem je dat…………….









Antwoord: gunstig klimaat, gunstige ligging,

(hoog)geschoolde beroepsbevolking, groot

bezit kapitaal goederen, sociale rust Antwoord: monocultuur







Vraag: Is de volgende stelling juist of Vraag: Op welke producten zijn

onjuist?: exportsubsidies toegestaan?

Bij bilaterale hulp wordt ontwikkelingshulp

via internationale organisaties verstrekt









Antwoord: onjuist, via overheden Antwoord: landbouwproducten







Vraag: Welke twee soorten belemmeringen Vraag: In Noord Afrika bestaat een

kan een land toepassen als het zijn markt wil vrijhandelszone met de naam NAFTA. Hiertoe

afschermen tegen buitenlandse bedrijven? behoren de landen Marokko, Algerije,

Tunesië en Libië









Antwoord: tarifaire en non-tarifaire Antwoord: onjuist, North American Free

belemmeringen Trade Agreement.







Vraag: Wanneer is er sprake van een Vraag: Is de volgende stelling juist of

gemeenschappelijke markt? onjuist?:

Het geld dat de Europese Commissie nodig

heeft om haar beleid uit te voeren is volledig

afkomstig van de BTW-afdrachten van de

lidstaten.







Antwoord: als de lidstaten het verkeer van

alle productiefactoren vrij laten. Antwoord: onjuist

Vraag: Hoe bereken je de exportquote van Vraag: Hoe bereken je de importquote van

een land? een land?









Antwoord: Antwoord:

waarde van de export / bbp x 100% Waarde van de import / bbp x 100%







Vraag: een hoge handelsquote betekent voor Vraag: Omschrijf het begrip ‘multinationale

dat land dat het zeer sterk afhankelijk is van ondernemingen’

de wereldhandel. Is dit juist of onjuist?









Antwoord: Juist, een hoge handelsqoute Antwoord: Multinationale ondernemingen

betekent een hoge exportquote en een hoge zijn ondernemingen met

importquote = veel handel met buitenland. productievestigingen in meerdere landen.







Vraag: Leg het verschil uit tussen een open Vraag: Geef een omschrijving van het begrip

economie en een gesloten economie. ‘betalingsbalans’.







Antwoord: Een land met een open economie

is een land dat veel economische

betrekkingen met het buitenland

onderhoudt. Een land met een gesloten Antwoord: Een betalingsbalans is een

economie drijft juist weinig handel met het overzicht van ontvangsten uit en betalingen

buitenland. aan het buitenland.







Vraag: Noem de vier deelrekeningen van de Vraag: Noem de andere naam voor de

lopende rekening. goederenrekening.









Antwoord: De lopende rekening bestaat uit:

- goederenrekening

- dienstenrekening

- inkomensrekening

- inkomensoverdrachtenrekening Antwoord: Handelsbalans

Vraag: Primaire inkomens worden geboekt Vraag: Noem de vier deelrekeningen op de

op de inkomensoverdrachtenrekening. Is dit financiële rekening.

juist of onjuist?







Antwoord: de financiële rekening bestaat uit:

- rekening directe investeringen

- effectenverkeer

Antwoord: onjuist, worden geboekt op de - overige financiële transacties

inkomensrekening. - Officiële reserves







Vraag: Noem de drie delen waaruit de Vraag: Op welke rekening wordt de

betalingsbalans bestaat. geldstroom geboekt die komt uit de

oprichting van een buitenlandse vestiging

van een Nederlandse onderneming?





Antwoord: De betalingsbalans bestaat uit:

- de lopende rekening

- de vermogensoverdrachtenrekening Antwoord: op de rekening van de directe

- de financiële rekening investeringen.







Vraag: Dividendontvangsten of Vraag: Wat wordt op de rekening officiële

renteontvangsten die voortkomen uit het in reserves geboekt?

bezit hebben van buitenlandse aandelen

worden geboekt op de Nederlandse

betalingsbalans. Op welke deelrekening?







Antwoord: de verandering in officiële

reserves van de overheid, het verschil tussen

Antwoord: op de effectenrekening. totale ontvangsten en totale uitgaven?







Vraag: Als de post officiële reserves is Vraag: Leg het verschil uit tussen formeel

toegenomen met 20.000 euro, is er dan in evenwicht en materieel evenwicht.

dit land 20.000 euro meer ontvangen dan

uitgegeven of andersom?







Antwoord: er is 20.000 euro meer ontvangen Antwoord: Formeel evenwicht is

dan uitgegeven in dit land. De post officiële boekhoudkundig evenwicht. Materieel

reserves zorgt ervoor dat de betalingsbalans evenwicht betekent dat er evenveel is

in formeel evenwicht is. uitgegeven als ontvangen in een land.

Vraag: Leg uit wat de ruilvoet betekent. Vraag: Leg uit hoe je de ruilvoet berekent.









Antwoord: De ruilvoet is een indexcijfer dat Antwoord:

de verhouding tussen prijspeil van de export Ruilvoet = exportprijspeil/ importprijspeil x

en prijspeil van de import weergeeft. 100







Vraag: Leg uit dat een verslechterde ruilvoet Vraag: Leg uit wat de afkorting IMF betekent

gunstig is voor Nederland. en noem één van haar taken.









Antwoord: Bij een verslechterde ruilvoet zijn

de importprijzen hoger ten opzichte van de Antwoord: IMF = internationaal monetair

exportprijzen. Onze export wordt daarmee fonds, ze heeft als taak kredieten te

in verhouding goedkoop, en daardoor zal de verstrekken aan landen in

vraag naar onze producten stijgen. betalingsbalansproblemen.







Vraag: Leg uit wat het systeem van vrij Vraag: Leg het begrip ‘appreciatie’ uit.

zwevende wisselkoersen inhoudt.









Antwoord: Deze wisselkoersen kunnen ten

opzichte van elkaar vrij bewegen. Dergelijke

koersen worden volledig bepaald door vraag Antwoord: appreciatie is een stijging van de

en aanbod naar de munt. koers onder invloed van vraag en aanbod.







Vraag: Leg het systeem van vaste Vraag: Leg het systeem van stabiele

wisselkoersen uit. wisselkoersen uit.









Antwoord: Regeringen hebben een vaste, Antwoord: De marktkoers van de munt mag

onveranderlijke koersverhouding tussen hun enigszins fluctueren rond de onderling

valuta’s met elkaar afgesproken. afgesproken spilkoers.

Vraag: Noem de drie systemen voor Vraag: Leg het begrip ‘devaluatie’ uit.

wisselkoersbeleid.









Antwoord: de drie systemen zijn:

- systeem van vaste wisselkoersen

- systeem van zwevende wisselkoersen Antwoord: Devaluatie is een verlaging van de

- systeem van stabiele wisselkoersen spilkoers.







Vraag: Welke twee maatregelen kunnen Vraag: Als de Amerikaanse dollar zwak staat

banken nemen om de marktkoersen binnen ten opzichte van de euro, moet de

een bepaalde bandbreedte te houden? Amerikaanse bank dat als koper of verkoper

optreden op de Amerikaanse markt?









Antwoord: ze kunnen interveniëren (zelf als

koper of verkoper optreden), of de rente Antwoord: koper, meer dollars vragen,

verhogen of verlagen. hogere vraag, koers dollar omhoog.







Vraag: Als de euro zwak stond ten opzichte Vraag: Leg uit wat het betekent voor Europa

van de Amerikaanse dollar, moest de ECB de als de euro is overgewaardeerd.

rente in Europa dan verlagen of verhogen?









Antwoord: rente verhogen, meer beleggers

naar Europa, vraag naar euro neemt toe, Antwoord: Buiten Europa kunnen we meer

koers euro omhoog. met 1 euro kopen dan in Europa zelf.







Vraag: Vraag:







Antwoord:

Antwoord:

Vraag: Leg het begrip ‘maximale Vraag: De bezettingsgraad is de mate waarin

productiecapaciteit’ uit. de productiecapaciteit wordt benut. Is dit

juist of onjuist?









Antwoord: De maximale productiecapaciteit

is de maximale hoeveelheid goederen en

diensten die een land kan voortbrengen. Antwoord: juist.







Vraag: Leg het verschil uit tussen Vraag: Wat houdt het capaciteitseffect bij

productinnovatie en procesinnovatie. investeringen in?









Antwoord: Productinnovatie is het

vernieuwen van producten. Procesinnovatie

is het vernieuwen van het proces waarin Antwoord: uitbreidingsinvesteringen leiden

producten worden vervaardigd. tot een vergroting van de productiecapaciteit.







Vraag: Hebben alle soorten investeringen Vraag: Geef de economische vergelijking voor

een capaciteitseffect? de uitgaven van gezinnen.









Antwoord: nee, vervangingsinvesteringen Antwoord: Y = C + B + S. Inkomen van de

leiden niet een vergroting van de maximale gezinnen gaat op aan Consumptie,

productiecapaciteit. Belastingen en Sparen.







Vraag: Als de spaarneiging van gezinnen Vraag: Als de spaarneiging van gezinnen

afneemt, is dit gunstig voor de economie op afneemt, is dit ongunstig voor de economie

korte termijn. Leg uit waarom. op lange termijn. Leg uit waarom.





Antwoord: Als gezinnen minder sparen, komt

er minder geld beschikbaar voor banken om

Antwoord: als gezinnen minder sparen, uit te lenen aan bedrijven voor investeringen.

geven ze meer uit. EV stijgt, productie stijgt, Geen extra investeringen, geen uitbreiding

werkgelegenheid stijgt, nationaal inkomen productiecapaciteit, geen extra

stijgt. werkgelegenheid. STILSTAND!

Vraag: Leg het bestedingseffect van Vraag: Noem de vijf factoren die de Effectieve

investeringen uit. Vraag bepalen.









Antwoord: Als bedrijven gaan investeren Antwoord: Consumptie,

vragen ze kapitaalgoederen = besteding = Overheidsbestedingen, Investeringen, Export

EV omhoog. en Import.







Vraag: Leg de term ‘onderbesteding’ uit. Vraag: Leg de term ‘overbesteding’ uit.









Antwoord: In een situatie van Antwoord: in een situatie van overbesteding

onderbesteding is de effectieve vraag kleiner is de effectieve vraag groter dan de

dan de productiecapaciteit. productiecapaciteit.







Vraag: Hoe noem je werkloosheid die je kunt Vraag: Hoe noem je de werkloosheid in een

bestrijden door de effectieve vraag te situatie dat de productiecapaciteit volledig is

verhogen? ingeschakeld?









Antwoord: Conjunctuurwerkloosheid. Antwoord: Structuurwerkloosheid







Vraag: ‘als de economische groei relatief Vraag: ‘Een langdurige depressie heet een

hoog is, spreken economen over een recessie.’ Juist of onjuist?

laagconjunctuur.’ Is dit juist of onjuist?









Antwoord: onjuist, er is sprake van een Antwoord: onjuist: een langdurige recessie

hoogconjunctuur. heet een depressie.

Vraag: Geef een omschrijving van het begrip Vraag: Geef een omschrijving van het begrip

‘particulier spaarsaldo’. ‘nationaal spaarsaldo’.









Antwoord: dit is het verschil tussen de Antwoord: Het nationaal spaarsaldo bestaat

gezinsbesparingen en de geleende uit het particulier spaarsaldo + het

investeringskredieten (S – I). begrotingssaldo. (S-I) + (B-O)







Vraag: Wat houdt de multiplier in? Vraag: Stel dat de mulitplier 4 is en de

overheid een stijging van het nationaal

inkomen wenst van 40 miljard. Hoeveel

miljard moet de overheid dan extra

besteden?

Antwoord: De multiplier is het getal dat

aangeeft in hoeverre één bestedingsimpuls

leidt tot de uiteindelijke productiestijging

(vermenigvuldigingsgetal x

bestedingsimpuls) Antwoord: 40 miljard / 4 = 10 miljard.







Vraag: Noem de twee onderdelen van het Vraag: Leg de klassieke economische theorie

anticyclisch begrotingsbeleid van Keynes. uit.









Antwoord: Antwoord: Deze theorie gaat uit van een

- Overheidsbestedingen verhogen of goed werkend marktmechanisme, die vanzelf

verlagen. de conjuncturele problemen oplost. (hoge

- Belastingen verlagen of verhogen. prijzen = weinig verkoop = lagere prijzen)







Vraag: In een laagconjunctuur laat een Vraag: Hoe wordt het beleid genoemd dat de

bepaalde overheid haar begrotingstekort overheid inzet om de productiecapaciteit te

verder oplopen. Is dit te scharen onder beïnvloeden?

Keynsiaans beleid?







Antwoord: Jazeker, er wordt blijkbaar meer

uitgegeven dan dat er binnenkomt in deze

laagconjunctuur. Dit is keynsiaans. Antwoord: structuurbeleid.

Vraag: Leg het verschil uit tussen welvaart in Vraag: Noem de drie functies van de

enge zin en welvaart in ruime zin. rijksoverheid.









Antwoord: Welvaart in enge zin is alleen

letten op iemands koopkracht. Welvaart in Antwoord: De drie functies zijn:

ruime zin betekent dat je naar méér kijkt - toedelingsfunctie

dan alleen inkomen (ook sociaal - stabilisatiefunctie

welbevinden). - (her)verdelingsfunctie







Vraag: Leg uit wat het marktmechanisme Vraag: Leg uit wat het budgetmechanisme

inhoudt. inhoudt.









Antwoord: vrij spel van vraag en aanbod van

en naar producten. Hierdoor produceren Antwoord: De overheid bepaalt de omvang en

producenten wat de markt vraagt en worden toedeling van productiefactoren die voor

productiefactoren daarvoor aangewend. bepaalde goederen worden aangewend.







Vraag: Noem een voorbeeld van een Vraag:

collectief goed.





Antwoord:









Antwoord: voorbeelden zijn:

Zeedijken, straatverlichting.







Vraag: Vraag:







Antwoord:

Antwoord:

Vraag: Noem de 4 functies van geld. Vraag: Omschrijf het begrip

‘Maatschappelijke geldhoeveelheid’.





Antwoord: De Maatschappelijke

geldhoeveelheid is al het chartale en girale

geld in omloop dat in handen is van het

Antwoord: De 4 functies van geld zijn publiek. Het publiek zijn alle huishoudingen

rekeneenheid, spaarmiddel, betaalmiddel en in een land m.u.v. de geldscheppende

ruilmiddel. instellingen.







Vraag: Noem twee geldscheppende Vraag: Noem twee bezwaren van ruil in

instellingen in Nederland. natura.





Antwoord: • Het wordt niet algemeen

aanvaard als betaalmiddel.

Antwoord: De geldscheppende instellingen • Is het wel waardevast, of is het

in Nederland zijn De Nederlandsche Bank, de bijvoorbeeld aan bederving onderhevig?

particuliere geldscheppende banken, zoals • Is het niet te onhandig, te groot?

de ABN AMRO en de ING en de • Is het wel waardevast, niet op korte

effectenkredietinstellingen. termijn een hoop geproduceerd, waarde ↓







Vraag: Waar hangt de hoeveelheid geld die Vraag: Waarom is chippen voor de winkelier

een bank contant in huis moet hebben goedkoper dan pinnen?

vanaf?





Antwoord: Omdat de winkelier voor pinnen

transactiekosten per transactie (betaling)

Antwoord: Dit hangt af van de omvang van betaalt en bij chippen alleen wanneer de

het saldo Rekening Courant tegoeden, electronische ‘portomonnee’ van de winkelier

oftewel het saldo op alle bankrekeningen die wordt ‘geleegd’ op de bankrekening van de

het publiek bij de bank heeft. winkelier.







Vraag: Wat is inflatie? Vraag: Wanneer spreken we van

kosteninflatie?









Antwoord:

• Stijging van het prijspeil, of Antwoord: We spreken van kosteninflatie als

• Toename in de kosten van het kostenstijgingen de oorzaak zijn van het

levensonderhoud. hogere prijspeil.

Vraag: Bereken met twee decimalen achter Vraag: In welke ‘coupures’ verschijnt de

de komma de reële rente over een jaar als bij EURO?

een inflatie van 2% in dat jaar, de rente over

jouw spaartegoed 5% bedraagt.







Antwoord: indexcijfer reële rente: Antwoord: De EURO verschijnt in coupures

105/102 *100 = 102,94. van 5 euro, 10 euro, 20 euro, 50 euro, 100

Dit wil zeggen dat de reële rente 2,94% is. euro, 200 euro en 500 euro.







Vraag: Omschrijf het begrip ‘intrinsieke Vraag: Was in de tijd van de

waarde’. goudenmuntenstandaard de intrinsieke

waarde van de munten in omloop gelijk of

niet gelijk aan de nominale waarde?







Antwoord: De munten die in omloop waren

ten tijde van de goudenmuntenstandaard

Antwoord: Intrinsieke waarde is de waren van goud. De intrinsieke waarde was

materiaalwaarde van het geld. gelijk aan de nominale waarde.







Vraag: Waarom staat er in de rand van onze Vraag: Hoe kan een particuliere

munten een inscriptie? geldscheppende bank door kredietverlening

Antwoord: Dit stamt uit de tijd dat de in problemen komen?

nominale waarde van munten gelijk was aan

de intrinsieke waarde. Sommigen schraapten

van de rand van de munten een stukje edel

metaal (goud, zilver, koper) af. Al deze

randjes waren genoeg om nieuwe munten te Antwoord: Door te weinig liquide middelen

slaan. Om dit te voorkomen werden de aan te houden om aan het opvragen van

randen van een inscriptie voorzien. contant geld te voldoen.







Vraag: Welke landen vormen momenteel de Vraag: Wat wordt verstaan onder directe ruil?

Eurozone?









Antwoord: Spanje, Portugal, Frankrijk,

Griekenland, Nederland, België, Duitsland, Antwoord: Dit is ruil zonder tussenkomst van

Finland, Oostenrijk, Italië, Ierland. geld.

Vraag: Noem een voorbeeld van een Vraag: In welke vorm was de Euro al vóór

transactie waarbij geld wordt gebruikt als 2002 als ruilmiddel in gebruik?

betaalmiddel, maar niet als ruilmiddel.





Antwoord: Geld wordt gebruikt als

betaalmiddel, maar niet als ruilmiddel, bij

een betaling ‘om niet’, d.w.z. er staat geen

tegenprestatie tegenover, bijvoorbeeld een Antwoord: De Euro was al vóór 2002 in girale

gift aan een goed doel. vorm als ruilmiddel in gebruik.







Vraag: Hoe maken banken geld? Vraag: “De post ‘Crediteuren in rekening

Antwoord: • Door tegoeden te verlenen courant’ behoort tot de Activa van een bank.”

aan mensen die niets gestort hebben bij de Dit is waar of niet waar?

banken, of: door krediet te verlenen ‘uit het

niets’. • Door transformatie: omzetten

van ‘niet-geld’ in geld. ‘Niet-geld’ is alle

geld dat niet tot de Maatschappelijke Antwoord: Dit is niet waar. De post

geldhoeveelheid wordt gerekend, ‘Crediteuren in rekening courant’ behoort tot

bijvoorbeeld vreemde valuta (Dollars, Yen) of de Passiva. Het staat voor de verplichting die

een spaartegoed. de bank jegens haar rekeninghouders heeft.







Vraag: “De post ‘Crediteuren in rekening Vraag: Als je naar Groot Brittanië op vakantie

courant’ kom je zowel bij een gaat en Euro omwisselt tegen Britse ponden

geldscheppende bank als bij een is er dan sprake van geldvernietiging?

kredietverlenende niet-geldscheppende

bank tegen.” Is dit waar of niet waar?

Antwoord: Dit is niet waar. De post

‘Crediteuren in rekening courant’ kom je Antwoord: Er is sprake van geldvernietiging

alleen bij een geldscheppende bank tegen. als Euro worden omgewisseld tegen Britse

Bij een niet-geldscheppende bank kun je ponden. De chartale geldhoeveelheid wordt

geen lopende rekening aanhouden. kleiner.







Vraag: Waar bestaat de binnenlandse Vraag: Geef een voorbeeld van ‘niet-geld’ dat

liquiditeitenmassa uit? tot de secundaire liquiditeitenmassa wordt

gerekend.

Antwoord: De binnenlandse liquiditeiten-

massa bestaat uit de primaire liquiditeiten-

massa, d.i. de Maatschappelijke geldhoe-

veelheid en de secundaire liquiditeiten- Antwoord: Voorbeelden zijn:

massa, dit zijn de kortlopende vorderingen • Korte spaartegoeden

van het publiek op de primaire banken die • Termijndeposito’s

gemakkelijk in geld om te zetten zijn. • Korte valutategoeden

Vraag: Wat is het verschil tussen een Vraag: Waar bestaan de loonkosten van een

Centraal Akkoord en een Centrale Arbeids werkgever uit?

Overeenkomst?

Antwoord: Het Centraal Akkoord zijn

richtlijnen voor de onderhandelingen over

arbeidsvoorwaarden. Een CAO is een

overeenkomst over arbeidsvoorwaarden.

Het Centraal Akkoord geldt over alle Antwoord: De loonkosten van een werkgever

bedrijfstakken heen. Een CAO is specifiek bestaan uit het brutoloon en uit het

voor een bedrijfstak of een bedrijf. werkgeversaandeel in de sociale premies.







Vraag: Wat is de ‘wig’? Vraag: Noem 4 vormen van werkloosheid.









Antwoord: 4 vormen van werkloosheid:

Antwoord: De wig is het verschil tussen de • Frictiewerkloosheid

loonkosten van de werkgever en het netto • Seizoenswerkloosheid

loon, of het geheel wat van de vergoeding • Conjuncturele werkloosheid

voor werk naar de overheid afvloeit. • Structurele werkloosheid







Vraag: Wat is frictiewerkloosheid? Vraag: Wat is seizoenswerkloosheid?







Antwoord: Frictiewerkloosheid is Antwoord: Seizoenswerkloosheid is

werkloosheid ten gevolge van een traag werkloosheid ten gevolge van

werkende arbeidsmarkt. Deze werkloosheid seizoensovergangen. Deze werkloosheid

wordt veroorzaakt doordat mensen niet wordt veroorzaakt doordat bepaalde

meteen een baan vinden nadat ze werkloos werkzaamheden seizoensgebonden zijn en

geraakt zijn. hier buiten het seizoen geen werk in is.







Vraag: Wat is de oorzaak van Conjuncturele Vraag: Noem 2 vormen van structurele

werkloosheid? werkloosheid?









Antwoord: De oorzaak van Conjuncturele Antwoord: 2 vormen van structurele

werkloosheid is onderbezetting van de werkloosheid:

beschikbare productiecapaciteit door een • Kwantitatieve werkloosheid

daling van de effectieve vraag. • Kwalitatieve werkloosheid

Vraag: Wat is het verschil tussen Vraag: Wie zijn vragers op de arbeidsmarkt?

kwantitatieve en kwalitatieve structurele

werkloosheid?

Antwoord: Kwantitatieve werkloosheid:

omvang van de productiecapaciteit

onvoldoende groot om hele beroepsbe-

volking aan het werk te hebben. Kwalitatieve

werkloosheid: het niet werkzame deel v/d

beroepsbevolking heeft onvoldoende Antwoord: Vragers op de arbeidsmarkt zijn

kwaliteiten om vacatures in te vullen. de werkgevers.







Vraag: Wie zijn aanbieders op de Vraag: Omschrijf het begrip

arbeidsmarkt? ‘beroepsbevolking’.









Antwoord: De beroepsbevolking zijn alle

inwoners van Nederland tussen de 15 en 65

Antwoord: Aanbieders op de arbeidsmarkt jaar, die langer dan 12 uur per week werken

zijn de werknemers. of willen werken.







Vraag: Omschrijf het begrip ‘potentiële Vraag: Als de participatiegraad 72% en de

beroepsbevolking’. beroepsbevolking is 7,2 miljoen, hoe groot is

de potentiële beroepsbevolking dan?









Antwoord: Als de participatiegraad 72% en de

Antwoord: De potentiële beroepsbevolking beroepsbevolking is 7,2 miljoen, dan is de

zijn alle inwoners van Nederland tussen de potentiële beroepsbevolking 7,2 miljoen / 72

15 en 65 jaar. * 100% = 10 miljoen.







Vraag: Hoe bereken je de loonquote? Vraag: Noem de 4 productiefactoren.









Antwoord: De loonquote bereken je door het

aandeel van de lonen in het nationaal Antwoord: De vier productiefactoren zijn:

inkomen te berekenen. (lonen / nationaal arbeid, natuur, kapitaal en

inkomen * 100%). ondernemingschap.

Vraag: “Het arbeidsinkomen is inclusief het Vraag: Wat is het verschil tussen nominaal

loon dat aan zelfstandige ondernemers loon en reëel loon?

wordt toegerekend.” Is dit waar of niet waar?









Antwoord: Nominaal loon is het loon dat een

werknemer in z’n hand krijgt en reëel loon is

Antwoord: waar de koopkracht van dat geld.







Vraag: Hoe bereken je op basis van het Vraag: Het indexcijfer van het nominale loon

nominale loon het reële loon? is 108, het prijsindexcijfer is 110, wat is het

indexcijfer van het reële loon?









Antwoord: Het indexcijfer van het reële loon

Antwoord: Nominale loon / = Indexcijfer nominale loon / Prijsindexcijfer

Consumentenprijsindex * 100. * 100: 108/110 * 100 = 98,18







Vraag: In basisjaar 2000 was het gemiddelde Vraag: Welke gegevens heb je nodig voor het

nominale loon 30.000,-. Het indexcijfer van berekenen van de winstquote?

het nominale loon in 2003 is 106,5. Wat was

het gemiddelde nominale loon in 2003?









Antwoord: Het gemiddelde nominale loon is

sinds het basisjaar gestegen met 6,5%: Antwoord: De winst en het nationaal inkomen

30.000 * 1,065 = 31.950,-. in het beschouwde tijdsbestek.







Vraag: Hoe bereken je de Vraag: Als de arbeidsproductiviteit is

arbeidsproductiviteit? toegenomen met 1,5% en de productie met

2,75%, met hoeveel procent is de

werkgelegenheid dan toegenomen?

Antwoord: Als de arbeidsproductiviteit is

toegenomen met 1,5% en de productie met

Antwoord: De arbeidsproductiviteit bereken 2,75%, dan is het indexcijfer van de

je door de productie in een bepaalde periode werkgelegenheid 102,75 / 101,5 *100 =

te delen door het aantal arbeidsjaren in 101,23 en is de werkgelegenheid met 1,23%

dezelfde periode. toegenomen.

Vraag: “De arbeidstijd is een voorbeeld van Vraag: “De pensioenregeling en het loon zijn

een primaire arbeidsvoorwaarde.” Is dit waar beide voorbeelden van een primaire

of niet waar? arbeidsvoorwaarde.” Is dit waar of niet waar?









Antwoord: De pensioenregeling is een

secundaire arbeidsvoorwaarde. Dit is niet

Antwoord: waar waar.







Vraag: Wordt zwart werk tot de formele of Vraag: “Vrijwilligerswerk wordt tot de formele

informele sector gerekend? sector gerekend.” Is dit waar of niet waar? Dit

is niet waar. Vrijwilligerswerk wordt tot de

informele sector gerekend.









Antwoord: Zwart werk wordt tot de informele Antwoord: Dit is niet waar. Vrijwilligerswerk

sector gerekend. wordt tot de informele sector gerekend.







Vraag: De loonkosten bedragen 70.600,-, “ Als de Lorenz-curve samenvalt met de

het werknemersaandeel in de sociale diagonaal in de grafiek, dan wil dat zeggen

premies bedraagt 6.400,- en is 40%. Hoe dat iedereen hetzelfde inkomen heeft.” Is dit

hoog is het bruto loon? waar of niet waar?





Antwoord: Hiervoor moet je eerst het Antwoord: Dit is niet waar. Als de Lorenz-

werkgeversaandeel in de sociale premies curve samenvalt met de diagonaal dan is de

berekenen: 6.400 / 40 * 100 = 16.000 – inkomensverdeling gelijk. Er kunnen toch

6.400 = 9.600,-.. Bruto loon is 70.600 – inkomensverschillen zijn door verschillen in

9.600 = 61.000,-. het aantal uur dat mensen werken.







Vraag: “Het overleg over een centraal Vraag: Noem een indirecte belasting. I

akkoord vindt plaats in de Sociaal

Economische Raad (SER).” Is dit waar of niet

waar?









Antwoord: Dit is niet waar. Het overleg over Antwoord: indirecte belastingen zijn

een centraal akkoord vindt plaats in de kostprijsverhogende belastingen zoals BTW,

Stichting van de Arbeid. BPM, accijnzen en invoerheffingen.

Vraag: Noem een directe belasting. Vraag: Geef een voorbeeld van een

overdrachtsinkomen.







Antwoord: Directe belastingen zijn

belastingen op inkomsten, winst en

vermogen. Voorbeelden zijn Antwoord: Overdrachtsinkomen: subsidies,

Vennootschapsbelasting en uitkeringen. Bijvoorbeeld de

Inkomstenbelasting (Vermogen wordt in box werkloosheidsuitkering, de bijstanduitkering

3 belast). of huursubsidie.







Vraag: Geef een voorbeeld van een sociale Vraag: Geef een voorbeeld van een sociale

zekerheidswet die volgens het omslagstelsel zekerheidswet die volgens het

wordt gefinancierd. kapitaaldekkingsstelsel wordt gefinancierd.







Antwoord: Een voorbeeld van een sociale

Antwoord: Een voorbeeld van een sociale zekerheidswet die volgens het

zekerheidswet die volgens het omslagstelsel kapitaaldekkingsstelsel wordt gefinancierd

wordt gefinancierd is de AOW. zijn de WW, WAO.







Vraag: Vraag:









Antwoord: Antwoord:









Vraag: Vraag:









Antwoord: Antwoord:

Vraag: Vraag:







Antwoord: Antwoord:









Vraag: Vraag:







Antwoord: Antwoord:









Vraag: Vraag:







Antwoord: Antwoord:









Vraag: Vraag:







Antwoord: Antwoord:

ECONOMIE-TRIVIANT





BLAUW Consument en Producent

GEEL Bank- en geldwezen

ROZE Arbeidsmarkt en Sociale Zekerheid

GROEN Betalingsbalans en Wisselkoersbeleid

BRUIN Europese integratie

ORANJE Economische kringloop


Related docs
Other docs by HC111126122954
Social Studies Standards
Views: 0  |  Downloads: 0
Les Paradis fiscaux
Views: 2  |  Downloads: 0
CURRICULUM VITAE
Views: 0  |  Downloads: 0
Speech Griffier GPB budgethouderschap
Views: 1  |  Downloads: 0
Pr�sentation PowerPoint
Views: 2  |  Downloads: 0
ETUDE D� UN SYSTEME HYDRAULIQUE
Views: 14  |  Downloads: 0
Bionet Monthly Bulletin-December 2003
Views: 0  |  Downloads: 0
Estructura del Sistema Financiero Mexicano
Views: 90  |  Downloads: 1
By registering with docstoc.com you agree to our
privacy policy

You are almost ready to download!

You are almost ready to download!