Hoofdstuk 1: Vreemdelingen by OtJb0T0V

VIEWS: 83 PAGES: 115

									Woord vooraf

Het tot stand brengen van dit eindwerk heeft veel tijd en energie gevraagd. Daarom zou ik
een aantal mensen willen bedanken die me hierbij geholpen hebben. Zonder hun hulp en
steun zou dit eindwerk niet geworden zijn wat het nu is.

Eerst en vooral zou ik de Heer René Van Echelpoel, hoofdsecretaris van het
Arbeidsauditoraat te Turnhout, willen bedanken voor de informatie voor dit eindwerk en
de boeiende stage die ik daar beleefd heb.

Verder dank ik ook de personeelsleden van het Auditoraat voor de leuke tijd die ik met hen
heb meegemaakt. Zij waren altijd vriendelijk en bereid mij te helpen. Hierbij denk ik
vooral aan Chris Dedecker die altijd klaarstond met een oppeppend woord en bereid was
dit werkstuk enkele malen na te lezen. Mijnheer de arbeidsauditeur, Johan Gielen en
mijnheer de Ere-arbeidsauditeur, Erik Teughels, zou ik ook een woord van dank willen
geven voor hun advies en informatie. Natuurlijk vergeten we Polleke, Kathleen , Mieke,
Rith, Patrick en Greet niet die altijd daar waren om me te steunen en me even op andere
gedachten te brengen als ik het even niet meer zag zitten.

Vervolgens dank ik mijn stagementor, mevrouw Patricia Keldermans, docente aan de
Katholieke Hogeschool Kempen, voor de raad en begeleiding die zij mij geboden heeft bij
het schrijven van dit eindwerk.

Wie ik ook zou willen bedanken zijn de docenten van de Katholieke Hogeschool Kempen
die mij gedurende 4 jaar begeleid hebben bij het verwezenlijken van mijn studie.

Ten laatste wil ik ook mijn ouders bedanken voor de kansen en de steun die ze mij
geboden hebben om verder te studeren. Zonder hun steun en geduld zou ik hier nooit
gestaan hebben.

Bedank allemaal!
Samenvatting

Toen ik op mijn stage te weten kwam dat hier dossiers werden behandeld over
vreemdelingen en de problematiek rond hun steunverlening, wou ik over dit onderwerp
wel wat meer weten. Wat is nu een betere manier om iets te bestuderen dan er een
eindwerk over maken. Sinds er enkele jaren geleden in het dorp waar ik geboren en
getogen ben een asielcentrum is gekomen, ben ik altijd al nieuwsgierig geweest naar het
reilen en zeilen van de steunverlening aan deze mensen. Waar hebben ze recht op en
waarom krijgt de ene financiële steun en de andere niet? Dit waren de grote vragen die
door mijn hoofd spookten, maar deze zijn nu opgelost.

Mijn eindwerk is opgebouwd in 7 hoofdstukken.

In het eerste hoofdstuk probeer ik te vertellen wie nu juist de vreemdelingen zijn en
waarom de ene vreemdeling de andere niet is. Ik tracht ook een beeld te schetsen van de
Dienst Vreemdelingenzaken en de taak van deze dienst.

In het volgende hoofdstuk bespreek ik het centrum dat de maatschappelijke dienstverlening
toekent, namelijk OCMW.

Hoofdstuk drie is voorbehouden voor de toelichting van de maatschappelijke
dienstverlening zelf. Wie heeft er recht op en wie niet? Dat is een belangrijke vraag die ik
in dit hoofdstuk bespreek.

Het vierde hoofdstuk draait helemaal rond wetgeving. Welke wetten zijn er van toepassing
op deze materie? Een antwoord op deze vraag krijgt u in dit hoofdstuk.

Er zijn al vele prejudiciële vragen gesteld over de toekenning van maatschappelijke
dienstverlening aan vreemdeling en de OCMW-Wet aan het Arbitragehof. In hoofdstuk
vijf komt u er enkele van te weten.

In nummer zes worden enkele vonnissen aangehaald die handelen over de steun die aan
vreemdelingen wordt toegekend. Zo krijg je een beter beeld van waar het allemaal om
draait.

Het laatste hoofdstuk, maar daarom niet het minst belangrijke, probeer ik zelf voor rechter
te spelen, ik los een casus op dat handelt over dit onderwerp en probeer zo een duidelijk
mogelijk beeld te scheppen van hoe het er praktisch aan toe gaat bij de beoordeling van de
vraag of er steun toegekend kan worden of niet.
Inhoudsopgave

WOORD VOORAF ............................................................................................................. 2

SAMENVATTING .............................................................................................................. 3

INHOUDSOPGAVE ........................................................................................................... 4

INLEIDING ......................................................................................................................... 8

HOOFDSTUK 1: VREEMDELINGEN ............................................................................ 9

1.1:        Wie zijn vreemdelingen ......................................................................................... 9

1.2: Waarom een indeling maken van verschillende categorieën vreemdelingen ....... 9

1.3: Terminologie van de verschillende categorieën vreemdelingen .......................... 10
  1.3.1: Etnisch-culturele minderheden ........................................................................... 10
  1.3.2: Migrant ................................................................................................................ 10
  1.3.3: Allochtonen ......................................................................................................... 10
  1.3.4: Vreemdeling........................................................................................................ 11
  1.3.5: Vluchteling.......................................................................................................... 11
  1.3.6: Kandidaat-vluchteling ......................................................................................... 12
  1.3.7: Staatloze .............................................................................................................. 12
  1.3.8: Ontheemden ........................................................................................................ 12
  1.3.9: De gezinshereniger ............................................................................................. 13
  1.3.10: De gezinsvormer 7 ................................................................................................ 13
  1.3.11: Nieuwkomers ....................................................................................................... 13
  1.3.12: Mensen met een precair verblijf ........................................................................... 13
  1.3.13: Mensen zonder wettig verblijf ............................................................................. 14
  1.3.14: Vreemdelingen die op het grondgebied gedoogd worden.................................... 15

1.4: De Dienst Vreemdelingenzaken .............................................................................. 16
  1.4.1: Algemeen ............................................................................................................ 16
  1.4.2: De taken van de Dienst Vreemdelingenzaken .................................................... 16

1.5: De inschrijving van vreemdelingen ........................................................................ 17
  1.5.1: Kort verblijf ........................................................................................................ 18
  1.5.2: Lang verblijf ....................................................................................................... 18
  1.5.3: Vestiging ............................................................................................................. 19
  1.5.4: De registers ......................................................................................................... 19
  1.5.5: Het attest bijlage 15 ............................................................................................ 19

1.6:    Rechtsmiddelen voor de vreemdeling ................................................................. 20
  1.6.1: Het verzoek tot herziening .................................................................................. 20
  1.6.2: Het verzoek tot opheffing van bepaalde veiligheidsmaatregelen ....................... 20
  1.6.3: Beroep tot nietigverklaring ................................................................................. 21
  1.6.4: Beroep bij de rechterlijke macht ......................................................................... 21
  1.6.5: Het dringend beroep ............................................................................................ 21
                                                                                                                                     5


HOOFDSTUK 2: OCMW ................................................................................................ 22

2.1:        Het ontstaan van het OCMW .............................................................................. 22

2.2:        De taak van het OCMW ...................................................................................... 23

2.3:        Maatschappelijke integratie ................................................................................ 24

2.4:        Maatschappelijke dienstverlening ...................................................................... 25

2.5:     De territoriale bevoegdheid van het OCMW ..................................................... 25
  2.5.1: Welk centrum is bevoegd om bijstand te verlenen? .......................................... 25
     2.5.1.1: Het centrum van de plaats waar de persoon zich bevindt ........................... 25
     2.5.1.2 Bijzondere gevallen ...................................................................................... 26

HOOFDSTUK 3: MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING ........................... 28

3.1:        Algemeen ............................................................................................................... 28

3.2:     Toekenningsvoorwaarden ................................................................................... 28
  3.2.1: Het verblijf .......................................................................................................... 28
  3.2.2: De leeftijd ........................................................................................................... 29
  3.2.3: De nationaliteit .................................................................................................... 30
     3.2.3.1: De ten laste genomen vreemdeling .............................................................. 30
     3.2.3.2: De vreemdeling-student ............................................................................... 30
     3.2.3.3: De vreemdeling die erkend werd als vluchteling ......................................... 30
     3.2.3.4: De vreemdeling aan wie een verplichte plaats van inschrijving werd
              opgelegd ....................................................................................................... 31
     3.2.3.5: De kandidaat-geregulariseerde volgens artikel 9 van de Wet van 15
              december 1980 ............................................................................................. 31
     3.2.3.6: De kandidaat-geregulariseerde volgens de Wet van 22 december 1999 ...... 31
     3.2.3.7: De geregulariseerde vreemdeling ................................................................. 32
     3.2.3.8: De vreemdeling die hier onwettig verblijft .................................................. 32
     3.2.3.9: De staatloze .................................................................................................. 32
  3.2.4: Het verzuim van eerbied voor de menselijke waardigheid ................................. 33
     3.2.4.1: Het begrip menselijke waardigheid .............................................................. 33
     3.2.4.2: De staat van behoeftigheid ........................................................................... 33
     3.2.4.3: De bijzondere moeilijkheden ....................................................................... 33
     3.2.4.4: Het bewijs ..................................................................................................... 33
     3.2.4.5: De bijstandzoeker is zelf verantwoordelijk voor zijn staat van behoeftigheid
              ...................................................................................................................... 33
     3.2.4.6: De meest geschikte steun ............................................................................. 34
  3.2.5: De werkbereidheid .............................................................................................. 34
     3.2.5.1: Een facultatieve voorwaarde ........................................................................ 34
     3.2.5.2: Vrijgesteld van bewijs .................................................................................. 34

3.3:        Bevel om het grondgebied te verlaten ................................................................ 35

3.4:        Dringende medische hulp .................................................................................... 36
                                                                                                                                     6


3.5: De gerechtelijke procedure voor maatschappelijke dienstverlening .................. 37
  3.5.1: Bevoegdheid van de rechtbank .............................................................................. 37
    3.5.1.1: Territoriale bevoegdheid .............................................................................. 37
    3.5.1.2: Materiële bevoegdheid ................................................................................. 37
  3.5.2: Het inleiden van de vordering ................................................................................ 38
    3.5.2.1: Het voorwerp van de vordering .................................................................... 38
    3.5.2.2: De indiener van de vordering ....................................................................... 38
    3.5.2.3: De termijn ..................................................................................................... 38
    3.5.2.4: De vorm ........................................................................................................ 39
  3.5.4: De behandeling....................................................................................................... 39
    3.5.4.1: De vertegenwoordiging van de partijen ....................................................... 39
    3.5.4.2: De devolutieve werking ............................................................................... 39
    3.5.4.2: De wijziging van de eis in de loop van het geding....................................... 40
    3.5.4.4: De voorlopige uitspraak ............................................................................... 40
    3.5.4.5: Het advies van het Auditoraat ...................................................................... 41
    3.5.4.6: Verstek van de eiser ..................................................................................... 41
    3.5.4.7: Samenhang der vorderingen ......................................................................... 41
  3.5.5: Het vonnis .............................................................................................................. 41
    3.5.5.1: Voorlopige uitvoerbaarheid.......................................................................... 41
    3.5.5.2: De kosten ...................................................................................................... 42
    3.5.5.3: Afstand van het geding en gebrek aan belang .............................................. 42
    3.5.5.4: De motivering van het vonnis ...................................................................... 42
    3.5.5.5: De verwijlintresten ....................................................................................... 43

HOOFDSTUK 4: WETGEVING WAAROP DE RECHTSPRAAK ZICH BASEERT
INZAKE DIENSTVERLENING AAN VREEMDELINGEN ...................................... 44

4.1: De OCMW-Wet van 5 juli 1978 ................................................................................ 44
  4.1.1: Artikel 1 ................................................................................................................ 44
  4.1.2: Artikel 57 ............................................................................................................... 44
  4.1.3: Artikel 71 ............................................................................................................... 45

4.2: De Wet van 15 december 1980 ................................................................................. 46
  4.2.1: Artikel 1 ................................................................................................................. 46
  4.2.2: Artikel 9 ................................................................................................................. 46
  4.2.3: Artikels 62 tot en met 74 ........................................................................................ 46

4.4: Het Koninklijk Besluit van 12 december 1996 ........................................................ 46

4.5: Ministeriële omzendbrief van 11 februari 2002 ...................................................... 46

4.6: Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens ............................................. 47
  4.5.1: Artikel 3 ................................................................................................................. 47
  4.5.2: Artikel 8 ................................................................................................................. 47
  4.5.3: Artikel 13 ............................................................................................................... 47

4.6: Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind ................................. 47
                                                                                                                                     7


HOOFDSTUK 5: PREJUDICIËLE VRAGEN IN VERBAND MET
MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING AAN VREEMDELINGEN ........... 49

5.1: Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof 30 oktober 2001 ................... 49

5.2:        Samenvatting van het arrest van het arbitragehof van 17 januari 2002......... 49

5.3:        Samenvatting van het arrest van het arbitragehof van 13 maart 2002 ........... 50

5.4:        Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2002 ................ 50

5.5:        Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003............... 50

HOOFDSTUK 6: ENKELE VONNISSEN ..................................................................... 51

6.1:        Arbeidsrechtbank te Tongeren (04|01|2002) ...................................................... 51

6.2:        Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen (20|03|2002) ........................... 51

6.3:        Arbeidsrechtbank te Tongeren (05|04|2002) ...................................................... 51

6.4:        Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge (07|11|2002)............................................. 52

6.5:        Arbeidsrechtbank te Brugge (11|12|2002) .......................................................... 52

6.6:        Arbeidsrechtbank te Oudenaarde (03|02|2003) ................................................. 52

HOOFDSTUK 7: EEN CASUS ........................................................................................ 54

7.1:        Algemene schets van de feiten ............................................................................. 54

7.2:        Standpunt van de bijstandszoeker ...................................................................... 54

7.3:    Standpunt van het OCMW.................................................................................. 55
  7.3.1: Over de moeder ................................................................................................... 55
  7.3.2: Over de dochter ................................................................................................... 55

7.4:        Mijn oordeel over deze zaak ................................................................................ 55

BESLUIT ............................................................................................................................ 57

BIJLAGEN ......................................................................................................................... 58

LITERATUURLIJST ..................................................................................................... 114
                                                                                         8


Inleiding

Gedurende 12 weken, van 8 maart tot en met 28 mei 2004, heb ik de gelegenheid gekregen
stage te lopen bij het Arbeidsauditoraat te Turnhout.
Een arbeidsauditoraat kan je het best beschrijven als het parket van de Arbeidsrechtbank,
het is opgedeeld in 2 kamers, namelijk de burgerlijke kamer en de correctionele kamer.

De burgerlijke kamer, waar ik gedurende mijn stage heb gewerkt, behandeld ,onder
andere, vorderingen tegen het OCMW met betrekking tot de maatschappelijke
dienstverlening aan vreemdelingen. Deze materie interesseerde me wel aangezien er enkele
jaren geleden in het dorp waar ik woonachtig ben een asielcentrum is geopend.

Ik stelde mij de vraag wat maatschappelijke dienstverlening aan vreemdelingen was, wie er
recht op heeft en waarom.

Dit eindwerk was een mooie gelegenheid om te proberen de vragen die ik hieromtrent had
op te lossen.
                                                                                                          9


HOOFDSTUK 1: VREEMDELINGEN

1.1: Wie zijn vreemdelingen

Simpel uitgelegd zijn alle personen die de Belgische nationaliteit niet hebben
vreemdelingen.

Volgens artikel 1 van de Vreemdelingenwet1 word je als vreemdeling beschouwd als je
geen bewijs hebt dat je de Belgische nationaliteit bezit. Zolang je dit bewijs niet kan
voorleggen word je als vreemdeling beschouwd. De normaalste manier om je nationaliteit
te bewijzen is natuurlijk het voorleggen van een Belgische identiteitskaart of een Belgische
paspoort. Een Belgisch rijbewijs, een lidboekje van een mutualiteit, enz.. leveren geen
enkel bewijs van de Belgische nationaliteit. Deze documenten worden immers ook aan
vreemdelingen afgeleverd. Dat je deze documenten bezit toont wel aan dat je reeds een
langere periode in België verblijft.

De akkoorden van Schengen geven een andere definitie aan het begrip vreemdeling,
namelijk: "Een vreemdeling is een persoon die gaan onderdaan is van 1 van de lidstaten
van de Europese gemeenschap".

Beide definities moeten in hun juiste context gebruikt worden.

1.2: Waarom een indeling maken van verschillende categorieën vreemdelingen

Om verschillende redenen worden in onze maatschappij mensen ingedeeld in bepaalde
categorieën volgens hun afkomst.

Een eerste belangrijke reden is de juridische. Benamingen als 'vluchteling' en
'vreemdeling' komen overeen met een juridisch statuut dat de betrokkene bepaalde rechten
en beperkingen geeft. Het officieel toekennen van een statuut kan een persoon ook
bescherming geven, zoals in het geval van vluchtelingen.

Een tweede reden kan men een 'politiek administratieve' reden noemen. Om verschillende
redenen vinden lokale en nationale overheden het belangrijk om inzicht te hebben in de
samenstelling van de bevolking volgens afkomst. Hier is het in heel wat gevallen heel wat
minder duidelijk waarom categorieën nodig zijn en worden termen vaak in verschillende
betekenissen gebruikt. Dit leidt ertoe dat begrippen een belangrijke emotionele lading
krijgen en je discussie krijgt over de 'politieke correctheid' van bepaalde termen.

Last but not least worden vreemdelingen ook in 'etnische' categorieën verdeeld. Deze
categorieën worden regelmatig gebruikt in de hulpverlening en in maatschappelijke
voorzieningen. Hier spreken ze meestal van doelgroepen en subdoelgroepen. Ook in de
gezondheidszorg en de gezondheidspromotie is het een regelmatig gebruikt uitgangspunt
dat programma's op maat van de (sub)doelgroep moeten worden gemaakt en dat we
rekening moeten houden met de culturele diversiteit en specifieke behoeften van deze
groepen. Een voorbeeld hiervan is de preventie van HIV en aids. We moeten rekening
houden met de specifieke normen en waarden omtrent seksualiteit van de doelgroep of
subdoelgroep.


1
 Art.1 Wet 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen, B.S 31 december 1980
                                                                                                    10


We mogen echter de risico's niet vergeten die we nemen bij het gebruik van zulke
categorieën. Het toekennen van een bepaald 'etiket' kan ertoe leiden dat de persoon in de
eerste plaats als 'migrant' of 'allochtoon' gezien wordt, en dus 1 wordt met iets wat maar 1
aspect van zijn of haar persoon is. Terwijl individuen natuurlijk veel meer eigenschappen
hebben die veel belangrijker zijn voor deze personen zelf. Iemand zal zichzelf misschien
eerder als 'vader', 'werkman' of 'goed persoon' zien dan 'migrant'.

1.3: Terminologie van de verschillende categorieën vreemdelingen

U zal bij deze uitleg van de termen merken dat een vreemdeling meestal in meer dan 1
categorie ingedeeld kan worden. Dit zijn niet alleen de termen gebruikt in de juridische
wereld, maar ook de termen gebruikt door vb. de OCMW's, de overheden, e.a..

1.3.1: Etnisch-culturele minderheden2

Dit is het geheel van de allochtonen, de vluchtelingen, de woonwagenbewoners en de niet
tot hiervoor genoemde groepen behorende vreemdelingen die zich in België bevinden
zonder wettig verblijfstatuut en die door hun noodsituatie opvang of bijstand vragen.

1.3.2: Migrant3

Iemand die zijn vertrouwde omgeving verlaat om zich elders, dikwijls in een ander land, te
vestigen. Dit kan definitief zijn, of ten miste voor een langere tijd.

1.3.3: Allochtonen2

Dit zijn personen die zich legaal in België bevinden en aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Het maakt niet uit of ze al dan niet de Belgische nationaliteit hebben.
De voorwaarden voor deze mensen zijn dat minstens 1 van hun ouders of grootouders niet
in België is geboren en dat deze personen zich in een achterstandspositie bevinden door
hun etnische afkomst of hun zwakke sociaal-economische situatie.
Rekeninghoudend dat deze begripsomschrijving uit het Vlaams Minderhedendecreet komt
en een bepaald doel heeft, is de achterstandspositie of zwakke sociaal-economische situatie
een aanvulling.

Een andere uitleg3 voor allochtoon die beter bekend is, is dat iedere persoon die van niet-
Belgische afkomst is en in België verblijft een allochtoon is. Het begrip allochtoon is het
tegenovergestelde van het begrip autochtoon. Een autochtoon is een persoon van
Belgische afkomst die in België verblijft.




2
 Het Vlaams Minderhedendecreet zoals op 28 april 1998 aangenomen door het Vlaams Parlement
3
 G. Van Geertruyen, „snelwegen of wegblokkades?, Woordgebruik in het migrantendebat, Gent, Provinciaal
Centrum voor Interculturele Vorming, 1999
                                                                                                           11


1.3.4: Vreemdeling4

Voor dit begrip is er meer dan 1 uitleg.
Volgens de Vreemdelingenwet wordt het begrip 'vreemdeling' omschreven als iedereen die
het bewijs niet levert dat hij de Belgische nationaliteit bezit.
Een andere definitie voor ' vreemdeling' kan je vinden in het Schengen-akkoord. Hierin
wordt bepaald dat je een vreemdeling bent als je geen onderdaan bent van 1 van de
lidstaten van de Europese Gemeenschap.
Een derde verklaring voor 'vreemdeling' is 'iemand die van elders komt'.

1.3.5: Vluchteling5

Dikwijls spreken ze over 'politieke' vluchtelingen die in hun eigen land vervolgd worden
en hierdoor recht hebben op een bijzondere bescherming. Ze spreken ook over
'economische' vluchtelingen. Dit zijn mensen die niet vervolgd worden in hun eigen land,
maar toch naar Westerse landen komen in de hoop daar werk en een beter bestaan te
vinden.
Je kan de termen 'politieke' en 'economische' vluchtelingen niet terugvinden in de
wetgeving. In de wetgeving wordt er alleen gesproken over 'vluchtelingen', hier bedoelen
ze de vluchtelingen die in de omgangstaal beter bekend zijn als de 'politieke' vluchtelingen.
De term ' politiek' vluchteling is te beperkt.

Volgens het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 wordt als vluchteling beschouwd: 'een
persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit,
het behoren tot een bepaalde groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het
land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan, of uit
hoofde van bovengenoemde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit
bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen
niet kan, of uit hoofde van bovengenoemde vrees, niet wil terugkeren.'
Je kan deze definitie in 4 delen opsplitsen:
        er moet een gegronde vrees voor vervolging bestaan: de persoon moet een
         aanvaardbare uitleg kunnen geven waarom hij risico loopt om vervolgd te
         worden;
        de redenen voor de vervolging zijn beperkt: enkel wie vervolgd wordt wegens zijn
         ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of zijn politieke
         overtuiging komt in aanmerking om erkend te worden als vluchteling. Wie zijn
         land verlaat om vervolging te ontlopen voor feiten van gemeen recht, zoals moord
         of diefstal, komt dus niet in aanmerking. Het is niet altijd eenvoudig om een
         duidelijke grens te trekken tussen feiten van gemeen recht en politieke daden, een
         goed voorbeeld om dit te illustreren is een aanslag gepleegd door IRA-militanten;
        je moet je bevinden buiten het land waarvan je de nationaliteit bezit: het statuut
         van vluchteling kan aangevraagd worden in ieder land dat het verdrag van Genève
         mee ondertekende, maar niet in het land waarvan je de nationaliteit bezit;
        de mag de bescherming van je eigen land niet kunnen inroepen: wanneer je
         afkomstig bent uit een land dat voldoende democratische waarborgen biedt zul je
         vrijwel geen kans op erkenning tot vluchteling hebben.



4
  Art.1 Wet 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen, B.S 31 december 1980
5
  Het Verdrag van Genève van 28 juli 1951
                                                                                                12


Het verdrag bepaalt ook dat bepaalde personen niet onder de toepassing van het verdrag
vallen. Namelijk personen die bescherming of bijstand krijgen van andere organen of
instellingen van de Verenigde Naties of de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen.
Ook personen die door de bevoegde autoriteiten van het land waarin zij zich hebben
gevestigd rechten en verplichtingen hebben die normaal voor de gewone inwoners van dat
land voorzien zijn, vallen buiten het verdrag van Genève. Hiermee bedoel ik dat ze zich
ook in dat bepaald land kunnen vestigen zonder dat ze het statuut van vluchteling nodig
hebben. Een derde groep personen die buiten het verdrag van Genève valt zijn de personen
die een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid
hebben begaan, ofwel een ernstige, niet-politiek misdrijf hebben begaan buiten het land
van toevlucht, ofwel zich schuldig hebben gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn
met de doelstelling en beginselen van de Verenigde Naties.
Dienstweigering en geslacht geven soms ook aanleiding tot vervolging maar zijn niet als
vervolgingsgrond opgenomen in de Conventie. Toch kunnen in bepaalde gevallen deze
redenen ook aanleiding geven tot erkenning als vluchteling.
Een erkende vluchteling wordt ook wel een conventie-vluchteling genoemd.

1.3.6: Kandidaat-vluchteling6

Een kandidaat-vluchteling, ook wel asielzoeker genoemd, is iemand die een asielaanvraag
heeft ingediend en een voorlopig verblijf op het grondgebied heeft zolang er geen
definitieve beslissing werd genomen over zijn aanvraag. Een vreemdeling is een
asielzoeker vanaf het moment dat hij of zij de grens oversteekt om asiel aan te vragen. De
asielzoeker blijft asielzoeker tot het moment dat de Commissaris-Generaal voor de
Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) hem als vluchteling erkent.

1.3.7: Staatloze6

Staatlozen worden door geen enkel land als hun onderdaan beschouwd. Dit statuut wordt
niet geregeld door de wet. De staatloze en zijn familie worden onderworpen aan de
algemene reglementering voor vreemdelingen. Ze zijn ook gelijkgesteld met de paspoort -
en visumplichtige personen.

1.3.8: Ontheemden6

Naar aanleiding van de burgeroorlog in ex-Joegoslavië is het statuut 'ontheemden' in het
leven geroepen.
Veel ex-Joegoslaven kwamen in aanmerken voor het statuut 'vluchteling' door de
oorlogsomstandigheden. Door het statuut 'ontheemden' kan de Belgische Staat de
kandidaat-vluchtelingen repatriëren van zodra de toestand in ex-Joegoslavië dit mogelijk
maakt.

Voor deze personen wordt de asielprocedure geschorst en krijgen ze het statuut van
ontheemde. De aankomstverklaring is 3 maanden geldig en kan verlengd worden. Deze
aankomstverklaring vermeldt uitdrukkelijk dat deze persoon het statuut van 'ontheemde'
heeft.

6
    Het Vlaams Minderhedendecreet zoals op 28 april 1998 aangenomen door het Vlaams Parlement
                                                                                                13




1.3.9: De gezinshereniger7

Dit is een wettelijk gezinslid van een in België gemachtigde of gevestigde 'Belg of
vreemdeling' die van het moederland naar België overkomt. Dit kan gaan over een
huwelijkspartner, kinderen of ouders.

1.3.10: De gezinsvormer 7

Als een niet-Belgische partner naar België komt om hier te huwen en een gezin te stichten
spreken we van een 'gezinsvormer'.

1.3.11: Nieuwkomers8

Nieuwkomers zijn vreemdelingen die bij allochtonen gaan wonen die in het Nederlandse
taalgebied of het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad gevestigd zijn. Dit moet gebeuren in
het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.
Nieuwkomers zijn ook vreemdelingen die als kandidaat-vluchteling België binnenkomen.
Je bent een nieuwkomer gedurende een beperkt aantal jaren nadat men geëmigreerd is.
Recentelijk worden ook geregulariseerde vreemdelingen tot de groep van nieuwkomers
opgenomen.

Rekening houdend met het feit dat deze begripsomschrijving afkomstig is uit het Vlaams
Minderhedendecreet wordt er verwezen naar het Nederlandse taalgebied of het tweetalig
gebied Brussel Hoofdstad. Wanneer er vanuit een andere Context naar 'nieuwkomer' wordt
verwezen, is het taalgebied niet van belang.

1.3.12: Mensen met een precair verblijf

Deze mensen hebben een tijdelijk, legaal verblijfsstatuut, maar vanaf het moment dat deze
verblijfstitel verstrijkt kunnen ze hun wettig verblijf in België verliezen. Het kan hier gaan
over 1 van volgende groepen vreemdelingen:
         asielzoekers waarbij de asielaanvraag nog onderzocht wordt of waar een
          schorsend beroep is ingesteld;
         arbeidsmigranten waarbij de verblijfsstatus verbonden is aan het hebben van
          werk;
         buitenlandse au-pairs die een geldige verblijfsstatus bezitten;
         buitenlandse studenten die een verblijfsstatus (studentenvisum) hebben dat onder
          andere verbonden is aan het uitoefenen van een studie;
         kandidaten-gezinshereniging waarbij de aanvraag tot hereniging met hun
          echtgeno(o)t(e) of familieleden onderzocht wordt. In afwachting van dit
          onderzoek ontvangen deze mensen een tijdelijk, legaal verblijfsstatuut. De
          echtgeno(o)t(e) of familieleden moeten wel een vast verblijfsrecht in België
          hebben;
         toeristen die een geldige aankomstverklaring hebben of een toeristenvisum
          hebben;



7
    Juridische dienst, Vlaams Minderhedencentrum
8
    Het Vlaams Minderhedendecreet zoals op 28 april 1998 aangenomen door het Vlaams Parlement
                                                                                                    14


        slachtoffers van mensenhandel die in het bezit zijn van een tijdelijk
         verblijfsstatuut in toepassing van de omzendbrieven van 7 juli 1994 en 17 april
         2003 betreffende de afgifte van verblijfs- en arbeidsvergunningen;
        diplomaten of consulten waarbij de verblijfsstatus verbonden is aan hun
         tewerkstelling op een ambassade of consulaat.

1.3.13: Mensen zonder wettig verblijf9

Deze personen worden ook mensen zonder papieren genoemd.
Dit zijn alle vreemdelingen die zonder legale verblijfstitel op het Belgisch grondgebied
verblijven.
Binnen deze totale groep zijn er wel een aantal categorieën te onderscheiden, deze indeling
hangt af van het feit of zij vroeger een legale (tijdelijke, voorwaardelijke of zelfs
definitieve) verblijfsstatus bezaten of niet.
         arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht: dit zijn vreemdelingen die na stopzetting
          of verbreking van hun arbeidscontract, hun arbeids- en verblijfsvergunning
          kwijtspelen, maar toch nog illegaal in België blijven;
         au-pairs die na afloop van hun vergunning nog illegaal in België blijven;
         buitenlandse studenten die geen verblijfsrecht hebben: deze vreemdelingen
          kunnen hun statuut van student niet langer inroepen om hun verblijf te wettigen.
          Ze voldoen niet langer aan de voorwaarden om hun statuut te behouden of te
          verlengen. Een voorbeeld van een voorwaarde waaraan ze moeten voldoen is dat
          ze niet mogen dubbelen;
         clandestienen: hier spreken we van vreemdelingen die zonder papieren, of ten
          hoogste met een toeristenvisum, het land binnen gekomen zijn, en (na afloop van
          de geldigheidstermijn van het eventuele toeristenvisum) illegaal in België
          verblijven zonder ooit een aanvraag voor een verblijfsvergunning te hebben
          gedaan;
         vreemdelingen die hun diplomatiek of consulair statuut verloren zijn. Een
          voorbeeld hiervan is een personeelslid van een ambassade dat ontslagen is en toch
          nog verder in België illegaal verblijf;
         vreemdelingen die een Ministerieel Besluit tot terugwijzing of een Koninklijk
          Besluit tot uitzetting kregen (voor een periode van 10 jaar);
         vreemdelingen die vroeger een onbeperkt verblijfsrecht hadden, maar vertrokken
          zijn en hierdoor hun verblijfsrecht verloren zijn. Deze vreemdelingen zijn toch
          nog teruggekomen maar voldoen deze keer niet aan de voorwaarden van het KB
          van 7 augustus 1995 en krijgen dus geen verblijfsvergunning meer;
         uitgeprocedeerde asielzoekers: deze vreemdelingen hebben ooit in de
          asielprocedure gezeten maar hebben na de afwijzing van hun dossier op het
          niveau van de ontvankelijkheid of de gegrondheid een bevel gekregen het land te
          verlaten en hebben aan dit bevel geen gehoor gegeven. Het kan zijn dat ze alle
          beroepsmogelijkheden hebben uitgeput, maar dit is niet noodzakelijk;
         uitgeprocedeerden in het kader van gezinshereniging zijn vreemdelingen die een
          aanvraag deden om met hun familie of echtgeno(o)t(e) herenigd te worden maar
          van wie het dossier werd afgewezen omdat ze niet beantwoorden aan de wettelijke
          criteria voor gezinshereniging;



9
 Tekst goedgekeurd door de ICEM-werkgroep Opvangbeleid op 17 juni 2002 over het opvangbeleid voor
mensen zonder wettig verblijf in Vlaanderen
                                                                                              15




            uitgeprocedeerden in het kader van mensenhandel: dit zijn mensen die in
             toepassing van de omzendbrief van 7 juli 1994 betreffende de afgifte van een
             verblijfs- en arbeidsvergunning een (tijdelijk) verblijfsstatuut bekwamen, maar dit
             verliezen omdat ze geen verklaring of klacht neerlegden bij de politiedienst /
             parket, omdat de klacht / verklaring onvoldoende blijkt om de zaak door het
             gerecht verder te laten onderzoeken of omdat de verklaring / klacht van de
             betrokkene bij de gerechtelijke procedure niet meer van belang blijkt te zijn.

1.3.14: Vreemdelingen die op het grondgebied gedoogd worden10

Er zijn vreemdelingen in België die geen legale verblijfstitel hebben, maar die toch (voor
een beperkte duur) in België gedoogd worden en tijdens deze periode niet verwijderd
zullen worden.
Een aantal categorieën van vreemdelingen worden officieel gedoogd:
        niet begeleide minderjarigen kunnen geen uitwijzingsbevel krijgen zolang ze
         minderjarig zijn. Ze kunnen dus ook niet administratief worden opgesloten. In de
         praktijk worden niet begeleide minderjarigen van de leeftijd vanaf 16 jaar wel
         teruggestuurd als je uit hun gedrag kan zien dat ze over voldoende maturiteit
         beschikken om zelf terug te keren;
        een andere groep die gedoogd wordt zijn de vreemdelingen die een aanvraag voor
         regularisatie van hun verblijf in het kader van de regularisatiecampagne
         indienden. Zij worden wettelijk gedoogd in afwachting van een beslissing en ze
         kunnen dus niet verwijderd worden;
        uitgeprocedeerde asielzoekers die een schorsingsberoep bij hoogdringendheid
         indienden bij de Raad van State kunnen ook niet verwijderd worden zolang de
         Raad van State geen uitspraak over de schorsing heeft gedaan;
        mensen zonder wettig verblijf die gehuwd zijn met een Belg of EU-vreemdeling
         met een vast verblijf in België, mogen weerom niet verwijderd worden;
        feitelijk samenwonende familieleden kunnen via repatriëring niet zomaar
         uiteengerukt worden volgen artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten
         van de Mens;
        de groep mensen die als staatloze erkend is kan ook niet verwijderd worden;
        in het geval van een aantal medische situaties is een terugkeer (tijdelijk) ook niet
         mogelijk. Ofwel moet het gaan om ernstige aandoeningen waarvoor geen goede
         behandeling beschikbaar of toegankelijk is in het herkomstland. Ofwel kan het
         gaan over medische situaties waarbij het reizen (tijdelijk) onmogelijk is;
        er worden ook vreemdelingen gedoogd die geen wettig verblijf hebben maar die
         omwille van veiligheidsoverwegingen (nog) niet kunnen worden uitgewezen. Zij
         kunnen door de situatie onmogelijk terugkeren. We kunnen bijvoorbeeld kijken
         naar de asielzoekers met een niet-terugleidingsclausule van het Commissariaat-
         Generaal, dit zijn mensen die afkomstig zijn van een land dat op de IOM-lijst staat
         van niet-repatrieerbare landen. Het zijn mensen die geen 'laisser-passer' kunnen
         krijgen.




10
     VCM, Visietekst op terugkeer en verwijderingsbeleid
                                                                                        16




Bepaalde categorieën worden vaak officieus gedoogd:
       dit kunnen mensen zijn zonder wettig verblijf die een akte van aangifte van het
        huwelijk hebben gekregen van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ze hebben
        dus alle vereiste documenten om hier te huwen voorgelegd. Deze personen
        worden in afwachting van hun huwelijk (de datum staat in de akte vermeld) niet
        administratief aangehouden of uitgewezen;
       er zijn ook mensen zonder wettig verblijf die een verzoek tot machtiging van
        verblijf omwille van humanitaire redenen indienen. Zij worden in afwachting van
        een beslissing dikwijls gedoogd op het grondgebied, toch gebeurt dit niet altijd;
       een laatste categorie van mensen zonder wettig verblijf die officieus gedoogd
        wordt zijn de personen die in administratieve hechtenis zijn en die tegen deze
        opsluiting nog een beroep hangende hebben bij de raadkamer.

1.4: De Dienst Vreemdelingenzaken11

1.4.1: Algemeen

Al van het begin van de onafhankelijkheid van België werd er beslist een afzonderlijk
departement voor openbare veiligheid op te richten.

Op 26 augustus 1977 werd de naam veranderd van „Vreemdelingenpolitie‟ in „Dienst
Vreemdelingenzaken‟. Deze dienst viel eerst onder de bevoegdheid van het Ministerie van
Justitie en daarna onder de bevoegdheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De
dag van vandaag is de Dienst Vreemdelingenzaken nog altijd ondergebracht bij het
Ministerie van Binnenlandse Zaken.

De Dienst Vreemdelingenzaken is verantwoordelijk voor de toegang, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen . Deze bevoegdheid is toegewezen door
de wet van 15 december 1980 en het KB van 8 oktober 1981. Er wordt nauw
samengewerkt met verschillende andere instanties, zoals Buitenlandse Zaken, Fedasil
(opvang vluchtelingen), Federale Politie (opsporen netwerken van mensenhandel en
illegalen), en andere …

Hoofdzakelijk is de Dienst Vreemdelingenzaken een tweedelijnsadministratie. Dit
betekent dat de dienst, behalve bij asielzoekers, niet rechtstreeks maar via partners
informatie krijgt van een dossier van een vreemdeling. De instructies van de dienst moeten
de vreemdeling ook bereiken via deze partners. Deze partners zijn onder andere de
diplomatieke en consulaire posten, de gemeenten en de politiediensten.

1.4.2: De taken van de Dienst Vreemdelingenzaken

De Dienst Vreemdelingenzaken helpt de Minister van Binnenlandse Zaken bij het voeren
van een vreemdelingenbeleid.

Enerzijds wordt de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen in België geregeld in de
nationale wetgeving. De basisregels om naar België te komen voor een kort verblijf of een
lang verblijf staan in de wet van 15 december 1980. Dit wordt niet voor niets de
Vreemdelingenwet genoemd.
11
     www.dofi.fgov.be
                                                                                                      17




Langs de andere kant moeten ze ook meer en meer rekening houden met de brede waaier
van internationale reglementeringen. Hier vind je zowel de traditionele verdragen zoals de
Conventie van Genève van 28 juli 1951 als de bindende verordeningen en richtlijnen van
de Europese Raad.

De kerntaken van de Dienst Vreemdelingenzaken voert volgende kerntaken uit:
       ze moeten de migratiestromen in goede banen leiden in samenwerking met de
        partners. Er wordt verwacht dat ze binnen een redelijke termijn en op de best
        mogelijke manier onderscheid maken tussen de gegronde asielaanvragen en de
        misbruiken. Hiervoor gebruiken ze het Eurodac-systeem en er zijn
        verbindingsambtenaren ter plekke;
       ook een zeer belangrijke taak van deze dienst is het correct toepassen van de
        wetgeving in verband met de toegang en het verblijf van de vreemdelingen.
       De Dienst Vreemdelingenzaken bindt ook de strijd aan tegen de mensenhandel.
        Er is een nauwe samenwerking met de instellingen op het terrein, namelijk de
        politie, de gemeentelijke en administratieve diensten, de parketten, de instellingen
        die instaan voor de bescherming en begeleiding van slachtoffers in
        gespecialiseerde opvangcentra, en andere …;
       een andere taak van de Dienst Vreemdelingenzaken is het aanpassen van de
        Belgische wetgeving die te maken heeft met immigratie. Dit gebeurt door aan de
        ene kant de evolutie van de rechtspraak op te volgen en aan de andere kant door
        de richtlijnen van de Europese Unie en internationale verdragen die België binden
        ook in de Belgische wetgeving toe te passen;
       er wordt ook deelgenomen aan internationale vergaderingen die handelen over de
        materie waar de Dienst Vreemdelingenzaken voor bevoegd is.
       de dienst moet er ook voor zorgen dat ze goed bereikbaar zijn om mensen verder
        te helpen. Ze doen dit door middel van een helpdesk, een call center en een site
        op het internet;
       de laatste kerntaak van de Dienst Vreemdelingen is dat ze een permanente
        vorming verzekeren. Ze moeten er ook voor zorgen dat de documentatie, die
        dagelijks wordt bijgewerkt, ten allen tijde toegankelijk blijft.

1.5: De inschrijving van vreemdelingen12

Als een vreemdeling de bedoeling heeft om langer dan 8 werkdagen legaal in België te
blijven moet hij zich binnen de 8 werkdagen melden bij het gemeentebestuur van de
gemeente waar hij verblijft.

Niet alle vreemdelingen moeten dit doen, er zijn er dus vrijgesteld13:
     als een vreemde zakenman of een toerist naar België komt voor 1 of meer
          verblijven en verblijft in een gelegenheid die onderworpen is aan de controle van
          reizigers, dan moet de vreemdeling zich niet melden. De vreemdelingen worden
          in dit geval al geregistreerd door de hotelfiches. Het verblijf of de verblijven
          mogen wel langer dan drie maanden duren gedurende 6 maanden;
     zeelui die van de kapitein aan wal mogen hoeven zich ook niet te melden. De
          kapitein moet wel een lijst van bemanningsleden aan de waterschout geven;

12
     I. Poppe, “Vluchtelingenonthaal in de Praktijk”, OCIV, 1997
13
     Arbrb. Oudenaarde (afd.Zottegem, 3de K., 20 Maart 2001, L.A. t/ OCMW Zottegem, AR 19.946/Z/III
                                                                                          18




        als de vreemdeling tijdens zijn verblijf in België in het ziekenhuis of een
         soortgelijke verpleeginstelling is opgenomen voor een behandeling, dan moet de
         vreemdeling zich pas melden na de behandeling. Hij moet dan wel een attest van
         hospitalisatie meebrengen;
        een vreemdeling die aangehouden is en in een strafinstelling, een toevluchtshuis,
         een bedelaarsgesticht of dergelijke verblijft moet zich pas melden na zijn
         vrijlating. Deze vreemdeling moet dan wel een attest van invrijheidstelling met
         zich meebrengen;
        de bevoorrechte vreemdelingen zijn ook vrijgesteld. Zij worden geregistreerd
         door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Behalve de hierboven opgesomde uitzonderingen, wordt iedere legale vreemdeling dus
ingeschreven bij de gemeentelijke bevolkingsdienst van de plaats waar hij verblijft. De
inschrijving verschilt wel naargelang de toegelaten verblijfsduur.

1.5.1: Kort verblijf

Als we spreken over een kort verblijf, dan hebben we het over een verblijf in België dat
niet langer duurt dan 3 maanden. Als er meerdere korte verblijven elkaar opvolgen, dan
blijft het een kort verblijf indien men in een periode van 6 maanden niet langer dan 90
dagen in België verblijft. Als je boven die termijn gaat spreken we over een lang verblijf.

Voor een kort verblijf is er slechts een beknopte inschrijving nodig.

1.5.2: Lang verblijf

Als een vreemdeling langer dan 3 maanden in België wil blijven, maar geen toestemming
heeft om zich permanent te vestigen dan moet deze vreemdeling zich inschrijven in het
vreemdelingenregister.

Er zijn vreemdelingen die van rechtswege de toelating hebben om langer dan 3 maanden in
België te blijven. Een goed voorbeeld hiervan is een onderdaan van de Europese Unie,
deze mensen mogen zonder een speciale toestemming langer dan 3 maanden op het
grondgebied verblijven.

Andere vreemdelingen kunnen „gemachtigd‟ worden om langer dan 3 maanden in België te
blijven. Deze machtiging moeten de vreemdelingen aanvragen. Deze aanvraag gebeurt bij
de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de verblijfplaats van de
vreemdeling of voor de plaats van oponthoud in het buitenland. Als het verblijf wordt
toegestaan dan wordt er in het paspoort van de vreemdeling een „machtiging tot voorlopig
verblijf‟ aangebracht.

De machtiging tot voorlopig verblijf kan ook in België worden aangevraagd. In dit geval
moet er wel sprake zijn van „buitengewone omstandigheden‟. De Vreemdelingenwet
bepaalt niet welke omstandigheden aanvaard worden. Deze aanvraag moet gebeuren bij de
burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling verblijft. De burgemeester heeft geen
enkele adviserende of beslissende bevoegdheid. Zijn taak is gewoon de aanvraag in
ontvangst te nemen en deze aanvraag door te sturen naar de Dienst Vreemdelingenzaken.
Deze dienst beslist dan geheel op eigen houtje of het verblijf al dan niet wordt toegestaan.
                                                                                              19


Er is geen speciaal document dat aan de vreemdeling wordt gegeven wanner hij zo‟n
aanvraag indient. Het is dus mogelijk dat de vreemdeling geen enkele geldige verblijfstitel
bezit terwijl hij wacht op het antwoord van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hij heeft ook
geen enkel bewijs dat hij deze aanvraag heeft ingediend. Om dit te voorkomen heeft men
het attest bijlage 15 (zie verder) in het leven geroepen.

1.5.3: Vestiging

Wanneer een vreemdeling de toelating krijgt om zich permanent in België te vestigen dan
wordt hij ingeschreven in het bevolkingsregister. Een vreemdeling kan zich enkel
permanent in België vestigen als de Dienst Vreemdelingenzaken hiervoor de toestemming
geeft. De dienst kan deze toestemming alleen geven als de vreemdeling al een voorlopige
toestemming van de dienst heeft om in België te verblijven.

1.5.4: De registers

In België zijn er 3 registers, namelijk het vreemdelingenregister, het wachtregister en het
bevolkingsregister.

Het vreemdelingen – en het bevolkingsregister vormen eigelijk 1 enkel bestand. Er wordt
met een onderscheidend teken aangeduid wie in het vreemdelingenregister is ingeschreven.

Bij een in ministerraad overlegd besluit kan de Koning de inschrijving in een wachtregister
voorschrijven van vreemdelingen die zich in een onzekere administratieve toestand van
verblijf in België bevinden, die hun inschrijving of het behoud ervan in het vreemdelingen-
of bevolkingsregister onmogelijk maakt. Je mag namelijk niet tegelijkertijd in het
wachtregister staan en in het vreemdelingen- of bevolkingsregister. In het wachtregister
worden ook de kandidaat - vluchtelingen ingeschreven. Wanneer een kandidaat -
vluchteling erkend wordt, wordt hij uit het wachtregister geschrapt en overgeschreven in
het vreemdelingen- of bevolkingsregister.

1.5.5: Het attest bijlage 15

Iedere keer als het gemeentebestuur niet onmiddellijk kan overgaan tot de inschrijving van
de vreemdeling die zich aanmeldt, dan moet het gemeentebestuur een attest bijlage 15
afleveren. Dit document geldt als bewijs dat de vreemdeling zich heeft aangemeld en dekt
voorlopig zijn verblijf in België. Het document is maximum 15 dagen geldig.
                                                                                                         20


1.6: Rechtsmiddelen voor de vreemdeling14

 De Vreemdelingenwet voorziet verschillende rechtsmiddelen voor de vreemdelingen als
ze niet akkoord zijn met een beslissing die genomen werd. Sommige beslissingen kan je
niet met een vordering in kort geding beslechten.

1.6.1: Het verzoek tot herziening

Het verzoek tot herziening is een vraag aan de bevoegde minister om een eerder genomen
beslissing opnieuw te bekijken. Dit verzoek kan gericht worden tegen volgende
beslissingen:
        de weigering van afgifte van een verblijfsvergunning aan een Unie-vreemdeling
         aan wie recht op verblijf wordt verleend;
        de beslissing tot verwijdering van een Unie-vreemdeling die vrijgesteld is van de
         verplichting een verblijfsdocument te bekomen, het verblijfsdocument is
         verschillend van het document dat zijn binnenkomst op het Belgisch grondgebied
         heeft mogelijk gemaakt;
        de beslissing waarbij, in toepassing van artikel 11 van de Vreemdelingenwet, de
         erkenning van het recht op verblijf wordt geweigerd;
        de terugwijzing;
        het verwerpen van een aanvraag om machtiging tot vestiging;
        de weigering om een vreemdeling met vluchteling gelijk te stellen
        het intrekken van de hoedanigheid van gelijkgestelde met de vluchteling;
        de beslissing waarbij, in toepassing van artikel 22 van de Vreemdelingenwet, de
         vreemdeling verplicht wordt bepaalde plaatsen te verlaten, ervan verwijderd te
         blijven of in een bepaalde plaats te verblijven;
        de beslissing waardoor de verblijfsvergunning geweigerd wordt aan een
         vreemdeling die in België wenst te studeren.

Tijdens de duur van het onderzoek van het verzoek tot herziening mag geen enkele
maatregel tot verwijdering van het grondgebied uitgevoerd worden. In de gevallen waarin
het verzoek gericht wordt tegen een maatregel tot verwijdering van het grondgebied, kan
de bevoegde minister de vreemdeling verplichten in een bepaalde plaats te verblijven of
sommige plaatsen te verlaten. In uitzonderlijk ernstige omstandigheden kan de
vreemdeling door de minister worden opgesloten voor de duur van het onderzoek.

1.6.2: Het verzoek tot opheffing van bepaalde veiligheidsmaatregelen

De vreemdeling die verplicht werd in een bepaalde plaats te verblijven of die in bepaalde
plaatsen niet mag verblijven kan, na 6 maanden, aan de bevoegde minister vragen om deze
maatregel op te heffen. Dit verzoek mag om de 6 maanden worden ingediend.




14
  Art. 62-74 Wet 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen, B.S 31 december 1980
                                                                                              21


1.6.3: Beroep tot nietigverklaring

De vreemdeling kan tegen een maatregel die tegen hem is genomen een beroep tot
nietigverklaring bij de Raad van State instellen.
Wanneer de vreemdeling tegelijkertijd ook een verzoek tot herziening heeft ingediend
wordt de behandeling van het beroep tot nietigverklaring opgeschort tot wanneer over het
verzoek tot herziening uitspraak is gedaan.

Het beroep tot nietigverklaring schorst de uitvoering van de bestreden beslissing niet. Wel
kan bij de Raad van State een verzoek tot schorsing van de genomen maatregel worden
ingediend. In dat geval kan de Raad van State de uitvoering toch schorsen.

1.6.4: Beroep bij de rechterlijke macht

De vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving kan tegen
deze maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer
van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats of van de plaats waar hij werd
aangetroffen.

De vreemdeling die omwille van landloperij of bedelarij aangehouden werd en uiteindelijk
het land zal worden uitgezet (Vreemdelingenwet artikel 7.5°) kan bij verzoekschrift beroep
instellen bij de politierechtbank van zijn laatste verblijfplaats of van de plaats waar hij
werd aangetroffen. Dit beroep schorst de uitvoering van de verwijdering uit het land.

Artikel 63 van de Vreemdelingenwet bepaalt uitdrukkelijk dat een procedure in kort geding
niet mogelijk is in volgende gevallen:
        de beslissing tot terugdrijving;
        het bevel om het grondgebied te verlaten;
        de weigering van het recht tot verblijf gegrond op artikel 10 van de
         Vreemdelingenwet;
        de weigering van het recht tot terugkeer;
        allerhande beslissingen in verband met vluchtelingen;
        het bevel het grondgebied te verlaten, afgeleverd aan studenten;
        beslissingen die openstaan voor een dringend verzoek tot onderzoek, dit moet
         ingesteld zijn door een kandidaat-vluchteling.

Er bestaat discussie over het feit of dergelijk verbod op het instellen van een kort geding
toelaatbaar is. Vaak verklaart de rechter in kort geding zich bevoegd, ongeacht wat de
Vreemdelingenwet bepaalt.

1.6.5: Het dringend beroep

Het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is
een procedure die kan ingesteld worden door de kandidaat-vluchteling aan wie de
binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk als een kandidaat-vluchteling
geweigerd werd.
                                                                                          22


HOOFDSTUK 2: OCMW

2.1: Het ontstaan van het OCMW15

De zorg voor minderbedeelden, behoeftigen, zieken en voor iedereen die geen
menswaardig bestaan kan is opbouwen niet eigen aan de 20ste eeuw.

Initiatieven die aan de armste van de maatschappij hulp verlenen onstonden al veel
vroeger. Tot en met de 11de eeuw was de armenzorg het monopolie van de kerk. De rijken
gaven geld aan kerkelijke instellingen en kregen zo de zekerheid sneller in de hemel te
komen. De armen werden de bemiddelaars tussen de wereld en God. Abdijen en priesters
gaven eten en onderdak aan de armen.

Tijdens de 12de en 13de eeuw trokken meer en meer boeren van het platteland naar de
steden omdat ze niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien. Toch vonden niet alle
nieuwkomers werk. Het aantal armen concentreerde zich in de steden en ze konden lang
niet altijd rekenen op begrip. Ze werden eerder aanzien als een gevaar.
Om epidemieën en sociale onrust te voorkomen namen rijke burgers de armenzorg in
handen. Ze richtten hospitalen, passantenhuizen (gratis overnachting) en godshuizen
(bejaardentehuizen) op. Er kwamen ook instellingen tot stand die zich met de algemene
bedeling aan armen bezig hielden, ze werden „Tafels van de heilig geest‟ genoemd. De
bedoeling was vooral controle uit te oefenen op de armen met het oog op de sociale vrede.
In kleine gemeenten bleef het meestal bij 1 enkele Tafel die haar activiteit over het gehele
grondgebied uitstrekte. Maar in grote en middelgrote steden (zoals Antwerpen) verschenen
er naderhand verschillende Tafels die per parochie georganiseerd waren. Het waren
burgerlijke instellingen, het bestuur was in handen van leken, maar de pastoor had wel een
grote invloed op de werking ervan als zeer invloedrijk lid van de plaatselijke gemeenschap.
Aan de armen van hun parochie bedeelden de Tafels op geregelde tijdstippen brood,
kleding, brandstof, bier en soms ook geld.

In 1458 werden ook nieuwe instellingen opgericht om de identificatie, selectie en controle
van de armen uit te voeren. Deze instellingen noemden ze toen „Kamers van de
huisarmen‟. Alleen de plaatselijke bevolking kon hierop beroep doen. Deze kamers
werden bestuurd door 4 aalmoezeniers die de giften verdeelden en onder andere een theater
hadden waarvan de opbrengst naar de armen ging. De aalmoezeniers werden gekozen uit
eerlijke, rijke en notabele burgers van de stad.
Qua inkomsten was de armenzorg voor een groot deel afhankelijk van giften. Op vele
plaatsen bevonden zich collectebussen en welgestelde burgers schonken tijdens hun leven
of bij testament belangrijke sommen aan de armen.

De aartshertogen Albrecht en Isabella vaardigden in 1617 een ordonnantie uit die toeliet
belastingen te innen ten behoeve van de armenzorg. Het principe dat de armenzorg
essentieel een taak van de overheid was had definitief start gevonden. De armen waren niet
langer afhankelijk van toevallige particuliere initiatieven.




15
     AERTS, Marij, 2004. OCMW-raad, OCMW Leuven, mondelinge mededeling
                                                                                           23


Bij de Franse Revolutie werden de kerkelijke goederen genationaliseerd en kreeg de
armenzorg een „burgerlijk‟ in de plaats van een „religieus‟ karakter. In iedere gemeente
werden toen 2 instellingen opgestart: een „Bureel van Weldadigheid‟ voor de
ondersteuning van de thuiswonende armen en een „Commissie van Burgerlijke
Godshuizen‟ voor het beheer van de verzorgingsinstellingen.

Op het einde van de 19de eeuw was er een massale verarming. Zo klopte er bijvoorbeeld in
1849 39% van de Antwerpse bevolking aan bij het Bureel van Weldadigheid.
De wantoestanden gaven pas in 1895 aanleiding tot een initiatief van de centrale overheid.
Een Koninklijke Commissie voor de Onderstand moest de bestaande toestand onderzoeken
en voorstellen formuleren om hier wat aan te veranderen. De bevindingen van deze
Commissie leidden in 1920 tot een eerste wetsvoorstel. Op 10 maart 1925 is de eerste wet
op de onderstand een feit. Een Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) werd
opgericht in elke gemeente met als doel:
     Nood van de behoeftigen te verminderen door financiële bijstand
     Met preventieve maatregelen behoeftigheid tegen te gaan
     Noodzakelijke medische verzorging garanderen
     Voor verlaten kinderen en wezen te zorgen
De C.O.O. verving de Burelen van Weldadigheid en het bestuur der Burgerlijke
Godshuizen . Ruim 50 jaar bleef de C.O.O. bestaan.

Door de wet van 8 juli 1976 werden de C.O.O.‟s vervangen door de Openbare Centra voor
Maatschappelijk Welzijn, in de volksmond gewoon de OCMW‟s. Deze werden in elke
gemeente opgericht.
Er waren meerdere redenen die de aanleiding gaven tot het afschaffen van de
gemeentelijke C.O.O.‟s en het oprichten van een nieuwe, meer aangepaste instelling. 1
van die redenen was dat de hulpverlening die C.O.O.‟s boden per gemeente onderling
sterke verschillen had. Ook het begrip „onderstand‟ kreeg met de tijd een ongunstige
bijklank. De klemtoon van de hulpverlening lag al van bij het begin in de materiële en
financiële sfeer.

Door de oprichting van de OCMW‟s kwam er een einde aan het openbaar
onderstandswezen in ons land. Het OCMW kreeg de taak de maatschappelijke
dienstverlening te organiseren aan ALLE inwoners.

2.2: De taak van het OCMW16

Artikel 1 van de OCMW-Wet zegt dat: “Iedereen in de mogelijkheid stellen een leven te
leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”. Concreet wil dit zeggen dat het
OCMW het welzijn van alle burgers moet behartigen. Dit begrip wordt door iedereen al
naar gelang de omstandigheden anders ingevuld: wie bijvoorbeeld dakloos is wil eerst en
vooral een dak boven het hoofd en een warme maaltijd, wie geen werk heeft en geschorst
wordt van een uitkering wil vooral werk,…

Het OCMW heeft professionele hulpverleners om bij die taak te helpen. Deze
hulpverleners zijn vooral maatschappelijk werkers. Zij analyseren de noodkreten van de
cliënten en zoeken samen met hen naar de beste, haalbare oplossing.



16
     AERTS, Marij, 2004. OCMW-raad, OCMW Leuven, mondelinge mededeling.
                                                                                                    24


2.3: Maatschappelijke integratie17

Het recht op maatschappelijke integratie is op 1 oktober 2002 in de plaats gekomen van het
recht op het bestaansminimum.

Iedere persoon die in de gemeente woont kan van de hulp van het O.C.M.W genieten om
een leven overeenkomstig de menselijke waardigheid te leiden.

Welke voorwaarden moet men nu juist vervullen om recht te hebben op de sociale
integratie
( het vroegere bestaansminimum) ? Wel, „elke persoon heeft recht op een maatschappelijke
integratie.‟ Dit recht komt neer op een tewerkstelling en/of een leefbaar inkomen, al dan
niet gepaard gaande met een individueel ontwerp voor maatschappelijke integratie”.
Deze beschrijving stemt overeen met de toegepaste politiek van het OCMW die de sociale
integratie alsook de professionele aanpassing bevoorrecht.
De onafhankelijkheid van de persoon via de tewerkstelling heeft voorrang.
Het “leefloon” is een deel van de verbintenis van de belanghebbende, om zich, in
de mate van het mogelijke, te integreren.
Het leefloon is het resultaat van een vrijwillige, actieve en persoonlijke stap om
zich sociaal te integreren.
De wet op de tewerkstelling maakt enerzijds een heel duidelijk onderscheid tussen
de situatie van de jongeren tussen 18 en 24 jaar en anderzijds de situatie van de plus
–25 jarigen.
De jongeren van 18 tot 24 jaar hebben, mits tewerkstelling, recht op sociale
integratie, aangepast aan hun persoonlijke situatie en hun capaciteiten in de loop
van de 3 maanden die volgen op hun aanvraag.
Dit recht op tewerkstelling moet toegepast worden via, hetzij een arbeidscontract,
hetzij een geïndividualiseerd ontwerp voor maatschappelijke integratie, dat, binnen
een bepaalde periode, tot een arbeidscontract kan leiden.
De personen boven 25 jaar verkrijgen het recht op de sociale integratie door de
toekenning van een leefloon, voorzover ze aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Voor deze personen kan het recht op sociale integratie via de tewerkstelling
verwezenlijkt worden.
Ons O.C.M.W kan een leefloon toekennen ten gunste van de student die zijn
studies voltijds begint of voortzet in een door de Gemeenschappen erkende
instelling, op voorwaarde dat hij een geïndividualiseerde sociale integratie
aanvaardt die zijn aanpassingsmogelijkheden verhogen.
Om van deze maatregel te genieten, dient men meerderjarig te zijn en niet meer
geholpen worden door onderhoudplichtigen zoals bijvoorbeeld de ouders, de
voogd, en andere.
De asielaanvragers die op het grondgebied van de gemeente wonen of waarvoor het
O.C.M.W. bevoegd werd verklaard , kunnen van een financiële hulp, gelijkwaardig
aan het leefloon genieten.
17
   D. Simoens, “Van Bestaansminimumwet naar wet maatschappelijke integratie: Wat verandert in het
(r)echt?”, R.W. 2002-2003, 1441-1452
                                                                                                            25


De maatschappelijke werker onderzoekt elk geval individueel. In samenwerking
met de hulpaanvrager, bepalen zij de toegepaste sociale hulp op materieel, medisch
en psychologisch gebied….

Al het partnershipwerk eerbiedigt het beroepsgeheim.

2.4: Maatschappelijke dienstverlening

Dit wordt uitgebreid besproken in het volgende hoofdstuk.


2.5: De territoriale bevoegdheid van het OCMW

2.5.1: Welk centrum is bevoegd om bijstand te verlenen?

2.5.1.1:          Het centrum van de plaats waar de persoon zich bevindt

Het centrum dat bevoegd is om bijstand te verlenen wordt in de wetgeving gedefinieerd als
het „steunverlenend centrum‟.

Het steunverlenend centrum is het OCMW van de gemeente op wiens grondgebied diegene
die sociale bijstand nodig heeft zich bevindt, waarvan het centrum de staat van
behoeftigheid erkend heeft en aan wie het centrum de bijstand verleent waarvan het de
aard (en indien nodig het bedrag) zelf bepaalt.18

Over het algemeen is het steunverlenend centrum dat van de gebruikelijke en effectieve
verblijfplaats die bepaald wordt in functie van de plaats waar de persoon zich bevindt en
van de erkenning van zijn staat van behoeftigheid door het OCMW.19

Uit artikel 2 , alinea 2 van de OCMW-Wet20 volgt dat de OCMW‟s als opdracht hebben
sociale bijstand te verlenen aan de personen die zich op het grondgebied bevinden van de
gemeente die zij bedienen, hiermee bedoelen ze de personen die er gewoonlijk verblijven

Een gewoonlijke of feitelijke verblijfplaats moet aan bepaalde criteria voldoen.
    De verblijfplaats moet gekenmerkt worden door een zekere continuïteit of het moet
       minstens de wil van de betrokkene tot uiting brengen om zich te vestigen op een
       zekere plaats gedurende een zekere tijd.21
    Het moet gaan om een gewoonlijk en daadwerkelijk verblijf en niet om een
       occasioneel of intentioneel verblijf. Het moet de plaats zijn waar hij zijn
       voornaamste materiële en affectieve belangen heeft.22
De verplichting tot verblijf dwingt de begunstigde in geen geval tot het voortdurend
aanwezig zijn in zijn woonplaats en het verbiedt de begunstigde niet om vrij te bewegen
noch om eventueel een belangrijk deel van zijn dagen of zelfs zijn nachten buiten zijn


18
   T.T. Dinant, 7e ch. 21 août 2001, X /CPAS Onhaye, RG 60.949
19
   T.T. Bruxelles, 15e ch., 12 septembre 2001, X /CPAS Bruxelles et CPAS Wezembeek-Oppem, RG
30.749/00 ; T.T. Mons (section Mons), 5e ch., 25 septembre2001, X / CPAS Mons, RG 2306/00/m.
20
   Art. 2 alinea 2 Organieke Wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
B.S. 5 augustus 1976.
21
   T.T. Namur, 9e ch. C, 13 juillet 2001, X / CPAS d‟Enghien, RG 110.195 – 110.196.
22
   T.T. Liège, 11e ch., 6 septembre 2001 X / CPAS Seraing, RG 310.988.
                                                                                                             26


woonplaats door te brengen. De enige verplichting die de betrokkene heeft is zich
gewoonlijk op het grondgebied, van de gemeente waarvan hij hulp vraagt, te bevinden.

Het steunverlenend centrum wordt bepaald op het ogenblik van de vraag om hulp.

Het bewijs van gewoonlijk en daadwerkelijk verblijf moet door de verzoeker geleverd
worden. Dit bewijs mag met alle middelen van het recht geleverd worden, zowel tijdens
het administratieve onderzoek van de aanvraag als tijdens de gerechtelijke procedure.

2.5.1.2          Bijzondere gevallen

2.5.1.2.1:       De verhuizing van 1 gemeente naar een andere gemeente

Dit bijzonder geval volgt de algemene tendens die ik hierboven besproken heb. Het
OCMW van de vorige verblijfplaats is dus niet meer bevoegd.23

2.5.1.2.2:       De daklozen

Er is een bijzondere regeling voorzien voor deze mensen in artikel 71, 5de lid van de
OCMW-Wet24. Het begrip dakloze wordt door geen enkele wettekst gedefinieerd. De
rechtspraak daarentegen heeft toch voor een omschrijving gezorgd, hiervoor heeft de
rechtspraak zich gebaseerd op de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 12
januari 1993. Een dakloze wordt daar omschreven als een persoon die geen bewoonbaar
verblijf heeft en die zich aldus zonder verblijf of in een collectief verblijf bevindt waar hij
op voorlopig verblijft in afwachting van dat hij kan beschikken over een persoonlijk
verblijf.

In het geval van de daklozen oordeelt de rechtspraak dat het territoriaal
bevoegdheidscriterium van de OCMW‟s geïnterpreteerd moet worden als zijnde de
daadwerkelijke verblijfplaats en niet de woonplaats, want een dakloze heeft strikt genomen
geen woonplaats. Als de OCMW‟s de dakloze „doorschuift‟ dan roept de arbeidsrechtbank
alle betrokken centra op en duidt de arbeidsrechtbank het bevoegde, steunverlenende
OCMW aan.

2.5.1.2.3:       De studenten

Wanneer een student op „kot‟ zit, dan blijft de hoofdverblijfplaats toch bij zijn ouders. Dit
principe is echter niet de algemene regel. Er zijn namelijk talrijke situaties waarin de
student geen enkele band meer heeft met de ouders. Hierdoor moet iedere steunzoekende
student apart behandelend worden om te kijken wat zijn hoofdverblijfplaats is, namelijk
het kot of ergens anders. Het OCMW van de gemeente die aangeduid wort als
hoofdverblijfplaats van de student is dan ook bevoegd voor de steunverlening.
2.5.1.2.4:     De kandidaat-vluchtelingen

Voor kandidaat-vluchtelingen is er een andere regeling. Deze mensen kunnen zich wenden
tot het centrum van de gemeente waar ze zijn ingeschreven in het wachtregister,


23
   T.T. Dinant, 7e ch., 27 novembre 2001, CPAS Hastière / X, RG 60.390; T.T. Namur, 9 e ch., 14 décembre
2001, X / CPAS Namur, RG 109.882.
24
   Art. 71, 5de lid Organieke Wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
B.S. 5 augustus 1976.
                                                                                                 27


bevolkingsregister of vreemdelingenregister25. Wanneer de kandidaat-vluchteling in
verschillende gemeentes is ingeschreven, dan is het OCMW bevoegd van de gemeente
waar hij in het wachtregister is ingeschreven en waar geen code 207 is toegekend.
Als er geen inschrijving in een wachtregister is, dan is het centrum van de gemeente waar
hij is ingeschreven in het bevolkings – of vreemdelingenregister bevoegd, in deze
gemeente moet de kandidaat-vluchteling dan ook daadwerkelijk verblijven.

Als de asielprocedure is beëindigd en de kandidaat-vluchteling een bevel om het
grondgebied te verlaten heeft ontvangen, dan telt de bevoegdheidsregel van artikel 1 van
de wet van 2 april 1965. Deze regel zegt dat het bevoegd steunverlenend centrum het
centrum is van de effectieve verblijfplaats.

Een illegaal heeft geen administratieve verblijfplaats, hierdoor is weer de algemene
bevoegdheidsregel van toepassing. Dit wil zeggen dat het OCMW van de gemeente waar
de illegaal effectief verblijft bevoegd is.

Als een vreemdeling uit het wachtregister van een gemeente is geschrapt, dan is het
OCMW van deze gemeente niet langer bevoegd om steun te verlenen. Het OCMW van de
gemeente van de feitelijke verblijfplaats zal dan voor de steunverlening moeten zorgen.

De Vreemdelingenwet bepaalt in artikel 54 dat er een mogelijkheid is om een verplichte
plaats van inschrijving aan te wijzen voor de asielzoekers die asiel aanvragen. Deze
mogelijkheid is er op het ogenblik dat zij nog geen titel hebben om in het land te
verblijven, maar dat ze toch zich op het grondgebied bevinden in afwachting van het
resultaat van hun asielaanvraag. Deze verplichte inschrijvingsplaats is een administratieve
verblijfplaats die niet noodzakelijk samenvalt met de effectieve verblijfplaats. Deze
administratieve verblijfplaats bepaalt welk OCMW bevoegd is om hulp toe te kennen.




25
  Arbrb. Antwerpen, 14de K., 25 april 2001, X / OCMW Antwerpen, AR 326.508; Arbrb Dendermonde, 3 de
K., 2 oktober 2001, X / OCMW Stekene, AR 58.617.
                                                                                             28


HOOFDSTUK 3: MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING

3.1: Algemeen26

Over het algemeen gaan onder het begrip maatschappelijke dienstverlening (verleend door
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn) twee soorten prestaties schuil die
juridisch verschillen. Het OCMW is niet alleen bevoegd voor de maatschappelijke
dienstverlening in enge zin (het vroegere bestaansminimum dat bepaald was in een
geldsom), maar ook voor de sociale bijstand in ruime of gewone zin, dat wil zeggen alle
andere vormen van maatschappelijke dienstverlening die hierna aan bod komen.
Maatschappelijke dienstverlening kan dus een nuttige aanvulling vormen op het vroegere
bestaansminimum of het zelfs vervangen wanneer de betrokkene niet aan de voorwaarden
voldoet om het minimum te ontvangen.
Het recht op maatschappelijke dienstverlening voor elke persoon geldt zonder leeftijds- of
nationaliteits-voorwaarde. In artikel 1 van de OCMW-Wet staat immers: "Elke persoon
heeft recht op maatschappelijke dienstverlening." Het doel hiervan is "eenieder in de
mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke
waardigheid", hetgeen een echt subjectief recht is en overeenstemt met erg uiteenlopende
vormen van dienstverlening.
De middelen om eenieders recht op maatschappelijke dienstverlening in de praktijk te
brengen, beschreven in de algemene taken van het OCMW en de manier waarop het
OCMW die taken moet uitvoeren, staan opgesomd in artikel 57 en volgende van de
Organieke OCMW-Wet uit 1976.
Het doel van de sociale bijstand is niet alleen bepaalde tekorten op te vangen die verband
houden met het leven in de maatschappij (lenigende of curatieve hulp), maar ook om in
preventieve hulp te voorzien. De maatschappelijke dienstverlening kan verschillende
vormen aannemen, gaande van materiële hulp (financieel, in natura) tot immateriële hulp
(bijvoorbeeld juridisch advies, budgetbegeleiding, allerlei interventies, hulp inzake
tewerkstelling volgens artikel 60, §7 van de OCMW-Wet, enz.).
Concreet moet elk openbaar centrum na een sociaal onderzoek een precieze diagnose
stellen van de behoefte aan dienstverlening. Vervolgens zorgt het voor hulpverlening in de
meest geschikte vorm. Omdat het centrum volledig vrij is in zijn beoordeling van wat de
meest adequate bijstand is, is het niet ondenkbaar dat de betrokkene van het OCMW een
heel andere soort hulp krijgt dan die welke hij had gevraagd.

3.2: Toekenningsvoorwaarden

3.2.1: Het verblijf

Volgens een vaste rechtspraak kan het werkelijk verblijf met alle rechtsmiddelen worden
bewezen. Bij gebrek aan bewijs wordt er aangenomen dat de aanvrager zijn verblijfplaats
niet heeft aangetoond. Zeer onzekere levensomstandigheden in een woning tonen in geen
geval aan dat dit adres niet de werkelijke verblijfplaats is27.


26
     http:// socialsecurity.fgov.be
27
     Arbrb.kortrijk, 2de K., 10 oktober 2001, X / OCMW Zwevegem, AR 61.440.
                                                                                                            29


Voor asielzoekers is het bepalen van een vaste verblijfplaats vaak ingewikkeld. Ze moeten
vaak in afwachting van de regularisatie herhaaldelijk verhuizen. Het OCMW moet nagaan
of de asielzoeker nog wel op een bepaald adres woont, als bijvoorbeeld een asielzoeker aan
een OCMW werd toegewezen maar uit de vaststellingen van de wijkagent blijkt dat het
gezin er niet meer woont en er is geen nieuwe verblijfplaats bekend, dan wordt er vermoed
dat de asielzoeker waarschijnlijk terug naar zijn land van afkomst is en het OCMW beslist
dan terecht om geen steun meer toe te kennen aan de betrokkene omdat er een gebrek aan
bewijs is van een verblijf in België. Het is dus voor de asielzoeker die steun krijgt heel
belangrijk om iedere adreswijziging door te geven aan het steunverlenend OCMW.

Een postbusadres is geen verblijfplaats28.

De Wet29 verplicht de bijstandzoeker niet om in de ene of de andere gemeente te
verblijven, het is voldoende dat de bijstandzoeker op het grondgebied van België verblijft.
De begunstigde van maatschappelijke dienstverlening is vrij en mag zelf kiezen in welke
gemeente of stad hij zich vestigt.

Als de bijstandtrekker een periode in het buitenland verblijft, dan wordt er tijdens die
periode geen dienstverlening toegekend.

3.2.2: De leeftijd

Het toekennen van maatschappelijke dienstverlening aan minderjarigen is in principe
toegelaten. Toch is de rechtspraak redelijk streng bij de beoordeling van de behoefte en de
noodzaak van het tussenkomen van een OCMW, omdat de verplichtingen die voortvloeien
uit het ouderlijk gezag blijven gelden tot de meerderjarigheid. Deze verplichtingen van de
ouders worden als wettig en als vanzelfsprekend omschreven.

Het bereiken van de meerderjarigheid opent niet automatisch het recht op maatschappelijke
dienstverlening30. De rechtspraak staat afwijzend tegenover aanvragen die enkel gebaseerd
zijn op het bereiken van de meerderjarigheid om een aparte financiële steun of een
verhoging van steun te krijgen.

De eis tot dienstverlening wordt afgewezen als de eis alleen steunt op het bereiken van de
meerderjarigheid, vooral wanner de eiser thuis blijft wonen31.
Een verklaring dat men alleen wenst te leven, onafhankelijk van de ouders, is
onvoldoende32. De vraag tot financiële steun om onafhankelijk van de ouders te wonen
kan niet ten laste van de gemeenschap worden gelegd als er geen grondige reden is
waarom de meerderjarige niet meer bij zijn ouders wil wonen33.




28
   T.T. Bruxelles,15e ch., 8 novembre2001, X / CPAS Schearbeek et E.B.. RG 14.630/01.
29
   Organieke Wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, B.S. 5 augustus
1976.
30
   Arbrb. Antwerpen, 14de K., 3 januari 2001, X / OCMW Edegem, AR 321.995.
31
   Arbrb. Antwerpen 14de K., 20 juni 2001, X /OCMW Antwerpen, AR 324.184.
32
   Arbrb. Brussel, 20ste K., 31mei 2001, X /OCMW Grimbergen, AR 2.166/01.
33
   Arbrb. Mechelen, 1dte K., 21 februari, X / OCMW Mechelen, AR 75.207
                                                                                                        30


3.2.3: De nationaliteit34

Er is een fundamenteel principe dat zegt dat de toekenning van maatschappelijke
dienstverlening niet gekoppeld is aan een nationaliteitsvoorwaarde35. Maar natuurlijk zijn
hier enkele bijzondere gevallen op.

3.2.3.1:        De ten laste genomen vreemdeling

Normaal is er geen maatschappelijke dienstverlening verschuldigd aan vreemdelingen die
over een borg beschikken. Maar als de financiële tussenkomst van die borg om bepaalde
redenen eigen aan de borg onmogelijk of onzeker blijft, dan heeft deze vreemdeling wel
kans op maatschappelijke dienstverlening.

Als de borgsteller zelf voor hulp bij het OCMW gaat aankloppen om de financiële last van
zijn borgstelling ten voordele van de vreemdeling te dragen, dan moet die behoefte net
zoals een andere situatie van financiële behoeftigheid worden benaderd.

3.2.3.2:        De vreemdeling-student

De maatschappelijke dienstverlening aan de buitenlandse studenten wordt zeer strikt
geïnterpreteerd.

De buitenlandse student moet bewijzen dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt.
Dit bewijs kan bijvoorbeeld voortvloeien uit een tenlasteneming die een derde voor hem
heeft aangegaan. Met dit voorbeeld komen we terug terecht bij het vorige punt.

Wanneer een onderdaan van een andere staat studies wil volgen in België, dan kan dit
alleen als hij niet ten laste valt van de gemeenschap. Hij kan een borg voorstellen naar wie
hij doorverwezen moet worden als hij geld of dergelijke nodig heeft om te overleven.

Maatschappelijke dienstverlening moet worden toegekend aan de buitenlandse student die
een verlening gevraagd heeft van zijn verblijfsdocument op grond waarvan hij vroeger het
grondgebied van België kon betreden om er zijn studies te volgen. Het is nodig een
onderscheid te maken tussen enerzijds het recht op verblijf om studieredenen tijdens de
duur van studies en dat niet werd ingetrokken door de bevoegde Minister en anderzijds het
document dat de studies vaststelt en dat men de buitenlandse student overhandigt. De
toegekende steun is slechts voorlopig, in afwachting dat de bevoegde Minister een
beslissing heeft genomen over de aanvraag tot verlening.

3.2.3.3:        De vreemdeling die erkend werd als vluchteling

De arbeidsrechtbank van Brussel heeft in een vonnis maatschappelijke dienstverlening
verstrekt tot aan het verstrijken van de periode van 1 maand na de kennisgeving van de
beslissing over de toekenning van het statuut van vluchteling, na deze maand zal de steun
moeten worden omgezet in een bestaansminimum (nu het recht op maatschappelijke
integratie).



34
  K. Verstrepen, “Inleiding tot het vreemdelingenrecht”, Orde van Vlaamse Balies, Die Keure, 2001.
35
  Arbrb. Kortrijk, 2de K., 9 oktober 2001, X / OCMW Kortrijk, AR 59.994; Arbrb. Tongeren, 14 december
2001, X / OCMW Lanaken, AR 2444/2001
                                                                                                           31


3.2.3.4:         De vreemdeling aan wie een verplichte plaats van inschrijving werd
                 opgelegd

De Vreemdelingenwet bepaalt in artikel 54 dat er een mogelijkheid is om een verplichte
plaats van inschrijving aan te wijzen voor de asielzoekers die asiel aanvragen. Deze
mogelijkheid is er op het ogenblik dat zij nog geen titel hebben om in het land te
verblijven, maar dat ze zich toch op het grondgebied bevinden in afwachting van het
resultaat van hun asielaanvraag. Deze verplichte inschrijvingsplaats is een administratieve
verblijfplaats die niet noodzakelijk samenvalt met de effectieve verblijfplaats. Deze
administratieve verblijfplaats bepaalt welk OCMW er bevoegd is om hulp toe te kennen.

3.2.3.5:         De kandidaat-geregulariseerde volgens artikel 9 van de Wet van 15
                 december 1980

Volgens de rechtspraak schort een verzoek ingediend op grond van artikel 9, 3de alinea van
de Wet van 15 december 1980 het bevel om het grondgebied te verlaten niet op. Er is geen
steun verschuldigd en artikel 57, § 2 van de OCMW-Wet is van toepassing36. De door de
Minister toegestane machtiging tot verblijf heeft geen terugwerkende kracht.

3.2.3.6:         De kandidaat-geregulariseerde volgens de Wet van 22 december 1999

De kandidaat-geregulariseerde volgens de Wet van 22 december 199937 kan aanspraak
maken op maatschappelijke dienstverlening.

Er wordt vooral gekeken naar de argumenten overgenomen uit artikel 14 van de Wet van
22 december 1999. Door deze argumenten kan het bevel om het grondgebied te verlaten
worden geschorst en kan de aanwezigheid van de regularisatieaanvrager op het
grondgebied worden gedoogd of zelfs wettelijk aanvaard worden. Hierdoor wordt de
toepassing van artikel 57, §2 van de OCMW-Wet afgewezen. Het bevel om het
grondgebied te verlaten is dus niet langer uitvoerbaar want de Wet bepaalt dat een
tenuitvoerlegging ervan niet langer kan worden afgedwongen.

De vraag of hierboven vermeld artikel 14 het verblijf van de regularisatieaanvrager op het
grondgebied wettig maakt blijft omstreden, niettemin leiden de verschillende ingenomen
stellingen tot een uiteenlopend resultaat wat het recht op maatschappelijke dienstverlening
ten gunste van de regularisatieaanvragers betreft.

Volgens de rechtspraak kan men de maatschappelijke dienstverlening niet ontzeggen aan
de regularisatieaanvrager die bijstand vraagt. Dit kan niet omdat er toch niet wordt
overgegaan tot zijn verwijdering van het grondgebied zolang de Minister geen beslissing
heeft genomen over zijn regularisatieaanvraag.



36
   T.T. Liège, 9e ch., 24 juillet 2001, X / CPAS Flémalle, RG 313.652 ; T.T. Bruxelles, 15e ch., 27 septembre
2001, X / CPAS Bruxelles, RG 9.903/01 ; T.T. Liège, 9e ch., 2 octobre 2001, X / CPAS Saint-Nicolas, RG
313.248 ; T.T. Bruxelles, 15e ch., 10 octobre 2001, X / CPAS Jette et E.B., RG 4918/99, 8624/99,13.461/00
et 31.681/00; T.T. Mons, ch. vac., 24 octobre 2001, X / CPAS Hensies, RG 4.144/01/M; T.T. Bruxelles, 15 e
ch., 7 novembre 2001, X / CPAS Bruxelles, RG 13.370/01; T.T. Bruxelles, 15 e ch., 7 novembre 2001, X /
CPAS Molenbeek-Saint-Jean, RG 13.997/01; T.T. Namur, 9e ch., 9 novembre 2001, X / CPAS Namur, RG
110.708.
37
   Wet 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, B.S. 10 januari 2000.
                                                                                                           32


De regularisatieaanvrager moet nog altijd een menswaardig bestaan kunnen leiden en dus
is het mogelijk dat de vreemdeling steun nodig heeft van het OCMW.

De regularisatieaanvrager moet zijn staat van behoeftigheid bewijzen. Als een onderzoek
van de feitelijke elementen van het dossier niet toelaat om aan deze voorwaarde tegemoet
te komen moet de aanvraag worden afgewezen.

3.2.3.7:         De geregulariseerde vreemdeling

De geregulariseerde vreemdeling die zich tot het OCMW wendt heet recht op
maatschappelijke dienstverlening vanaf de datum van zijn verzoek om bijstand.

Wanneer het verzoek om bijstand voor de regularisatiebeslissing is ingediend, oordeelt de
rechtspraak dat de steun zeker verschuldigd is vanaf de regularisatiedatum.

3.2.3.8:         De vreemdeling die hier onwettig verblijft

Volgens artikel 57, § 2 van de OCMW-Wet38 verblijft een vreemdeling die zich
vluchteling heeft verklaard, en heeft gevraagd om als vluchteling erkend te worden,
illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag werd geweigerd en de betrokken vreemdeling
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke
dienstverlening, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, wordt
stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat en ten laatste
de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.

Het bevel om het grondgebied te verlaten is niet van toepassing zolang er nog hangende
beroepen zijn tegen dit bevel bij de Raad van State. Het is ook niet van toepassing als er
een tweede asielaanvraag is ingediend en als deze nog onderzocht wordt.

De rechtspraak is overtuigd rekening te houden met de regularisatieverzoeken die werden
ingediend op grond van de wet van 22 december 1999. Toch hebben verschillende
beslissingen het volgende benadrukt: „het loutere feit dat een vreemdeling die hier illegaal
verblijft, een bijzonder regularisatieverzoek indient op grond van artikel 9, 3de alinea van
de wet van 15 december 1980, verhindert niet dat artikel 57, §2 van de OCMW-Wet geldt‟.

3.2.3.9:         De staatloze

Het statuut van staatloze opent het recht op maatschappelijke dienstverlening als alle
andere voorwaarden voor dienstverlening te krijgen vervuld zijn.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening bestaat vanaf het ogenblik dat de aanvraag
van steun ingediend is na de aanvraag van erkenning als staatloze, maar voor de beslissing
tot erkenning als staatloze39.




38
   Organieke wet wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, B.S. 5
augustus 1976.
39
   Arbrb. Antwerpen, 14de K., 12 februari 2001, X / OCMW Hulshout, AR 312.379.
                                                                                                        33


3.2.4: Het verzuim van eerbied voor de menselijke waardigheid

3.2.4.1:         Het begrip menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is een grondrecht. Het is gewaarborgd door artikel 23 van de
Grondwet en door artikel 1 van de OCMW-Wet40.
Het Arbeidshof van Brussel41 heeft gezegd dat het begrip „menselijke waardigheid‟
ingewikkeld is en varieert in functie van de tijd, de maatschappelijke cultuur, religie en het
deel uitmaken van een sociale groep. Het kan zelfs verschillen van persoon tot persoon.
Het begrip is dus redelijk onbepaald. De rechtspraak benadrukt dan ook de noodzaak om
„geval per geval‟ te benaderen.

3.2.4.2:         De staat van behoeftigheid42

Er moet aangetoond worden dat de bijstandzoeker nood heeft aan maatschappelijke
dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden. De rechtspraak beoordeelt
geval per geval of er al dan niet sprake is van een staat van behoeftigheid.

3.2.4.3:         De bijzondere moeilijkheden

Bijstandzoekers ontmoeten dagelijks talrijke problemen op hun levensweg. Zo kan de
aanvrager bijvoorbeeld plots een ernstige ziekte krijgen, een ongeval, endergerlijke. In
voorkomend geval dient het OCMW, alvorens te besluiten steun toe te kennen, met deze
problematiek rekening te houden.

3.2.4.4:         Het bewijs

Volgens de algemene beginselen aangaande de bewijslast moet de bijstandzoeker aantonen
dat hij in een staat van behoeftigheid verkeert. Als de relevante bewijsgegevens,of
stavingsstukken uitblijven of er zijn vage en tegenstrijdige verklaringen van de aanvrager,
dan beslissen de arbeidsrechtbanken meestal dat het beroep ongegrond is, de debatten
heropend moeten worden of ze verplichten het OCMW om een sociaal onderzoek te
verrichten.

3.2.4.5:         De bijstandzoeker is zelf verantwoordelijk voor zijn staat van
                 behoeftigheid

De rechtspraak bevestigt de stelling dat als de bijstandzoeker zelf aansprakelijk is voor zijn
staat van behoeftigheid, hij niet automatisch wordt uitgesloten van het recht op
maatschappelijke dienstverlening. De staat van behoeftigheid mag niet voortvloeien uit een
bedrieglijk opzet.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening staat los van vergissingen, onwetendheid,
nalatigheid of fouten van de aanvrager. Dit houdt echter niet in dat het OCMW steun moet
verlenen aan bijstandzoekers die zich met bedrieglijk opzet van al hun bestaansmiddelen
ontdaan hebben om aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke dienstverlening.


40
   Artikel 1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, B.S. 5 augustus 1976.
41
   C.T. Bruxelles, 8e ch., 1er mars 2001, CPAS Jodoigne / X, RG 40.347
42
   M. Van Ruymbeke, PH. VERSAILLES, Guide Ssocial permanent, l‟aide sociale, Titre III, ch. I, 2-10.
                                                                                                       34


3.2.4.6:         De meest geschikte steun

Het OCMW verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm43. Zo kan het OCMW
eenmalige geldelijke steun verlenen voor het dekken van bijzondere dringende uitgaven of
voor uitzonderlijke noden. Hier is ook de menselijke waardigheid de norm bij de
beoordeling van de uitgave waarvoor tussenkomst aan het OCMW wordt gevraagd. De
aard van de kosten is niet doorslaggevend voor het toekennen van de hulp, maar wel de
oorzaak en de bestemming van de hulp. De aanschaf van een bepaald goed moet
noodzakelijk zijn voor het menswaardig bestaan van de aanvrager. Zo zijn luxegoederen
onverenigbaar met het recht op maatschappelijke dienstverlening, tenzij uitzonderlijke
omstandigheden het bezit ervan rechtvaardigen.

De beoordeling gebeurt geval per geval in het kader van de individualisering van de steun.

3.2.5: De werkbereidheid44

3.2.5.1:         Een facultatieve voorwaarde

De allereerste mogelijkheid om zichzelf een bestaan te verschaffen dat beantwoordt aan de
menselijke waardigheid is de bereidheid tot werken. Maatschappelijke dienstverlening
moet immers worden verstrekt aan personen die niet in de mogelijkheid zijn een leven te
leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Iemand die wel die mogelijkheid
heeft, door bijvoorbeeld te werken, is hierdoor niet gerechtigd op deze dienstverlening.

Volgens bepaalde rechtspraak is de voorwaarde van werkbereidheid vervuld wanneer de
begunstigde van de hulp voldoende inspanningen heeft gedaan om werk te zoeken. Het
gaat hier niet om een resultaatverbintenis maar wel om een inspanningsverbintenis.

Het bewijs van werkbereidheid kan onder andere geleverd worden door:
    getuigschriften waaruit blijkt dat er naar werk wordt gezocht;
    inschrijving bij bijvoorbeeld de VDAB;
    het volgen van een bijkomende opleiding;
    arbeid verrichten in het kader van een PWA-overeenkomst;
    getuigschriften waaruit de inschrijving blijkt bij een agentschap voor uitzendwerk;
    uitzendwerk zelf;
    …

3.2.5.2:         Vrijgesteld van bewijs

3.2.5.2.1:       Gezondheidsredenen

De arbeidsgerechten vellen soms vonnissen waarbij de rechthebbenden (soms kortstondig)
worden vrijgesteld van normale werkbereidheid als ze getuigschriften overhandigen
waaruit ziekte blijkt.

De aanvragers moeten daarvan wel het bewijs leveren door medische attesten.


43
   Artikel 60, § 3 Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, B.S. 5 augustus 1976.
44
   D. Pieters, “Werkbereidheid of loonbereidheid?”, 2003.
                                                                                          35


3.2.5.2.2:     Billijkheidsredenen

Deze redenen moeten logischerwijs tijdig worden ingeroepen en voldoende worden
gestaafd. Zo kan bijvoorbeeld de zorg voor een mentaal minderbedeeld kind een
billijkheidsreden vormen als dit voldoende gestaafd is en tijdig is ingeroepen.

3.3: Bevel om het grondgebied te verlaten

Het bevel het grondgebied te verlaten is een schriftelijke, gemotiveerde beslissing die de
vreemdeling opdraagt om binnen een bepaalde termijn, op eigen kracht het grondgebied te
verlaten.

Een vreemdeling die niet gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan 3
maanden in België of zich in België te vestigen kan een bevel krijgen het grondgebied voor
een bepaalde datum te verlaten. Dit gebeurt om 1 van volgende redenen:
    wanneer hij in het rijk verblijft zonder houder te zijn van de vereiste documenten.
       De vreemdeling moet, naargelang zijn nationaliteit, in het bezit zijn van een
       identiteitskaart of paspoort, eventueel voorzien van een visum of een machtiging tot
       voorlopig verblijf.
    wanneer hij langer dan 3 maanden, of langer dan de geldigheidsduur van zijn
       visum, in België verblijft. De vreemdeling moet zelf het bewijs leveren dat hij de
       toegestane termijn niet heeft overschreden. Als hij dat niet kan leveren, dan wordt
       ervan uitgegaan dat hij te lang in het land verblijft. De vreemdeling kan die bewijs
       onder andere leveren aan de hand van stempels in zijn paspoort. Wanneer er
       bijvoorbeeld een stempel in het paspoort straat waaruit blijkt dat de vreemdeling 3
       dagen voor de controle nog in Canada verbleef, dan levert de vreemdeling het
       bewijs dat hij pas 3 dagen in België vertoeft.
    wanneer hij door zijn gedrag de openbare orde of veiligheid van het land heeft
       geschaad. Dit zal het geval zijn wanner een vreemdeling op heterdaad betrapt werd
       bij een misdrijf en niet werd aangehouden, of wanneer concrete ongunstige
       inlichten worden bekomen over het gedrag van de vreemdeling.
    wanneer hij als ongewenst is gesignaleerd in België. Een vreemdeling kan als
       ongewenst gesignaleerd zijn in de opsporingsregisters omwille van een
       veroordeling wegens een misdaad of een wanbedrijf dat aanleiding kan geven tot
       uitlevering of omdat zijn aanwezigheid een gevaar uitmaakt voor de openbare orde
       of veiligheid van het land.
    wanneer hij wordt aangetroffen in staat van landloperij of van bedelarij of wanneer
       hij kennelijk zonder voldoende middelen van bestaan is en niet in de mogelijkheid
       verkeert deze te bekomen door het wettig uitoefenen van een legale winstgevende
       werkzaamheid. Een landloper is een persoon die geen vaste woonplaats heeft of
       geen middelen van bestaan heeft en gewoonlijk geen ambacht of beroep uitoefent.
       Een bedelaar is een persoon die aalmoezen vraagt in geld of in natura, om in zijn
       onderhoud te helpen voorzien, zonder dat hij hiervoor zelf een tegenprestatie levert.
       Een vreemdeling moet kunnen aantonen dat hij kan instaan voor de kosten van zijn
       verblijf en van zijn door – of terugreis.
    wanneer hij aangetast is door 1 of andere ziekte of gebrek dat opgesomd is in de
       bijlage van de vreemdelingenwet. Pest, tbc, syfilis,… zijn enkele van de ziektes
       opgesomd in die bijlage.
    wanneer hij een beroepsbezigheid beoefent als zelfstandige of in ondergeschikt
       verband waarvoor niet in bezit van de nodige machtiging.
                                                                                            36


3.4: Dringende medische hulp

In afwijking van artikel 57, § 2 van de OCMW-Wet is de opdracht van het centrum beperkt
tot dringende medische hulp aan de vreemdeling die onwettig in België verblijft. Een
vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig erkend
te worden, verblijft illegaal in België wanneer zijn asielaanvraag is geweigerd en hij een
bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend.

Het begrip „dringende medische hulp‟ blijft het voorwerp uitmaken ven vele interpretaties,
ook al houdt de meerderheid van de rechtspraak is aan een strikte toepassing van dit
begrip.
Enkele voorbeelden van wat valt onder dringende medische hulp en wat niet:
    De kosten van een bevalling vallen onder dringende medische hulp omdat ze de
        medische zorgen moeten dekken die het mogelijk maken dat de bevalling verloopt
        in omstandigheden die een gezondheids – of levensbedreigend risico voor de
        moeder en kind vermijden45.
    Het begrip dringende medische hulp sluit uit dat ze kan verleend worden voor een
        langere periode voorafgaand aan de aan het OCMW gerichte aanvraag, nadat de
        medische zorgen of behandeling al achter de rug zijn46.
    Rekeningen voor gewone gezondsheidszorg vallen niet onder de dringende
        medische hulp47.
    De arbeidsrechtbank van Mechelen heeft geoordeeld dat een dringende medische
        nood ook de steun uitmaakt naar aanleiding van een dringende psychische hulp, het
        moet gestaafd zijn door een medisch attest48. De rechter baseerde zich hiervoor op
        het KB van 12 december 1996 dat de dringende medische nood gedefinieerd als de
        hulp die zowel preventief als curatief van aard kan zijn en kan zorgverstrekking kan
        bevatten van zowel preventieve als curatieve aard.

De rechtspraak benadrukt de noodzaak om het bewijs van de overmacht wegens medische
omstandigheden te bewijzen en herinnert eraan dat een dergelijk bewijs niet automatisch
recht op steun oplevert. Een vage beschrijving van de gezondheidsredenen en van de
andere redenen waarom de noodzakelijke zorgen niet kunnen worden verstrekt in het land
van herkomst is onvoldoende49.

Het komt de eiser toe het land aan te duiden waar hij niet naartoe kan worden
gerepatrieerd, vooral wanner hij overmacht inroept omdat hij geen aangepaste zorgen in
dat land kan ontvangen.




45
   T.T. Nivelles, 2e ch., 6 mars 2001, X / CPAS Tubize, RG 1874/N/2000.
46
   T.T. Bruxelles, 15e ch., 27 juin 2001, X / CPAS Saint-Gilles, RG 5705/01.
47
   T.T. Bruxelles 15e ch., 10 décembre 2001, X / CPAS Saint-Gilles et E.B., RG 14.698/01.
48
   Arbrb. Mechelen, 1ste K., 7 maart 2001, X / OCMW Bornem, AR 76.474.
49
   Arbrb. Antwerpen, 4de K., 26 september 2001 OCMW Schelle / X, AR 2000463.
                                                                                             37


3.5: De gerechtelijke procedure voor maatschappelijke dienstverlening

3.5.1: Bevoegdheid van de rechtbank

3.5.1.1:            Territoriale bevoegdheid

De territoriale bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de aanvrager is geen
kwestie van openbare orde. Het geding mag dus voor de rechter van de plaats van het
OCMW, de verwerende partij, gevoerd worden, tenzij het OCMW zelf zich hiertegen zou
verzetten.

Het principe van territoriale bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de
rechthebbende geldt ook voor de door het OCMW ingestelde vorderingen tot terugbetaling
van toegekende voorschotten.

3.5.1.2:            Materiële bevoegdheid

Materiële bevoegdheid is van openbare orde en moet worden nagegaan door de rechtbank,
ook al is er geen exceptie van onbevoegdheid opgeworpen door de verweerder.

Als een beslissing van het OCMW bij vergissing vermeldt dat beroep kan worden ingesteld
bij de arbeidsrechtbank, wanneer voor de bedoelde aangelegenheid volgens de
wetsbepalingen van openbare orde alleen de burgerlijke rechtbanken bevoegd zijn heeft
niet tot gevolg dat de arbeidsrechtbank bevoegd wordt.

3.5.1.3:            Het kort geding

De rechter moet waakzaam de noodzaak van hoogdringendheid controleren. Dezelfde
rechtbank is bevoegd als bij andere gelijkaardige zaken.

3.5.1.4:            Taalgebruik

De Taalwet Gerechtzaken50 zegt dat als het verzoekschrift niet in de juiste taal is, het
verzoekschrift nietig is. De eiser heeft dan de mogelijkheid om een ander beroep in te
stellen in de juiste taal. De eiser moet dit doen binnen de maand na de uitspraak van het
vonnis dat zegt dat het verzoekschrift in de verkeerde taal was opgesteld.

Als het verzoekschrift was opgesteld in het Engels, dan is het strijdig met artikel 2 van de
Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het verzoekschrift is dan
niet regelmatig naar vorm.

Uiteraard komt het in Vlaanderen vaker voor dat een verzoekschrift foutief in het Frans
werd opgesteld. Voor rechtbanken met een uitsluitend Nederlands taalstatuut moet de
inleidende akte dan op straffe van nietigheid in het Nederlands gebeuren.




50
     De Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, B.S. 22 juni 1935.
                                                                                                      38


De rechterlijke instanties mogen geen verzoekschriften afwijzen wanneer zij opgesteld zijn
in een officiële taal van het land waarmee België een sociaal zekerheidsverdrag heeft
afgesloten. Rwanda bijvoorbeeld komt niet voor op de lijst van bilaterale sociale
zekerheidsverdragen die België heeft afgesloten, een verzoekschrift van een Rwandees
moet dus worden opgesteld in de Nederlandse taal.

3.5.2: Het inleiden van de vordering

3.5.2.1:     Het voorwerp van de vordering

De vordering kan verschillende voorwerpen hebben, namelijk:
    een vordering tegen een beslissing
    een vordering tegen het ontbreken van een beslissing
    een beroep tegen opeenvolgende beslissingen
    een beroep tegen een bevestigde beslissing

3.5.2.2:     De indiener van de vordering

De indiener van de vordering moet aan bepaalde voorwaarden voldoen:
    hij moet bekwaam zijn
    de rechtzoekende moet er natuurlijk ook een belang bij hebben om een vordering in
       te leiden. Een eiser heeft er geen belang bij een beslissing aan te vechten die hem
       toekent hetgeen hij gevraagd heeft. Een eiser bijvoorbeeld beschikt wel over een
       belang om op te treden en om een tegemoetkoming van het OCMW te verkrijgen in
       de tenlasteneming van de hospitalisatiekosten, zelfs indien hij zelf nog geen
       rekening heeft ontvangen. De rechtbank kan namelijk al oordelen over de
       principiële vraag of het OCMW moet tegemoetkomen voor een bedrag dat dan later
       zal worden bepaald.

3.5.2.3:     De termijn

De beroepstermijn om een vordering in te stellen aangaande de maatschappelijke
dienstverlening is vastgesteld op 1 maand. Dit is vastgesteld in artikel 71 van de OCMW-
Wet51.

Sommige arbeidshoven betreuren deze beperking van 1 maand. De personen die om
bijstand verzoeken zijn namelijk dikwijls slecht op de hoogte van hun rechten. Deze
personen leven vaak zowel op materieel als op psychologisch vlak in een uiterst onzekere
situatie.

De beroepstermijn loopt niet wanneer de beslissing niet vermeldt dat een dergelijk beroep
kan worden ingesteld.

De termijn is voorgeschreven op straffe van verval.

Wanneer het beroep met aangetekend schrijven wordt ingediend dan moet naar de datum
van de poststempel gekeken worden en niet naar de datum van ontvangst ter griffie.

51
  Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, B.S. 5
augustus 1976.
                                                                                           39


Er is 1 uitzondering, als er sprake is van overmacht dan kan de rechter oordelen dat de
vordering toch ontvankelijk is ondanks de laattijdigheid.

De eis van de aanvrager is onontvankelijk als hij zijn aanspraken meteen voor de
arbeidsgerechten brengt en niet eerst het OCMW heeft aangesproken. Een beroep
ingesteld voor dat het OCMW uitspraak heeft gedaan en de termijn voor uitspraak is nog
niet verstreken is voorbarig en onontvankelijk.

3.5.2.4:    De vorm

Het verzoekschrift moet niet noodzakelijk de aangevochten beslissing en de tegenpartij
vermelden. Het voorwerp moet dan wel identificeerbaar zijn.
Maar als de eiser enkel de beslissing opstuurt naar de griffie zonder enige verdere uitleg en
zonder dat het dossier een stuk bevat waaruit blijkt dat eiser verhaal instellen tegen de
beslissing, dan is de rechtbank niet verplicht deze partij op te roepen en het geschil te
beslechten. Toch worden deze dossiers regelmatig opgeroepen door de rechtbank.

3.5.4: De behandeling

3.5.4.1:    De vertegenwoordiging van de partijen

Volgens artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek kan de eisende partij zich laten bijstaan
of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een vakbondsorganisatie of een
afgevaardigde van een maatschappelijke organisatie die zich ontfermt over de groep van de
in de wetgeving betreffende de maatschappelijke dienstverlening bedoelde personen.

De toepassingsvoorwaarden van artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek, in het
bijzonder de vraag of een organisatie de wettelijke voorwaarden vervult om de eisende
partij te vertegenwoordigen, zijn nooit het onderwerp van debat voor het gerecht.
Sommige rechtbanken aanvaarden dat de eiser door zijn levenspartner wordt bijgestaan.

Het OCMW is voor de rechtbank vertegenwoordigd door zijn voorzitter, een raadslid van
de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, zijn secretaris, zijn ontvanger, of een
gevolmachtigd aangestelde.

3.5.4.2:    De devolutieve werking

De rechtbank moet uitspraak doen over het opgeëiste recht en moet rekening houden met
alle nieuwe feitelijke gegevens die zich voordoen tussen de neerlegging van het
verzoekschrift en de sluiting van de debatten.
De devolutieve werking van het verhaal in rechte schendt het principe van de scheiding der
machten niet. De sociale zekerheidswetgeving is van openbare orde en de rechter heeft niet
alleen als taak de beslissingen te vernietigen, maar ook te verhelpen aan hun gebreken en
eveneens de gevolgen van een slechte werking van de openbare diensten te herstellen.

In afwijking van het devolutieve beginsel vinden de arbeidsgerechten zich onbevoegd om
zich in de plaats te stellen van de bestuurlijke overheid en de begunstigde te veroordelen
tot de terugbetaling van de onverschuldigde bijstand, wanneer zij een recuperatiebeslissing
van het OCMW aangaande toegekende maatschappelijke dienstverlening nietigverklaren.
                                                                                                            40


Bepaalde rechterlijke beslissingen veroordelen het OCMW tot een optreden, maar noemen
in hun beschikkend gedeelte hypothesen die, als ze zich voordoen, het centrum toelaten of
verplichten de situatie te herzien, in functie van een nieuw gegeven dat door de rechtbank
wordt beoogd. Soms bakent de rechtbank in deze beslissingen vooraf het terrein af
waarbinnen moet worden opgetreden. De arbeidsrechtbank te Nijvel bijvoorbeeld beveelt
het OCMW op te treden ten gunste van een student en nodigt het centrum vervolgens uit
om de situatie te herzien in het licht van de examenuitslag in de maand september.

3.5.4.2:      De wijziging van de eis in de loop van het geding

De partijen hebben de mogelijkheid om het onderwerp van de eis in de loop van het geding
uit te breiden of te wijzigen. Deze mogelijkheid blijft in de rechtspraak voor discussie
zorgen.

Een bijstandzoeker kan zijn eis niet voor de rechtbank uitbreiden om voortaan, boven op
de toekenning van bijstand die oorspronkelijk bij het OCMW is gevraagd, ook nog andere
maatschappelijke dienstverlening te eisen, waar hij het OCMW niet eerder om heeft
verzocht. Hij moet eerst het OCMW aanspreken52.

3.5.4.3:      Nieuwe middelen in de loop van het geding

Een meerderheid binnen de rechtspraak oordeelt nog steeds dat de rechter het geheel van
de toekenningsvoorwaarden van de gevraagde bijstand moet waarderen, hij mag er zich
niet toe beperken de gegrondheid van de door het OCMW in de motivering van de
weigeringsbeslissing aangebrachte argumenten te beoordelen. De rechter moet dus ook
alle aangebrachte middelen beoordelen, met name ook de middelen die door het OCMW in
de loop van het geding worden opgeworpen om bijstand te weigeren53.

Nochtans is er een nieuwe ontwikkeling in de rechtspraak. Bepaalde beslissingen oordelen
voortaan dat het OCMW niet voor het eerst voor de rechtbank tijdens de behandeling van
het beroep tegen zijn beslissing een reden tot weigering kan opwerpen die niet voorkomt in
zijn weigeringsbeslissing, Het gaat hier dan om een reden tot weigering die niet door het
centrum onderzocht is via een sociaal onderzoek.

Deze oplossing is gerechtvaardigd omdat het OCMW een motiveringsplicht heeft bij een
administratieve beslissing. Als er een betwisting is kan een administratieve overheid zich
alleen beroepen op de in de akte bekendgemaakte motieven. Een motivering kan niet
langer blijken uit het dossier54.

3.5.4.4:      De voorlopige uitspraak

Dit is eigelijk een tussenvonnis, de debatten moeten achteraf nog heropend worden. Dit is
meestal het geval wanneer er nog een bijkomend onderzoek moet gebeuren.



52
   T.T. Namur, 9e ch., 9 mars 2001, X / CPAS Floreffe, RG 110.130; T.T. Tournai, 3 e ch., 4 juillet 2001, X /
CPAS Ath, RG 71.099; T.T. Bruxelles, ch. vac., 13 août 2001, X / CPAS Bruxelles et E.B., RG 6981/01;
T.T. Bruxelles, 15e ch., 10 décembre 2001, X / CPAS Uccle, RG 16.112/01; T.T. Bruxelles, 15e ch., 19
décembre 2001, X / CPAS Koekelberg, RG 12.269/01.
53
   T.T. Liège, 9e ch., 19 juin 2001, Seraing, RG 313.422 et 313.436.
54
   Arbrb. Kortrijk, 2de K., 5 september 2001, X / OCMW Kortrijk, AR 61.282.
                                                                                                               41


3.5.4.5:      Het advies van het Auditoraat

De wet van 14 november 200055 staat de partijen toe conclusies neer te leggen als
antwoord op het advies van het Auditoraat. De conclusies hebben uitsluitend betrekking op
de inhoud van het advies. Een partij kan niet op een ontvankelijke wijze andere middelen
ontwikkelen of nog bovenop die nieuwe conclusies nieuwe stukken neerleggen.

Het auditoraat is eigelijk simpel uitgelegd het parket van de arbeidsrechtbank.

3.5.4.6:      Verstek van de eiser

De rechtspraak is zeer streng voor bijstandzoekers die niet komen opdagen op de zitting.
Vanuit de overweging dat deze bijstandszoekers het beroep niet langer nodig achten, wordt
het beroep dan ongegrond verklaard. Sommige rechtbanken zijn niet akkoord met deze
stelling en ontleden toch de grond van de zaak, of toch minstens de middelen die
betrekking hebben op de openbare orde.

3.5.4.7:      Samenhang der vorderingen

Geoordeeld werd dat de beroepen, die tegen hetzelfde OCMW gericht zijn door twee
samenwonende personen, waaraan aan alletwee een beslissing van dit centrum betekend is,
moeten samengevoegd worden omdat er redenen zijn van samenhang. Hetzelfde geldt voor
de beroepen van 2 personen die nauw verwant zijn en die met dezelfde moeilijkheden te
kampen hebben.

3.5.5: Het vonnis

3.5.5.1:      Voorlopige uitvoerbaarheid

De regel luidt dat de rechter met passende omzichtigheid zijn vonnis uitvoerbaar bij
voorraad moet verklaren. Toch staat de grote meerderheid van de beslissingen de
voorlopige uitvoering toe.

Bepaalde rechtspraak verduidelijkt niettemin dat de voorlopige uitvoering noodzakelijk is.
Ingeval van maatschappelijke dienstverlening is dit nodig om een menswaardig leven te
kunnen leiden, omdat de maatschappelijke dienstverlening van oorsprong dringend is of
omdat de vordering tot het bekomen van een levensminimum vergelijkbaar is met een
vordering tot levensonderhoud waarvoor artikel 1404 van het Gerechtelijk Wetboek het
kantonnement uitdrukkelijk uitsluit.

Andere rechtspraak weigert de voorlopige uitvoering of beperken die tot het deel van de
veroordeling dat betrekking heeft op de periode na vonnis. Dit gebeurt zonder verdere
uitleg.

De arbeidsrechtbank van Brussel heeft in enkele beslissingen zonder bijzondere motivering
besloten om de voorlopige uitvoering slechts toe te staan voor de steun die betrekking heeft
op de periode na de uitspraak.


55
  Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst van het openbaar ministerie in de
procedure voor het Hof van Cassatie en, in burgerlijke zaken, voor de feitenrechters en tot wijziging van de
artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van strafvordering.
                                                                                          42


3.5.5.2:        De kosten

Het opleggen van de kosten aan de eisende partij wegens roekeloos en tergend geding is
uiterst zeldzaam. Het gebeurt wanneer de eiser geen enkel bewijs levert ter ondersteuning
van zijn stelling en zijn stelling het tegenovergestelde zegt van het sociaal verslag of
wanneer de zitting verschillende keren tevergeefs is verdaagd om hem in staat te stellen dat
bewijs te verschaffen.
Om tergend en roekeloos te zijn moet het beroep op een kwaadwillige, onnadenkende of
lichtzinnige wijze of ter kwader trouw worden ingediend56.

Een vonnis heeft de kosten op de schouders van de begunstigde van maatschappelijke
dienstverlening gelegd die was veroordeeld tot terugbetaling aan het OCMW van de ten
onrechte ontvangen steun.

De kosten blijven ten laste van het OCMW, zelfs wanneer dit centrum als eisende partij de
terugbetaling vordert van toegekende voorschotten. Omdat die sommen maatschappelijke
dienstverlening zijn, valt de vordering tot terugbetaling onder de toepassingssfeer van
artikel 580, 8° van het Gerechtelijk Wetboek.

3.5.5.3:        Afstand van het geding en gebrek aan belang

De rechtbank stelt vast dat het beroep zonder voorwerp is wanneer het OCMW na de
eerste, aangevochten beslissing een andere beslissing heeft genomen die tegemoetkomt aan
de eis van de betrokkene of wanner de staat van behoeftigheid die volgens de eisende partij
een optreden van het OCMW zou rechtvaardigen, verdwenen is.
Het beroep is zonder belang wanneer de beslissing van het OCMW in werkelijkheid
precies heeft toegekend hetgeen de eiser in zijn beroep vordert.

Vele beslissingen in de rechtspraak nemen notie van de vraag van afstand van een
rechtsvordering of van een schrapping op verzoek van de eisende partij ofwel omdat het
OCMW in een nieuwe beslissing de vraag om maatschappelijke dienstverlening
uiteindelijk inwilligt ofwel omdat de eisende partij toegeeft dat zijn beroep zwak
onderbouwd was ofwel nog omdat de partijen zelf tot een akkoord gekomen zijn.

3.5.5.4:        De motivering van het vonnis

Zoals het geval is met alle vonnissen die worden uitgesproken, moet ook hier de beslissing
die de rechter neemt voldoende gemotiveerd worden.




56
     Arbrb. Ieper, 1ste K., 18 mei 2001, X / OCMW Ieper, AR 22934.
                                                                                            43


3.5.5.5:    De verwijlintresten

De verwijlintresten (die aan de wettelijke intrestvoet gelijk zijn) zijn door het OCMW
verschuldigd bovenop de maatschappelijke dienstverlening. Er moet vooraf geen andere
ingebrekestelling zijn om deze intresten te krijgen. De intresten beginnen te lopen vanaf
de datum van het verzoekschrift.

De begunstigde van bijstand die wordt veroordeeld tot terugbetaling van maatschappelijke
dienstverlening is verwijlintresten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling, dit
overeenkomstig artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Soms is de ingebrekestelling
niet eerder gebeurd dan het verzoekschrift, in dit geval zijn de intresten verschuldigd vanaf
de datum van het verzoekschrift.
                                                                                          44


HOOFDSTUK 4: WETGEVING WAAROP DE RECHTSPRAAK ZICH
             BASEERT INZAKE DIENSTVERLENING AAN
             VREEMDELINGEN


4.1: De OCMW-Wet van 5 juli 1978

Aangezien de OCMW-Wet veel te uitgebreid is, plaats ik hier de belangrijkste artikels
waar ik in dit eindwerk naar verwezen heb.

4.1.1: Artikel 1

Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder
in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke
waardigheid.
Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze
wet bepaalde voorwaarden,tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren.

4.1.2: Artikel 57

§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te
verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.
Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp.
Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of
psychologische aard zijn.

§ 2. (In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot :
       1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling
          die illegaal in het Rijk verblijft;
       2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun
          onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het
          gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het
          Rijk verblijft.
(In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp
die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een
federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de
Koning.) De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet
worden.
Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te
worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan
de betrokken vreemdeling een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is
betekend.
De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende
was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd
betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de
dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van
het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt
noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor
                                                                                           45


zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied
zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval een maand
overschrijden.
(De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het
centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de
betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring.)
 (Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van
artikel 77bis , § 4bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de in het
vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een
onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.)

§ 3. Het centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het
onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de ouders of
overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.

§ 4. Het centrum voert de taken uit die hem door de wet, de Koning of de
gemeenteoverheid zijn toevertrouwd.

4.1.3: Artikel 71

Eenieder kan (bij de arbeidsrechtbank) in beroep gaan tegen een beslissing inzake
individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad
bevoegdheden heeft overgedragen.
Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de
ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. (Deze
termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag
van de overzending. (Het beroep moet worden ingesteld binnen de maand te rekenen
vanaf hetzij de datum van aangifte ter post van de aangetekende brief waarmee de
beslissing wordt meegedeeld, hetzij vanaf de datum van het ontvangstbewijs van de
beslissing, hetzij vanaf de datum van het verstrijken van de termijn bepaald in het vorige
lid.)
Het beroep werkt niet schorsend.
(Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de
arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de
uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of
door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het
ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn.)
                                                                                            46


4.2: De Wet van 15 december 1980

Dit is de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen. Het is de wet die beter bekend is als de
vreemdelingenwet.
Deze wet is weerom te uitgebreid om helemaal in dit eindwerk op te nemen. Ik plaats hier
dus enkel de belangrijkste artikels waarnaar ik in dit eindwerk verwezen heb.

4.2.1: Artikel 1

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
 1° vreemdeling : al wie het bewijs niet levert dat hij de Belgische nationaliteit bezit;
 2° de Minister : de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

4.2.2: Artikel 9

Op grond van dit artikel gebeuren sommige regularisatieaanvragen.

Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de
vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe
gemachtigd worden door (de Minister) of zijn gemachtigde.
Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit
bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij
de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn
plaats van oponthoud in het buitenland.
In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden
aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan
(de Minister) of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.

4.2.3: Artikels 62 tot en met 74

In deze artikels worden de rechtsmiddelen voor de vreemdeling besproken. Aangezien dit
te uitgebreid is, verwijs ik er enkel naar en neem ik deze artikels niet helemaal op in mijn
eindwerk.

4.3: De Wet van 22 december 1999

Dit is de Wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.

4.4: Het Koninklijk Besluit van 12 december 1996

 Dit Koninklijk Besluit gaat over de dringende medische hulp die door de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het
Rijk verblijven.

4.5: Ministeriële omzendbrief van 11 februari 2002

De ministeriële omzendbrief van 11 februari 2002 is door de rechtspraak van tafel
geveegd. In deze omzendbrief werd gezegd dat een regularisatieaanvraag geen recht gaf op
maatschappelijke dienstverlening, de rechtspraak is hier niet mee akkoord.
                                                                                            47


4.6: Het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens

Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens wordt nog steeds
regelmatig geciteerd om de stelling te staven dat regularisatiekandidaten recht hebben op
maatschappelijke dienstverlening.

4.5.1: Artikel 3

Artikel 3 verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen. De Vreemdelingenwet
biedt hem enerzijds de waarborg dat zijn bevel om het grondgebied te verlaten niet ten
uitvoer zal worden gelegd, en anderzijds verplicht de Wet de regularisatie-aanvrager zich
aan te bieden telkens hij wordt opgeroepen. Een regularisatie-aanvrager alle
maatschappelijke dienstverlening ontzeggen tijdens deze procedure gaat in tegen de
menselijke waardigheid en is dus een, door het Verdrag, verboden behandeling.

4.5.2: Artikel 8

In artikel 8 van het EVRM bespreekt men het recht van de bescherming van het privé- en
het familieleven. De meeste arbeidsgerechten aarzelen om een recht op maatschappelijke
dienstverlening af te leiden uit dit artikel.

4.5.3: Artikel 13

Vaak wordt er ook verwezen naar artikel 13 van het EVRM. Volgens dit artikel heeft de
vreemdeling een effectief recht van beroep. Dit recht van beroep houdt ook in dat de
vreemdeling zijn verdediging moet kunnen verzekeren. Dit recht op beroep brengt dus met
zich mee dat de vreemdeling aanwezig moet zijn op het grondgebied voor zijn beroep, en
als men op het grondgebied verblijft dan moet men over de nodige bestaansmiddelen
beschikken.

Bepaalde rechterlijke uitspraken verwijzen stilzwijgend naar de inhoud van artikel 13,
zonder het artikel met naam te vermelden. Ze besluiten dat de regularisatiekandidaat een
menswaardig leven moet kunnen leiden als hij de aanvraagperiode wil doorstaan.

4.6: Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind

De vreemdelingen die maatschappelijke dienstverlening willen, blijven zich beroepen op
het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Het Verdrag wordt in
verschillende beslissingen geciteerd en van die beslissingen oordeelt een meerderheid van
de rechtspraak dat het Verdrag van toepassing is. Door dit oordeel moet maatschappelijke
dienstverlening toegekend worden ten voordele van de kinderen van de aanvrager.

De rechtspraak heeft wel haar analyse verfijnd. Het volstaat niet dat de kinderen illegaal
op het grondgebied verblijven om niet onder het toepassingsgebied van het Verdrag te
vallen. De kinderen bevinden zich op het grondgebied en dat vormt een band met de Staat,
ook al is verblijf onwettig, en die band zorgt ervoor dat ze onder de rechtsbevoegdheid van
België vallen. Dit wordt bedoeld in artikel 2 van het Verdrag.
                                                                                       48


Elke maatschappelijke dienstverlening, behalve de dringende medische hulp, ontzeggen
aan minderjarige kinderen als de staat van behoeftigheid van hun ouders niet wordt
aangevochten en als de ouders niet over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikken,
zou de door de Belgische Staat aangegane verbintenissen schenden krachtens de artikelen
3.1,3.2 en 6.2 van het Verdrag. Maatschappelijke dienstverlening is dus gerechtvaardigd
en wordt geval per geval begroot op het equivalent van de gewaarborgde gezinsbijslag.
Artikel 3.1 rechtvaardigt dat het OCMW veroordeeld wordt tot de betaling van
maatschappelijke dienstverlening aan de aanvrager, de aanvrager heeft de functie van
wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarig kind. De dienstverlening wordt begroot
op een forfaitair bedrag.
                                                                                        49


HOOFDSTUK 5: PREJUDICIËLE VRAGEN IN VERBAND MET
             MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING AAN
             VREEMDELINGEN


5.1: Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof 30 oktober 2001

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996,
schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de interpretatie dat het recht op
maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de
illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie
heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is
geregulariseerd.

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996,
schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, in zoverre het recht op maatschappelijke
dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdeling die een beroep heeft ingediend bij de Raad van
State tegen een bevel om het grondgebied te verlaten.

(zie bijlage 1 voor het volledige arrest)

5.2: Samenvatting van het arrest van het arbitragehof van 17 januari 2002

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996,
schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
artikel 23 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens, in de interpretatie dat het recht op maatschappelijke
dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend
op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd.

(zie bijlage 2 voor het volledige arrest)
                                                                                            50


5.3: Samenvatting van het arrest van het arbitragehof van 13 maart 2002

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in
samenhang met artikel 23 van de Grondwet, artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 3 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens, doordat het recht op maatschappelijke dienstverlening
beperkt tot de dringende medische hulp voor de vreemdeling van wie de herhaalde
aanvraag om als vluchteling te worden erkend niet in aanmerking is genomen, met bevel
het grondgebied te verlaten, door de bevoegde minister of zijn gemachtigde, met
toepassing van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ook al is
zijn beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State hiertegen nog niet beslecht.

(zie bijlage 3 voor het volledige arrest)

5.4: Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2002

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996 en
gedeeltelijk vernietigd door het arrest nr. 43/98 van het Hof, schendt niet de artikelen 10 en
11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met
artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten en met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens :
      in zoverre die bepaling de bijstand die kan worden verleend aan de vreemdelingen
         die een bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten dat definitief is
         geworden, hetzij wegens ontstentenis van beroep, hetzij door uitputting van de
         tegen dat bevel openstaande rechtsmiddelen, en die een aanvraag tot erkenning van
         staatloosheid hebben ingediend, beperkt tot dringende medische hulp;
      in zoverre die bepaling het recht op maatschappelijke dienstverlening van de
         illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot
         regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15
         december 1980 heeft ingediend, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, beperkt
         tot dringende medische hulp.

(zie bijlage 4 voor het volledige arrest)

5.5: Samenvatting van het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het
kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grondgebied
van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de
in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit.

(zie bijlage 5 voor het volledige arrest)
                                                                                          51


HOOFDSTUK 6: ENKELE VONNISSEN

6.1: Arbeidsrechtbank te Tongeren (04|01|2002)

De programmawet van 2 januari 2001heeft als doel de vermindering van de toeloop van
politieke vluchtelingen naar België te verminderen. Dit wordt gedaan door ze de financiële
hulp te ontzeggen. De politieke vluchtelingen ontvangen hoofdzakelijk nog materiële
steunverlening in natura in de daarvoor voorziene opvangcentra en instellingen.
Deze nieuwe wettelijke regeling is volgens dit vonnis enkel van toepassing op politieke
vluchtelingen die beroep aantekenen tegen een voor hen negatieve beslissing van het
Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen bij de Raad van State
betreffende de asielaanvragen van na 3 januari 2001. Deze vluchtelingen zullen aan een
opvangcentrum toegewezen worden.
De Politieke vluchtelingen die voor 3 januari 2001 een asielaanvraag ingediend hebben
maar na 3 januari zich wenden tot de Raad van State om een beslissing van het
Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen aan te vechten, blijven ten laste
van het OCMW overeenkomstig de vroegere wetgeving en dit op basis van de niet
terugwerkende kracht van de wettelijke bepaling en de rechtszekerheid die er moet bestaan
voor de vluchtelingen die voor 3 januari 2001 in België waren en reeds een asielaanvraag
ingediend hebben.

(zie bijlage 6 voor het volledige vonnis)

6.2: Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen (20|03|2002)

Een asielzoekster had een aanvraag gedaan om een machtiging tot verblijf van meer dan 3
maanden te bekomen op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet.
Het bevel om het land te verlaten dat dateert van na die aanvraag, zegt niets over die
aanvraag.
Wanneer de betrokkene geen gehoor geeft om ten gepaste tijde het voorziene
administratief beroep aan te tekenen tegen dit volgens haar onwettig bevel, kan zij de
onwettigheid ervan niet opwerpen voor de arbeidsgerechten in een procedure tegen een
OCMW dat onder verwijzing naar dit bevel de dienstverlening afschaft.

(zie bijlage 7 voor het volledige vonnis)

6.3: Arbeidsrechtbank te Tongeren (05|04|2002)

De vermelding van een Franstalige straatnaam in een beslissing van de OCMW-Raad is
een niet essentiële vermelding. Dat kan dus niet leiden tot een nietigheid van de beslissing
op basis van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik.
Een beslissing van de OCMW-Raad die zonder motivering afwijkt van het advies van de
maatschappelijk assistente is onvoldoende gemotiveerd en moet vernietigd worden.
De rechter die een administratieve beslissing om louter formele redenen vernietigt, mag de
betrokkene niet automatisch in het principieel recht herstellen, maar hij moet de zaak ten
gronde beoordelen.
Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor op welk ogenblik de materiële
dienstverlening in geld moet worden uitbetaald. Er bestaat geen automatisme dat zou
voorschrijven dat de steun aan het begin van de maand zou moeten worden uitbetaald.

(zie bijlage 8 voor het volledige vonnis)
                                                                                             52


6.4:   Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge (07|11|2002)

De bepalingen van artikel 57, § 2, eerste lid van de OCMW-Wet, zoals gewijzigd bij
artikel 65 van de Wet van 15 juli 1996, zijn duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar.
Deze bepalingen, die de taak van het OCMW beperken tot het verlenen van dringende
medische hulp, zijn van toepassing op iedere vreemdeling die om gelijk welke reden
illegaal in het Rijk verblijft, dit wil zeggen die in het Rijk verblijft zonder over een geldige
verblijfsvergunning te beschikken, overeenkomstig met de bepalingen van de
Vreemdelingenwet.
Aangezien de aanvraag tot regularisatie de juridische verblijfsstatus van de betrokken
vreemdeling niet wijzigt, en dus geen verblijfsvergunning wordt verleend aan de persoon
die illegaal op het grondgebied verblijft, moet worden besloten dat artikel 57,§ 2, eerste lid
van de OCMW-Wet van toepassing is op de illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling
die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend, ook al kan er in de toepassing van artikel
14 van de Wet van 22 december 1999 feitelijk niet tot zijn verwijdering worden
overgegaan. Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet van 22 december 1999 blijkt
dat de wetgever dit wel degelijk zo bedoeld heeft. Het Arbitragehof heeft geoordeeld dat
de fundamentele beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie die zijn ingeschreven in de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet hierdoor niet worden geschonden, hierdoor mag de
rechter niet doen alsof artikel 57, § 2, eerste lid niet van toepassing zou zijn op de illegaal
in het Rijk verblijvende vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben
ingediend. Ook al is dit tegen de duidelijke bepalingen van de Wet en de uitdrukkelijke wil
van de wetgever in.
Net zoals de beslissing over een aanvraag in toepassing van artikel 9, derde lid van de
Vreemdelingenwet, genomen krachtens artikel 13 van de Vreemdelingenwet, heeft de
beslissing tot regularisatie, genomen in toepassing van artikel 4, tweede lid van de Wet van
22 december 1999, geen terugwerkende kracht.

(zie bijlage 9 voor het volledige vonnis)

6.5: Arbeidsrechtbank te Brugge (11|12|2002)

Vanaf het moment dat een definitieve beslissing werd genomen over de asielaanvraag,
komt er een einde aan de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving. Hierdoor
is voortaan het OCMW van de gewone verblijfplaats bevoegd, maar zolang het OCMW
van de verplichte plaats van inschrijving de betrokkene niet op de hoogte heeft gebracht
van deze wijziging en zijn dossier niet aan het OCMW van de gewone verblijfplaats heeft
overgemaakt blijft het, bij wijze van schadevergoeding, gehouden tot de maatschappelijke
dienstverlening.

(zie bijlage 10 voor het volledige vonnis)

6.6: Arbeidsrechtbank te Oudenaarde (03|02|2003)

Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest nr 43/98 van 22 april 1998 dat de term
„uitvoerbaar‟ in het derde en het vierde lid van het artikel 57, § 2 van de OCMW-Wet
vernietigd moest worden en dat die vernietiging als gevolg moet hebben dat artikel 57,§2
geïnterpreteerd moet worden als zijnde niet van toepassing op de vreemdeling die
aangevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is verworpen en die
een bevel heeft gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de
Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de
                                                                                         53


Vluchtelingen en Staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de wet heeft genomen of
tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet zijn beslecht.
Hoewel het Arbitragehof bij het arrest nr 43/98 de term „uitvoerbaarheid‟ in het derde en
het vierde lid van artikel 57 § 2 van de OCMW-Wet expliciet vernietigde, had het dus
blijkbaar toch niet de bedoeling te raken aan de essentie van artikel 57 §2.
In zijn arrest 71/2001 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 57 § 2 van de OCMW-
Wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt doordat het recht op
maatschappelijke dienstverlening wordt beperkt tot dringende medische hulp voor de
vreemdeling wiens verblijf door de Dienst Vreemdelingenzaken is geweigerd op basis van
artikel 51/5 van de Wet van 15 december 1980 en artikel 8 van de Overeenkomst van
Dublin van 15 juni 1990, ook al bestrijdt de betrokkene die beslissing van de Dienst
Vreemdelingenzaken met een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing bij de
Raad van State.
In zijn arrest 131/2001 van 30 oktober 2001 heeft het Arbitragehof gesteld dat artikel 57 §
2 van de OCMW-Wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre het
recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor
de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een beroep heeft ingediend bij
de Raad van State tegen een bevel om het grondgebied te verlaten.

(zie bijlage 11 voor het volledige vonnis)
                                                                                         54


HOOFDSTUK 7: EEN CASUS

7.1: Algemene schets van de feiten

Een vrouw en haar dochter, geboren op 30 juli 1983, beide van Kroatische afkomst, wonen
in Brussel. Ze arriveerden in België op 27 januari 1998 en vroegen asiel aan.

De vrouw en haar dochter werden op 14 april 1998 toegewezen aan het OCMW van Geel
en ontvingen sindsdien financiële steun gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum in
de categorie alleenstaande met kinderlast, het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag en
het betalen van de ziekenfondsbijdragen.
Deze financiële steunverlening werd stopgezet op 8 maart 2004 na de betekening van een
negatief eindarrest van de Raad van State op 4 maart 2004 waardoor de asielprocedure
afgesloten werd.
Na deze beslissing van de Raad van State heeft de vrouw een regularisatieaanvraag
ingediend bij de Burgemeester van de Stad Brussel op grond van artikel 9, 3de alinea van
de Vreemdelingenwet op basis van medische redenen.

De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend bij de Arbeidsrechtbank van Turnhout op 22
maart 2004 tegen de beslissing van het OCMW om de maatschappelijke dienstverlening
stop te zetten. Het verzoekschrift was volgens de regels ingediend.

7.2: Standpunt van de bijstandszoeker

De vrouw vindt dat het OCMW haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. De reden
van stopzetting van de steunverlening is volgens het OCMW dat de Raad van State een
negatief eindarrest heeft uitgesproken.

Voor zichzelf is de vrouw van mening dat ze nog steeds recht heeft om maatschappelijke
dienstverlening omwille van haar regularisatieverzoek aan de Burgemeester van Brussel
dat ze heeft ingediend op basis van medische redenen.

Wat haar dochter betreft is de vrouw van mening dat kinderen van ouders die illegaal op
het grondgebied verblijven steun moeten worden toegekend zoals het Arbitragehof heeft
gesteld in zijn arrest van 22 juli 2003. Deze steun kan enkel worden toegekend als er aan 3
voorwaarden is voldaan:
        er moet vastgesteld zijn dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet
         in staat zijn deze na te komen;
        de aanvraag tot steun moet betrekking hebben op onontbeerlijke uitgaven voor de
         ontwikkeling van het kind voor wie de dienstverlening werd aangevraagd;
        het OCMW moet nagaan dat die dienstverlening uitsluitend zal gebruikt worden
         voor de hierboven beschreven uitgaven.
                                                                                            55


7.3: Standpunt van het OCMW

7.3.1: Over de moeder

De beslissing van het OCMW om de steunverlening stop te zetten is gebaseerd op artikel
57, § 2, 1ste lid van de OCMW-Wet. Dit artikel stelt dat de taak van het OCMW beperkt is
tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die
illegaal in België verblijft.
De vrouw diende wel een regularisatieaanvraag in op grond van artikel 9, alinea 3 van de
Vreemdelingenwet. Een regularisatieaanvraag ingediend op grond van artikel 9, alinea 3 is
een zuivere gunstmaatregel en schort de tenuitvoerlegging van het bevel om het
grondgebied te verlaten niet op en ze heft het onwettig karakter van het verblijf ook niet
op. Dit bepaald artikel kent geen enkel verblijfsrecht toe aan de vrouw, zelfs niet tijdelijk.
De regularisatieaanvraag kent dus geen enkele verblijfstitel en heeft niet tot gevolg dat het
definitief bevel om het grondgebied te verlaten wordt ingetrokken of geschorst.

Een aanvraag tot verblijfsvergunning op grond van artikel 9, alinea 3 verhindert dus niet de
toepassing van artikel 57 § 2 van de OCMW-Wet.

De beslissing is dus bijgevolg terecht.

7.3.2: Over de dochter

Volgens het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 is het OCMW inderdaad bevoegd
voor het vaststellen van de staat van behoeftigheid van een vreemdeling jonger dan 18 jaar
die met zijn ouders illegaal in het land verblijft indien de ouders hun onderhoudsplicht niet
nakomen. De maatschappelijke hulp wordt beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk
is voor de ontwikkeling van het kind.

De dochter is echter ouder dan 18 jaar en dus meerderjarig. Het arrest is bijgevolg niet van
toepassing. De meerderjarige dochter verblijft hier dus illegaal en op basis van artikel 57,
§ 2, 1ste lid van de OCMW-Wet moet het OCMW alleen dringende medische hulp
verlenen.

De beslissing om de steun stop te zetten was dus weerom correct.

7.4: Mijn oordeel over deze zaak

Volgens artikel 57,§ 2, 1ste lid van de OCMW-Wet verblijft deze vrouw wel degelijk
onwettig op het grondgebied. Het feit dat ze een bijzonder regularisatieverzoek heeft
ingediend bij de Burgemeester van Brussel, verhindert niet dat artikel 57, § 2 geldt. Ik
moet dus voor deze vrouw besluiten dat ze enkel nog recht heeft op dringende medische
hulpverlening. Ik ga dus akkoord met de beslissing van het OCMW.

Het Arbitrage hof stelt inderdaad in haar arrest van 22 juli 2003 dat het OCMW moet
instaan voor maatschappelijke hulp aan kinderen waarvan hun ouders hun
onderhoudsplicht niet nakomen. Maar het Arbitrage hof stelt ook duidelijk dat het gaat om
minderjarigen, en niet, zoals in dit geval, een dochter van 21 jaar oud. Ook hier besluit ik
dus dat het OCMW terecht gehandeld heeft door de maatschappelijke dienstverlening stop
te zetten.
                                                                                        56


Als ik rechter zou zijn in deze zaak, dan zou ik concluderen dat de zaak ontvankelijk was,
doch ongegrond.
De zaak was ontvankelijk omdat alle regels waren gevolgd met betrekking tot het indienen
van een vordering.
Omdat het OCMW terecht was in haar beslissing van het stopzetten van de
maatschappelijke dienstverlening, is de zaak ongegrond.
                                                                                        57


Besluit

Zoals u kunt lezen in mijn eindwerk, hebben niet alle vreemdelingen recht op
maatschappelijke dienstverlening.

Vreemdelingen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben gekregen
bijvoorbeeld, hebben enkel nog maar recht op dringende medische hulp wanneer de
termijn om het grondgebied te verlaten verlopen is.
Voor iedere rechthebbende voor maatschappelijke dienstverlening is er natuurlijk het
criteria dat ze hulpbehoevend zijn. Mensen die geen steunverlening nodig hebben, krijgen
er ook geen.

Toch kunnen we besluiten dat de wetgeving nog moet aangepast worden aan de
rechtspraak in sommige gevallen. Hierbij kijken we naar de ministeriële omzendbrief van
11 februari 2002. Deze omzendbrief stelt dat het recht op maatschappelijke
dienstverlening stopt om het moment dat het bevel om het grondgebied te verlaten is
betekend. Volgens het standpunt de rechtspraak daarintegen is niets minder waar, het recht
op maatschappelijke dienstverlening vervalt pas wanneer men effectief het grondgebied
verlaat of wanneer de termijn hiervoor verstrijkt. Deze tegenstrijdigheid is het onderwerp
van vele vorderingen tegen het OCMW.

Zo als we zien is er hier nog een beetje werk aan de winkel om alles op elkaar af te
stemmen.
                                                                                                         58


Bijlagen

Bijlage 1:   Het arrest van het Arbitragehof van 30 oktober 2001 ............................. p.59

Bijlage 2:   Het arrest van het Arbitragehof van 17 januari 2002 .............................. p.65

Bijlage 3:   Het arrest van het Arbitragehof van 13 maart 2002 ................................ p.70

Bijlage 4:   Het arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2002 .....................................p.74

Bijlage 5:   Het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 ....................................p.79

Bijlage 6:   Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (04/01/2002) ............p.84

Bijlage 7:   Het vonnis van het Arbeidshof te Antwerpen (20/03/2002) ...................p.90

Bijlage 8:   Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (05/04/2002) ............p.94

Bijlage 9:   Het vonnis van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge (07/11/2002) .p.98

Bijlage 10: Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge (11/12/2002) ..............p.104

Bijlage 11: Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde (03/02/2003) ......p.110
                                                                                                           59


Bijlage 1


Nummer : RX01AU3_1                                                               Datum : 2001-10-30
Jurisdictie : ARBITRAGEHOF
Zetel : ARTS,A.
Rolnummer : 131/2001    1964

                                                      Kop
Prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Antwerpen, de Arbeidsrechtbank te Luik en de Arbeidsrechtbank te Brussel.

                                   Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2
-WET VAN 15-07-1996,ART 65
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 10
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 11
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 23
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 191
-VERDRAG VAN 19-12-1966,ART 11.1
-WET VAN 15-05-1981
-VERDRAG VAN 04-11-1950,ART 3
-WET VAN 13-05-1955

                                                  Publicatie
-BELGISCH STAATSBLAD
   VAN 2001(12)(365,P.44702-44706)

                                         Tekst
   Het Arbitragehof,
   samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse,
M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, en, overeenkomstig artikel
60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, emeritus voorzitter H. Boel, bijgestaan
door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter H. Boel,
   wijst na beraad het volgende arrest :
   I. Onderwerp van de prejudiciële vragen
   a. Bij vonnis van 3 mei 2000 in zake P. Owusu tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
van Antwerpen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 mei 2000, heeft de
Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
   " Schendt artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat deze
bepaling ook van toepassing is op vreemdelingen die een regularisatie-aanvraag hebben ingediend conform
de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van bepaalde categorieën van vreemdelingen
verblijvend op het grondgebied van het Rijk waardoor zij krachtens een wettelijke bepaling, in casu artikel 14
van voormelde wet, niet uitgewezen kunnen worden zo lang hun regularisatie-aanvraag wordt onderzocht,
terwijl aan vreemdelingen die legaal in het Rijk verblijven en aan vreemdelingen wier asielaanvraag werd
verworpen en die tegen de negatieve beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de
Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie beroep hebben ingesteld bij de Raad van State, wel steun kan
toegekend worden ? "
   Die zaak is ingeschreven onder nummer 1964 van de rol van het Hof.
   b. Bij vonnis van 29 juni 2000 in zake A. Akcadag tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Bitsingen en tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is
ingekomen op 4 juli 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
   " Schendt artikel 57, § 2, van de (organieke) wet van 8 juli 1976 (betreffende de openbare centra voor
maatschappelijke welzijn), in de bewoordingen zoals na het arrest gewezen door het Arbitragehof op 22 april
1998, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het zonder duidelijke redelijke verantwoording
personen die zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden op dezelfde wijze behandelt, namelijk zij
die van het nationale grondgebied kunnen worden verwijderd, omdat ze de regularisatie van hun verblijf niet
                                                                                                          60


hebben aangevraagd, en zij die niet kunnen worden verwijderd, met toepassing van een dwingende bepaling
van de wet, namelijk artikel 14 van de wet van 22 december 1999 ? "
    Die zaak is ingeschreven onder nummer 2004 van de rol van het Hof.
    c. Bij vijf vonnissen van 11 juli 2000 in zake respectievelijk M. Camara, C. Bahati Kizungu, A. El
Mouchik, Z. Ristic en A. El Hammouchi tegen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van
Anderlecht, Brussel en Sint-Jans-Molenbeek en tegen de Belgische Staat, waarvan de expedities ter griffie
van het Arbitragehof zijn ingekomen op 19 juli 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende
prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, en bij de arresten
gewezen door het Arbitragehof op 22 april 1998, 21 oktober 1998 en 30 juni 1999, al dan niet de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, artikel 11.1 van
het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele
rechten en artikel 3 van het Verdrag van Rome van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden doordat het op dezelfde manier behandelt, ofwel met een voldoende
redelijke verantwoording, ofwel zonder een dergelijke verantwoording : enerzijds, vreemdelingen aan wie
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend en die kunnen worden verwijderd en,
anderzijds, vreemdelingen aan wie een uitvoerbaar bevel werd betekend en die niet zullen worden verwijderd
tijdens het onderzoek van hun regularisatieaanvraag met toepassing van artikel 14 van de wet van 22
december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen
verblijvend op het grondgebied van het Rijk ? "
    Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 2016 tot 2020 van de rol van het Hof.
    d. Bij vonnis van 19 juli 2000 in zake G. Allison tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Elsene en tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is
ingekomen op 26 juli 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, en bij de arresten
gewezen door het Arbitragehof op 22 april 1998, 21 oktober 1998 en 30 juni 1999, al dan niet de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, artikel 11.1 van
het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele
rechten en artikel 3 van het Verdrag van Rome van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden doordat het op dezelfde manier behandelt, ofwel met een voldoende
redelijke verantwoording, ofwel zonder een dergelijke verantwoording : enerzijds, vreemdelingen aan wie
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend en die dat bevel goedschiks of
kwaadschiks kunnen uitvoeren en, anderzijds, vreemdelingen aan wie een uitvoerbaar bevel werd betekend
en die niet met geweld zullen worden verwijderd tijdens het onderzoek van hun regularisatieaanvraag met
toepassing van artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van
bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk ? "
    Die zaak is ingeschreven onder nummer 2021 van de rol van het Hof.
    e. Bij vonnis van 19 juli 2000 in zake P. Do Zumbu tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Elsene, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 juli 2000, heeft
de Arbeidsrechtbank te Brussel de onder d) vermelde alsmede de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, en bij de arresten gewezen
door het Arbitragehof op 22 april 1998, 21 oktober 1998 en 30 juni 1999 al dan niet de artikelen 10 en 11, in
samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Belgische Grondwet, in zoverre het in die zin zou
worden geïnterpreteerd dat het verschillend behandelt : enerzijds, de vreemdelingen die hebben gevraagd om
als vluchteling erkend te worden, wier aanvraag is verworpen en die een bevel om het grondgebied te
verlaten hebben ontvangen, zolang de beroepen die zij voor de Raad van State hebben ingesteld tegen de
beslissing genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, met toepassing
van artikel 63.3 van de wet van 15 december 1980, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie
voor vluchtelingen niet zijn beslecht, en, anderzijds, de vreemdelingen die een bevel om het grondgebied te
verlaten hebben ontvangen, bijvoorbeeld na een beslissing van weigering van verblijf genomen door de
Dienst Vreemdelingenzaken, en die bij de Raad van State een beroep hebben ingesteld tegen dat bevel om het
grondgebied te verlaten en niet tegen de eerdere beslissing van de bevoegde overheid, waarbij het verblijf in
België werd geweigerd ? "
    Die zaak is ingeschreven onder nummer 2022 van de rol van het Hof.
    IV. In rechte
    Over de zaken nrs. 1964, 2004, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 en over de eerste prejudiciële vraag
in de zaak nr. 2022
    De in het geding zijnde bepalingen
                                                                                                            61


   B.1.1. Volgens artikel 57, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (hierna : de O.C.M.W.-wet) heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap
gehouden is. De dienstverlening is niet noodzakelijk geldelijk, doch kan van materiële, sociale,
geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
   B.1.2. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 " tot
wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn ", en gedeeltelijk vernietigd door het Hof in het arrest nr. 43/98
van 22 april 1998, bepaalt :
   " § 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
   De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
   Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
   De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de
dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied
verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
   Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
   De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring. "
   B.1.3. De prejudiciële vragen hebben alle betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet van de in het geding zijnde bepaling geïnterpreteerd als zijnde van toepassing op personen die
een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de
regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied
van het Rijk.
   B.1.4. Artikel 2 van die wet bepaalt :
   " Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is deze wet van toepassing
op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds
daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag :
   1° hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare
beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; deze termijn wordt teruggebracht tot drie
jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd
hebben om naar school te gaan;
   2° hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze
vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het
land waarvan ze de nationaliteit hebben;
   3° hetzij ernstig ziek zijn;
   4° hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben
ontwikkeld.
   B.1.5. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 luidt :
   " Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale
veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er
niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een
negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12. "
   Ten gronde
   B.2.1. Artikel 57 van de O.C.M.W.-wet maakt inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid
tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. Sinds de wet van 30
december 1992 verduidelijkt artikel 57, § 2, dat de maatschappelijke dienstverlening aan illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdelingen wordt beperkt tot dringende medische hulp. Die maatregel strekt
ertoe de wetgeving betreffende het verblijfsstatuut van de vreemdelingen en diegene betreffende de
maatschappelijke dienstverlening beter op elkaar af te stemmen.
                                                                                                           62


    B.2.2. Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het
gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking kunnen
hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in
België al dan niet wettig is. Dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen is het
logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid.
    B.2.3. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bijzondere situatie van aanvragers tot regularisatie
overeenkomstig de wet van 22 december 1999.
    Bij de totstandkoming van die wet werd in de parlementaire voorbereiding meermaals beklemtoond dat
een aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt en als dusdanig
geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet werd
daarom ongewijzigd behouden (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, p. 5, en 0234/005, p. 60;
Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 7, 8, 18, 31 en 32, Parl. St., Senaat,
1999-2000, nr. 2-202/3, p. 23).
    Uit het bovenstaande volgt niet dat het recht op maatschappelijke dienstverlening van alle personen die
een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend tijdens het onderzoek van hun aanvraag beperkt is tot
dringende medische hulp. Wie op andere juridische gronden maatschappelijke dienstverlening geniet
overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet, behoudt dat recht tijdens de regularisatieprocedure.
    B.2.4. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de aanvragers tot regularisatie die volgens de
verwijzende rechters onder de toepassing vallen van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet : zij steunen op de
interpretatie dat de verblijfsstatus van de betrokken vreemdelingen illegaal is in de zin van die bepaling. Er
wordt aan het Hof gevraagd of die bepaling, in de interpretatie dat ze ook van toepassing is op de illegaal in
het Rijk verblijvende vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, de artikelen 10 en
11 van de Grondwet schendt.
    B.3.1. De verwijzende rechter in de zaak nr. 1964 vraagt het Hof of artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat die bepaling ook van toepassing is op de categorie
van aanvragers tot regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 die illegaal op het
grondgebied verblijven, maar die op grond van artikel 14 van die wet feitelijk niet worden verwijderd zolang
hun aanvraag wordt onderzocht, terwijl aan vreemdelingen die legaal in het Rijk verblijven en aan
vreemdelingen wier asielaanvraag werd verworpen en die tegen de bevestigende weigeringsbeslissing van de
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of tegen de weigeringsbeslissing van de Vaste
Beroepscommissie voor vluchtelingen beroep hebben ingesteld bij de Raad van State, wel maatschappelijke
dienstverlening kan worden verstrekt.
    B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 blijkt dat gestreefd werd naar
een evenwicht tussen, enerzijds, de bekommernis om een humane en definitieve oplossing te vinden voor een
grote groep vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verbleven en, anderzijds, de bekommernis te
waken over de beheersbaarheid van de aanvragen met het oog op het welslagen van die grootschalige
operatie (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, pp. 3-10, en 0234/005, pp. 5-16).
    B.3.3. De wetgever heeft niet gekozen voor een automatische regularisatie, doch wel voor een procedure
waarbij van geval tot geval wordt onderzocht of aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. Door er
niet in te voorzien dat het indienen van een regularisatieaanvraag een recht op maatschappelijke
dienstverlening zou doen ontstaan, heeft hij de financiële aantrekkingskracht van de regularisatieaanvraag
willen voorkomen om onterechte aanvragen, ingediend met de enkele bedoeling maatschappelijke
dienstverlening te verkrijgen, te weren en om bijkomende illegale immigratie tegen te gaan (zie Parl. St.,
Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, p. 10, en 0234/005, p. 13, p. 60 en p. 65; Hand., Kamer, 1999-2000,
24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 31 en 32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 4 en 6).
    B.3.4. De wetgever vermag maatregelen te nemen om misbruik van procedure tegen te gaan en kan ook
om budgettaire redenen tot bepaalde beleidskeuzes worden verplicht. Het Hof dient evenwel na te gaan of uit
de keuze van de wetgever geen discriminatie voortspruit.
    B.3.5. Enkel voor de regularisatieaanvragers die zich bij de totstandkoming van de wet van 22 december
1999 op illegale wijze op het grondgebied bevonden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot
het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven, hetzij doordat zij op het
grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden
verkregen, hetzij doordat zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen
gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten, is het recht op maatschappelijke
dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp.
    In de parlementaire voorbereiding werd meermaals aangegeven dat de aanvraag tot regularisatie niet de
juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/005, p. 60,
en Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 36 en 58). Dat niet " feitelijk " zal worden overgegaan tot
hun verwijdering van het grondgebied tijdens het onderzoek van hun aanvraag tot regularisatie, houdt enkel
in dat ze, in afwachting van een beslissing, op het grondgebied worden gedoogd en neemt niet weg dat ze
                                                                                                             63


zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden.
    Hun situatie is objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van de wet
van 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden
verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden.
    B.3.6. Wanneer de wetgever een vreemdelingenbeleid wil voeren en met het oog daarop regels oplegt
waaraan moet worden voldaan om wettig op het grondgebied te verblijven, hanteert hij een objectief en
pertinent criterium van onderscheid indien hij aan het al dan niet naleven daarvan gevolgen verbindt bij het
toekennen van maatschappelijke dienstverlening.
    Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en verblijf van vreemdelingen zou immers worden
doorkruist wanneer zou worden aangenomen dat voor vreemdelingen die onwettig in België verblijven, ter
zake dezelfde voorwaarden zouden moeten gelden als voor degenen die wettig in België verblijven.
    B.3.7. De in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen onderscheiden zich ook van elkaar
vanuit het oogpunt van de verplichtingen die op de overheid te hunnen opzichte rusten.
    De procedure tot erkenning van de status van vluchteling past in het kader van internationale
verplichtingen die de Staat op zich heeft genomen. De regularisatieprocedure daarentegen is een maatregel
die tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Belgische overheid behoort. Ook dat verschil
verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van beide categorieën van vreemdelingen niet dezelfde
verplichtingen rusten.
    B.3.8. De regularisatie biedt de betrokken vreemdelingen een kans om, ondanks hun clandestien verblijf
of de uitputting van de voorheen bestaande procedures, alsnog een legaal verblijfsstatuut te verkrijgen, en
aldus ook recht op maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet te
verwerven. Ondertussen is hen dringende medische hulp gewaarborgd. Zij kunnen bovendien, op grond van
de omzendbrief van 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse
onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend, zoals gewijzigd bij
omzendbrief van 6 februari 2001, een tijdelijke arbeidsvergunning verkrijgen en aldus in hun onderhoud
voorzien.
    Rekening houdend met het bovenstaande, is het niet kennelijk onredelijk dat, in afwachting van de
afronding van de regularisatieprocedure, en zolang derhalve niet vaststaat dat aan de voorwaarden voor
regularisatie is voldaan, de aan de aanvragers gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening aldus beperkt
blijft.
    B.4.1. In de andere prejudiciële vragen wordt het Hof gevraagd of artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191
van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat binnen de categorie
van illegale vreemdelingen geen onderscheid wordt gemaakt tussen de vreemdelingen die van het
grondgebied kunnen worden verwijderd en hen die niet feitelijk worden verwijderd ingevolge artikel 14 van
de wet van 22 december 1999.
    B.4.2. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 heeft tot gevolg dat de vreemdelingen die een
aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, gedurende die procedure op het grondgebied worden gedoogd,
zonder aan diegenen onder hen die illegaal op het grondgebied verblijven een verblijfsvergunning te
verlenen. Indien voorheen aan de betrokkenen het bevel was gegeven het grondgebied te verlaten, blijft dat
bevel gelden, ook al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan (Parl. St., Kamer, 1999-2000,
Doc. 50 0234/001, p. 18).
    B.4.3. Het ware niet redelijk geweest illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen, die vaak
clandestien op het grondgebied verblijven, uit te nodigen om zich bekend te maken door een
regularisatieaanvraag in te dienen, zonder hen de waarborg te geven dat zij " feitelijk " niet zouden worden
verwijderd. Het is echter al evenmin redelijk te stellen dat het verlenen van die waarborg grondwettelijk
slechts mogelijk zou zijn, indien het gepaard zou gaan met het verlenen van een recht op maatschappelijke
dienstverlening, ook al is niet uitgemaakt dat zij aan de voorwaarden voor regularisatie voldoen.
    De regularisatieaanvragers wier dienstverlening beperkt is tot dringende medische hulp, zijn
vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat
ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of de vereiste toelating tot verblijf
op het grondgebied niet hebben verkregen of niet hadden gevraagd.
    In afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure, verschilt hun verblijfssituatie juridisch niet
van die van de andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, zodat het niet onredelijk is
dat zij inzake maatschappelijke dienstverlening gelijk worden behandeld. De wet van 22 december 1999
biedt de betrokkenen een kans om de vereiste verblijfsvergunning te verkrijgen, ook al hebben ze
mogelijkerwijs de voorheen bestaande procedures zonder resultaat uitgeput. Om de redenen uiteengezet
onder B.3.8, kan de in het geding zijnde maatregel niet als onevenredig met de door de wetgever nagestreefde
doelstellingen worden beschouwd.
    B.5. Luidens de bewoordingen van de prejudiciële vragen in de zaken nrs. 2016 tot 2021 wordt eveneens
                                                                                                            64


aan het Hof gevraagd de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens. Die toetsing leidt te dezen niet tot een andere conclusie.
    B.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.
    Over de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 2022
    B.7. Die vraag luidt :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, en bij de arresten gewezen
door het Arbitragehof op 22 april 1998, 21 oktober 1998 en 30 juni 1999 al dan niet de artikelen 10 en 11, in
samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Belgische Grondwet, in zoverre het in die zin zou
worden geïnterpreteerd dat het verschillend behandelt : enerzijds, de vreemdelingen die hebben gevraagd om
als vluchteling erkend te worden, wier aanvraag is verworpen en die een bevel om het grondgebied te
verlaten hebben ontvangen, zolang de beroepen die zij voor de Raad van State hebben ingesteld tegen de
beslissing genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, met toepassing
van artikel 63.3 van de wet van 15 december 1980, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie
voor vluchtelingen niet zijn beslecht, en, anderzijds, de vreemdelingen die een bevel om het grondgebied te
verlaten hebben ontvangen, bijvoorbeeld na een beslissing van weigering van verblijf genomen door de
Dienst Vreemdelingenzaken, en die bij de Raad van State een beroep hebben ingesteld tegen dat bevel om het
grondgebied te verlaten en niet tegen de eerdere beslissing van de bevoegde overheid, waarbij het verblijf in
België werd geweigerd ? "
    B.8. Zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998, moet artikel 57, § 2, van de
O.C.M.W.-wet worden geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de vreemdeling die gevraagd heeft
om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is verworpen en die een bevel heeft gekregen het
grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing
die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de
wet van 15 december 1980 heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor
vluchtelingen, niet zijn beslecht.
    De betrokken vreemdeling dient dus de hem ter beschikking gestelde rechtsmiddelen effectief aan te
wenden.
    Het onderscheid in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, berust op een vergelijking van twee
categorieën van vreemdelingen, waarbij het behoren tot de ene of de andere categorie afhankelijk is van het
al dan niet aanwenden van de rechtsmiddelen die de betrokkenen vrijelijk ter beschikking staan. Een
dergelijk onderscheid in behandeling dat ontstaat doordat de beroepen die mogelijk waren, niet werden
uitgeput, kan niet als strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden beschouwd.
    B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
    Om die redenen,
    het Hof
    zegt voor recht :
    - Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996, schendt niet de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de
Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten
en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de interpretatie dat het recht op
maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op grond van de wet
van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd.
    - Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996, schendt niet de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de
Grondwet, in zoverre het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische
hulp voor de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een beroep heeft ingediend bij de
Raad van State tegen een bevel om het grondgebied te verlaten.
    Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2001.
                                                                                                              65


Bijlage 2

Nummer : RX021H1_1                                                                Datum : 2002-01-17
Jurisdictie : ARBITRAGEHOF
Zetel : ARTS,A.
Rolnummer : 14/2002    2054-2058


                                                     Kop
Prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Kortrijk, door de Arbeidsrechtbank te Gent en door het Arbeidshof te Antwerpen.


                                             Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 10
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 11
-WET VAN 15-07-1996,ART 65
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 23
-VERDRAG VAN 04-11-1950,ART 3
-WET VAN 13-05-1955
-VERDRAG VAN 19-12-1966,ART 11.1
-WET VAN 15-05-1981


                                                 Publicatie
-BELGISCH STAATSBLAD
   VAN 2002(03)(95,P.11710-11713)


                                         Tekst
    Het Arbitragehof,
    samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, L.
Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Arts,
    wijst na beraad het volgende arrest :
    I. Onderwerp van de prejudiciële vragen
    a. Bij zes vonnissen van 4, 11 en 25 oktober en 8 en 22 november 2000 in zake respectievelijk S.
Amasihohu, M. Lindner, M. Doe, M. Robleh Reali, M. Benouadah en M. Abderrahim tegen diverse openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen
op 13 en 17 oktober en 3, 16 en 29 november 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Kortrijk de volgende
prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de
vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die een regularisatieaanvraag
hebben ingediend, waardoor ze overeenkomstig artikel 14 van de wet (...) van 22 december 1999 betreffende
de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied
van het Rijk, niet van het grondgebied kunnen verwijderd worden in de periode tussen het indienen van de
aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen ? "
    b. Bij vonnis van 17 november 2000 in zake G. Do tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Gent, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 november 2000,
heeft de Arbeidsrechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Vormt de wettelijke regeling, zoals vastgesteld in het artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet d.d. 8 juli
1976 en gewijzigd door artikel 65 van de wet d.d. 15 juli 1996, een schending van het gelijkheids- en niet-
discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 23 van de
Grondwet, artikel 11.1 van het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en
artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
    1. doordat het artikel 57, § 2, een niet verantwoord verschil in behandeling instelt wat betreft het recht op
maatschappelijke dienstverlening ten opzichte van, enerzijds, de kandidaat-vluchtelingen aan wie een bevel
om het grondgebied te verlaten is betekend en die een beroep bij de Raad van State hebben ingesteld tegen
                                                                                                            66


een bevestigende beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of tegen
een negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen en aan wie, in afwachting
van de beslissing, te verlenen door de Raad van State, verder maatschappelijke dienstverlening, andere dan
de dringende medische hulp, wordt toegekend en, anderzijds, de kandidaat-vluchtelingen die,
overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde
categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10
januari 2000), tijdig een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend en aan wie, in afwachting van de te
treffen beslissing, geen maatschappelijke dienstverlening buiten de dringende medische hulp wordt
toegekend;
    2. doordat het artikel 57, § 2, de uitsluiting van de maatschappelijke dienstverlening, andere dan de
dringende medische hulp, op niet te verantwoorden wijze als drukkingsmiddel aanwendt ten aanzien van de
kandidaat-vluchtelingen aan wie, ingevolge hun aanvraag tot regularisatie en krachtens het artikel 14 van de
wet d.d. 22 december 1999, wettelijk geen dwang kan worden opgelegd met het oog op hun verwijdering van
het grondgebied ? "
    c. Bij arrest van 13 december 2000 in zake M. Rahaoui tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Antwerpen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 december
2000, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat deze
bepaling dan ook van toepassing is op vreemdelingen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend
conform de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, waardoor ze krachtens artikel 14 van voormelde
wet niet uitgewezen kunnen worden zolang hun aanvraag wordt onderzocht, terwijl aan vreemdelingen die
legaal in het Rijk verblijven en aan vreemdelingen wier asielaanvraag werd verworpen en die tegen de
negatieve beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of van de Vaste
Beroepscommissie beroep hebben aangetekend bij de Raad van State, wel steun kan toegekend worden ? "
    De onder (a) vermelde zaken zijn ingeschreven onder de nummers 2054, 2058, 2069, 2075, 2083 en 2084
van de rol van het Hof, de onder (b) vermelde zaak onder nummer 2081 en de onder (c) vermelde zaak onder
nummer 2100.
    IV. In rechte
    De in het geding zijnde bepaling
    B.1.1. Volgens artikel 57, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (hierna : de O.C.M.W.-wet) heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap
gehouden is. De dienstverlening is niet noodzakelijk geldelijk, doch kan van materiële, sociale,
geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
    B.1.2. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 " tot
wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn ", en gedeeltelijk vernietigd door het Hof in het arrest nr. 43/98
van 22 april 1998, bepaalt :
    " § 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de
dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied
verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
    De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring. "
    B.1.3. De prejudiciële vragen hebben alle betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet van de in het geding zijnde bepaling geïnterpreteerd als zijnde van toepassing op personen die
                                                                                                          67


een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de
regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied
van het Rijk.
   B.1.4. Artikel 2 van die wet bepaalt :
   " Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is deze wet van toepassing
op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds
daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag :
   1° hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare
beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; deze termijn wordt teruggebracht tot drie
jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd
hebben om naar school te gaan;
   2° hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze
vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het
land waarvan ze de nationaliteit hebben;
   3° hetzij ernstig ziek zijn;
   4° hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben
ontwikkeld.
   " B.1.5. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 luidt :
   " Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale
veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er
niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een
negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12. "
   Ten gronde
   B.2.1. Artikel 57 van de O.C.M.W.-wet maakt inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid
tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. Sinds de wet van 30
december 1992 verduidelijkt artikel 57, § 2, dat de maatschappelijke dienstverlening aan illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdelingen wordt beperkt tot dringende medische hulp. Die maatregel strekt
ertoe de wetgeving betreffende het verblijfsstatuut van de vreemdelingen en diegene betreffende de
maatschappelijke dienstverlening beter op elkaar af te stemmen.
   B.2.2. Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het
gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking kunnen
hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in
België al dan niet wettig is. Dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen is het
logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid.
   B.2.3. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bijzondere situatie van aanvragers tot regularisatie
overeenkomstig de wet van 22 december 1999.
   Bij de totstandkoming van die wet werd in de parlementaire voorbereiding meermaals beklemtoond dat
een aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt en als dusdanig
geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet werd
daarom ongewijzigd behouden (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, p. 5, en 0234/005, p. 60;
Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 7, 8, 18, 31 en 32, Parl. St., Senaat,
1999-2000, nr. 2-202/3, p. 23).
   Uit het bovenstaande volgt niet dat het recht op maatschappelijke dienstverlening van alle personen die
een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend tijdens het onderzoek van hun aanvraag beperkt is tot
dringende medische hulp. Wie op andere juridische gronden maatschappelijke dienstverlening geniet
overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet, behoudt dat recht tijdens de regularisatieprocedure.
   B.2.4. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de aanvragers tot regularisatie die volgens de
verwijzende rechters onder de toepassing vallen van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet : zij steunen op de
interpretatie dat de verblijfsstatus van de betrokken vreemdelingen illegaal is in de zin van die bepaling.
   B.3.1. Er wordt aan het Hof gevraagd of artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet schendt doordat die bepaling ook van toepassing is op de categorie van aanvragers tot
regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 die illegaal op het grondgebied verblijven, maar
die op grond van artikel 14 van die wet feitelijk niet worden verwijderd zolang hun aanvraag wordt
onderzocht, terwijl aan vreemdelingen die legaal in het Rijk verblijven en aan vreemdelingen wier
asielaanvraag werd verworpen en die tegen de bevestigende weigeringsbeslissing van de Commissaris-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of tegen de weigeringsbeslissing van de Vaste
Beroepscommissie voor vluchtelingen beroep hebben ingesteld bij de Raad van State, wel maatschappelijke
dienstverlening kan worden verstrekt.
   B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 blijkt dat gestreefd werd naar
                                                                                                          68


een evenwicht tussen, enerzijds, de bekommernis om een humane en definitieve oplossing te vinden voor een
grote groep vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verbleven en, anderzijds, de bekommernis te
waken over de beheersbaarheid van de aanvragen met het oog op het welslagen van die grootschalige
operatie (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, pp. 3-10, en 0234/005, pp. 5-16).
    B.3.3. De wetgever heeft niet gekozen voor een automatische regularisatie, doch wel voor een procedure
waarbij van geval tot geval wordt onderzocht of aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. Door er
niet in te voorzien dat het indienen van een regularisatieaanvraag een recht op maatschappelijke
dienstverlening zou doen ontstaan, heeft hij de financiële aantrekkingskracht van de regularisatieaanvraag
willen voorkomen om onterechte aanvragen, ingediend met de enkele bedoeling maatschappelijke
dienstverlening te verkrijgen, te weren en om bijkomende illegale immigratie tegen te gaan (zie Parl. St.,
Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, p. 10, en 0234/005, p. 13, p. 60 en p. 65; Hand., Kamer, 1999-2000,
24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 31 en 32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 4 en 6).
    B.3.4. De wetgever vermag maatregelen te nemen om misbruik van procedure tegen te gaan en kan ook
om budgettaire redenen tot bepaalde beleidskeuzes worden verplicht. Het Hof dient evenwel na te gaan of uit
de keuze van de wetgever geen discriminatie voortspruit.
    B.3.5. Enkel voor degenen die zich bij de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 op illegale
wijze op het grondgebied bevonden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied
hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na
het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden verkregen, hetzij doordat zij, na
een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen gevolg hebben gegeven aan een bevel
het grondgebied te verlaten, is het recht op maatschappelijke dienstverlening van de regularisatieaanvragers
beperkt tot dringende medische hulp.
    In de parlementaire voorbereiding werd meermaals aangegeven dat de aanvraag tot regularisatie niet de
juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/005, p. 60,
en Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 36 en 58). Dat niet " feitelijk " zal worden overgegaan tot
hun verwijdering van het grondgebied tijdens het onderzoek van hun aanvraag tot regularisatie, houdt enkel
in dat ze, in afwachting van een beslissing, op het grondgebied worden gedoogd en neemt niet weg dat ze
zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden.
    Hun situatie is objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van de wet
van 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden
verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden.
    B.3.6. Wanneer de wetgever een vreemdelingenbeleid wil voeren en met het oog daarop regels oplegt
waaraan moet worden voldaan om wettig op het grondgebied te verblijven, hanteert hij een objectief en
pertinent criterium van onderscheid indien hij aan het al dan niet naleven daarvan gevolgen verbindt bij het
toekennen van maatschappelijke dienstverlening.
    Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en verblijf van vreemdelingen zou immers worden
doorkruist wanneer zou worden aangenomen dat voor vreemdelingen die onwettig in België verblijven, ter
zake dezelfde voorwaarden zouden moeten gelden als voor degenen die wettig in België verblijven.
    B.3.7. De in de prejudiciële vragen vermelde categorieën van personen onderscheiden zich ook van elkaar
vanuit het oogpunt van de verplichtingen die op de overheid te hunnen opzichte rusten.
    De procedure tot erkenning van de status van vluchteling past in het kader van internationale
verplichtingen die de Staat op zich heeft genomen. De regularisatieprocedure daarentegen is een maatregel
die tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Belgische overheid behoort. Ook dat verschil
verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van beide categorieën van vreemdelingen niet dezelfde
verplichtingen rusten.
    B.3.8. De regularisatie biedt de betrokken vreemdelingen een kans om, ondanks hun clandestien verblijf
of de uitputting van de voorheen bestaande procedures, alsnog een legaal verblijfsstatuut te verkrijgen, en
aldus ook recht op maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet te
verwerven. Ondertussen is hen dringende medische hulp gewaarborgd. Zij kunnen bovendien, op grond van
de omzendbrief van 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse
onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend, zoals gewijzigd bij
omzendbrief van 6 februari 2001, een tijdelijke arbeidsvergunning verkrijgen en aldus in hun onderhoud
voorzien.
    B.4.1. Aan het Hof wordt tevens gevraagd of artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet de artikelen 10 en 11
van de Grondwet schendt doordat binnen de categorie van illegale vreemdelingen geen onderscheid wordt
gemaakt tussen de vreemdelingen die van het grondgebied kunnen worden verwijderd en degenen die niet
feitelijk worden verwijderd ingevolge artikel 14 van de wet van 22 december 1999.
    B.4.2. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 heeft tot gevolg dat de vreemdelingen die een
aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, gedurende die procedure op het grondgebied worden gedoogd,
zonder aan diegenen onder hen die illegaal op het grondgebied verblijven een verblijfsvergunning te
verlenen. Indien voorheen aan de betrokkenen het bevel was gegeven het grondgebied te verlaten, blijft dat
                                                                                                            69


bevel gelden, ook al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan (Parl. St., Kamer, 1999-2000,
Doc. 50 0234/001, p. 18).
   B.4.3. Het ware niet redelijk geweest illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen, die vaak
clandestien op het grondgebied verblijven, uit te nodigen om zich bekend te maken door een
regularisatieaanvraag in te dienen, zonder hen de waarborg te geven dat zij " feitelijk " niet zouden worden
verwijderd. Het is echter al evenmin redelijk te stellen dat het verlenen van die waarborg grondwettelijk
slechts mogelijk zou zijn, indien het gepaard zou gaan met het verlenen van een recht op maatschappelijke
dienstverlening, ook al is niet uitgemaakt dat zij aan de voorwaarden voor regularisatie voldoen. De
regularisatieaanvragers wier dienstverlening beperkt is tot dringende medische hulp, zijn vreemdelingen die
zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg
hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of de vereiste toelating tot verblijf op het
grondgebied niet hebben verkregen of niet hadden gevraagd.
   In afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure, verschilt hun verblijfssituatie juridisch niet
van die van de andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, zodat het niet onredelijk is
dat zij inzake maatschappelijke dienstverlening gelijk worden behandeld. De wet van 22 december 1999
biedt de betrokkenen een kans om de vereiste verblijfsvergunning te verkrijgen, ook al hebben ze
mogelijkerwijs de voorheen bestaande procedures zonder resultaat uitgeput.
   B.5. Uit het voorafgaande volgt dat het niet kennelijk onredelijk is dat, in afwachting van de beëindiging
van de regularisatieprocedure, en zolang derhalve niet vaststaat dat aan de voorwaarden voor regularisatie is
voldaan, de aan de aanvragers gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening aldus beperkt blijft.
   B.6. Luidens de bewoordingen van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 2081 wordt eveneens aan het Hof
gevraagd de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens. Die toetsing leidt te dezen tot dezelfde conclusie vanwege de overwegingen die voorafgaan.
   B.7. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.
   Om die redenen,
   het Hof
   zegt voor recht :
   Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996, schendt niet de artikelen 10 en 11
van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de interpretatie dat het recht op maatschappelijke dienstverlening
beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die
een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn
verblijf niet is geregulariseerd.
   Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 januari 2002.
                                                                                                            70


Bijlage 3

Nummer : RX023D4_1                                                               Datum : 2002-03-13
Jurisdictie : ARBITRAGEHOF
Zetel : ARTS,A.
Rolnummer : 50/2002    2099

                                                      Kop
Prejudiciële vraag over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Gent.

                                   Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 10
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 11
-WET VAN 15-07-1996,ART 65
-WET VAN 15-12-1980,ART 51/8
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 23
-VERDRAG VAN 19-12-1966,ART 11.1
-WET VAN 15-05-1981
-VERDRAG VAN 04-11-1950,ART 3
-WET VAN 13-05-1955

                                                  Publicatie
-BELGISCH STAATSBLAD
   VAN 2002(05)(174,P.23095-23097)

                                         Tekst
    Het Arbitragehof,
    samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, L.
Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Arts,
    wijst na beraad het volgende arrest :
    I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
    Bij vonnis van 8 december 2000 in zake V. Zeqiri tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn (O.C.M.W.) van Sint-Martens-Latem, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is
ingekomen op 19 december 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Vormt de wettelijke regeling, zoals vastgesteld in het artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet d.d. 8 juli
1976 en gewijzigd door artikel 65 van de wet d.d. 15 juli 1996, een schending van het gelijkheids- en
discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 23 van de
Grondwet, artikel 11.1 van het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en
artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat
het aldus wordt geïnterpreteerd en toegepast dat aan vreemdelingen
    wiens herhaalde aanvraag om als vluchteling te worden erkend met toepassing van het artikel 51/8 van de
wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen niet door de Minister van Binnenlandse Zaken is in overweging genomen
    en waarvan het beroep tot nietigverklaring, ingediend bij de Raad van State tegen deze beslissing en tegen
het bevel om het grondgebied te verlaten nog niet werd beslecht,
    het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt ontzegd, behoudens dringende medische
hulpverlening en hulpverlening voor de termijn die strikt noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen
het grondgebied te verlaten ? "
    IV. In rechte
    B.1. De prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli
1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : O.C.M.W.-wet) met de artikelen
10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, artikel 11.1 van het
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens.
                                                                                                            71


    De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking, wat het recht op maatschappelijke dienstverlening
betreft, tussen :
    a) de vreemdeling die herhaaldelijk gevraagd heeft om als vluchteling erkend te worden, wiens verzoek
niet in aanmerking is genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken en die een bevel het grondgebied te
verlaten ontvangen heeft zolang het beroep bij de Raad van State lopende is tegen de beslissing van de Dienst
Vreemdelingenzaken,
    en
    b) een vreemdeling die beroep aantekent bij diezelfde Raad van State tegen een beslissing van de
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie.
    Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de zaak betrekking heeft op de stopzetting van maatschappelijke
dienstverlening aan een vreemdelinge die zich voor de " tweede (of derde) " maal vluchtelinge heeft
verklaard, nadat haar eerste aanvraag was geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en
de staatlozen en door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waartegen zij geen beroep had
ingesteld bij de Raad van State, en die werkelijk steuntrekkend was op het ogenblik dat haar het bevel om het
grondgebied te verlaten werd betekend, nadat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken
geweigerd had die " tweede (of derde) " verklaring in aanmerking te nemen.
    Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de betrokkene tegen het bevel het grondgebied te
verlaten bij de Raad van State een annulatieberoep heeft ingesteld.
    B.2. In de prejudiciële vraag wordt, wat de eerste in de vergelijking betrokken categorie van
vreemdelingen betreft, opgemerkt dat aan hen " het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt ontzegd
". Volgens de prejudiciële vraag heeft de tweede in de vergelijking betrokken categorie van vreemdelingen
daar echter wel recht op.
    Artikel 57 van de O.C.M.W.-wet betreft de maatschappelijke dienstverlening waartoe het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden is. De maatschappelijke dienstverlening, toegekend
overeenkomstig die bepaling, kan om het even welke hulp in contanten of in natura zijn die zowel van
lenigende, curatieve of preventieve aard kan zijn. De wet preciseert niet waarin die hulp bestaat noch onder
welke voorwaarden zij wordt toegekend, behalve dat die hulp " eenieder in de mogelijkheid (moet) stellen
een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid " (artikel 1, eerste lid). Zij kan worden
toegekend aan diegene die het bestaansminimum trekt, maar ook aan diegene die geen recht heeft op dat
minimum, zoals een asielzoeker.
    B.3.1. Uit de middelen van eisende partij voor de verwijzende rechter kan worden afgeleid dat de vraag
naar de bestaanbaarheid van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen of verdragsbepalingen, zich beperkt tot
artikel 57, § 2, derde en vierde lid, van de O.C.M.W.-wet.
    Vooraleer het bij wet van 15 juli 1996 werd vervangen, bepaalde artikel 57, § 2, derde en vierde lid, van
de O.C.M.W.-wet, zoals ingevoegd bij artikel 151 van de wet van 30 december 1992 :
    " Aan de maatschappelijke dienstverlening wordt een einde gemaakt vanaf de datum van de uitvoering
van het bevel om het grondgebied te verlaten, en ten laatste, vanaf de datum van het verstrijken van de
termijn van het definitieve bevel om het grondgebied te verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken, gedurende de strikt noodzakelijke termijn, om
de betrokkene in staat te stellen het grondgebied effectief te verlaten; die termijn mag in geen geval een
maand overschrijden.
    " B.3.2. Die bepalingen zijn, met ingang van 10 januari 1997, door artikel 65 van de wet van 15 juli 1996
als volgt vervangen :
    " Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met
uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk
het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van het bevel om het grondgebied te
verlaten. "
    B.3.3. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 geoordeeld dat het nieuwe artikel 57, § 2,
derde en vierde lid, van de organieke wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10
en 11 van de Grondwet schond, in zoverre het van toepassing was op de vreemdeling die gevraagd had om
als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek was verworpen en die een bevel had gekregen het
grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de Raad van State had ingesteld tegen de beslissing
die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de
wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen had genomen of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor
vluchtelingen, niet waren beslecht en heeft om die reden de term " uitvoerbaar " vernietigd in het derde en het
                                                                                                           72


vierde lid van voormeld artikel 57, § 2. Aldus heeft het Hof uitdrukkelijk gepreciseerd dat enkel zijn bedoeld
de bij de Raad van State openstaande beroepen tegen de beslissingen wat betreft de aanvragen om als
vluchteling te worden erkend, nu de vernietiging enkel betrekking had op het derde en het vierde lid van
artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, die handelen over vreemdelingen die hebben gevraagd om als
vluchteling te worden erkend.
    In zijn arrest nr. 80/99 van 30 juni 1999 heeft het Hof daaraan toegevoegd dat, indien de maatregel waarin
artikel 57, § 2, voorziet, wordt toegepast op personen die, om medische redenen, in de absolute
onmogelijkheid zijn gevolg te geven aan het bevel België te verlaten, die bepaling eveneens de artikelen 10
en 11 van de Grondwet schendt.
    In zijn arrest nr. 57/2000 van 17 mei 2000 heeft het Hof daarentegen gepreciseerd dat, indien de maatregel
waarin artikel 57, § 2, voorziet, wordt toegepast op de personen die gevraagd hebben om als vluchteling
erkend te worden en wier aanvraag door de Minister van Binnenlandse Zaken werd afgewezen met
toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikel 8 van de Overeenkomst betreffende de
vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de
Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, goedgekeurd bij de wet van 11 mei 1995,
ook al bestrijdt de betrokkene die beslissing met een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing
bij de Raad van State, die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.
    B.3.4. Te dezen gaat het om het geval waarin een niet-opschortend beroep tot vernietiging bij de Raad van
State ingesteld wordt tegen de beslissing van de bevoegde minister of diens gemachtigde om een " tweede (of
derde) " verklaring als vluchteling niet in aanmerking te nemen.
    De jurisdictionele beroepen tegen een dergelijke beslissing worden behandeld in artikel 51/8 van de
voormelde wet van 15 december 1980, dat bepaalt :
    " De Minister of diens gemachtigde kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de
vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en
hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde
vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen,
ondertekend te Genève op 28 juli 1951. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties
die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen
aanbrengen.
    Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot
nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden
ingesteld. " B.4. Zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 83/94 van 1 december 1994, was het de
bedoeling van de wetgever om een specifieke vorm van proceduremisbruik, die erin bestaat steeds weer
identieke verklaringen in te dienen, tegen te gaan. Het Hof heeft geoordeeld dat de wetgever, om dat doel te
bereiken, de vordering tot schorsing voor de Raad van State tegen de louter bevestigende beslissing van de
minister of zijn gemachtigde kon uitsluiten, waarbij de Raad van State, alvorens een dergelijke vordering niet
ontvankelijk te verklaren, zou nagaan " of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-
ontvankelijkheid zijn vervuld ".
    B.5. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de situatie van een vreemdeling gedurende de periode
waarin het beroep dat hij heeft ingesteld tegen de beslissing van de minister of diens gemachtigde om zijn
herhaalde aanvraag niet in aanmerking te nemen, hangende is.
    B.6.1. Om dezelfde redenen als die welke artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 verantwoordden,
is het niet onredelijk het voordeel van maatschappelijke dienstverlening te weigeren aan de vreemdeling die
zich in de situatie bevindt die in die bepalingen is omschreven. Die persoon, die de beroepen die mogelijk
zijn tegen de weigering van inwilliging van zijn eerste aanvraag, reeds heeft uitgeput of niet heeft
aangewend, bevindt zich in een situatie die wezenlijk verschilt van die van een persoon van wie de beroepen
die gericht zijn tegen die eerste aanvraag, hangende zijn. Rekening houdend met de doelstelling vermeld in
B.4, kan de weigering van maatschappelijke dienstverlening worden verantwoord zolang noch de minister of
zijn gemachtigde, noch de Raad van State de echtheid en de pertinentie van de nieuwe elementen die hij
aanvoert, hebben erkend.
    B.6.2. Rekening houdend met de omvang van het risico van aanwending van de procedures voor andere
doeleinden dan die waarvoor ze bestemd zijn, eisen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in
samenhang met de grondwetsen verdragsbepalingen die in de vraag zijn bedoeld, niet dat de
maatschappelijke dienstverlening die aan de kandidaat-vluchtelingen wordt toegekend, teneinde in hun noden
te voorzien, die na het bevel om het grondgebied te verlaten een beroep voor de Raad van State instellen
(tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met toepassing van
artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste
Beroepscommissie voor vluchtelingen), ook wordt toegekend aan de personen wier eerste asielaanvraag werd
geweigerd en tegen welke beslissing de rechtsmiddelen waarin is voorzien zijn uitgeput of niet zijn
aangewend en die herhaaldelijk een aanvraag hebben ingediend welke niet door de bevoegde minister of zijn
                                                                                                          73


gemachtigde in aanmerking is genomen, met bevel het grondgebied te verlaten, en van wie het beroep tot
nietigverklaring nog niet werd beslecht.
    B.7. De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens, leidt te dezen niet tot een andere conclusie.
    B.8. De vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
    Om die redenen,
    het Hof
    zegt voor recht :
    Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 23 van de
Grondwet, artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en
artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat het het recht op maatschappelijke
dienstverlening beperkt tot de dringende medische hulp voor de vreemdeling van wie de herhaalde aanvraag
om als vluchteling te worden erkend niet in aanmerking is genomen, met bevel het grondgebied te verlaten,
door de bevoegde minister of zijn gemachtigde, met toepassing van artikel 51/8 van de wet van 15 december
1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen, ook al is zijn beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State hiertegen nog niet beslecht.
    Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 maart 2002.
                                                                                                           74


Bijlage 4

Nummer : RX02654_1                                                              Datum : 2002-06-05
Jurisdictie : ARBITRAGEHOF
Zetel : MELCHIOR,M.
Rolnummer : 89/2002    2114

                                                      Kop
Prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Charleroi.

                                   Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2
-WET VAN 15-07-1996,ART 65
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 10
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 11
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 23
-GRONDWET-1994 VAN 17-02-1994,ART 191
-VERDRAG VAN 04-11-1950,ART 3
-VERDRAG VAN 04-11-1950,ART 13
-WET VAN 13-05-1955
-VERDRAG VAN 19-12-1966,ART 11.1
-WET VAN 15-05-1981

                                                  Publicatie
-BELGISCH STAATSBLAD
   VAN 2002(08)(258,P.34889-34892)

                                         Tekst
   Het Arbitragehof,
   samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, L.
Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van
voorzitter M. Melchior,
   wijst na beraad het volgende arrest :
   I. Onderwerp van de prejudiciële vragen
   Bij vonnis van 12 december 2000 in zake C. Lingurar tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van Charleroi en de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is
ingekomen op 17 januari 2001, heeft de Arbeidsrechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vragen
gesteld :
   " 1. Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996 alsmede bij het arrest van het
Arbitragehof van 22 april 1998, al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang
met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag van New York van
19 december 1996 (lees : 1966) inzake economische, sociale en culturele rechten en de artikelen 3 en 13 van
het Verdrag van Rome van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, doordat het voorziet in een verschillende behandeling :
   - enerzijds, van de vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die
beroep hebben ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Vaste
Beroepscommissie voor vluchtelingen of de Raad van State, en
   - anderzijds, van diegenen aan wie eenzelfde bevel om het grondgebied te verlaten is betekend, maar die
een aanvraag tot erkenning van staatloosheid hebben ingediend ?
   2. Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996 alsmede bij het arrest van het
Arbitragehof van 22 april 1998, al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang
met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag van New York van
19 december 1996 (lees : 1966) inzake economische, sociale en culturele rechten en de artikelen 3 en 13 van
het Verdrag van Rome van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de
                                                                                                            75


fundamentele vrijheden, doordat het voorziet in een verschillende behandeling :
    - enerzijds, van de vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die
beroep hebben ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Vaste
Beroepscommissie voor vluchtelingen of de Raad van State, en
    - anderzijds, van diegenen aan wie eenzelfde bevel om het grondgebied te verlaten is betekend, maar die
een aanvraag tot regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, § 3, van de wet van 15 december 1980
hebben ingediend ? "
    IV. In rechte
    De aan het Hof voorgelegde bepaling en de draagwijdte van de prejudiciële vragen
    B.1. De prejudiciële vragen betreffen de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen
met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet en met bepaalde verdragsbepalingen, van artikel 57, § 2, van de
organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna :
O.C.M.W.-wet), vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 " tot wijziging van de wet van 15
december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn ", zoals dat voortvloeit uit het arrest van het Hof nr. 43/98 van 22 april 1998.
    Die bepaling luidt :
    " § 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de
dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied
verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
    De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring. "
    B.2. Te dezen zijn de aan het Hof voorgelegde verschillen in behandeling de verschillen die, volgens de
verwijzende rechter, worden gemaakt door artikel 57, § 2, tussen de vreemdelingen aan wie een bevel om het
grondgebied te verlaten is betekend, naargelang :
    - zij voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Vaste Beroepscommissie
voor vluchtelingen of de Raad van State een beroep hebben ingesteld - en maatschappelijke dienstverlening
genieten;
    - of zij hetzij een aanvraag tot erkenning van staatloosheid (eerste prejudiciële vraag), hetzij een
regularisatieaanvraag op grond van artikel 9, § 3, van de wet van 15 december 1980 (tweede prejudiciële
vraag) hebben ingediend.
    Ten aanzien van de excepties opgeworpen door de Ministerraad en de Minister van Binnenlandse Zaken,
die de Belgische Staat vertegenwoordigt
    B.3. Volgens de Ministerraad zouden de prejudiciële vragen bij gebreke van voorwerp onontvankelijk
moeten worden verklaard.
    In de prejudiciële vragen wordt de situatie vergeleken, op het vlak van het recht op de maatschappelijke
dienstverlening, van de vreemdelingen die een bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten,
naargelang zij zich in de ene of de andere van de onder B.2 vermelde situaties bevinden; uit kracht van artikel
57, § 2, genieten de vreemdelingen, in het eerste geval, maatschappelijke dienstverlening totdat hun beroep is
beslecht, in tegenstelling tot de vreemdelingen die een aanvraag tot erkenning van staatloosheid of een
regularisatieaanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 hebben ingediend.
    De exceptie die wordt afgeleid uit het feit dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn, wordt
verworpen.
    B.4. Volgens de Minister van Binnenlandse Zaken zou het Hof bovendien zich onbevoegd moeten
verklaren om van de tweede prejudiciële vraag kennis te nemen, naar analogie van de motieven die het Hof
in zijn arrest nr. 25/99 van 24 februari 1999 in aanmerking heeft genomen.
    Artikel 57, § 2, in zoverre het tot gevolg heeft dat de maatschappelijke dienstverlening wordt ontzegd aan
                                                                                                            76


de vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die een aanvraag tot
regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, hebben ingediend, wordt te dezen ter toetsing aan
het Hof voorgelegd, los van de vraag of die regularisatieaanvraag vóór of na de betekening van het bevel om
het grondgebied te verlaten werd ingediend. Hieruit volgt dat het onderscheid - net zoals de eraan verbonden
gevolgen - dat in dat opzicht wordt gemaakt door de omzendbrief van 14 december 1997, die trouwens werd
opgeheven en vervangen door de omzendbrief van 15 december 1998, te dezen niet ter zake dienend is.
    De exceptie van onbevoegdheid wordt verworpen.
    Ten gronde
    Ten aanzien van de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën van vreemdelingen
    B.5. Onder de vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend, kunnen,
volgens de Ministerraad, diegenen die voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen of voor de Raad van State een beroep hebben ingesteld,
niet worden vergeleken met de vreemdelingen die een aanvraag tot erkenning van staatloosheid of een
regularisatieaanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 hebben ingediend.
    Die vreemdelingen hebben als gemeenschappelijk kenmerk, enerzijds, dat aan hen een bevel om het
grondgebied te verlaten is betekend en, anderzijds, dat zij belang erbij hebben tijdens de behandeling van hun
beroep of hun aanvraag maatschappelijke dienstverlening te kunnen genieten. Er dient bijgevolg te worden
aangenomen dat zij zich in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in een vergelijkbare situatie
bevinden.
    Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag
    B.6. In die vraag wordt de situatie vergeleken van vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied
te verlaten is betekend, naargelang het gaat om :
    - enerzijds, vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend om als vluchteling te worden erkend en die
bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, bij de Vaste Beroepscommissie voor
vluchtelingen of bij de Raad van State een beroep hebben ingesteld;
    - anderzijds, vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend om als vluchteling te worden erkend, wier
aanvraag werd verworpen, die de voor hen openstaande beroepen hebben uitgeput of niet hebben aangewend
en die vervolgens het statuut van staatloze aanvragen.
    Alsdan genieten zij in het eerste geval maatschappelijke dienstverlening, totdat over hun beroep uitspraak
is gedaan, terwijl het voordeel van die dienstverlening hun wordt ontzegd in het tweede geval.
    B.7. De in B.6, eerste streepje, beschreven categorie van vreemdelingen is wezenlijk verschillend van die
welke in het tweede streepje is beschreven. De eerstgenoemden hebben een beroep ingesteld om te doen
erkennen dat zij in hun land van oorsprong worden vervolgd, terwijl ten aanzien van de tweede categorie is
vastgesteld, met beslissingen die definitief zijn geworden, dat dit gevaar niet bestond.
    B.8. Rekening houdend met de omvang van het risico van aanwending van de procedures voor andere
doeleinden dan die waarvoor ze bestemd zijn, eisen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in
samenhang met de grondwetsen verdragsbepalingen die in de vragen zijn bedoeld, niet dat de
maatschappelijke dienstverlening die aan de kandidaat-vluchtelingen wordt toegekend die na het bevel om
het grondgebied te verlaten een beroep bij de Raad van State instellen tegen de beslissing die de
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de wet van
15 december 1980 heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen,
ook wordt toegekend aan de personen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben ontvangen dat
definitief is geworden, ofwel omdat geen beroep werd ingesteld, ofwel omdat de rechtsmiddelen tegen dat
bevel zijn uitgeput, en die voor de rechtbanken van de Belgische rechterlijke orde een vordering hebben
ingesteld tot erkenning als staatloze, inzonderheid wanneer zij zelf aan hun nationaliteit hebben verzaakt.
    B.9. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof eveneens verzocht artikel 57, § 2, te toetsen aan de
artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met artikel 11.1 van
het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3 en 13 van
het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Die toetsing leidt te dezen niet tot een andere conclusie.
    B.10. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
    Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag
    B.11. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie te vergelijken van de
vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend, naargelang het gaat om
vreemdelingen die zich in de in B.6, eerste streepje, beschreven situatie bevinden, of om vreemdelingen die
een aanvraag tot regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980
hebben ingediend.
    Terwijl zij, in het eerste geval, maatschappelijke dienstverlening genieten, totdat over hun beroep
uitspraak is gedaan, wordt hun het voordeel van die dienstverlening in het tweede geval ontzegd.
    B.12. Artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf,
de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarvan alleen het derde lid in het geding is, bepaalt :
    " Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die
                                                                                                            77


zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister of
zijn gemachtigde.
    Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen,
moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire
post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland.
    In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de
burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister of aan diens gemachtigde.
In dat geval zal ze in België worden afgegeven. "
    Aangaande de aanvragen op grond van het voormelde artikel 9, derde lid, bepaalt artikel 15 van de wet
van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk overigens :
   " De regularisatieaanvragen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,
waarvoor op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, nog geen beslissing werd genomen krachtens de
omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december
1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen en de regularisatie van bijzondere situaties, worden voor onderzoek gestuurd naar de
Commissie voor regularisatie, behalve indien de aanvragers binnen vijftien dagen na de bekendmaking van
deze wet, per aangetekende brief gericht aan de minister bevoegd voor de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hun wil te kennen geven dat zij hun aanvraag
behandeld willen zien op grond van artikel 9 van de voornoemde wet van 15 december 1980. "
    B.13. Zonder dat er aanleiding is te beoordelen of de aanvragers van een regularisatie van verblijf op
grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, wier situatie de verwijzende rechter aan het
Hof voorlegt, diegenen zijn wier aanvraag wordt behandeld op basis van die wet of, integendeel, diegenen
zijn wier aanvraag voortaan op basis van de wet van 22 december 1999 wordt behandeld, merkt het Hof op
dat de motieven die het Hof in zijn arrest nr. 131/2001 van 30 januari 2001 ertoe hebben gebracht te
verklaren dat de beperking tot de dringende medische hulp van de vreemdeling die illegaal op het
grondgebied verblijft en die op grond van de wet van 22 december 1999 een regularisatieaanvraag heeft
ingediend zolang zijn verblijf niet geregulariseerd is, met het gelijkheidsbeginsel bestaanbaar is, te dezen,
respectievelijk a fortiori wat de eerstgenoemden betreft - aangezien zij het voordeel van artikel 14 van de wet
van 22 december 1999 niet genieten - of wegens dezelfde motieven wat de laatstgenoemden betreft, dienen te
worden getransponeerd.
    B.14. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 werd meermaals aangegeven
dat de aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt (Parl. St.,
Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/005, p. 60, en Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 36 en 58). Dat
niet " feitelijk " zal worden overgegaan tot hun verwijdering van het grondgebied tijdens het onderzoek van
hun aanvraag tot regularisatie, houdt enkel in dat ze, in afwachting van een beslissing, op het grondgebied
worden gedoogd en neemt niet weg dat ze zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie
bevinden.
    Hun situatie is objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van de wet
van 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden
verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden.
    B.15. Wanneer de wetgever een vreemdelingenbeleid wil voeren en met het oog daarop regels oplegt
waaraan moet worden voldaan om wettig op het grondgebied te verblijven, hanteert hij een objectief en
pertinent criterium van onderscheid indien hij aan het al dan niet naleven daarvan gevolgen verbindt bij het
toekennen van maatschappelijke dienstverlening.
    Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en verblijf van vreemdelingen zou immers worden
doorkruist wanneer zou worden aangenomen dat voor vreemdelingen die onwettig in België verblijven, ter
zake dezelfde voorwaarden zouden moeten gelden als voor degenen die wettig in België verblijven.
    B.16. De in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen onderscheiden zich ook van elkaar
vanuit het oogpunt van de verplichtingen die op de overheid te hunnen opzichte rusten.
    De procedure tot erkenning van de status van vluchteling past in het kader van internationale
verplichtingen die de Staat op zich heeft genomen. De regularisatieprocedure daarentegen is een maatregel
die tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Belgische overheid behoort. Ook dat verschil
verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van beide categorieën van vreemdelingen niet dezelfde
verplichtingen rusten.
    B.17. De regularisatie biedt de betrokken vreemdelingen een kans om, ondanks hun clandestien verblijf of
de uitputting van de voorheen bestaande procedures, alsnog een legaal verblijfsstatuut te verkrijgen, en aldus
ook recht op maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet te
verwerven. Ondertussen is hen dringende medische hulp gewaarborgd.
    B.18. Gelet op hetgeen voorafgaat is het niet kennelijk onredelijk dat in afwachting dat de
                                                                                                            78


regularisatieprocedure wordt afgesloten of in afwachting dat over hun aanvraag op grond van artikel 9, derde
lid, gunstig is beschikt, de aan de aanvragers gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening aldus beperkt
wordt.
    B.19. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof eveneens verzocht artikel 57, § 2, te toetsen aan de
artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met artikel 11.1 van
het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3 en 13 van
het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Die toetsing leidt te dezen niet tot een andere conclusie.
    B.20. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
    Om die redenen,
    het Hof
    zegt voor recht :
    Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996 en gedeeltelijk vernietigd door het
arrest nr. 43/98 van het Hof, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische,
sociale en culturele rechten en met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens :
    - in zoverre die bepaling de bijstand die kan worden verleend aan de vreemdelingen die een bevel hebben
gekregen om het grondgebied te verlaten dat definitief is geworden, hetzij wegens ontstentenis van beroep,
hetzij door uitputting van de tegen dat bevel openstaande rechtsmiddelen, en die een aanvraag tot erkenning
van staatloosheid hebben ingediend, beperkt tot dringende medische hulp;
    - in zoverre die bepaling het recht op maatschappelijke dienstverlening van de illegaal op het grondgebied
verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van
de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, beperkt tot
dringende medische hulp.
    Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 juni 2002.
                                                                                                           79


Bijlage 5

Nummer : RX037M4_1                                                               Datum : 2003-07-22
Jurisdictie : ARBITRAGEHOF
Zetel : MELCHIOR
Rolnummer : 106/2003    2548          2549

                                                      Kop
Prejudiciële vraag over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel.


                                               Wettelijke basis
-GRONDWET-1994,ART 10
-GRONDWET-1994,ART 11
-VERDRAG VAN 20-11-1989,ART 2
-VERDRAG VAN 20-11-1989,ART 3
-VERDRAG VAN 20-11-1989,ART 24.1
-VERDRAG VAN 20-11-1989,ART 26
-VERDRAG VAN 20-11-1989,ART 27
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2

                                         Tekst
    Het Arbitragehof,
    samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, P. Martens, R.
Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke,
bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
    wijst na beraad het volgende arrest :
    I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
    Bij twee vonnissen van 10 oktober 2002 in zake respectievelijk I. Mata tegen het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn van Sint-Joost-ten-Node en J. Obonga Kamonyonge tegen het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn
ingekomen op 25 oktober 2002, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
    " Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met :
    - de artikelen 23 en 191 van de Grondwet
    - de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, gesloten te New York op
20 november 1989, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 4 van datzelfde Verdrag
    - artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt
te New York op 19 december 1966, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 2.1 van datzelfde
Verdrag
    - artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950,
    in zoverre het het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot de dringende medische hulp voor
minderjarige buitenlanders die illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, en het zodoende :
    1o enerzijds, de minderjarige buitenlanders die illegaal op het grondgebied verblijven en, anderzijds, de
minderjarige Belgen, alsook de minderjarige buitenlanders die legaal op het grondgebied verblijven, op
verschillende wijze behandelt, waarbij het doel van dat verschil in behandeling erin bestaat de buitenlanders
die illegaal op het grondgebied verblijven, ertoe aan te zetten vrijwillig dat grondgebied te verlaten, wat
minderjarigen in principe onmogelijk kunnen doen, gelet op hun jonge leeftijd;
    2o personen die zich in verschillende situaties bevinden, namelijk, enerzijds, meerderjarige buitenlanders
die in principe het grondgebied van het Rijk vrijwillig kunnen verlaten en, anderzijds, minderjarige
buitenlanders die dat in principe onmogelijk kunnen doen, gelet op hun jonge leeftijd, op gelijke wijze
behandelt ? "
    III. In rechte
    B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vervangen door artikel 65 van de wet van 15
juli 1996 " tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976
                                                                                                                80


betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ", na het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 van
het Hof, dat bepaalt :
    " In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de
dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied
verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
    deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
    De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring.
    B.1.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof zich uit te spreken over de mogelijkheid van een
tweevoudige discriminatie : enerzijds, voert die bepaling, wat het recht op maatschappelijke dienstverlening
betreft, een verschil in behandeling in tussen de minderjarige vreemdelingen die illegaal op het grondgebied
verblijven en de andere minderjarigen, Belgen of vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven;
anderzijds, behandelt die bepaling de meerderjarige vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven
en de minderjarige vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven op identieke wijze, terwijl zij
zich ten aanzien van de betrokken maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden.
    B.1.3. De prejudiciële vragen hebben alleen betrekking op het recht op maatschappelijke dienstverlening
voor de minderjarigen en niet op het recht op maatschappelijke dienstverlening voor de gezinnen met
minderjarige kinderen. Uit de verwijzingsvonnissen blijkt dat de rechter niet overweegt dienstverlening toe te
kennen aan het volledige gezin, maar wel alleen aan de kinderen, ofwel onder verwijzing naar het bedrag van
de kinderbijslag of de gewaarborgde gezinsbijslag, ofwel via een vorm van maatschappelijke dienstverlening
beperkt tot de kosten voor de scholing van de kinderen.
    B.1.4. Het Hof wordt verzocht de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26
en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, goedgekeurd te New York op 20 november 1989, met
de artikelen 2.1 en 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,
opgemaakt te New York op 19 december 1966, en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens.
    B.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke
discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-
discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke
voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
    B.3.1. Het Verdrag inzake de rechten van het kind is aangenomen op 20 november 1989. Het werd
goedgekeurd bij het Vlaamse decreet van 15 mei 1991, het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9
augustus 1991, het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juli 1991 en de wet van 25 november 1991.
Het is ten aanzien van België in werking getreden op 15 januari 1992.
    B.3.2. Artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt :
    " 1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het Verdrag beschreven
rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke
afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of
wettige voogd.
    2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt
beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de
activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden
van het kind.
    Volgens artikel 3 van het Verdrag moeten " de belangen van het kind " de eerste overweging vormen bij
alle maatregelen betreffende kinderen.
    Artikel 24.1 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat " de Staten die partij zijn, (...) het recht van het kind op het
                                                                                                            81


genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en
het herstel van de gezondheid (erkennen). De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen
enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden ".
   Artikel 26.1 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat " de Staten die partij zijn, (...) voor ieder kind het recht
(erkennen) de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale
verzekering, en (...) de nodige maatregelen (nemen) om de algehele verwezenlijking van dit recht te
bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale recht ".
   Ten slotte bepalen de paragrafen 1 tot 3 van artikel 27 van datzelfde Verdrag :
   " 1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is
voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
   2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire
verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële
mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
   3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de
middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn
voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in
programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en
huisvesting. "
   Ten aanzien van de door de Ministerraad aangevoerde excepties
   B.4.1. De Ministerraad voert in de eerste plaats aan dat het Verdrag inzake de rechten van het kind geen
rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft, vermits het alleen aan de verdragspartijen verplichtingen
oplegt.
   B.4.2. Het Hof, dat bevoegd is om te oordelen of een wettelijke norm de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet schendt, moet, wanneer het wordt ondervraagd over een schending van die bepalingen, in
samenhang gelezen met een internationaal verdrag, niet nagaan of dat verdrag een rechtstreekse werking in
de interne rechtsorde heeft, maar het moet oordelen of de wetgever niet op discriminerende wijze de
internationale verbintenissen van België heeft miskend.
   De door de Ministerraad aangevoerde exceptie faalt naar recht.
   B.5.1. Uit de interpretatieve verklaring van de Belgische Staat over artikel 2.1 van het Verdrag leidt de
Ministerraad vervolgens af dat hij niet de verplichting zou hebben aan de vreemdelingen ambtshalve dezelfde
rechten te waarborgen als aan de eigen onderdanen.
   B.5.2. Bij de ratificatie van het Verdrag heeft de Belgische Staat de volgende interpretatieve verklaring
gedaan :
   " In verband met artikel 2, eerste lid, legt de Belgische Regering niet-discriminatie op grond van nationale
afkomst uit als niet noodzakelijk de verplichting voor de Staten inhouden om aan vreemdelingen dezelfde
rechten te waarborgen als aan de eigen onderdanen. Dit begrip moet worden verstaan als ertoe strekkende
iedere willekeurige gedraging uit te bannen, doch niet verschillen in behandeling, stoelend op objectieve en
redelijke overwegingen, overeenstemmend met de beginselen die in democratische samenlevingen gelden.
   B.5.3. Die interpretatieve verklaring moet worden gelezen in het licht van artikel 191 van de Grondwet,
dat bepaalt :
   " Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan
personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. "
   B.5.4. Op grond van die bepaling kan een verschil in behandeling dat een vreemdeling benadeelt alleen bij
een wetgevende norm worden ingevoerd. Die bepaling heeft niet tot doel de wetgever ertoe te machtigen,
wanneer hij een dergelijk verschil in het leven roept, zich eraan te onttrekken de in de Grondwet verankerde
fundamentele beginselen in acht te nemen. Uit artikel 191 vloeit dus geenszins voort dat de wetgever,
wanneer hij een verschil in behandeling ten nadele van vreemdelingen invoert, niet erover moet waken dat dit
verschil niet discriminerend is, ongeacht de aard van de in het geding zijnde beginselen.
   B.6.1. De Ministerraad beklemtoont ten slotte dat het Verdrag alleen van toepassing is op de kinderen die
onder de rechtsbevoegdheid van de verdragspartijen ressorteren, wat niet het geval zou zijn voor de kinderen
die illegaal op het grondgebied verblijven.
   B.6.2. Door in artikel 2.1 te bepalen dat de verdragspartijen zich ertoe verbinden de in het Verdrag
beschreven rechten te eerbiedigen en ze te waarborgen aan ieder kind dat onder hun rechtsbevoegdheid
ressorteert, hebben de auteurs van het Verdrag aangegeven dat een band moest bestaan tussen diegene die
zich op het Verdrag beroept en de verdragspartij die de bepalingen ervan zou hebben miskend.
   B.6.3. Die bepaling moet worden gelezen in het licht van het volledige Verdrag en, meer in het bijzonder,
rekening houdend met de verschillen in behandeling die bij die bepaling zijn verboden en die in de andere
bepalingen van artikel 2 worden genoemd.
   De vraag of de kinderen die zich bevinden in de situatie zoals beschreven in de verwijzingsbeslissingen,
onder de rechtsbevoegdheid van de Belgische Staat ressorteren, valt samen met het onderzoek van de
aangevoerde discriminatie en kan niet afzonderlijk worden beslecht.
                                                                                                             82


    Ten aanzien van de in de prejudiciële vraag vermelde verschillen in behandeling
    B.7.1. De aan de verwijzende rechter voorgelegde geschillen betreffen kinderen wier ouders in de
behoeften van hun door hen begeleide kinderen niet kunnen voorzien omdat zij illegaal op het grondgebied
verblijven.
    B.7.2. In de eerste plaats zijn het de ouders die verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de
levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, zoals wordt gepreciseerd in artikel
27.2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
    B.7.3. Wegens het illegale karakter van hun verblijf, hebben die ouders geen recht op de gewaarborgde
gezinsbijslag. Wat de in België verblijvende kinderen betreft, vereist de wet van 20 juli 1971 tot instelling
van gewaarborgde gezinsbijslag immers dat de natuurlijke persoon van wie het kind ten behoeve van wie
gezinsbijslag wordt toegekend ten laste is, gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de
aanvraag voorafgaan, werkelijk en ononderbroken verbleven heeft in België. De burgers van de Europese
Unie, de vluchtelingen en de staatlozen worden evenwel van die voorwaarde vrijgesteld. Overeenkomstig
artikel 1, zesde lid, van die wet worden vreemdelingen die niet toegelaten of gemachtigd zijn in België te
verblijven of zich er te vestigen daarentegen uitgesloten van het recht op gezinsbijslag.
    B.7.4. Zoals de verwijzende rechter vaststelt, hebben die ouders voor zichzelf geen recht op
maatschappelijke dienstverlening, andere dan dringende medische hulpverlening. Zij kunnen die ook niet
indirect verkrijgen door de staat van behoeftigheid van hun kinderen aan te voeren. Het zou immers niet
redelijk zijn de vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande
verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of
geen verblijfsvergunning hebben verkregen, verschillend te behandelen naargelang zij al dan niet door hun
minderjarige kinderen zijn vergezeld.
    Zelfs wanneer een dergelijke dienstverlening wordt toegekend door enkel rekening te houden met de staat
van behoeftigheid van het kind, zou zij indruisen tegen de doelstelling van de wetgever, die, zoals met name
is uiteengezet in het arrest nr. 51/94, erin bestaat de vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft
ertoe aan te zetten in te gaan op het bevel tot het verlaten ervan.
    B.7.5. De zorg om te beletten dat de maatschappelijke dienstverlening van haar doel wordt afgewend, zou
evenwel niet kunnen verantwoorden dat ze volledig en in alle gevallen wordt geweigerd aan een kind, terwijl
zou blijken dat die weigering het ertoe verplicht te leven in omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn
gezondheid en zijn ontwikkeling en terwijl er geen enkel gevaar zou bestaan dat ouders die geen recht erop
hebben, die dienstverlening zouden genieten. Artikel 2.2 van het Verdrag verplicht de Staten die partij zijn
immers " alle passende maatregelen (te nemen) om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle
vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de status (...) van de ouders (...) van het kind ".
    B.7.6. De doelstellingen opgesomd in de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag, die uitsluitend
betrekking hebben op de kinderen, dienen dus te worden verzoend met de doelstelling die erin bestaat
volwassenen die illegaal op het grondgebied verblijven, niet ertoe aan te zetten er te blijven.
    B.7.7. Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige
voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen
of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven
voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het
centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken.
    Het staat dus aan het centrum - onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere
gepaste regeling zou aannemen - een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat
die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een
dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke
dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien
verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun
kinderen wordt uitgevoerd.
    B.7.8. Op voorwaarde dat de beoogde dienstverlening voldoet aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, zou
zij niet kunnen worden geweigerd zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
de artikelen 2, 3, 24.1., 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, te schenden. Binnen die
perken dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.
    B.7.9. Er dient niet te worden onderzocht of artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 inbreuk pleegt op
de andere in de vragen vermelde bepalingen, vermits de eventuele schending ervan niet tot een andere
conclusie kan leiden.
    Om die redenen,
    het Hof
    zegt voor recht :
    Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26
en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier
                                                                                                          83


ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou
voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit.
   Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli 2003.
                                                                                                         84


Bijlage 6

Nummer : RS53692_1                                                            Datum : 2002-01-04
Jurisdictie : ARBEIDSRECHTBANK TE TONGEREN
Rolnummer : 2001/1762

                                                 Kop
SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - taken van het
OCMW - algemene taken en uitvoering - asielaanvragen in België - toepassing ratione temporis van artikel
57 ter 1 van de OCMW-wet van 8 juli 1976.

                                              Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57ter,1
-WET VAN 02-01-2001,ART 71

                                                 Publicatie
-JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL
   VAN 2002(00831,P.289-291)

                                        Tekst
    Rolnr. 1762/2001 DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN heeft het
volgende vonnis gedragen INZAKE S.F.
    TEGEN OCMW Gezien het inleidend verzoekschrift dd.28.6.2001, aangetekend verzonden aan de griffie
van deze Rechtbank.
    Gezien de op 29.06.2001 aan partijen verstuurde oproeping voor de openbare terechtzitting van
07.09.2001, zitting waarop de zaak ambtshalve werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van
21.09.2001 en vervolgens tegensprekelijk werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 07.12.2001.
    Gehoord partijen in hun middelen en gezegden.
    Gezien de voor eisende partij neergelegde stukken.
    Gezien de inlichtingen opgevraagd door het Auditoraat, meegedeeld aan de Heer Hoofdgriffier bij de
Arbeidsrechtbank alhier in datum van 23.10.2001.
    Gehoord de Heer D. Missotten,Substituut Arbeidsauditeur in de lezing van zijn schriftelijk advies.
    Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben over het advies en wensen niet te repliceren.
    Men sprak de Nederlandse taal.
    VOORWERP Bij inleidend verzoekschrift tekent eisende partij beroep aan tegen de administratieve
beslissing van verwerende partij dd. 30.5.2001, waarbij geen maandelijkse steunverlening werd toegekend,
vanaf 1.5.2001, omwille van de programmawet van 2.1.2001, verschenen in het Belgisch Staatsblad van
3.1.2001, dewelke een wijziging aanbrengt aan de organieke wet van 8.7.1976 en de invoeging van het nieuw
artikel 57 ter 1.
    ONTVANKELIJKHEID De vordering werd tijdig, binnen de maand en regelmatig naar vorm ingesteld en
is ontvankelijk. Er zijn derhalve geen redenen voorhanden tot de ambtshalve inroeping van een grond van
onontvankelijkheid.
    FEITEN S.F. werd geboren in Joegoslavië op 15.6.1979. Zij is ongehuwd.
    Betrokkene heeft haar land verlaten en kwam in België binnen op 5.10.1999. Zij vroeg het statuut van
politiek vluchteling aan.
    Op datum van 6.10.1999 werd betrokkene in het kader van het wachtregister en het spreidingsplan
toegewezen aan het O.C.M.W. van Tongeren.
    Gezien het feit dat haar broer reeds woonachtig is in Tongeren, en een asielaanvraag had lopen, kon zij
hier opgevangen worden.
    Betrokkene heeft zich op 7.10.1999 aangeboden op het O.C.M.W. te Tongeren en bekwam een
maandelijkse uitkering samenwonende van 14.507 BEF.
    Op 27.4.2001 nam het CGVS een beslissing aangaande weigering verblijf, met bevel om het land te
verlaten, welke beslissing betekend werd op 3.5.2001.
    Op 9.5.2001 diende betrokkene een verzoekschrift in bij de Raad van State, tot schorsing en vernietiging
van de beslissing van het CGVS.
    Op 30.5.2001 nam verwerende partij de thans bestreden beslissing.
    TEN GRONDE 1.
    Art.57 par 2, vierde lid van de O.C.M.W-wet bepaalt :
                                                                                                            85


    " De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling, die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een 'uitvoerbaar' bevel om het grondgebied te verlaten, werd betekend, wordt, met
uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet, de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk
het grondgebied verlaat en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het
grondgebied te verlaten. Deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden." Ingevolge arrest van het
Arbitragehof dd. 22.4.1998 (rolnummer 1073, arrest nr. 43/98) werd de term " uitvoerbaar" in het derde en
vierde lid van artikel 57 par. 2 van de organieke wet van 8.7.1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij artikel 65 van de voormelde wet, vernietigd, op grond van volgende
motivering :
    " Evenwel, vermits de wetgever, om een einde te stellen aan uiteenlopende interpretaties, de term
"definitief" door "uitvoerbaar" heeft vervangen, wordt de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening
ontzegd, zelfs indien hij een beroep tot vernietiging - al dan niet samen met een vordering tot schorsing -
heeft ingesteld dat hangende zou zijn bij de Raad van State.
    Het staat aan het Hof te onderzoeken of een dergelijke bepaling niet discriminerend is, in zoverre zij, ten
nadele van een categorie van personen, inbreuk maakt op het recht op maatschappelijke dienstverlening en op
het recht op het daadwerkelijk uitoefenen van een jurisdictioneel beroep.
    De procedureregels die voor de Raad van State van toepassing zijn, maken het mogelijk op korte termijn
de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot vernietiging te verwerpen, die kennelijk onontvankelijk of
kennelijk niet gegrond zouden zijn. (artikelen 12 tot 15 van het K.B. van 5.12.1991 tot bepaling van de
rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van State) Een dergelijke procedure maakt het
mogelijk binnen een termijn die korter is dan die welke bepaald is in de artikelen 11, 22, 58 en 59 van de wet
van 15.7.1996, de beroepen te verwerpen die als enig doel zouden hebben het voordeel van de
maatschappelijke dienstverlening onterecht te verlengen.
    Aangezien er een procedure bestaat om de dilatoire beroepen weg te werken, is het overdreven daarnaast
te bepalen dat het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt ontnomen aan alle asielzoekers van wie
de vordering werd verworpen en die om die reden een bevel hebben gekregen om het land te verlaten, terwijl
zij de met toepassing van artikel 63/3 van de wet genomen beslissing van de Commissaris-Generaal voor de
vluchtelingen en de staatlozen, of de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voor de
Raad van State hebben aangevochten.
    Gelet op de aard van de in het geding zijnde beginselen blijkt de aangevochten maatregel een
onevenredige beperking in het houden van de uitoefening van de fundamentele rechten vermeld in B.33. Hij
schendt derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
    In het derde en het vierde lid van het nieuwe artikel 57 par. 2 van de organieke wet betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dient het woord "uitvoerbaar" te worden vernietigd.
    "Die vernietiging heeft tot gevolg dat artikel 57 par. 2 moet worden geïnterpreteerd als zijnde niet van
toepassing op de vreemdeling die gevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is
verworpen en die een bevel heeft gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de
Raad van State heeft ingesteld, tegen de beslissing die de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de
Staatlozen, met toepassing van artikel 63/3 van de wet heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste
Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet zijn beslecht." Artikel 57 par. 2 van de O.C.M.W.-wet is dus niet
van toepassing op de kandidaat-vluchteling, wiens asielaanvraag is verworpen, en die een bevel heeft
gekregen om het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij bij de Raad van State heeft ingesteld
niet zijn beslecht.
    2.
    Opdat er inzake de toepassing van artikel 57 par. 2 O.C.M.W.-wet sprake zou kunnen zijn van een illegale
vreemdeling, moet cumulatief aan drie voorwaarden zijn voldaan, met name :
    - een onwettig verblijf - een bevel het grondgebied te verlaten - dat definitief is Inzake kan verwezen
worden naar de motivering in het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, Afdeling Antwerpen, dd.
29.9.1993, inzake A.R. 486/1994 :
    " Aangenomen mag worden dat een bevel definitief is wanneer daartegen geen rechtsmiddelen meer
openstaan en over de aangewende rechtsmiddelen een einduitspraak is gedaan." In casu heeft eisende partij,
die een asielaanvraag indiende voor 3.1.2002, beroep ingesteld tegen de negatieve beslissing van het
Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dd. 27.4.2001 (inzake de ontvankelijkheid
van zijn aanvraag) in datum van 9.5.2001.
    3.
    De Vreemdelingenwet, in casu de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen, (Artikel 54) voorziet in de mogelijkheid
om een verplichte plaats van inschrijving te bepalen voor de asielzoekers die asiel aanvragen, op het ogenblik
dat zij geen titel hebben om in het land te verblijven, maar die zich op het grondgebied bevinden, in
afwachting van het resultaat van hun asielaanvraag. (aangeduid in het wachtregister met een code 207)
Artikel 54 van de Vreemdelingenwet, regelt in hoofdzaak twee aangelegenheden, die van belang zijn, voor de
                                                                                                              86


beoordeling van het thans voorliggend geschil.
    a) De minister (of diens gemachtigde) kan een verplichte plaats van inschrijving bepalen voor de
kandidaat-vluchtelingen.
    Deze aanduiding duurt tot definitief is beslist over de aanvraag tot erkenning van de betrokkene als
vluchteling, of tot een eventueel bevel om het grondgebied te verlaten is uitgevoerd.
    b) De minister (of zijn gemachtigde) kan een door de Staat georganiseerd of erkend onthaalcentrum als
verplichte plaats van inschrijving aanwijzen aan elke kandidaat-vluchteling. Deze aanwijzing neemt een
einde wanneer de betrokkene het bevel om het grondgebied te verlaten heeft opgevolgd of wanneer de
minister (of zijn gemachtigde) of de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (of één
van zijn adjuncten) heeft beslist dat en onderzoek ten gronde van de asielaanvraag van de asielaanvraag
noodzakelijk is.
    Uit de combinatie van litterae a en b volgt dat aan asielzoekers door de minister een verplichte plaats van
inschrijving kan worden toegewezen, en dit zowel tijdens het ontvankelijkheids- als tijdens het
gegrondheidsonderzoek, van hun asielaanvraag, maar dat alleen tijdens deze eerste fase deze
inschrijvingsplaats een onthaalcentrum kan zijn.
    (SENAEVE-SIMOENS, O.C.M.W.-Dienstverlening en Bestaansminimum, blz. 240/4 en 240/5 nr. 577/3.
    Deze verplichte inschrijvingsplaats is een administratieve verblijfplaats die niet noodzakelijk samenvalt
met de effectieve verblijfplaats van de betrokkene. Deze administratieve verblijfplaats bepaalt welk
O.C.M.W. (of welk onthaalcentrum) bij uitsluiting bevoegd is om hulp toe te kennen.
    (MAHIEU-LUKOWIAK, OCMW, blz. 275-276, nr. 795) Het wachtregister is een bevolkingsregister
voor een bijzondere categorie van personen, nl. kandidaat-vluchtelingen.
    Het wachtregister heeft tot doel alle persoonlijke gegevens van de kandidaat-vluchteling (naam,
nationaliteit, gezinssituatie) en alle genomen beslissingen met betrekking tot de asielaanvraag (beslissing
DVZ, CGVS, VBV) te registreren. Het is een centraal register, waarbij de DVZ de eerste inschrijving
verricht, maar waarbij ook andere instanties het register verder aanvullen.
    Met het spreidingsplan beoogt de federale overheid in de eerste plaats een spreiding van de financiële
lasten van de opvang onder de verschillende O.C.M.W.'s. ..
    Op basis van de gegevens uit het wachtregister kan de federale overheid het spreidingsplan toepassen.
    De toepassing van het spreidingsplan gebeurt door een toewijzing ( inschrijving onder code 207 in het
wachtregister van een administratieve verblijfplaats, zijnde een gemeente of een onthaalcentrum) aan de hand
waarvan bepaald wordt welk O.C.M.W. of onthaalcentrum bevoegd is voor de financiële steunverlening.
    De toewijzing is dus steeds een plaats bevoegd voor de financiële steunverlening.
    Samenvattend :
    - indien er een toewijzing is ( de code 207 in het wachtregister is ingevuld) dan is de plaats die vermeld is
naast de code 207 bevoegd voor de steunverlening. Dit is een onthaalcentrum of het O.C.M.W. van een
gemeente.
    - indien er geen toewijzing is ( de code 207 in het wachtregister is niet ingevuld) dan is het O.C.M.W.
    van de feitelijke verblijfplaats bevoegd voor de financiële steunverlening, tenzij de kandidaat-vluchteling
in een onthaalcentrum verblijft, zonder daaraan te zijn toegewezen.
    ( Vluchtelingenonthaal in de Praktijk, Uitgave OCIV, blz. 43 en 44) Achtste blad In casu vermeldt het
wachtregister nog steeds onder Code 207, het O.C.M.W. van , als bevoegd centrum voor de hulpverlening,
zoals blijkt uit het schrijven van het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie, dd. 20.9.2001 aan de
diensten van het Auditoraat.
    Blijkens de omzendbrief van 9.12.1998, van het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie,
Bestuursdirectie van het Maatschappelijk Welzijn, aan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn,
inzake de wijzigingen aangebracht bij arrest van het Arbitragehof van 22 april 1998, werd op blz 3 duidelijk
gesteld dat een O.C.M.W. dat door de Dienst Vreemdelingenzaken onder code 207 werd aangewezen,
bevoegd blijft, totdat een arrest over het ingediend beroep tot vernietiging door de Raad van State wordt
gewezen.
    Een wijziging van de code 207 voor de Vreemdelingen die onder het toepassingsgebied van het arrest van
het Arbitragehof vallen, blijft evenwel steeds mogelijk.
    4.
    De Wet van 2 januari 2001, houdende sociale budgettaire en andere bepalingen heeft een nieuw artikel 57,
ter 1 ingevoegd in de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de O.C.M.W.'s.
    Dit artikel bepaalt het volgende :
    " Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, wordt met toepassing van artikel 65 van de Wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een
andere overheid of één of meerdere besturen georganiseerd centrum of plaats waar hulpverlening wordt
verstrekt op verzoek en kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving aangeduid :
    1° tot zolang de minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, of de commissaris-generaal voor
                                                                                                           87


de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten niet hebben beslist dat een onderzoek ten gronde
van de asielaanvraag noodzakelijk is ;
   2° indien de vreemdeling de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen,
of een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 van voormelde wet, werd aangevochten voor de
Raad van State.
   In bijzondere omstandigheden kan de minister of diens gemachtigde afwijken van het bepaalde in het
vorig lid.
   De aanduiding in het eerste lid, blijft van kracht, zolang het beroep hangende is voor de raad van state.
   De bepalingen van par. 1 zijn van toepassing :
   1° op de vreemdeling die zich na de datum waarop de programmawet van 2 januari 2001 in het Belgisch
Staatsblad is bekendgemaakt, vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend 2° op de vreemdeling die na de in 1° bedoelde datum, de beslissing van het commissariaat voor de
vluchtelingen en staatlozen of een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 heeft aangevochten bij
de Raad van State.
   De hoofddoelstellingen van de Wijzigingswet waren dubbel : enerzijds voorzien in een aangepaste
onthaalstructuur voor asielzoekers tijdens de eerste periode van hun verblijf in België ( tijdens welke de
ontvankelijkheid van hun asielaanvraag wordt onderzocht), anderzijds de O.C.M.W.'s te ontslaan van hun
plicht de betrokken maatschappelijke dienstverlening te verstrekken.
   (SENAEVE-SIMOENS, O.C.M.W.-Dienstverlening en Bestaansminimum, blz. 240/7 nr. 557/13) De
overheid heeft er aldus voor geopteerd om de opvang tijdens de eerste fase van de asielprocedure zelf
volledig te organiseren en ten laste te nemen, wat voor de O.C.M.W.'s op korte termijn ook een ontlasting
moet betekenen met betrekking tot het aantal asielzoekers dat op hen een beroep zal doen.
   (SENAEVE-SIMOENS, O.C.M.W.-Dienstverlening en Bestaansminimum, blz. 240/8 nr. 557/15)
Verwerende partij beroept zich op artikel 57 ter 1, om te stellen, dat de onontvankelijke asielzoekers die, na
de inwerkingtreding van dit nieuw artikel 57 ter 1, hetzij na 3.1.2001, beroep instellen bij de Raad van State
tegen een negatieve beslissing van het Commissariaat voor de vluchtelingen en staatlozen, verplicht worden
toegewezen aan een opvangcentrum, waar ze recht hebben op maatschappelijke dienstverlening.
   Verwerende partij, zou als O.C.M.W., in deze omstandigheden, niet langer bevoegd zijn tot
steunverlening.
   5.
   Het nieuwe artikel 57, ter 1 vermeldde evenwel eveneens dat in bijzondere omstandigheden de minister of
diens gemachtigde kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
   Het Kabinet van de Vice-Eerste Minister, J. V.D.L., richtte in datum 29 januari 2001 een omzendbrief aan
de O.C.M.W.'s, met betrekking tot de heroriëntatie van de maatschappelijke dienstverlening aan asielzoekers.
   In blz 2 van deze omzendbrief werd vermeld dat uit overleg met de koepelorganisaties gebleken is, dat er
onduidelijkheid bestaat, ondermeer over een element van het nieuwe opvangbeleid, meer bepaald de
bijzondere omstandigheden waarbij de Minister bevoegd voor de opvang van de vluchtelingen in een
centrum kan afwijken.
   Als "Bijzondere Omstandigheden" worden vervolgens drie categorieën gespecifieerd:
   - Gezinshereniging - Beroepen bij de Raad van State van asielaanvragers - Laattijdige aankomsten in het
toegewezen centrum van asielaanvragers van voor 3.1.2001.
   Inzake de beroepen bij de Raad van State werd expliciet vermeld, dat uit de parlementaire
werkzaamheden n.a.v. de behandeling van de programmawet duidelijk is gebleken dat in principe enkel
beroepen bij de Raad van State, betreffende asielaanvragen van na 3 januari 2001 aan een Centrum zullen
toegewezen worden.
   6.
   Naar het oordeel van de rechtbank, dient er bij de toepassing van de Wijzigingswet van 2.1.2002 ook
rekening gehouden te worden met het verbod van retroactiviteit van een wettelijke bepaling, zijnde een
toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel.
   Volgens de eerste uitspraak van het Arbitragehof daarover, die dateert van 5 juli 1990, betekent het
rechtszekerheidsbeginsel of ' het grondbeginsel van de rechtszekerheid ' dat de inhoud van het recht
voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een
bepaalde handeling kan overzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht.
   In een arrest van 11 februari 1993 werd dit nog duidelijker vertaald in een verbod voor de wetgever :
   " Volgens het grondbeginsel van de rechtszekerheid kan de wetgever niet zonder objectieve en redelijke
verantwoording afbreuk doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen
van hun handelingen te voorzien.
   (P.VAN ORSHOVEN, De Kraai en De Put, De retroactieve wet in het licht van de beginselen van
behoorlijke wetgeving, A.J.T. 1998-1999, blz. 28, nr. 10) Het Hof van Cassatie bracht bij arrest van
27.9.1999 (Pas. Belge, 1999, I;/484) volgende nuancering aan :
   "Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding
                                                                                                          88


ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich
voordoen of voortduren onder vigueur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan
reeds ontstane en onherroepelijk vastgestelde rechten".
    In casu mochten de kandidaat-vluchtelingen, welke een asielaanvraag indienden voor 1.3.2001, uitgaan
van een redelijk vertrouwen aangaande het feit, dat na het tussengekomen arrest van het Arbitragehof van 22
april 1998, het O.C.M.W. dat door de Dienst Vreemdelingenzaken onder code 207 werd aangewezen,
bevoegd blijft, totdat een arrest over het ingediend beroep tot vernietiging door de Raad van State wordt
gewezen.
    Dit is, in se, de enige mogelijke toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel.
    Thans een andere interpretatie verdedigen, met name dat voor ALLE onontvankelijke asielzoekers ( dus
ook voor diegenen die reeds voor de inwerkingtreding van de wijzigingswet een asielaanvraag deden), welke
na 3.1.2001 een beroep instellen bij de Raad van State, een opvangcentrum verplicht dient te worden
toegewezen, is een schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
    De interpretatie welke verwerende partij aankleeft, is bovendien in strijd met de omzendbrief dd.
29.1.2001 van Minister V.D.L. aan de O.C.M.W.'s, waarin uitdrukkelijk gesteld werd dat uit de
parlementaire werkzaamheden naar aanleiding van de behandeling van de Programmawet duidelijk blijkt dat
in principe enkel beroepen bij de Raad van State betreffende asielaanvragen van na 3.1.2001 aan een
Centrum zullen worden toegewezen.
    De interpretatie dat het aangewezen O.C.M.W. niet langer tot steunverlening bevoegd zou zijn, zou ook
leiden tot een aantal praktische problemen. De asielzoekers die reeds voor 3.1.2001 een asielaanvraag
indienden, hebben inderdaad een aantal verplichtingen op zich genomen, ondermeer door het afsluiten van
een huurcontract, hetwelk niet ipso facto, zonder kosten, kan verbroken worden.
    7.
    Tenslotte is het zo dat het O.C.M.W. van , in het wachtregister, nog steeds onder code 207 als
steunverlenend centrum is aangewezen.
    De toewijzing van een opvangcentrum behoort volledig tot de bevoegdheid van het Ministerie van Sociale
Zaken, departement Matschappelijke Integratie.
    In casu werd er tot op heden nog geen andere verplichte plaats van inschrijving op kosten van de Staat
aangeduid, hetgeen bezwaarlijk kan verweten worden aan eisende partij, welke in casu geen enkele
bevoegdheid heeft.
    8.
    De bestreden beslissing dient dan ook te worden vernietigd.
    Gelet op de devolutieve werking van het verhaal in rechte, is de rechter bevoegd om de zaak ten gronde te
beoordelen in plaats van het O.C.M.W. en schendt daardoor het principe van de scheiding van de machten
niet.
    ( Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Hasselt, 4de Kamer, 16.9.1993, RW 1993-1994, 1236.- O.C.M.W. in
de Kering, Mijs en Breesch, blz 81) De sociale zekerheidswetgeving is van openbare orde en het behoort de
rechter immers niet alleen toe de beslissingen te vernietigen, maar eveneens te verhelpen aan hun gebreken,
alsook de gevolgen van een slechte werking van de openbare diensten te herstellen.
    ( Arbeidshof Brussel 26.1.1989, J.D.J. 1989, NR. 9, 38 en Arbeidshof Bergen 24.2.1989, J.T.T. 1989,
297) De rechtbank trekt de zaak dan ook tot zich en veroordeelt het O.C.M.W. van en te Tongeren, tot
verdere steunverlening, zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van het vonnis.
    De achterstallen kunnen pas toegekend worden vanaf datum van de aanvraag tot hulpverlening welke
leidde tot de bestreden beslissing.
    Eisende partij kan tevens aanspraak maken op intresten, overeenkomstig artikel 28 van het K.B. van
30.10.1974, met name vanaf de vijftiende dag na de bestreden beslissing.
    Alle verdere en/of tegenstrijdige argumenten in besluiten of mondeling geformuleerd, worden verworpen.
    Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
    OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak, Na beraadslaging, Verklaart de
vordering ONTVANKELIJK en GEGROND.
    Vernietigt de bestreden beslissing.
    Trekt de zaak tot zich.
    Veroordeelt het O.C.M.W. van en te in betaling aan eisende partij, en dit binnen de zes weken na het
tussen te komen vonnis :
    - 359,62 EUR per maand als equivalent bestaansminimum categorie 4, en dit vanaf 1.5.2001, meer de
aldus ontstane achterstallen, meer de intresten op deze bedragen aan de wettelijke intrestvoet, vanaf
15.6.2001.
    Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, deze in hoofde van eisende partij begroot op
98,13 EUR en onbegroot zijnde in hoofde van verwerende partij bij gebreke aan afgifte van een kostenstaat.
    Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting de AANWEZIG :
    H. VELAERS, Rechter, Voorzitter van deze Kamer.
                                                                                      89


G. MOTMANS, werkende rechter in sociale zaken, werkgever.
R. CHAMPAGNE, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider.
M. LIESENBORGHS, adjunct-griffier met opdracht (M.B. 18.05.2000 - B.S. 24.05.2000).
                                                                                                         90


Bijlage 7

Nummer : RS53923_1                                          Datum : 2002-03-20
Jurisdictie : ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN, 4E KAMER
Rolnummer : 2000/257

                                                Kop
SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Taken van
het OCMW - Algemene taken en uitvoering - Asielzoeker - Bevel grondgebied te verlaten - Wettigheid.


                                              Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57,§2
-WET VAN 15-07-1996,ART 9

                                        Tekst
   ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2000257 OPENBARE
TERECHTZITTING VAN TWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TWEE In de zaak van:
   mevrouw A. M., appellante, vertegenwoordigd door mr. R. J. loco mr. E. D. S. (zitting 26 september
2001) en mr. R. V. loco mr. E.
   D. S., advocaat te Antwerpen (zitting 9 januari 2002), tegen :
   het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BEERSE, gevestigd te
2340 Beerse, Bisschopslaan 56, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. B. D'H. loco mr. K. S. (zitting 26
september 2001) en mr. P. K. loco mr. K.
   S., advocaat te Beerse (zitting 9 januari 2002).
   Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen,
afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken.
   Gelet op de zittingsbladen van 3 mei 2000, 14 februari 2001, 25 april 2001, 13 juni 2001, 26 september
2001, 9 januari 2002, 13 februari 2002 en 13 maart 2002.
   Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer:
   het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 3 maart 2000 uitge-sproken door de tweede kamer
van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, over-eenkomstig artikel 792 Ger. W. aan A. M. ter kennis gebracht bij
gerechtsbrief op 8 maart 2000;
   het verzoekschrift tot hoger beroep, op 10 april 2000 neergelegd ter griffie van dit Hof en ter kennis
gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 11 april 2000;
   de conclusies voor het O.C.M.W. van Beerse, ontvangen ter griffie van het Hof op 10 november 2000;
   de conclusies voor A. M., neergelegd ter zitting van het Hof d.d. 13 juni 2001;
   de conclusies voor A. M., ontvangen ter griffie van het Hof op 8 januari 2002.
   Partijen werden gehoord op de openbare terechtzittingen van 26 september 2001 en 9 januari 2002.
   1. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op maandag 10 april 2000,
tekende A. M. hoger beroep aan tegen een vonnis van 3 maart 2000 (A.R.V. 23.602) van de
Arbeidsrechtbank te Turnhout.
   Het vonnis werd aan A. M. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792 Ger. W. bij gerechtsbrief op 8
maart 2000.
   Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
   2. Feiten en voorafgaande procedure A. M. is een alleenstaande vrouw van Kongolese nationaliteit,
geboren in 1960 en moeder van een kind.
   In het kader van het spreidingsplan werd zij toegewezen aan het O.C.M.W. van Beerse. Zij verblijft
evenwel in Antwerpen.
   Door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd een bevestigende
beslissing van weigering van asiel getroffen op 8 september 1997.
   Op 26 november 1997 deed A. M. een aanvraag tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden,
op grond van artikel 9, 3° van de Vreemdelingenwet.
   Een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend op 25 maart 1998.
   Op 8 september 1998 werd een tweede aanvraag ingediend op basis van artikel 9, 3° van de
Vreemdelingenwet.
   Annulatieberoep tegen de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de
Staatlozen werd door de Raad van State afgewezen bij ar-rest van 19 november 1998.
   Op 14 januari 2000 diende A. M. een aanvraag in om regularisatie op grond van de wet van 22 december
                                                                                                            91


1999, die positief werd beoordeeld door de Minister van Binnenlandse Zaken.
    A. M. vroeg opnieuw maatschappelijke dienstverlening aan op 15 maart 2000 bij het O.C.M.W. van
Beerse en op 15 juni 2000 bij het O.C.M.W. van Antwerpen. Beide aanvragen werden geweigerd.
    Hiertegen werd beroep ingesteld respectievelijk bij de Arbeidsrechtbank te Turnhout en de
Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
    Enkel het beroep tegen het vonnis van 3 maart 2000 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout is thans aan de
orde. In dit vonnis bevestigde de eerste rechter de be-streden beslissing van het Bijzonder Comité voor de
Sociale Dienst van 28 juni 1999, waarbij de maatschappelijke dienstverlening, bestaande uit financiële steun,
bijslag voor het kind en medische waarborgen, werden stopgezet met ingang van 1 mei 1999 om reden van
onbevoegdheid. De eerste rechter wees de vordering ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 30
juli 1999, af.
    Hiertegen stelde A. M. hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 10
april 2000.
    3. Eisen in hoger beroep A. M. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het
bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de beslissing van het Bijzonder Comité voor de
Sociale Dienst van 28 juni 1999 te vernietigen en te zeggen voor recht dat zij vanwege het O.C.M.W. van
Beerse gerechtigd is op maatschappelijke dienstverlening, bestaande uit het levensminimum categorie 2 en
uit een bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslagen voor één kind, en dit vanaf 1 mei 1999 tot en met
14 juni 2000, minstens tot en met 14 maart 2000.
    Het O.C.M.W. van Beerse vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch onge-grond te verklaren en het
vonnis a quo te bevestigen.
    4. Ten gronde 4.1. Overwegende dat A. M. inroept dat het bevel om het grondgebied te verlaten d.d. 25
maart 1998 nietig zou zijn om reden dat in de motivering ervan geen gewag werd gemaakt van haar aanvraag
om machtiging van verblijf op grond van artikel 9, 3° van de Vreemdelingenwet, en alzo inbreuk werd
gepleegd op de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet; toepassing van artikel 57, §2, zou in
dit licht niet mogelijk zijn, zodat zij ge-rechtigd bleef op maatschappelijke dienstverlening.
    Overwegende dat het Hof van mening is dat het niet dient in te gaan op de sug-gestie van A. M. om op
basis van artikel 159 van de Grondwet het bevel om het grondgebied te verlaten te vernietigen.
    Overwegende dat het Hof vaststelt dat het bevel wel degelijk werd gemotiveerd; dat bepaald werd dat A.
    M. werd uitgewezen nadat haar asielprocedure was beëindigd, hetgeen niet wordt betwist.
    Overwegende dat het feit dat in het bevel geen melding werd gemaakt van de aanvraag op basis van
artikel 9, 3° van de Vreemdelingenwet, perfect het voor-werp had kunnen uitgemaakt hebben van een beroep
bij de Raad van State; dat deze mogelijkheid uitvoerig in het bevel werd ter kennis gebracht; dat A. M.
    nagelaten heeft dit beroep bij deze instantie in te dienen binnen de voorziene termijn; dat, nu zij zelf in
gebreke bleef haar rechten tijdig te doen gelden, zij thans langs deze weg opnieuw een tweede
beroepsmogelijkheid wenst in het leven te roepen om alsnog de toepassing van artikel 57, §2, te omzeilen;
    dat het Hof zich niet geroepen voelt om zich in de plaats te stellen van de Raad van State; dat A.
    M. trouwens rijkelijk laat tot de bevinding kwam dat het bevel met nietigheid zou zijn behept; dat het Hof
vaststelt dat het O.C.M.W. van Beerse, ondanks het feit dat het bevel reeds op 25 maart 1998 werd verleend,
tegen alle wet en logica in toch verder ging met de uitbetaling van maatschappelijke dienstverlening;
    dat A. M. pas de nietigheid van het bevel opmerkte vanaf het ogenblik dat het O.C.M.W. van Beerse
uiteindelijk toch de uitkeringen stopzette vanaf 1 mei 1999; dat de periode van uitkeringen tussen 25 maart
1998 en 1 mei 1999 niet het voorwerp uitmaakt van de huidige betwisting, zodat het Hof niet vermag zich
daarover uit te spreken.
    4.2. Overwegende dat A. M. aldus op 25 maart 1998 het bevel werd gegeven om het grondgebied te
verlaten uiterlijk op 24 april 1998; dat zij derhalve sedertdien illegaal in het land verbleef.
    Overwegende dat de aanvragen tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden op basis van
artikel 9, 3° van de Vreemdelingenwet, ingediend op 26 november 1997 en herhaald op 8 september 1998,
hieraan niets afdoen en te-vens geen rechten scheppen op maatschappelijke dienstverlening.
    Dat ook de aanvraag om regularisatie, ingediend op 14 januari 2000 op basis van de wet van 22 december
1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op
het grondgebied van het Rijk, geen aanleiding geeft tot het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening.
    Overwegende dat A. M. een nieuwe aanvraag om financiële steun deed bij het O.C.M.W. van Beerse op
15 maart 2000; dat de vordering alzo beperkt dient te worden tot de periode van 1 mei 1999 tot 15 maart
2000.
    4.3. Overwegende dat A. M. tevens inroept dat zij behoeftig was en dat haar illegaal verblijf gedoogd
werd, zodat zij overeenkomstig artikel 1 van de O.C.M.W.-wet aanspraak kon maken op maatschappelijke
dienstverlening met terugwerkende kracht tot op de datum van 1 mei 1999.
    4.4. Overwegende dat artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffen-de de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn bepaalt:
    "Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de
                                                                                                              92


mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid." Overwegende
dat artikel 57, §1, van dezelfde wet voorschrijft:
    "Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot
taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.
    Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Deze dienstverlening kan van
materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologi-sche aard zijn." Dat artikel 57, §2,
van dezelfde wet, vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 "tot wijziging van de wet van 15
december 1980 betreffende de toe-gang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn", en gedeeltelijk vernietigd door het Arbi-tragehof in het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998, bepaalt:
    "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het open-baar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van drin-gende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    (...) Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaan-vraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een bevel om het grond-gebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steun-trekkende was op het
ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verla-ten werd betekend, wordt, met uitzondering van de
dringende medische hulp-verlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied
verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
    (...)." Overwegende dat artikel 14 van de Regularisatiewet van 22 december 1999 be-paalt:
    "Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de open-bare orde of de nationale
veiligheid, of hetzij de aanvraag kennelijk niet beant-woordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er
niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een
negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12." 4.5. Overwegende dat vooreerst dient te
worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie reeds eerder stelde dat het feit dat een bevel om het grondgebied
te ver-laten niet wordt uitgevoerd (en waaruit A. M. afleidt dat de overheid haar illegaal verblijf gedoogde)
niet toestaat te denken dat het verblijf regelmatig zou zijn of dat er een stilzwijgend akkoord zou ontstaan zijn
volgens hetwelk men verder op het grondgebied zou mogen verblijven.
    (Cass., 4 september 1995, A.C., 1995, 734).
    Overwegende dat er geen rechtsgrond voorhanden is om maatschappelijke dienstverlening te verstrekken
in de gevraagde periode.
    Dat artikel 1 van de O.C.M.W.-wet niet kan ingeroepen worden, vermits artikel 57, §2, een uitzondering
op deze algemene regel voorziet voor illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen; dat het recht op
maatschappelijke dienstver-lening enkel geldt voor de personen die op legale wijze in België verblijven;
    dat enkel daarvan wordt afgeweken voor dringende medische hulp, die in casu niet wordt ingeroepen.
    Dat, gelet op de bepalingen van bovengeciteerd artikel 57, §2, het O.C.M.W. van Beerse niet gehouden is
steun te verlenen voor de betwiste periode.
    (zie ook: Arbh. Gent, 26 maart 2001, A.J.T., 2001-02, 464).
    Overwegende dat A. M. voorhoudt dat door de regularisatie van haar verblijf op 3 mei 2001, op basis van
de Regularisatiewet van 22 december 1999, ook haar verblijfstoestand automatisch met terugwerkende kracht
zou gelegaliseerd zijn geworden en zij daardoor toch aanspraak zou kunnen maken op maat-schappelijke
dienstverlening ten laste van het O.C.M.W. van Beerse.
    Dat A. M. dwaalt.
    Overwegende dat artikel 14 van de Regularisatiewet tot gevolg heeft dat de vreemdelingen die
regularisatie aanvragen "gedoogd" worden op het grondge-bied zolang de procedure loopt, zonder dat aan de
illegaal verblijvenden een verblijfsvergunning verleend wordt.
    Dat dit "gedogen" enkel tot gevolg heeft dat het bevel om het grondgebied te verlaten, dat geldig blijft,
tijdelijk wordt geschorst doordat niet effectief tot ge-dwongen uitvoering wordt overgegaan.
    (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Doc. 50 0234/001, p. 18).
    Dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, die ten overstaan van A. M. op grond van de
Regularisatiewet genomen werd, derhalve geen intrekking van het bevel om het grondgebied te verlaten
inhoudt, en als dusdanig het verblijf van deze illegale vreemdeling niet legaliseert.
    Dat de regularisatiebeslissing niet kan beschouwd worden als een intrekking van een administratieve
handeling, waarbij een administratieve overheid een handeling, die zij vroeger heeft verricht, ab initio, met
terugwerkende kracht tot op het ogenblik waarop de handeling in het leven werd geroepen, tenietdoet.
    Dat aan A. M. pas een legaal verblijfsstatuut werd verstrekt vanaf het ogenblik dat zij overeenkomstig de
regularisatiebeslissing van de Minister in het bezit werd gesteld van de nodige verblijfsdocumenten;
    dat deze datum niet gekend is, maar alleszins moet gesitueerd zijn nà de betwiste periode.
    Dat vóór deze datum haar verblijfstoestand illegaal blijft.
    Dat geen enkele wetsbepaling toelaat maatschappelijke dienstverlening te ver-strekken voor de bewuste
                                                                                                          93


periode van illegaliteit.
    (zie ook: Arbh. Antwerpen, 8 september 1999 en 9 februari 2000, Soc.Kron., 2001, 388, waar-tegen de
voorziening in Cassatie bij arresten S.99.0195.N en S.00.0069.N van 19 maart 2001 verworpen werd).
    Overwegende dat uiteindelijk ook het Arbitragehof in zijn arrest nr. 131/2001 van 30 oktober 2001 voor
recht zegde dat artikel 57, §2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996, de artikelen 10 en
11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, met
artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 3
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, niet schendt, in de interpretatie dat het recht op
maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt tot dringende medi-sche hulp voor de illegaal op het
grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op grond van de wet
van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd.
    Dat artikel 57, §2, in casu onverkort van toepassing blijft.
    Dat het hoger beroep ongegrond is.
    Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door
de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, op de openbare terechtzit-ting van 9 januari 2002,
waarover partijen verklaren geen opmerkingen te heb-ben.
    Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken.
    Doet uitspraak op tegenspraak.
    Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.
    Bevestigt het vonnis d.d. 3 maart 2000 (A.R.V. 23.602) van de Arbeidsrecht-bank te Turnhout.
    Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Beerse, door A. M. begroot op 54,54 EUR (uitgavenvergoeding
verzoekschrift) en 130,89 EUR rechtsplegingsvergoeding, en door het Hof vereffend op 52,06 EUR
uitgavenvergoeding verzoekschrift en 130,89 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het O.C.M.W.
van Beerse worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend.
    Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling
Antwerpen, in openbare terechtzitting op twintig maart tweeduizend en twee.
    Het Hof bestond uit:
    mevrouw C. VERCAMMEN, raadsheer, wnd. voorzitter, de heer C. VAN MOESEKE, raadsheer in
sociale zaken als werkgever, de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken als werknemer, aangewezen
bij beschikking d.d. 20 maart 2002 door de wnd. eerste voorzitter, de heer E. DUYS, om de heer E. DE
DECKER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest
waarover hij mede be-raadslaagd heeft bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel
779 Ger. W.).
    de heer R. SMETS, griffier.
                                                                                                           94


Bijlage 8

Nummer : RS60340_1                                                            Datum : 2002-04-05
Jurisdictie : ARBEIDSRECHTBANK TE TONGEREN
Rolnummer : 2001/3128

                                                 Kop
RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT
Sociale zekerheid - OCMW - Administratieve beslissing - Taalgebruik - Nietigheid - Wettelijke intresten.

                                                   Noot
x

                                              Wettelijke basis
-WET VAN 29-07-1991,ART 2

                                        Tekst
    Rolnr. 3128/2001
    DE ARBEIDSRECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT TONGEREN
    heeft het volgende vonnis gedragen
    INZAKE
    eisende partij, verschijnend door Mr. G. Michiels, advocaat te 3700 Tongeren, Elisabethwal, 23
    TEGEN
    Gezien het inleidend verzoekschrift dd.12.11.2000, aangetekend verzonden aan de griffie van deze
Rechtbank.
    Gezien de op 3.12.2001 aan partijen verstuurde oproeping voor de openbare terechtzitting van 04.01.2002,
waarop de zaak werd uitgesteld naar de zitting van 01.02.2002 en vervolgens naar de zitting van 01.03.2002.
    Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 1.2.2002.
    Gehoord de Heer D. Missotten, Substituut Arbeidsauditeur in de lezing van zijn schriftelijk advies, ter
zitting van 1.3.2002.
    Verwerende partij, op deze zitting aanwezig, verklaart geen opmerkingen te hebben over het advies en
wenst niet te repliceren.
    Men sprak de Nederlandse taal.
    VOORWERP
    Bij inleidend verzoekschrift tekent eisende partij beroep aan tegen de administratieve beslissing van
verwerende partij dd. 11.10.2001, waarbij de financiële steun cat III behouden werd op 2/3 van de uitkering
voor de maand september 2001, aangezien betrokkene zich op het moment van een werkaanbieding niet heeft
aangemeld in de lokale werkwinkel.
    Vanaf 1.10.2001 ontvangt betrokkene terug een bedrag van 550,22 EUR.
    ONTVANKELIJKHEID
    De vordering werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. Er zijn derhalve geen
redenen voorhanden tot de ambtshalve inroeping van een grond van onontvankelijkheid.
    Tweede blad
    FEITEN
    Eisende partij is een Kongolese alleenstaande dame van 27 jaar.
    Betrokkene is kandidaat politieke vluchteling. Zij kwam in België aan op 4.1.2001 en vroeg asiel aan.
    Oorspronkelijk verbleef ze in het Opvangcentrum te Rixensart.
    Op 5.1.2001 ontving zij van de Dienst Vreemdelingenzaken een weigeringsbeslissing met bevel het land
te verlaten.
    Op 9.1.2001 stelde betrokkene een dringend beroep in bij het CGVS.
    Op 2.2.2001 brengt het CGVS aan betrokkene de beslissing ter kennis dat het ingestelde beroep
ontvankelijk is.
    Sinds 15.2.2001 werd eisende partij toegewezen aan het OCMW te Bilzen.
    Op 20.2.2001 besliste het O.C.M.W. van de Sociale Dienst van het O.C.M.W. tot een financiële
steunverlening van 539,44 EUR per maand, met ingang van 15.2.2001.
    Op 27.3.2001 vestigt eisende partij zich te Sint-Jans-Molenbeek. Als kandidaat-vluchteling beschikt zij
over een arbeidsvergunning.
    Het O.C.M.W. hanteert het systeem van de seizoensarbeid, zowel voor de bestaansminimumtrekkers als
                                                                                                              95


voor de kandidaat-vluchtelingen.
    Eisende partij werd bij schrijven van 19.7.2001 verzocht zich aan te bieden in de lokale werkwinkel te
Bilzen op 30.7.2001, voor een concreet aanbod in de fruitteelt.
    Verwerende partij bevestigde ter zitting van 4.1.2001 dat eisende partij in datum van 30.7.2001
telefonisch contact opnam met de maatschappelijk assistente, om te zeggen dat ze zich niet kon aanbieden in
de lokale werkwinkel wegens ziekte.
    Eisende partij maakte nadien een medisch attest over van Dokter KINDT, gedateerd op 2.8.2001, met
bevestiging dat eisende partij zich op 30.7.2001 niet kon aanbieden op het O.C.M.W. te Bilzen, wegens
ziekte.
    Derde blad
    Bij beslissing van 8.8.2001 besliste verwerende partij de financiële steun te herzien tot 366,82 EUR op 2/3
van de normale steun en dit vanaf 1.9.2001, omdat eisende partij niet was ingegegaan op werkaanbiedingen
van de lokale werkwinkel, terwijl ze kon beslissen over een arbeidsvergunning.
    Eisende partij bood zich dan later aan in de lokale werkwinkel en vroeg het OCMW om de volledige
uitbetaling van de financile steun voor de maand september 2001, hetgeen gunstig geadviseerd werd door de
Maatschappelijk Assistente.
    Ingevolge de thans bestreden beslissing dd. 10.10.2001 werd beslist de financiële steun te weerhouden op
366,82 EUR, hetzij 2/3 van de uitkering van de maand september 2001.
    TEN GRONDE
    1.
    Eisende partij roept de nietigheid in van de bestreden beslissing omdat deze naar "" werd verzonden.
    Eisende partij beroept zich op de wet van 15.6.1935 inzake taalgebruik in gerechtszaken, stellende dat de
bestreden beslissing nietig was, omdat de nederlandstalige straatnaam niet vermeld werd.
    De rechtspraak bevestigde dat niet essentiële vermeldingen wel in een andere taal dan het Nederlands
mogen gesteld wodren.
    (LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, nr. 76 met verwijzing naar rechtspraak)
    Het vermelden van een franstalige straatnaam moet beschouwd worden als een niet-essentiële vermelding.
    De rechten van eisende partij zijn geenszins geschonden, temeer daar de bestreden bslissing volledig in de
Nederlandse taal werd opgsteld.
    Vierde blad
    Dit vormt aldus geen grond tot vernietiging van de bestreden beslissing.
    2.
    In casu werd in de bestreden beslissing afgeweken van het advies van de maatschappelijk assistente,
zonder enige motivering.
    De bestreden beslissing bevat op onvoldoende wijze de juridische, en de feitelijke overwegingen die eraan
ten grondslag liggen.
    Artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 bepaalt de uitdrukkelijke motivering van alle bestuurshandelingen
van administratieve overheden.
    Deze wet is van toepassing op de beslissingen van de O.C.M.W.'s.
    ( zie CUYPERS Daniel, Beginselen van Behoorlijk Bestuur en Wet Motivering Administratieve
Beslissingen in de Sociale Zekerheid nr. 13)
    In bestuurlijke beslissingen moet de motivering uitdrukkelijk zijn. Dit impliceert de verplichting in de akte
de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op
afdoende wijze.
    ( DE BERSACQUES G, Een ingrijpende verandering in het bestuursrecht : de uitdrukkelijke
motiveringswet van 29 juli 1981, T.B.P., 1993, 380. )
    De formele motiveringsplicht dient te worden gezien als een substantiële vormvereiste zodat het niet
vervullen van deze vormvereiste tot de onwettigheid van de beslissing leidt.
    ( verslag commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden,
    Gedr. St. Senaat, 1988, nr. 215/3,16/ DEBERSAQUES G, Een ingrijpende verandering in het
bestuursrecht : de uitdrukkelijke motiveringswet van 29.7.1991, T.B.P. 1992, 380.)
    De sanctie kan niet anders zijn dan de vernietiging van de bestreden beslissing. ( DEBERSAQUES G,
380/ VAN ORSHOVEN P, De Uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, RW 1991-
1992, 490/ Arbeidshof GENT, 18.2.1993, R.W. 1993-1994, nr. 12)
    " Wanneer de overheid geen rekening houdt met een uitgebracht advies of voorstel, moet uit de beslissing
zelf blijken waarom de overheid heeft gemeend van dat advies of voorstel te moeten afwijken. "
    ( R v St, Hinnekens nr. 44.937, 17.11.1993)
    In casu werd in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom werd afgeweken van het voorstel van de
Sociaal Assistente, en vergenoegde men zich ermee een type-motivering in te lassen, waardoor evenwel niet
aan de motiveringsverplichting voldaan is.
    " De administratieve beslissing is niet gemotiveerd, wanneer de motieven in algemene bewoordingen zijn
                                                                                                           96


gesteld, zonder vermelding van de feitelijke omstandigheden welke het O.C.M.W. ertoe hebben bewogen het
bestaansminimum af te wijzen.
    Een gecodeerde motivering staat gelijk met een gebrek aan motivering omdat de beslissing dan niet voor
uitleg vatbaar is.
    De motivering moet draagkrachtig zijn, dit is de beslissing effectief verantwoorden."
    ( PUT-SIMOENS, O.C.M.W. in de Kering, blz. 77)
    Indien de Arbeidsrechtbank vaststelt dat een beslissing waarbij het bestaansminimum werd geweigerd,
elke juridische grondslag mist, zal zij zelf een beslissing ten gronde nemen. Hierbij zal de Rechtbank niet
enkel rekening moeten houden met de feiten, zoals gekend op het ogenblik van de bestreden administratieve
beslissing, maar ook met de evolutie ervan tot op het ogenblik van haar beslissing.
    ( zie VAN LIMBERGHEN, Sociaal Procesrecht, blz. 291 nr. 21 en het aldaar aangehaalde vonnis van de
Arbeidsrechtbank van Antwerpen dd. 6.9.1993, JTT 1994, 270)
    Zowel op het juridische als op het vlak van de feitelijke overwegingen, ontbeert de bestreden
administratieve beslissing een voldoende draagvlak.
    Dit betekent echter niet dat dergelijke niet afdoende gemotiveerde beslissing, aan de betrokkene zonder
meer recht zou geven op de door hem gevraagde uitkeringen van het bestaansminimum zonder welkdanige
beperking.
    Gebrek aan motivering van een bestuurlijke handeling is immers geen vrijbrief voor onrechtmatige
aanspraken in de sociale zekerheid senso latu, en het behoort de bodemrechter de initiële vordering te
onderzoeken overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het dwingend recht.
    ( Cass. 15.1.1996, Soc. Kronieken, 1996, 383 - Arbeidshof Gent, 3.3.1997, A.R. 729/96, inzake
O.C.M.W.
    GENT/W niet gepubliceerd)
    De rechter die een administratieve beslissing om een formele reden vernietigt, mag de betrokkene niet
automatisch in het principieel recht herstellen, maar moet de zaak ten gronde onderzoeken. Nu de wet van
openbare orde is, kan de rechter immers geen recht toekennen, indien blijkt dat de inhoudelijke voorwaarden
hiertoe niet vervuld zijn.
    ( PUT-SIMOENS, O.C.M.W. in de Kering, blz. 81)
    Gelet op de devolutieve werking van het verhaal in rechte, is de rechter bevoegd om de zaak ten gronde te
beoordelen in plaats van het O.C.M.W. en schendt daardoor het principe van de scheiding van de machten
niet.
    ( Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Hasselt, 4de Kamer, 16.9.1993, RW 1993-1994, 1236.- O.C.M.W. in
de Kering, Mijs en Breesch, blz 81)
    De rechtbank vernietigt aldus de bestreden beslissing, wegens een gebrek in de motiveringsverplichting,
en trekt de zaak tot zich.
    3.
    Het O.C.M.W. kan de financiële steunverlening afhankelijk stellen van de naleving van de meeste
voorwaarden die bepaald zijn in de Bestaansminimumwet. Tegelijk worden specifieke sancties gekoppeld
aan het niet naleven van deze voorwaarden :
    " indien deze voorwaarden niet worden nageleefd, kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de
maatschappelijk werker, belast met het dossier, worden geweigerd, of geheel of gedeeltelijk worden
geschorst voor een periode van ten hoogste één maand".
    In casu werd de schorsing voor 1/3 van de financiële tegemoetkoming, toegepast, naar aanleiding van een
gebrek aan werkbereidheid in hoofde van eisende partij.
    Zevende blad
    Overeenkomstig artikel 60 par. 3 van de OCMW-WET kan betrokkene onderworpen worden aan de
voorwaarden vermeld in artikel 6 par. 1 van de BM-wet, dat zegt :
    " Voor de toekenning en het behoud van het bestaansminimum moet de betrokkene :
    1?
    Blijk hebben gegeven van zijn bereidheid tot tewerkstelling tenzij dit om gezondheids-of
billijkheidsredenen onmogelijk is."
    In casu riep betrokkene medische redenen in welke haar beletten zich aan te bieden in de lokale
werkwinkel op 30.7.2001.
    Het staat vast dat betrokkene dit op dezelfde dag van 30.7.2001 telefonisch meldde aan de
maatschappelijk assistente van verwerende partij, terwijl zij eveneens een attest tot staving van haar
medische ongeschiktheid overmaakte.
    In deze omstandigheden is het gebrek aan werkbereidheid in hoofde van eisende partij niet afdoende
bewezen.
    Eisende partij kan diensvolgens aanspraak maken op de volledige steunverlening voor de maand
september 2001. Eisende partij heeft in deze omstandigheden aldus nog recht op het saldo van 1/3 van de ten
onrechte ingehouden steunverlening, of 183,40 EUR.
                                                                                                             97


    4.
    Eisende partij vordert tevens de veroordeling tot de wettelijke intresten.
    Het principe van het recht op intrest geldt voor alle sociale zekerheidsprestaties, op grond van artikel 20
Wet 11 april 1995 tot invoering van het "handvest van de sociaal verzekerde. Dit principe dient als volgt te
worden toegepast op het bestaansminimum, gelet op het feit dat de BM-wet en het K.B. 30 oktober 1974,
kortere termijnen bepalen dan de Wet 11 april 1995.
    Het bestaansminimum brengt van rechtswege intrest op vanaf de datum van zijn opeisbaarheid en ten
vroegste vanaf de datum bepaald overeenkomstig artikel 28 K.B. 30 oktober 1974, dit is vanaf de vijftiende
dag na de beslissing tot toekenning.
    Wanneer de beslissing tot toekenning werd genomen met een vertraging , die te wijten is aan het OCMW,
is de intrest evenwel verschuldigd vanaf het verstrijken van de termijn, waarover het OCMW beschikt om te
beslissen over de aanvraag, dit is vanaf de dertigste dag na de ontvangst van de aanvraag ( artikel 9 BM-wet
en artikel 24 K.B. 30 oktober 1974) en ten vroegste vanaf de datum waarop de prestatie ingaat.
    ..; Waarschijnlijk dient dit laatste element als volgt te worden gelezen : ten vroegste vanaf de datum
waarop het recht op de prestatie ingaat.
    (SENAEVE-SIMOENS, O.C.M.W.-Dienstverlening en Bestaansminimum nr. 277 quater blz. 130/1)
    Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor op welk ogenblik de materiële dienstverlening ( in geld)
dient uitbetaald te worden. Er bestaat geen enkel automatisme dat zou voorschrijven dat de steun aan het
begin van de maand zou moeten betaald worden.
    Wanneer de betrokkene geen argumenten kan leveren waarom de steun aan het begin van de maand zou
moeten betaald worden, is er geen enkele reden om de genieters van dienstverlening anders te behandelen
dan loontrekkenden en genieters van (sociale zekerheids-)uitkeringen.
    De verwijlsintresten zijn eveneens slechts verschuldigd vanaf de laatste dag van de vervallen maand, en
niet van de eerste dag van deze maand.
    (Arbh. Antwerpen, 6.11.1999, Soc. Kron. 2000.4 blz. 204)
    Wat de berekening van de intresten betreft, verwijst artikel 21 bis Wet 11 april 1995 impliciet naar het
tarief en naar de berekeningsmodaliteiten van de wettelijke intresten die ook in het burgerlijke recht gelden.
Dit tarief bedraagt op dit ogenblik 7%.
    (SENAEVE-SIMOENS, O.C.M.W.-Dienstverlening en Bestaansminimum nr. 277 quater blz. 130/1)
    Alle verdere en/of tegenstrijdige argumenten in conclusies of mondeling geformuleerd, worden
verworpen.
    Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
    OM DEZE REDENEN,
    DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,
    Na beraadslaging,
    Verklaart de vordering ONTVANKELIJK en GEGROND.
    Vernietigt de bestreden beslissing, wegens een gebrek aan de motiveringsverplichting.
    Trekt de zaak tot zich.
    Veroordeelt het O.C.M.W. van en te Bilzen, in betaling aan eisende partij van een bedrag van 183,40
EUR, zijnde de ten onrechte ingehouden steunverlening a rato van 1/3, meer de wettelijke intresten vanaf
1.10.2001 en dit binnen de zes weken na het tussen te komen vonnis.
    Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, deze in hoofde van eisende partij begroot op
4,14 EUR aangetekende zending en 98,16 EUR rechtsplegingsvergoeding en onbegroot zijnde in hoofde van
verwerende partij bij gebreke aan afgifte van een kostenstaat.
    Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting de
    AANWEZIG :
    H. VELAERS, Rechter, Voorzitter van deze Kamer.
    G. MOTMANS, werkend rechter in sociale zaken, werkgever.
    R. CHAMPAGNE, werkend rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider.
    M. LIESENBORGHS, adjunct-griffier met opdracht (M.B. 18.05.2000 - B.S. 24.05.2000).
                                                                                                             98


Bijlage 9

Nummer : RS60064_1                                          Datum : 2002-11-07
Jurisdictie : ARBEIDSHOF TE GENT, AFDELING BRUGGE, 6E KAMER
Zetel : MESTDAGH
Openb. Min. : VERHOFSTADT
Rolnummer : 2001/047

                                    Kop
SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Taak Materiële
hulp Vreemdelingen Regularisatie.


                                                   Noot
Eveneens gerangschikt in de Nat. Doc. onder ref. X F, Vreemdelin-gen Wet 15.12.1980 art. 9.

                                               Wettelijke basis
-L VAN 08-07-1976,ART 57

                                          Tekst
    ARBEIDSHOF TE GENT AFDELING: BRUGGE Zesde Kamer A.R.nr.: 2001/047 Rep.nr.:
    OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TWEE.
    IN DE ZAAK VAN:
    A. E.-H., wonende te APPELLANT, vertegenwoordigd door meester J. Ameloot loco meester Y. Miroir,
advocaat te O..
    TEGEN:
    OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN O., waarvan de zetel gevestigd is te .
    GEINTIMEERDE, vertegenwoordigd door meester F. Houvenaeghel loco meester Ph. Dockx, advocaat te
O..
    * * * Gelet op de stukken van het dossier, inzonderheid op het voor eensluidend ver-klaard afschrift van
het op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brugge, afdeling O., negende kamer, d.d. 2
januari 2001 (A.R. nr. 54.012), dat overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., door de griffier aan de
partijen ter kennis werd gebracht bij ge-rechtsbrief van 5 januari 2001.
    Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Ar-beidshof te Gent, afdeling
Brugge op 31 januari 2001.
    Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2002.
    Gelet op het mondeling advies van het openbaar ministerie, door Substituut-generaal Christine
Verhofstadt uitgebracht op dezelfde openbare terechtzitting van 3 oktober 2002.
    * * * 1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep.
    Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het komt dan ook ontvankelijk voor.
    2. Het voorwerp van de betwisting.
    Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brugge, afde-ling O. op 7 augustus
2000, stelde appellant beroep in tegen het uitblijven van een beslissing van geïntimeerde over zijn aanvraag
d.d. 14 juni 2000 tot het verkrijgen van sociale hulp en financiële steun. Hij vorderde te horen zeggen voor
recht dat geïntimeerde een sociale hulpverlening dient te verstrekken met ingang van 16 juni 2000, met
inbegrip van onder meer financiële steun gelijk aan de ziekenfondsbijdragen vanaf datum van inschrijving en
een som gelijk aan het bestaansminimum van een alleenwonend persoon, alsook met inbe-grip van
begeleiding taallessen, advies bij het zoeken naar werk, advies bij het streven naar integratie, verstrekken van
noodzakelijke geneeskundige zorgen en alle andere maatschap-pelijke dienstverlening noodzakelijk teneinde
een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
    Appellant houdt voor dat hij op 24 januari 2000 een aanvraag tot regularisatie in-diende op grond van de
Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, procedure die nog hangende is en gedurende
dewelke geen aanhoudingen en/of ver-wijderingen kunnen gebeuren wegens illegaal verblijf. Volgens
appellant mag een vreemde-ling die een dergelijke regularisatieaanvraag heeft ingediend niet worden
beschouwd als een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft in de zin van artikel 57, § 2 van de
O.C.M.W.-Wet, nu hij ontegensprekelijk minstens wordt gedoogd tot het voorlopig verblijf door de overheid
die op het verblijf van de vreemdelingen moet toezien. In zijn geval is er zelfs geen sprake van enig bevel om
                                                                                                              99


het grondgebied te verlaten.
    Appellant houdt verder voor dat hij, nadat zijn asielaanvraag werd verworpen, des-ondanks toch in het
land is gebleven uit angst voor persoonlijk gerichte vervolging in Algerije, minstens uit angst om persoonlijk
getroffen te worden door de burgeroorlog aldaar. Hij leerde een vrouw kennen met wie hij een verhouding
begon en met wie hij is gaan sa-menwonen. Zij hadden huwelijksplannen en waren reeds bezig met het
verzamelen van de nodige documenten om in het huwelijk te treden doch de verhouding met zijn Belgische
partner liep begin juni 2000 op de klippen en hij mocht niet langer bij haar inwonen. Appel-lant stond dan
ook van dan af op straat en was zonder inkomsten, temeer hij bij afwezigheid van een werkvergunning niet in
de mogelijkheid verkeert om eigen inkomsten te verwerven, reden waarom hij zich verplicht zag om bij
geïntimeerde steun aan te vragen. Hij kreeg hiervan evenwel geen ontvangstbewijs.
    Verder houdt appellant voor dat hij zich bij de V.D.A.B. heeft laten inschrijven als werkzoekende en dat
hij ook reeds het eerste jaar van de cursus Nederlands voor Anderstaligen met goed gevolg heeft doorlopen.
Hij heeft daad-werkelijk zijn hoofdverblijfplaats te O. en dient als alleenstaande te worden beschouwd. Ap-
pellant meent in de gegeven omstandigheden recht te hebben op maatschappelijke dienst-verlening.
    * * * Bij vonnis d.d. 2 januari 2001 van de negende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brugge, afdeling
O., werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond ver-klaard. De geïntimeerde werd
overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Ger.W. veroordeeld tot de kosten van het geding.
    De eerste rechter was van oordeel dat de taak van geïntimeerde in toepassing van artikel 57, § 2 van de
O.C.M.W.-Wet beperkt blijft tot het verlenen van dringende medische hulp.
    Overwogen werd dat uit artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het
verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk kan
afgeleid worden dat er inderdaad een gedoogbeleid wordt ingesteld door de overheid gedurende een periode
vanaf de aanvraag tot regularisatie tot de negatieve beslissing genomen door de Commissie. Evenwel kan
hieruit niet geconcludeerd worden dat er rechten gecreëerd worden op sociale uitkeringen of
maatschappelijke dienst-verlening ten aanzien van de personen die illegaal op het grondgebied verblijven. Uit
de voorbereidende werken blijkt uitdrukkelijk dat er enkel een uitzonderlijke mogelijkheid in het leven wordt
geroepen om een wettig verblijf te verkrijgen. Het is niet de bedoeling van de wet om een recht op sociale
uitkeringen te doen ontstaan voor wie er anders geen zou heb-ben. Evenmin opent het louter indienen van een
regularisatieaanvraag recht op maatschap-pelijke dienstverlening. Volgens de eerste rechter bevindt appellant
zich dus in dezelfde rechtstoestand als deze waarin hij zich bevond vooraleer hij zijn regularisatieaanvraag
in-diende, met name in de toestand van een illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling wiens asielaanvraag
is geweigerd en aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is bete-kend.
    3. Beroepsgrieven Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis om reden dat geoordeeld werd
dat artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet onverkort van toepassing blijft tijdens de be-handeling van zijn
regularisatieaanvraag.
    Appellant stelt dat de eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat hij zich, ook tijdens de behandeling
van zijn regularisatieaanvraag, in dezelfde verblijfstoestand bevond als voorheen. Immers, vóór de
regularisatieaanvraag kon appellant uit het Rijk verwijderd worden. Na de aanvraag kan dit niet meer. Het
spreekt dan ook vanzelf dat minstens dit reeds een ingrijpende wijziging betekent inzake de rechtstoestand
aangaande zijn verblijf.
    Verder stelt appellant dat de eerste rechter ten onrechte speculeerde op het be-staan van een bevel om het
grondgebied te verlaten. Volgens appellant is er evenwel nooit een bevel betekend. Doch zelfs al zou er een
bevel bestaan, dan nog is het duidelijk dat dit uitdrukkelijk niet uitvoerbaar kan zijn, gezien de wet van 22
december 1999 dit verbiedt. Er is eenduidige rechtspraak dat artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet
onmogelijk kan toegepast worden ingeval wordt vastgesteld dat de betrokken buitenlander tot het verblijf
wordt ge-doogd of zelfs wanneer een bestaand bevel om het land te verlaten gewoonweg niet wordt
uitgevoerd, terwijl in dezen zelfs bij wet wordt gesteld dat appellant niet kan verwijderd wor-den.
    Tenslotte stelt appellant dat de eerste rechter voorbijging aan het probleem van de ongrondwettelijkheid
waar de Raad van State op wees in zijn advies, waarnaar de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank, zetelend in
kort geding, verwees.
    Appellant vordert aldus het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te
vernietigen en aldus de oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren. Kosten lastens geïntimeerde.
    Bij conclusie, op 8 februari 2001 neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, werkt
geïntimeerde zijn stelling uit en vordert hij het hoger beroep ontvan-kelijk doch ongegrond te verklaren en
het bestreden vonnis te bevestigen.
    Bij conclusie, op 26 augustus 2002 neergelegd ter zelfde griffie, werkt appellant zijn stelling verder uit en
verklaart hij te volharden in de termen van zijn verzoekschrift tot hoger beroep. Appellant wijst erop dat zijn
verblijf inmiddels werd geregulariseerd en hij thans is toegelaten tot het verblijf van onbeperkte duur.
    4. Beoordeling.
    4.1. Appellant is een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Blijkens de gegevens verstrekt door de
Dienst Vreemdelingenzaken aan het ambt van de Procureur-generaal kwam appellant België binnen op 30
                                                                                                             100


september 1993 en verklaarde hij zich vluchteling op 1 oktober 1993. Het verblijf werd hem op 1 oktober
1993 geweigerd overeenkomstig artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet
genoemd). Op 29 april 1994 werd deze verblijfsweigering na dringend beroep bevestigd door de Com-
missaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De bevestigende beslissing werd aan appellant
betekend op 30 april 1994 en hij diende vóór 6 mei 1994 het land te verlaten. Appellant werd op 13
september 1995 aangetroffen tijdens illegaal verblijf en werd opgeslo-ten ter beschikking van de Dienst
Vreemdelingenzaken in toepassing van artikel 27, derde lid van de Vreemdelingenwet. Op 24 oktober 1995
werd hij vrijgelaten met het bevel om het grondgebied te verlaten vóór 30 oktober 1995. Op 3 maart 1998
werd appellant opnieuw aangetroffen tijdens illegaal verblijf. In toepassing van artikel 7, eerste lid, 1° van de
Vreem-delingenwet werd hem opnieuw een bevel om het grondgebied te verlaten betekend. Hij diende vóór
9 maart 1998 het land te verlaten.
    Op 24 januari 2000 heeft appellant een aanvraag tot regularisatie ingediend in toe-passing van de Wet van
22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen
verblijvend op het grondgebied van het Rijk.
    Enkele maanden later, namelijk op 14 juni 2000, diende appellant bij geïntimeerde een aanvraag in tot het
bekomen van sociale hulpverlening met inbegrip van financiële steun. Er werd hem hiervan geen
ontvangstbewijs verstrekt en geïntimeerde liet ook na om binnen de maand te rekenen van de ontvangst van
het verzoek een beslissing te nemen, waartegen appellant in toepassing van artikel 71, tweede lid van de
O.C.M.W.-Wet verhaal heeft ingesteld. In afwachting van een beslissing ten gronde werd geïntimeerde bij
beschik-king in kort geding van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brugge d.d. 27 oktober 2000
veroordeeld om aan appellant financiële steun te verlenen vanaf 5 oktober 2000, ten bedrage van een
provisioneel bedrag van 5.000 frank per week.
    Intussen werd aan appellant bij brief van 10 september 2001 meegedeeld dat het secretariaat van de
Commissie voor regularisatie in toepassing van artikel 12, § 4 van de Wet van 22 december 1999 de
aanvraag tot regularisatie van verblijf met een gunstig advies voor beslissing had overgezonden en dat de
Minister van Binnenlandse Zaken had beslist het gunstig advies te volgen en overeenkomstig artikel 4 van de
Wet van 22 december 1999 opdracht gaf om hem een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd te verlenen
in toepas-sing van artikel 13 van de Vreemdelingenwet.
    4.2.A. Het O.C.M.W. heeft tot taak onder meer materiële hulp te verlenen aan personen, opdat zij in de
mogelijkheid zouden zijn een leven te leiden dat beantwoordt aan de mense-lijke waardigheid (artikelen 1 en
57, § 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
hierna de O.C.M.W.-Wet genoemd).
    Overeenkomstig artikel 57, § 2, eerste lid, 1°; van de O.C.M.W.-Wet, versie 1992, verleent het centrum,
in afwijking van § 1, slechts de strikt noodzakelijke dienstverlening om het verlaten van het grondgebied
mogelijk te maken aan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd als dusdanig te
worden erkend, doch die niet de toelating heeft om in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven en aan wie
een definitief bevel is bete-kend om het grondgebied te verlaten. Aan de maatschappelijke dienstverlening
wordt een einde gemaakt vanaf de datum van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te ver-laten, en
ten laatste vanaf de datum van het verstrijken van de termijn van het definitieve be-vel om het grondgebied te
verlaten (artikel 57, § 2, derde lid O.C.M.W.-Wet, versie 1992). Van die laatste bepaling wordt
overeenkomstig artikel 57, § 2, vierde lid van de O.C.M.W.-Wet, versie 1992, afgeweken, gedurende de
strikt noodzakelijke termijn, om de betrokkene in staat te stellen het grondgebied effectief te verlaten; die
termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
    Onder meer om een einde te stellen aan de uiteenlopende interpretaties van het begrip definitief bevel om
het grondgebied te verlaten werd artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet met ingang van 10 januari 1997
vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996) door de volgende bepalingen:
    In afwijking van de andere bepalingen van deze wet is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wan-neer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd bete-kend, wordt, met
uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk
het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van het bevel om het grondgebied te
verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
                                                                                                             101


ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
    deze termijn mag in geen geval een maand over-schrijden.
    De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grond-gebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrok-ken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring. 4.2.B. Het eerste lid van artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij
artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, stelt als algemeen principe dat de taak van het O.C.M.W., ten aanzien
van een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, beperkt is tot het verlenen van dringende medische
hulp.
    Deze bepaling geldt ten aanzien van de vreemdeling die zich om welke reden ook op illegale wijze op het
grondgebied bevindt, hetzij doordat hij zich zonder toestemming toe-gang tot het grondgebied heeft verschaft
en steeds in de clandestiniteit heeft verbleven, het-zij doordat hij op het grondgebied verblijft na het
verstrijken van de periode waarvoor hij de vereiste toestemming had verkregen.
    Het derde lid van artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15
juli 1996, is slechts een specificatie van het in het eerste lid vermelde al-gemeen principe ten aanzien van de
asielzoekers. Deze bepaling had tot doel te verduidelij-ken dat een asielzoeker wiens aanvraag werd
afgewezen en aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, illegaal in het Rijk verblijft,
ook al is de asielprocedu-re nog niet definitief afgehandeld (Parl. St., Kamer, 1995-96, 364/1, 59).
    4.2.C. De term uitvoerbaar in het derde en het vierde lid van artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet, zoals
gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, werd echter door het Arbitragehof vernietigd
(Arbitragehof, nr. 43/98, 22 april 1998, B.S., 29 april 1998, ed. 2). Die vernietiging heeft tot gevolg dat
artikel 57, § 2, derde lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996,
moet worden geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de vreemdeling die gevraagd heeft om als
vluchteling te worden er-kend, wiens verzoek is verworpen en die een bevel heeft gekregen het grondgebied
te ver-laten, zolang de beroepen die hij voor de Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing die de
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of de Vaste Beroeps-commissie voor de
vluchtelingen heeft genomen, niet zijn beslecht (Arbitragehof, nr. 43/98, 22 april 1998, o.c., overweging
B.37). Het Arbitragehof was van oordeel dat aangezien er een procedure bestaat om dilatoire beroepen weg te
werken, het overdreven is daarnaast nog te bepalen dat het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt
ontnomen aan alle asielzoekers van wie de vordering werd verworpen en die om die reden een bevel hebben
gekregen om het grondgebied te verlaten, terwijl zij de beslissing van de Commissaris-generaal voor de
vluchtelingen en de staatlozen of de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen hebben aangevochten.
Dergelijke maatregel houdt volgens het Arbitragehof een onevenredige beperking in van het fundamenteel
recht op maatschappelijke dienstver-lening en het fundamenteel recht op het daadwerkelijk uitoefenen van
een jurisdictioneel be-roep, zodat het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
erdoor wordt geschonden.
    4.2.D. Ingevolge de vernietiging van de term uitvoerbaar in artikel 57, § 2, derde lid van de O.C.M.W.-
Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, heeft deze be-paling zijn specifieke
draagwijdte verloren en kan zij even goed volledig worden geschrapt. Het is immers evident dat de
asielzoeker wiens aanvraag werd afgewezen en die voor de Raad van State geen beroepen heeft ingesteld
tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of de Vaste
Beroepscommissie voor de vluchtelingen heeft genomen, of wiens beroepen door de Raad van State
ongunstig werden beslecht, geen geldige verblijfstitel meer bezit en dus illegaal in het Rijk verblijft. In
zodanig geval is het algemeen principe van artikel 57, § 2, eerste lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd
bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, uiteraard van toepassing.
    4.3. Artikel 14 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van
bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk bepaalt dat er niet
feitelijk zal worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een
negatieve beslissing wordt genomen met toepas-sing van artikel 12, behalve voor maatregelen tot
verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag
kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9.
    Deze bepaling heeft tot gevolg dat de vreemdelingen die een aanvraag tot regula-risatie hebben ingediend,
in regel gedurende die procedure op het grondgebied worden ge-doogd, zonder aan diegenen onder hen die
illegaal op het grondgebied verblijven een ver-blijfsvergunning te verlenen. Indien voorheen aan de
betrokkenen het bevel werd gegeven het grondgebied te verlaten, blijft dat bevel gelden, ook al wordt niet
effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan (Parl. St., Kamer, DOC 50, 1999-2000, 0234/001, 18).
    Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat de aanvraag tot regularisatie de juridi-sche verblijfsstatus van
de betrokken vreemdelingen niet wijzigt (Parl. St., Kamer, DOC 50, 1999-2000, 0234/005, 60 ; Parl.
    St., Senaat, 1999-2000, 2-202/3, 36 en 58). Dat niet feite-lijk zal worden overgegaan tot hun verwijdering
van het grondgebied tijdens het onderzoek van hun aanvraag tot regularisatie houdt dus enkel in dat de
betrokkenen op het grondge-bied worden gedoogd, in afwachting van een beslissing, en neemt niet weg dat
                                                                                                             102


ze zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden.
    De beslissing van de Minister of zijn gemachtigde om met toepassing van artikel 13 van de
Vreemdelingenwet over te gaan tot het afgeven van een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd,
genomen in toepassing van artikel 4, tweede lid van de Wet van 22 decem-ber 1999, is een autonome
beslissing die juridisch geheel los staat van een voordien gege-ven bevel om het grondgebied te verlaten.
    Zoals de beslissing over een aanvraag in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet,
genomen krachtens artikel 13 van de Vreemdelingenwet, heeft de be-slissing tot regularisatie van het verblijf
geen terugwerkende kracht. Die beslissing heeft niet tot gevolg dat het voordien gegeven bevel om het
grondgebied te verlaten wordt ingetrok-ken. Dergelijke beslissing is veeleer een zogenaamde acte contraire,
d.w.z. een handeling met een inhoudelijk tegenovergestelde zeggingskracht, van die aard dat naar de
toekomst toe elk gevolg wordt ontzegd aan het voordien gegeven bevel om het grondgebied te verla-ten.
Hoogstens kan er sprake van zijn dat het bevel om het grondgebied te verlaten impliciet wordt opgeheven
door de beslissing tot regularisatie van het verblijf. De opheffing van een administratieve rechtshandeling
heeft echter slechts gevolgen voor de toekomst (M. Van Damme en F. De Kegel, Intrekking van de
administratieve rechtshandeling, Die Keure 1994, blz. 12-13 ; A. Van Mensel e.a., De administratieve
rechtshandeling, een proeve, Mys & Breesch 1997, nr. 414 blz. 147).
    Uit de feitelijke gegevens blijkt dat appellant reeds sedert 6 mei 1994 illegaal in het Rijk verbleef.
    De indiening van een aanvraag tot regularisatie op 24 januari 2000 heeft hier-aan voorlopig niets
gewijzigd.
    Het is slechts vanaf 10 september 2001, datum waarop ap-pellant een machtiging tot verblijf voor
onbeperkte tijd in toepassing van artikel 13 van de Vreemdelingenwet ontving, dat hij legaal in het Rijk
verblijft.
    4.4.A. De bepalingen van artikel 57, § 2, eerste lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65
van de wet van 15 juli 1996, zijn duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Zij zijn van toepassing op iedere
vreemdeling die om gelijk welke reden illegaal in het Rijk ver-blijft, d.w.z. die in het Rijk verblijft zonder
over een geldige verblijfsvergunning te beschikken, conform de bepalingen van de Vreemdelingenwet (Parl.
St., Kamer, 1995-96, 364/1, 59 en 154-155).
    Vermits de aanvraag tot regularisatie de juridische verblijfsstatus van de betrokken vreemdeling niet
wijzigt, en aldus geen verblijfsvergunning verleent aan diegene die illegaal op het grondgebied verblijft, moet
besloten worden dat artikel 57, § 2, eerste lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de
wet van 15 juli 1996, van toepassing is op de illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling die een aanvraag
tot regularisatie heeft ingediend, ook al kan er in toepassing van artikel 14 van de Wet van 22 december 1999
fei-telijk niet tot zijn verwijdering worden overgegaan.
    Dit is door de wetgever wel degelijk zo bedoeld. Tijdens de parlementaire voorbe-reiding van de Wet van
22 december 1999 werd meermaals benadrukt dat een aanvraag tot regularisatie als dusdanig geen recht op
maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan, re-den waarom artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-Wet
ongewijzigd werd behouden (Parl. St., Kamer, DOC 50, 1999-2000, 0234/001, 5 en 0234/005, 60 ; Parl. St.,
Senaat, 1999-2000, 2-202/3, 23 ; Hand., Kamer, 1999-2000, HA 50 plen. 017, 24 november 1999, blz. 8, 18,
31 en 32). De wetgever beoogde hiermee de financiële aantrekkingskracht van de aanvraag tot regularisatie te
voorkomen om onterechte aanvragen, enkel ingediend met de bedoeling maatschappelijke dienstverlening te
verkrijgen, te weren en om bijkomende illegale immigra-tie tegen te gaan (Parl. St., Kamer, DOC 50, 1999-
2000, 0234/005, 60 en 65 ; Parl. St., Se-naat, 1999-2000, 2-202/3, 6 ; Hand., Kamer, 1999-2000, HA 50 plen.
017, 24 november 1999, 31 en 32).
    4.4.B. Artikel 191 G.W. bepaalt dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt de
bescherming geniet verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.
    Vreemdelingen kunnen zich dus beroepen op de be-ginselen vastgesteld bij artikel 23 van de Grondwet op
voorwaarde dat de wet geen uitzon-dering heeft gemaakt wat hen betreft. Artikel 57, § 2, eerste lid van de
O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, is precies een wetsbepaling die
voor de erin bedoelde vreemdelingen een uitzondering maakt op het recht op maatschappelijke
dienstverlening dat in uitvoering van artikel 23, tweede lid G.W. gewaarborgd wordt door de artikelen 1 en
57, § 1 van de O.C.M.W.-Wet.
    Artikel 191 G.W. heeft nochtans niet tot doel de wetgever te machtigen, wanneer hij een verschil in
behandeling invoert waardoor een vreemdeling minder gunstig behandeld wordt, zich te onttrekken aan de
eerbiediging van de fundamentele beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie die zijn ingeschreven in de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Arbi-tragehof, 9 januari 1996, nr. 4/96, B.S., 27 februari 1996).
    De vraag kan dan ook worden gesteld en werd ook herhaaldelijk gesteld of ar-tikel 57, § 2, eerste lid van
de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, de fundamentele beginselen
van gelijkheid en niet-discriminatie die zijn ingeschre-ven in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet
schendt, in zoverre het ook van toepas-sing is op vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven maar die
op grond van artikel 14 van de Wet van 22 december 1999 feitelijk niet worden verwijderd zolang hun
aanvraag tot regularisatie wordt onderzocht. Deze vraag of het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden werd
                                                                                                          103


evenwel ontkennend beantwoord door het Arbitragehof, enig rechtscollege dat be-voegd is om hierover te
oordelen (Arbitragehof, 30 oktober 2001, nr. 131/2001, 30 oktober 2001, B.S., 22 december 2001).
    4.4.C. Het Arbeidshof kan die uitspraak van het Arbitragehof betreuren maar vermag niet, tegen de
duidelijke bepalingen van de wet en de uitdrukkelijke wil van de wetgever in, te doen alsof artikel 57, § 2,
eerste lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, niet van
toepassing zou zijn op illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie
hebben ingediend, dit op grond van een zogenaamde economie van de artikelen 23 G.W., 1 en 57, § 2 van de
O.C.M.W.-Wet en 2, 12 en 14 van de Wet van 22 december 1999.
    Artikel 57, § 2, eerste lid van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli
1996, heeft niet enkel tot doel de erin bedoelde vreemdelingen te ontmoe-digen om hun illegaal verblijf in het
Rijk te verlengen, maar beoogt evenzeer bijkomende ille-gale immigratie tegen te gaan door de perspectieven
minder aantrekkelijk te maken. Even-min mag uit het oog worden verloren dat dit een bepaling is waarmee
de wetgever de be-scherming verleend door artikel 23 G.W. ten aanzien van vreemdelingen wil beperken, ge-
bruik makend van de bevoegdheid ontleend aan 191 G.W., zodat het niet opgaat haar met artikel 23 G.W.
    in overeenstemming te willen brengen.
    De eerste rechter was aldus terecht van oordeel dat de taak van geïntimeerde in toepassing van artikel 57,
§ 2 van de O.C.M.W.-Wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, beperkt bleef tot het
verlenen van dringende medische hulp.
    Het hoger beroep wordt bijgevolg ongegrond bevonden.
    * * * OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der
talen in gerechtszaken, inzon-derheid op artikel 24 van die wet.
    Alle verdere of strijdige conclusies verwerpende.
    Recht doende tegenspraak.
    Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
    Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis van de negende kamer van de Ar-beidsrechtbank te Brugge,
afdeling O., d.d. 2 januari 2001, in al zijn beschikkingen.
    Verwijst de geïntimeerde overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Ger.W. in de kosten van deze aanleg.
    Vereffent deze kosten als volgt:
    - aan de zijde van de appellant (ingevolge gedane opgave):
    - uitgavenvergoeding akte hoger beroep: 54,54 euro, - rechtsplegingsvergoeding: 130,89 euro, - aan de
zijde van de geïntimeerde: niet begroot bij gebrek aan omstandige opgave.
    Aldus uitgesproken op donderdag zeven november tweeduizend en twee in open-bare terechtzitting door
de zesde kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelende te Brugge, en waarin zitting hadden, Koen Mestdagh,
raadsheer in het Arbeidshof, voorzitter, Frans Demuynck, raadsheer in sociale zaken, benoemd als
werkgever, Freddy Vandersteene, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende, en Daniël
De Langhe, grif-fier.
                                                                                                            104


Bijlage 10

Nummer : RS60125_1                                          Datum : 2002-12-11
Jurisdictie : ARBEIDSRECHTBANK TE BRUGGE, AFDELING BRUGGE, 7E KAMER
Zetel : DUPONT
Openb. Min. : VANDECASTEELE
Rolnummer : 109631

                                                 Kop
SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
Bevoegdheid - Asielzoeker - Dringende medische hulp

                                               Wettelijke basis
-L VAN 08-07-1976,ART 57

                                          Tekst
    1ste Blad
    ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE
    - Zevende Kamer -
    OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 DECEMBER 2002.
    Rep.nr:
    De zaak A.R. nr.: 109.631
    A.F., wonende te
    Eisende partij : hebbende als raadsman Mr. D. Bouquillon, advocaat te Oostende.
    tegen:
    OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN E., met zetel te
    Verwerende partij : vertegenwoordigd door dhr. A. Moens, voorzitter.
    ______________________________________________________________________
    1. PROCEDURE
    De vordering werd regelmatig ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 14.06.2002, zoals
blijkt uit het dossier van de rechtspleging.
    Partijen zijn verschenen ter openbare terechtzitting van 25.09.2002 (art. 704 Ger. W.) en werden gehoord
in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen, waarna de zaak voor advies werd gesteld op de zitting van
09.10.2002. Het advies werd betekend aan partijen op 10.10.2002 overeenkomstig art. 767 § 3 Ger.W.
    Partijen hadden geen repliek op het advies. De zaak werd voor beraad gesteld op 27.11.2002.
    De behandeling van het geschil verliep, in toepassing van art. 2 e.v. Wet 15.06.1935 op het gebruik der
talen in gerechtszaken, in de Nederlandse taal.
    2. VOORWERP VAN DE VORDERING MIDDELEN
    Eiser bestrijdt verweerders beslissing van 14 mei 2002 waarbij alle financiële steunverlening wordt
stopgezet vanaf 1 juni 2002 omdat hij uitgeprocedeerd en illegaal is.
    Volgens eiser heeft hij maagproblemen waarvoor de dringende medische kosten wel nog door verweerder
moeten gedragen worden. Overigens belet deze ziekte zijn terugkeer naar Kosovo.
    Verweerder acht zich thans onbevoegd omdat eiser voortaan een gewone aanvrager is waarvoor de
gewone bevoegdheidsregels gelden.
    3. GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING
    De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
    Gegevens
    Eiser (°1972, Kosovo) verblijft te Brugge maar werd als asielzoeker toegewezen aan de gemeente E.,
zodat verweerder instond voor de maatschappelijke dienstverlening. Deze gemeente werd als zijn verplichte
plaats van inschrijving in het wachtregister vermeld (code 207) en dit is ongewijzigd gebleven tot in het laatst
bekende uittreksel van 24 september 2002.
    Zijn asielprocedure liep ten einde ingevolge de bevestigende beslissing van de Vaste Beroepscommissie
van 8 februari 2001, hem ter kennis gebracht op 20 februari 2001. Hij stelde daartegen geen beroep in bij de
Raad van State.
    Op 17 mei 2002 volgde nog een kennisgeving van de beslissing door de Dienst Vreemdelingenzaken
nadat al op 7 mei 2002 het bevel om het grondgebied te verlaten was betekend.
    Op 14 juni 2002 diende hij een aanvraag in tot regularisatie, op grond van art. 9, 3° Vreemdelingenwet.
    Het lijdt geen twijfel en wordt niet betwist dat eiser op het ogenblik van de bestreden beslissing een
uitgeprocedeerde asielzoeker was.
                                                                                                           105


    Welk OCMW is bevoegd voor een uitgeprocedeerde asielzoeker ?
    1.
    Hoewel verweerder zich in de bestreden beslissing van 14 mei 2002 niet onbevoegd verklaarde, roept hij
dit middel thans wèl in, verwijzend naar de brief van de Minister voor Maatschappelijke Integratie van 9 juli
2002 aan de voorzitters van de ocmw's, welke niet in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd.
    In deze brief worden enkele verduidelijkingen gegeven voor de toepassing van art. 57 §2 OCMW-wet, nl.
    over de vraag welk ocmw bevoegd is voor de dringende medische hulp aan uitgeprocedeerde asielzoekers
of andere vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven.
    Deze brief heeft hoogstens een interpretatief of indicatief karakter, zeker geen verordenend karakter : hij
voegt geen nieuwe regel toe en is niet bindend voor derden. De rechtbank moet zich daaraan dus niet houden
maar de vordering ontmoeten aan de hand van de gehele wetgeving terzake.
    Bovendien gaat het in casu niet alleen over de dringende medische hulp maar ook over de verdere
toekenning van de maatschappelijke dienstverlening in haar geheel aan een uitgeprocedeerde, maar mogelijks
niet repatrieerbare, asielzoeker, vraag waarop de ministeriële brief geen antwoord geeft.
    2.
    De hoofdregel voor de (territoriale) bevoegdheid van de ocmw's is te lezen in art.1, eerste lid, 1° Wet 2
april 1965 : steunverlenend ocmw is het ocmw van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon
bevindt die bijstand behoeft.
    Art. 2 §5, eerste lid van dezelfde wet bepaalt evenwel dat, in afwijking van de hoofdregel, bevoegd is om
maatschappelijke dienstverlening toe te kennen aan een kandidaat-vluchteling of een in art. 54 §1 eerste lid
van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen (de Vreemdelingenwet) bedoelde persoon, "het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn :
    a) van de gemeente waar hij in het wachtregister is ingeschreven of b) van de gemeente waar hij in de
bevolkingsregisters of in het vreemdelingenregister is ingeschreven.".
    Eiser heeft sedert het verstrijken van de termijn (van 30 dagen na de kennisgeving : zie art. 20 KB
9.07.2000) om bij de Raad van State beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de Vaste
Beroepscommissie, en dus vanaf 23 maart 2001, niet meer de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling.
    De tweede categorie, nl. een in art. 54 §1, eerste lid Vreemdelingenwet bedoelde persoon, werd ingevoegd
bij art. 4 Wet 7 mei 1999. Deze uitbreiding had enkel als doel dit art. 2 §5 eerste lid aan te passen aan de
wijziging die in dat art. 54 van de Vreemdelingenwet werd aangebracht (Gedr.St. Kamer 1998-1999,
Amendement 2143/3, p.4). Die laatste wijziging betrof de uitbreiding van de gevallen waarin de Minister een
verplichte plaats van inschrijving kan bepalen, nl. de kandidaat-vluchtelingen, met "de categorieën van
personen die bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit worden aangewezen in het kader van de
bijzondere maatregelen tot tijdelijke bescherming van personen", waarbij toen hoofdzakelijk gedacht werd
aan de ontheemde Kosovaren (Gedr.St. Kamer 1998-1999, Verslag 2143/5, p.2 en 8; Senaat 1998-99,
Verslag 1-1401/2, p.1).
    Uit de stukken blijkt niet dat eiser tot voormelde categorieën behoort, maar enkel dat hij gevraagd heeft
om als vluchteling erkend te worden.
    Hij heeft dus evenmin de hoedanigheid van een in art. 54 §1, eerste lid bedoelde persoon, nl. de
vreemdeling die behoort tot de categorieën van personen die bij een in ministerraad overlegd koninklijk
besluit worden aangewezen in het kader van de bijzondere maatregelen tot tijdelijke bescherming van
personen, voor wie de Minister een verplichte plaats van inschrijving heeft bepaald; deze hoedanigheid heeft
hij zelfs nooit gehad.
    De conclusie zou dus moeten zijn dat verweerder sedert 23 maart 2001 niet langer bevoegd was, maar wel
het ocmw van Brugge.
    3.
    Men zou kunnen verwachten dat eiser sedert het verlies van zijn hoedanigheid van kandidaat-vluchteling
niet meer in het wachtregister is ingeschreven of dat daarin de verplichte plaats van inschrijving zou zijn
geschrapt, aangezien art. 54 §1 onder 1° tot 4° precies de bepaling van een verplichte plaats van inschrijving
toelaat voor de kandidaat-vluchtelingen.
    De rechtbank kan echter niet omheen de vaststelling dat het uittreksel uit het wachtregister nog steeds
vermeldt dat voor eiser de gemeente E. als verplichte plaats van inschrijving is aangeduid. Er dient dus
onderzocht te worden of het hier louter om een administratieve vergissing of nalatigheid gaat, zoniet of die
aangehouden vermelding rechtsgevolgen heeft voor eisers aanspraak op maatschappelijke dienstverlening
jegens verweerder.
    Art. 54 §1, tweede lid Vreemdelingenwet bepaalt dat "de aanduiding van een verplichte plaats van
inschrijving duurt totdat definitief is beslist over de aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van
vluchteling of totdat het bevel om het land te verlaten is uitgevoerd".
    De Raad van State had tegen het voorontwerp van wet, dat het had over het 'verplichten in een bepaalde
plaats te verblijven', diverse Grondwets- en Verdragsbepalingen opgeworpen die het recht op een vrije
                                                                                                            106


verblijfplaats waarborgen (Gedr. St. Senaat 1992-93, Memorie van Toelichting, nr. 556/1, p. 3; Advies Raad
van State, nr. 556/1, p. 10-12). Dit voorontwerp bepaalde nog niet uitdrukkelijk de duur van deze
verplichting, maar beoogde wel dat deze verplichting gold terwijl de asielaanvraag in onderzoek is (ibidem,
p.7).
    In het wetsontwerp werd dit dan gewijzigd in een louter administratieve inschrijving op een bepaalde
plaats (waarmee toen bedoeld werd : het Klein Kasteeltje, een opvangcentrum of een bepaalde gemeente),
ondermeer om aldaar beschikbaar te zijn voor oproepingen en om de plaats te bepalen waar de asielzoeker de
hulp zou ontvangen die hem door de overheid wordt toegekend, zoals deze van het ocmw (ibidem, p.3 en
Verslag, nr.555/2, p.80 en 95).
    Er is dus ogenschijnlijk wèl een verband tussen de aanduiding in het wachtregister van een verplichte
plaats van inschrijving en de bevoegdheid van het ocmw.
    De tekst van voormeld art. 54 §1, tweede lid Vreemdelingenwet is evenwel vatbaar voor interpretatie.
    a)
    De tekst kan zo begrepen worden dat de aanduiding duurt totdat de erkenningsprocedure definitief is
beëindigd, hetzij in positieve zin (erkenning), hetzij in negatieve zin (uitvoering van een bevel om het
grondgebied te verlaten) (Grouwels M., Maatschappelijke dienstverlening door het O.C.M.W., in Migratie-
en migrantenrecht 5, 2000, p.379).
    Het bevel om het grondgebied te verlaten was in casu nog niet uitgevoerd.
    In deze interpretatie lijkt het dan ook logisch, zoals blijkt uit het voorliggende uittreksel uit het
wachtregister, dat eiser nog steeds in het wachtregister is ingeschreven.
    Dit spoort ten andere met art. 1bis van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters volgens
hetwelk de schrapping van de bedoelde personen uit het wachtregister gebeurt o.a. 2° wanneer ze het
grondgebied verlaten hebben en 3° wanneer hen de hoedanigheid van vluchteling werd toegekend. Deze
schrapping onder 2° gebeurt door de gemeente en pas vanaf het ogenblik dat de betrokkene het grondgebied
werkelijk verlaten heeft (Omzendbrief 24.03.1995, B.S. 13.05.1995 en Omzendbrief 30.10.1995, bijlage Deel
II, hfdst. IV, B.S. 29.11.1995).
    Zolang eiser nog in het wachtregister in de gemeente E. is ingeschreven zou verweerder dus bevoegd
blijven voor de maatschappelijke dienstverlening.
    b)
    De tekst kan echter ook begrepen worden in de zin dat de uitvoering van het bevel om het grondgebied te
verlaten losgekoppeld wordt van de niet-erkenning als vluchteling, zodat deze uitvoering van het bevel geen
bijkomende voorwaarde voor de beëindiging van de aanduiding uitmaakt; anders zou de wetgever het
voegwoord en hebben gebruikt (Arbh. Antwerpen 23.10.2002, 4e k, A.R. 2020265). Aldus is het
chronologisch eerste feit (definitieve beslissing over de erkenningsaanvraag dan wel uitvoering van het bevel
om het grondgebied te verlaten) meteen het eindpunt van de aanduiding van de verplichte plaats van
inschrijving.
    De rechtbank maakt deze interpretatie tot de hare, temeer omdat de tekst het niet heeft over een beslissing
van erkenning, maar enkel over een definitieve beslissing over de aanvraag, ongeacht of deze een erkenning
of een definitieve niet-erkenning inhoudt.
    Het einde van de aanduiding van de verplichte plaats van inschrijving (en daaruit afgeleid dus ook van het
bevoegd ocmw) betekent dus niet ipso facto het einde van de vermelding in het wachtregister.
    c)
    De vraag rijst dan wel waartoe de betrokkene nog in het wachtregister ingeschreven blijft.
    Als het bevel is uitgevoerd en hij dus het land heeft verlaten, en ook als hij erkend wordt (hij wordt dan
ingeschreven in het vreemdelingenregister van de plaats van zijn werkelijk verblijf), wordt de betrokkene uit
het wachtregister geschrapt. Maar als hij definitief niet erkend is en toch in het land blijft doordat het bevel
de facto niet wordt uitgevoerd zou het wachtregister als controlemiddel waardeloos worden. Precies daarom
wordt hij volgens art. 1bis van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters pas uit het
wachtregister geschrapt o.a. 2° wanneer hij het grondgebied verlaten heeft en 3° wanneer hem de
hoedanigheid van vluchteling werd toegekend.
    De verdere inschrijving in het wachtregister behoudt aldus zijn betekenis, hoewel de vermelding van de
verplichte plaats van inschrijving ophoudt rechtsgevolgen te hebben voor de bepaling van het bevoegd
ocmw.
    Overigens geldt de code 207 slechts voor de aanduiding van de verplichte plaats van inschrijving, en
wordt daarnaast ook de feitelijke verblijfplaats (code 020) en het adres van woonstkeuze (code 212) vermeld.
    De regeling inzake de inschrijving in het wachtregister valt dus niet volledig samen met de
bevoegdheidsregels van de ocmw's. Ook een definitief niet-erkende en dus uitgeprocedeerde asielzoeker
blijft nog in het wachtregister ingeschreven zolang het bevel om het grondgebied te verlaten niet werd
uitgevoerd, maar hij ressorteert voortaan onder het ocmw van zijn gewone feitelijke verblijfplaats.
    Dit gaat in tegen de ratio legis van het spreidingsplan : wanneer na de definitieve niet-erkenning opnieuw
de algemene regel van de gewone verblijfplaats geldt wordt het oogmerk van het spreidingsplan - weliswaar
                                                                                                            107


slechts gedeeltelijk wegens het beperkt aantal asielzoekers die in dat geval verkeren - teniet gedaan;
   past men de gewone bevoegdheidsregel toe dan komt men immers terug terecht in de toestand waarin de
maatschappelijke dienstverlening ten laste valt van de steden waar veel asielzoekers hun werkelijk verblijf
hebben, euvel waaraan het spreidingsplan juist wenste te verhelpen.
   Blijkbaar heeft de wetgever in de interpretatie sub b) de ratio legis van het spreidingsplan niet ten einde
toe aangehouden.
   4.
   Bijkomend effect van deze interpretatie is dat de niet erkende kandidaat-vluchteling, wiens bevel om het
grondgebied te verlaten niet wordt uitgevoerd, en die niet werkelijk verblijft in de plaats van zijn aanduiding,
plots onder de bevoegdheid van een ander ocmw valt vanaf het definitief worden van de niet-
erkenningsbeslissing.
   Niet alleen is dergelijke asielzoeker onwetend dat hij plots onder de bevoegdheid van een ander ocmw
valt, in het geval van een negatieve beslissing van de Raad van State krijgt hij bovendien pas (soms lang)
nadien kennis van het arrest.
   Door de wet is enkel geregeld het geval van de duur van een asielaanvraag op zich. De wet voorziet niets
uitdrukkelijk voor de toestand van de uitgeprocedeerde asielzoeker. Blijkbaar werd toen niet gedacht aan de
dringende medische hulp noch aan de uitgeprocedeerde asielzoekers wier bevel om het grondgebied te
verlaten niet gelijktijdig met een negatief einde van de asielprocedure wordt uitgevoerd (bv omwille van
onmogelijke terugkeer).
   Het ware onbehoorlijk om de regeling in die interpretatie als gevolg te laten hebben dat deze betrokkene
enige tijd zonder maatschappelijke dienstverlening te laten (indien hij er aanspraak op kan maken).
   In casu ontving eiser als uitgeprocedeerde asielzoeker trouwens ook na 22 maart 2001 verder financiële
steun van verweerder en werd hij zodoende in de waan gelaten dat verweerder onverkort bevoegd bleef.
   Zelfs in de bestreden beslissing heeft verweerder niet ingeroepen niet langer bevoegd te zijn; dit deed hij
pas in zijn conclusies van 25 september 2002 naar aanleiding van de (omzend)brief van 9 juli 2002.
   5.
   Art. 1 OCMW-wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening die hem in de
mogelijkheid moet stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De ocmw's
hebben tot opdracht deze dienstverlening te verzekeren.
   Bijgevolg heeft elke persoon die in België verblijft een subjectief recht op maatschappelijke
dienstverlening (Saelaert C., Twee jaar subjectief recht op maatschappelijke dienstverlening, in Sociaal recht,
niets dan uitdagingen, 753-755; Senaeve P. en Simoens D., OCMW-Dienstverlening en Bestaansminimum,
8-9).
   Van een ocmw wordt verwacht dat hij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur naleeft. Een deel
van deze beginselen werd omgezet in duidelijke rechtsregels door het Handvest van de sociaal verzekerde,
maar ook buiten het kader van deze wet blijven deze algemene beginselen gelden, zolang zij niet indruisen
tegen een duidelijke wettelijke bepaling (Van Looveren A., Algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
de sociale zekerheid, in Actuele problemen van de Sociale Zekerheid, 5, 247-248).
   Een ocmw moet o.a. het zorgvuldigheidsbeginsel naleven en heeft aldus een plicht tot informatie en
kennisgeving aan de aanvragers.
   En krachtens het vertrouwensbeginsel moet het ocmw juiste inlichtingen verschaffen en een houding
aannemen waarop kan vertrouwd worden. Wanneer bepaalde beslissingen worden genomen of inlichtingen
worden gegeven moet de aanvrager er op kunnen vertrouwen dat deze juist zijn.
   In casu betekent dit dus dat een ocmw dat zich onbevoegd acht, minstens de plicht heeft om de aanvrager
hiervan onmiddellijk op de hoogte te stellen en/of dit in een beslissing op te nemen, en het dossier zo snel
mogelijk over te maken aan het ocmw dat wel bevoegd is. Dit zorgvuldigheidsprincipe werd uitdrukkelijk
opgenomen in het Algemeen Reglement betreffende het bestaansminimum (art. 7 kb 30.10.1974) en in
bepaalde gevallen van maatschappelijke dienstverlening (art. 3 Wet 2 april 1965). De rechtbank acht het ook
van toepassing in een zaak zoals de huidige (zie : Arbrb. Brussel, 8.06.1994, T.V.R. 1994, 283).
   Het ocmw van de gemeente die als verplichte plaats van inschrijving werd aangeduid zal trouwens al in
contact staan met het ocmw van de feitelijke verblijfplaats, minstens omdat het op dit ocmw een beroep zal
moeten gedaan hebben voor de uitvoering van het sociaal onderzoek (Omzendbrief 16.02.1995).
   Verweerder heeft niet alleen nagelaten eiser in te lichten en het dossier over te maken aan het ocmw van
Brugge, hij heeft zich ook blijven voordoen als het bevoegde ocmw : hij bleef de financiële hulp verder
doorbetalen. Eiser mocht er op vertrouwen dat zijn aanvraag gericht bleef aan het juiste, bevoegde ocmw.
   Verweerder heeft zelfs in de bestreden beslissing de houding van bevoegd ocmw aangenomen. Door
nadien deze bevoegdheid retroactief af te wijzen schendt hij het vertrouwensprincipe.
   Doordat verweerder eisers dossier niet heeft overgemaakt aan het ocmw van Brugge heeft dit ocmw eisers
aanvraag voor het (voortgezet) recht op maatschappelijke dienstverlening niet kunnen onderzoeken.
   Een schending van een beginsel van behoorlijk bestuur is een fout in de zin van artikel 1382 e.v. B.W.
   De schadevergoeding bestaat erin dat verweerder de maatschappelijke dienstverlening verschuldigd is
                                                                                                          108


waarop eiser desgevallend (ten gronde) aanspraak kan maken (Arbrb. Antwerpen, 25.11.2002 inzake
S./OCMW Grimbergen, AR 347.233).
    Verweerder dient dus verder in te staan voor de maatschappelijke dienstverlening tot de datum waarop
huidig vonnis kracht van gewijsde verkrijgt of totdat hij eiser in kennis stelt van zijn onbevoegdheid èn het
dossier heeft overgemaakt aan het ocmw van Brugge.
    Ten gronde
    1.
    Een aanvraag volgens art. 9, 3° Vreemdelingenwet maakt het verblijf niet wettig. Dergelijke aanvraag is
niet deze die bepaald werd in de Regularisatiewet van 22 december 1999, waarin art. 14 de niet-verwijdering
inhield, en waaruit de rechtbank steeds het recht op steun afleidde. In casu is aan de aanvraag van art.
    9, 3° geen gelijkaardig voordeel verbonden (Arbrb.Brugge 6e 7.02.2002, Melikidze / OCMW Torhout,
Arbrb.
    Brugge 7e k.,14.01.2002 Petrosyan / OCMW Oostende). Geen enkele wettelijke bepaling verleent aan de
indiening van een verzoek om verblijf, gesteund op art. 9 van de wet van 15 december 1980, het karakter van
een voorlopige machtiging tot geldig verblijf (R.v.S. 11.10.1995, T.V.R. 1996, 65; Arbh.Gent 6e k.
18.05.1998 AR 579/97).
    2.
    Art. 57 §2 OCMW-wet bepaalt :
    "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een (..) bevel om het grondgebied te verlaten is betekend."
    Het Arbitragehof heeft art. 57 § 2 OCMW-wet niet van toepassing verklaard (althans ongrondwettelijk in
zoverre ze van toepassing is) op dergelijke vreemdelingen wanneer zij, om medische redenen, in de absolute
onmogelijkheid zijn om aan dat bevel gevolg te geven (Arbitragehof 30.06.1999, B.S. 24.11.99).
    Volgens een attest van dr. NaE.s heeft eiser terugkerende maaglast met soms braken van ingesta zonder
zuurklachten. Een gastroscopie was normaal en ook endoscopisch waren er geen afwijkingen.
    Dergelijk beperkt medisch probleem vormt geen absoluut beletsel om gevolg te geven aan het bevel om
het grondgebied te verlaten.
    Verweerder is bijgevolg alvast geen volledige maatschappelijke dienstverlening verschuldigd.
    3.
    Art. 1 van het KB van 12 december 1996 bepaalt dat die dringende medische hulp de hulp betreft die een
uitsluitend medisch karakter vertoont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt
aangetoond.
    Deze hulp kan geen financiële steunverlening, huisvesting of andere maatschappelijke dienstverlening in
natura zijn. Dringende medische hulp kan zowel ambulant worden verstrekt als in een verplegingsinstelling,
zoals bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 2 april 1965. Dringende medische hulp kan zorgverstrekking
omvatten van zowel preventieve als curatieve aard.
    Voormeld attest laat niet toe te besluiten dat eisers medisch probleem een dringend karakter heeft zoals
bedoeld in art. 57 §2 OCMW-wet en art. 1 KB 12.12.1996.
    Verweerder is derhalve niet gehouden tot de beoogde dringende medische hulp m.b.t. eisers
maagproblemen.
    Hij blijft wel gehouden tot eventuele andere dringende medische hulp als de noodzaak daartoe zich
voordoet.
    In de bestreden beslissing heeft verweerder deze regel niet miskend.
    OMDEZEREDENEN:
    De Arbeidsrechtbank;
    Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging ;
    Gelet op het advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door de heer Willem VANDECASTEELE,
arbeidsauditeur;
    Ontvangt de vordering;
    Zegt voor recht dat verweerder in beginsel gehouden blijft tot de dringende medische hulp aan eiser tot de
datum waarop huidig vonnis kracht van gewijsde verkrijgt of totdat hij eiser in kennis stelt van zijn
onbevoegdheid èn het dossier heeft overgemaakt aan het ocmw van Brugge;
    Wijst de vordering voor het overige af als ongegrond;
    Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 100,40 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van
verweerder niet bij gebrek aan opgave;
    Veroordeelt verweerder tot de kosten;
                                                                                             109


   Aldus gewezen en uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brugge, ZEVENDE KAMER, in openbare
terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op ELF DECEMBER TWEEDUIZEND EN TWEE.
   Waren aanwezig :
   Willy DUPONT, Rechter;
   Johny VERZEELE rechter in sociale zaken-werkgever;
   Stefaan MEYERS, rechter in sociale zaken-werknemer/arb.;
   Anneke VAN BORSEL, e.a. adjunct-griffier.
   A. VAN BORSEL S. MEYERS J. VERZEELE W. DUPONT
                                                                                                         110


Bijlage 11

Nummer : RS60397_1                                        Datum : 2003-02-03
Jurisdictie : ARBEIDSRECHTBANK TE OUDENAARDE, AFDELING OUDENAARDE, 3E KAMER
Zetel : VANDEPLADUTSE
Openb. Min. : DHAENE MICHIEL
Rolnummer : 24504/III

                                                    Kop
RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . TAALWET IN GERECHTSZAKEN
- dienstverlening - vreemdelingen - bevel om het grondgebied te verlaten.

                                                    Noot
Op schriftelijk gelijkluidend advies van het O.M.
    Er werd Hoger Beroep ingesteld.

                                              Wettelijke basis
-WET VAN 08-07-1976,ART 57

                                         Tekst
    Eerste bladzijde. V. .
    op
    A.R. nr. 24.504/III. Rep. nr. .
    aan
    ____________________________________________________________________________
    C.D.
    R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, derde kamer, spreekt het hieronder
    R.P. volgend vonnis uit tijdens de openba-re terechtzitting van maandag drie februari
    Verminderd tweeduizend en drie
    Griffierecht
    IN DE ZAAK:
    1. M., A.,
    2. M., A.,
    samenwonende te ,
    eisende partijen, vertegenwoordigd door Mr. A. Wattecamps, advocate te Berchem namens Mr. C.
Deridder, advocaat te Diegem,
    tegen
    OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN B., openbare instelling,
    waarvan de zetel gevestigd is te ,
    verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. G. Schittecatte, hoofdmaatschappelijk werker, die een
schriftelijke volmacht overlegt.
    De rechtspleging
    De artikelen 2, 30, 34, 35, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken
werden nageleefd.
    De rechtbank heeft de partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien.
    De heer Michiel Dhaene, substituut-arbeidsauditeur wordt gehoord tijdens de openbare terechtzitting van
6 januari 2003 en legt een schriftelijk advies over. De partijen repliceren mondeling.
    De vordering
    De vordering werd ingeleid door het verzoekschrift dat de eisende partijen bij een op 6 mei 2002 ter post
aangetekende brief toestuurden aan de griffie van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde.
    Aldus wordt beroep ingesteld tegen de beslissing van de verwerende partij dd. 9 april 2002, betekend op
12 april 2002.
    De verwerende partij besliste op 9 april 2002 om met ingang van 1 april 2002 volgende hulpverlening stop
te zetten:
    - een financiële hulpverlening van 778,21 per maand, hetgeen overeenstemt met het bedrag van
samenwonende echtgenoten;
    - een financiële hulpverlening onder de vorm van kinderbijslag van 330,59 per maand;
    - de betaling der mutualiteitbijdragen als niet-beschermde persoon bij de mutualiteit van haar keuze;
                                                                                                           111


    - medico-farmaceutische hulpverlening;
    - de ten laste name van de hospitalisatiekosten op een gemeenschappelijke kamer voor zover het OCMW
binnen een periode van 8 dagen schriftelijk in kennis wordt gesteld van de opname in een verpleeginrichting,
mits betrokkene voldoet aan de volgende voorwaarden:
    xinschrijving in het bevolkingsregister van de woonplaats en het bewijs hiervan voorleggen (binnen de 8
dagen voor een eerste inschrijving en onmiddellijk voor elke verlenging);
    xinschrijving bij een ziekenfonds naar keuze en het bewijs hiervan voorleggen (binnen de drie maand na
de eerste aanvraag).
    De feiten
    De eisende partijen, van Kazakse nationaliteit, die twee minderjarige kinderen hebben, vroegen op 28
september 2002 om als politiek vluchteling te worden erkend.
    Het OCMW te B. werd door de Minister van Buitenlandse Zaken aangeduid als het bevoegde OCMW
voor hulpverlening aan de eisende partijen.
    De Dienst Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelde vast dat de eisende
partijen een visum hadden bekomen van de Duitse ambassade in Kazakstan op 15 september 2000.
    Bij beslissing, aan de eisende partijen ter kennis gebracht op 9 mei 2001, heeft de Minister van
Buitenlandse Zaken aan de eisende partijen het verblijf op ons grondgebied geweigerd, en bevolen dat zij het
grondgebied moesten verlaten binnen de vijf dagen.
    Op 14 mei 2001 dienden de eisende partijen tegen deze beslissing een verzoek in tot schorsing bij
hoogdringendheid bij de Raad van State.
    De verwerende partij verzorgde verder de hulpverlening van de eisende partijen.
    De Raad van State besliste op 28 mei 2001 de beslissing tot weigering van verblijf en verwijdering van
het grondgebied, meegedeeld aan de eisende partijen op 9 mei 2001, te schorsen.
    Volgens de eisende partijen is de zaak ten gronde nog hangende voor de Raad van State.
    Standpunt van partijen
    De eisende partijen stellen in eerste instantie dat de beslissing van de verwerende partij van 9 april 2002
de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen schendt.
    De eisende partijen beroepen zich verder op:
    a) het artikel 1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (OCMW-wet), waarin bepaald wordt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke
dienstverlening, en dat deze tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat
beantwoordt aan de menselijke waardigheid;
    b) het artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, waarin wordt bepaald dat niemand mag worden
onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
    De eisende partijen stellen eveneens dat het artikel 57 § 2 van de OCMW-wet geen toepassing kan vinden
nu het voor hen onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel het grondgebied te verlaten, omdat het bevel om
het land te verlaten niet definitief is daar het door de Raad van State werd geschorst.
    De verwerende partij stelt dat een asielzoeker die het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot weigering
van verblijf en verwijdering van het grondgebied niet langer aanspraak kan maken op een volledig recht op
hulpverlening.
    Beoordeling
    Wat de motivering van de beslissing betreft
    Krachtens de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen moet de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een
bestuur, en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur,
uitdrukkelijk gemotiveerd worden.
    Artikel 3 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet
vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat de motivering afdoende moet zijn.
    De bestreden beslissing vermeldt helemaal geen motivering.
    Het is duidelijk dat de bestreden beslissing niet voldoet aan de vereisten inzake motivering opgelegd door
de wet van 29 juli 1991 en de belangen van de eisende partijen hierdoor werden geschaad (omdat in casu de
bedoeling van de wet haar doel miste).
    De formele motiveringsplicht dient te worden gezien als een substantiële vormvereiste zodat het niet-
vervullen van deze vormvereiste tot de onwettigheid van de beslissing leidt.
    De onwettigheid van de beslissing leidt in beginsel tot de niet-toepassing ervan, zodat de sanctie in casu
niet anders kan zijn dan de vernietiging van de bestreden beslissing (zie Debersaques, G., l.c., 380; Van
Oshoven, P., "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W., 1991-92, 490).
    De bestreden beslissing moet dus worden vernietigd.
    Eenmaal vastgesteld dat de bestreden beslissing nietig is, moet de Arbeidsrechtbank de rechten ten gronde
onderzoeken (Cass. 15 januari 1996, Soc. Kron., 1996, 383).
                                                                                                         112


    Wat de gegrondheid van de beslissing betreft
    1. Artikel 57 § 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (OCMW-wet) bepaalt:
    In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een
vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.
    De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
    Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden
erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling
een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.
    De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het
ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met
uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk
het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het
grondgebied te verlaten.
    Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is
om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft
ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft;
    deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden.
    De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum
verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van
de intentieverklaring.
    2. Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 dat de term "uitvoerbaar" in het
derde en het vierde lid van het artikel 57 § 2 van de OCMW-wet moest worden vernietigd, en dat die
vernietiging als gevolg moet hebben dat artikel 57 § 2 moet worden geïnterpreteerd als zijnde niet van
toepassing op de vreemdeling die aangevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is
verworpen, en die een bevel heeft gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de
Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de
staatlozen (CGVS) met toepassing van artikel 63/3 van de wet heeft genomen of tegen de beslissing van de
Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet zijn beslecht.
    De vreemdeling aan wie een (uitvoerbaar) bevel om het land te verlaten is betekend, heeft dus geen recht
op maatschappelijke dienstverlening, ook al bestrijdt hij zijn rechten op verblijf voor de Raad van State,
tenzij (arrest 43/98 van het Arbitragehof) indien hij voor de Raad van State beroep instelde tegen de
beslissing van de CGVS overeenkomstig artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980, of tegen een
beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen.
    Hoewel het Arbitragehof bij het arrest 43/98 de term "uitvoerbaarheid" in het derde en vierde lid van
artikel 57 § 2 van de OCMW wet expliciet vernietigde, had het dus blijkbaar toch niet de bedoeling te raken
aan de essentie van artikel 57 § 2.
    3. In casu nam de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissing op basis van artikel 51/5 van de wet
van 15 december 1980. De beslissing van de CGVS kaderde dus niet in de toepassing van artikel 63/3 van de
wet van 15 december 1980. Het dringend beroep bij de CGVS kan immers enkel worden ingesteld tegen de
beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken met toepassing van artikel 52 van de wet van 15
december 1980.
    In zijn arrest 71/2001 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 57 § 2 van de OCMW-wet de artikelen
10 en 11 van de grondwet niet schendt doordat het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt beperkt
tot dringende medische hulp voor de vreemdeling wiens verblijf door de Dienst Vreemdelingenzaken is
geweigerd op basis van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 en artikel 8 van de Overeenkomst van
Dublin van 15 juni 1990, ook al bestrijdt de betrokkene die beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken
met een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing bij de Raad van State.
    In zijn arrest 131/2001 van 30 oktober 2001 heeft het Arbitragehof gesteld dat artikel 57 § 2 van de
OCMW-wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre het recht op maatschappelijke
dienstverlening beperkt wordt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het grondgebied verblijvende
vreemdeling die een beroep heeft ingediend bij de Raad van State tegen een bevel om het grondgebied te
verlaten.
    Een arrest van het Arbitragehof is een aanvullende rechtsbron wanneer de wet, de eerste rechtsbron,
onvoldoende duidelijkheid biedt voor de oplossing van het geschil.
    4. Het artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden is niet geschonden. Dit artikel bepaalt : "Niemand mag worden onderworpen aan
folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen".
    De procedure om als politiek vluchteling te worden erkend is geen onmenselijke vernederende procedure.
                                                                                                         113


    De eisende partijen vertoeven illegaal op het grondgebied, doch worden niet onderworpen aan folteringen
of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
    Het feit dat de eisende partijen, die illegaal in het Rijk vertoeven, geen aanspraak kunnen maken op een
algemeen recht op maatschappelijke dienstverlening, betekent niet dat zij worden onderworpen aan
folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
    De eisende partijen kunnen aanspraak maken op dringende medische hulpverlening, indien zij aan de
voorwaarden daarvoor voldoen, en indien zij dit vragen.
    Het gegeven dat de Raad van State bij arrest van 28 mei 2001 de schorsing besliste van het bevel om het
grondgebied te verlaten, brengt niet met zich mee dat de eisende partijen onmogelijk gevolg kunnen geven
aan dit bevel.
    De vordering is niet gegrond.
    OP DEZE GRONDEN :
    de rechtbank,
    rechtsprekend op tegenspraak,
    gelet op het schriftelijk gelijkluidend advies van het Openbaar Minis-terie
    - laat de vordering toe;
    - verklaart de vordering ongegrond;
    - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen
kosten van de partijen niet kan bepaald worden;
    - verwijst met toepassing van artikel 1017 tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek de verwerende partij
in de kosten van het geding.
    Aanwezig :
    Marc VANDEPLADUTSE, rechter in de Arbeidsrechtbank,
    voor-zit-ter van de kamer;
    Marc VAN DEN BROEKE, rechter in sociale zaken,
    benoemd als werkgever;
    Marnix SANDRAP, rechter in sociale zaken,
    benoemd als werknemer-bediende;
    Petra VANHOOLANDT, adjunct-griffier.
    Sandrap Van den Broeke
    Vanhoolandt Vandepladutse
                                                                                         114


Literatuurlijst

www.just.fgov.be

www.dofi.fgov.be

www.socialsecurity.fgov.be

www.ocmw.be

D‟hondt, S., “Maatschappelijke diensverlening aan kandidat-geregulariseerden.”, NJW,
2002, p 236-238.

Foblets, M., Hubeua, B., Van heule, E., “Migratie-en migrantenrecht: recente
ontwikkelingen”, Die Keure, 2002.

Van Geertruyen, G., "snelwegen of wegblokkades?, Woordgebruik in het migrantendebat",
Gent, Provinciaal Centrum voor Interculturele Vorming, 1999

Pieters, D., “Werkbereidheid of Loonbereidheid”, Die Keure, 2003.

Poppe, I., “Vluchtelingenonthaal in de Praktijk.”, OCIV, 1997

Senaeve, P., Simoens, D., “De wet maatschappelijke integratie van A tot Z”, Die Keure,
2002.

Smets, M.P., “Verblijf en tewerkstelling van Buitenlandse Werknemers en zelfstandigen”,
X, 2003.

Van Heule, D., “Vluchtelingen: een overzicht, CDPK-Libri 2”, Gent, Mys & Breesch,
1998, nr 632.

Van Konnegem, F., “Vreemdelingenwetgeving”, MAKLU uitgevers, 1995

Van Peer, C., Lammertyn, F., “De welzijnszorg in de Vlaamse Gemeenschap
voorzieningen en Overheidsbeleid, monografie 8, De welzijnszorg ten behoeve van
migranten, vluchtelingen en woonwagenbewoners”, departement sociologie K.U. Leuven,
1990.

Verstrepen, K., “Inleiding tot het vreemdelingenrecht”, Orde van Vlaamse Balies, Die
Keure, 2002

Winter, H.B., “Asiel in zicht? De nederlandse asielprocedure: van aanvraag tot
vergunning”, Die Keure, 2003.

Wyckaert, S., “Haast en spoed is zelden goed.”, A.J.T., 1999-2000, p 309-312

Het Vlaams Minderhedendecreet zoals op 28 april 1998 aangenomen door het Vlaams
Parlement.

VCM, Visietekst op terugkeer en verwijderingsbeleid
115

								
To top