Management
&
Organisatie
Hoofdstuk 20 Voorraadwaardering ......................................................................................................... 2
Hoofdstuk 21 Kosten van duurzame productiemiddelen ....................................................................... 5
Hoofdstuk 22 Brutowinstopslag .............................................................................................................. 7
Hoofdstuk 23 Nettowinst opslagmethode ............................................................................................ 10
Hoofdstuk 24 Break even analyse ......................................................................................................... 14
1
Hoofdstuk 20 Voorraadwaardering
Op de balans in hst 3 kwam je regelmatig de post: Voorraad tegen. Iedere handelsonderneming heeft
een voorraad welke men verkoopt. De voorraad staat tegen de inkoopprijs (of vaste verrekenprijs) op
de balans. Goed inkopen voor een onderneming is heel belangrijk. Heb je teveel ingekocht dan loop
je onnodig veel risico, bijvoorbeeld dat het bederft of dat de voorraad verouderd. Heb je te weinig
ingekocht dan loop je het risico op: NEE-verkoop.
Het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs noemen we de brutowinst.
Per stuk per periode
Verkoopprijs Omzet
- Inkoopprijs - Inkoopwaarde v/d omzet
Brutowinst Brutowinst
We onderscheiden de technische voorraad en de economische voorraad. De technische voorraad is
de voorraad die er ook echt is en de economische voorraad is de voorraad waarover men prijsrisico
loopt.
Technische voorraad (die in het magazijn aanwezig is)
+ ingekocht maar nog niet ontvangen
- verkocht maar nog steeds in het magazijn
economische voorraad
De voorraadrisico’s kun je in twee groepen onderscheiden.
Te verzekeren risico’s
o Diefstal
o Brand
Niet te verzekeren risico’s
o Veroudering (uit de mode)
o Bederf
o Prijsdalingen
Voorbeeld 20.1
Gunther BV, gespecialiseerd in huisdierenproducten, heeft op 01-01-05 een voorraad van € 30.000,
hiervan is voor € 15.000 al verkocht maar deze moeten nog bezorgd worden. Op 30-12-04 heeft
Gunther BV 1000 drinkbankjes besteld voor € 5,- per stuk.
a) Hoeveel is de economische voorraad op 01-01-05
b) Hoeveel is de technische voorraad op 01-01-05
c) Geef een voorbeeld van een voorraadrisico voor de bestelde drinkbakjes.
2
Aan het hebben/inkopen van voorraad kunnen verschillende kosten verbonden zijn:
Bestelkosten
o Verzekeringskosten
o Post/telefoonkosten
o Loonkosten van de inkoopafdeling
Opslagkosten (magazijnkosten)
o Rentekosten (over het geïnvesteerde vermogen)
o Ruimtekosten (kosten van het magazijn/loods)
o Risicokosten
Voorraadwaardering
Als een onderneming voorraad heeft en verkoopt waarvan de inkoopprijzen veranderen dan moet de
onderneming kiezen welke prijs men berekent voor de brutowinst en voor de voorraad op de balans,
de voorraadwaardering.
We kennen drie verschillende methoden:
FIFO methode (First in First out)
LIFO methode (Last in First out)
VVP methode (Vaste verrekenprijs)
Het maakt niet uit welke artikelen fysiek uit de voorraad gaan, het is alleen voor de administratie
FIFO methode
First in First out, de oudste artikelen worden als eerst verkocht.
De voorraad staat tegen de meest actuele prijs op de balans, maar misschien niet tegen de
huidige prijs.
Bij stijgende prijzen is de winst hoger dan bij LIFO
LIFO methode
Last in First out, de laatst ingekochte artikelen gaan er als eerste uit.
Op de balans blijven de oudste (en vaak de laagste ) prijzen staan.
Bij stijgende prijzen is de winst lager dan bij FIFO.
Voorbeeld 20.2
Gunther BV heeft op 01-01-04 een voorraad van 200 riemen á 10,-. Over januari zijn de volgende
feiten gegeven:
02-01-04 inkoop 200 riemen á 9,-
05-01-04 inkoop 400 riemen á 11,-
10-01-04 verkoop 500 riemen á 15,-
a) Bereken de brutowinst volgens de FIFO methode
b) Bereken de balanswaarde van de voorraad eind januari als de FIFO methode is gebruikt
c) Bereken de brutowinst bij de LIFO methode
d) Voor hoeveel staat de voorraad eind januari op de balans bij gebruik van LIFO?
3
Vaste verreken prijs
De FIFO en LIFO methoden worden in de praktijk nog wel gebruikt maar zeker bij ondernemingen
waarbij veel in- en verkocht wordt is het erg veel rekenwerk en daar zal meestal de VVP methode
gebruikt worden.
De vaste verrekenprijs is een schatting van de gemiddelde inkoopprijs + inkoopkosten. Alle artikelen
die worden ingekocht worden tegen de VVP in de voorraad opgenomen, eventuele winst of verlies
wordt dan al geboekt.
Geschatte inkoopprijs
+ geschatte inkoopkosten
VVP
Brutowinst bij VVP:
Gerealiseerd verkoopresultaat afzet x (verkoopprijs – VVP)
+/- Resultaat op inkoopprijs inkoop x (geschatte inkoopprijs – werkelijke inkoopprijs)
+/- Resultaat op inkoopkosten geschatte inkoopkosten – werkelijke inkoopkosten
Brutowinst
Voorbeeld 20.3
Gunther BV heeft op 01-01-04 een voorraad van 200 riemen á € 10,-. De inkoopkosten worden
geschat op € 1,- per stuk en de geschatte inkoopprijs is 10,-.
a) Bereken de VVP
Over januari zijn de volgende feiten gegeven:
02-01-04 inkoop 200 riemen á 9,-
10-01-04 verkoop 300 riemen á 15,-
De werkelijke inkoopkosten in januari zijn € 215,-
b) Bepaal de brutowinst over januari
c) Bepaal de balanswaarde van de voorraad eind januari.
4
Hoofdstuk 21 Kosten van duurzame productiemiddelen
Bijna iedere onderneming heeft duurzame productiemiddelen. Dit zijn bezittingen die langer dan 1
productieproces meegaan, bijvoorbeeld de vaste activa: auto, gebouwen, machines maar ook
immateriële en financiële vaste activa zoals deelnemingen, vergunningen en goodwill.
De aanschaf van deze middelen zijn voor de onderneming geen kosten. Men ruilt geld voor middelen
en er is in principe geen waardeverlies. Dus de aankoop van duurzame productiemiddelen zijn wel
uitgaven maar geen kosten.
De duurzame productiemiddelen verliezen pas waarde in verloop van tijd of tijdens het gebruik, hier
ontstaat waardevermindering, de kosten. We noemen deze kosten: afschrijvingskosten. Er komen
afschrijvingskosten op de resultatenrekening en de bezitting zal voor een kleiner bedrag op de
nieuwe balans komen.
Niet alleen de prijs van het productiemiddel schrijven we af maar ook alle bijkomende kosten zoals:
installatiekosten, afleverkosten en overdrachtskosten.
De duurzame productiemiddelen worden meestal in een bepaalde tijd afgeschreven, de levensduur.
We onderscheiden de technische levensduur en economische levensduur. De technische levensduur
is de tijd waarin het middel kan produceren.
De economische levensduur is de tijd dat het productiemiddel waarde heeft voor het bedrijf. We
gebruiken bij het afschrijven de economische levensduur tenzij anders is aangegeven.
5
Voorbeeld 21.1
Een computer heeft meestal een economische levensduur van 3 jaar terwijl de technische levensduur
misschien wel 50 jaar is.
Na de economische levensduur kan het productiemiddel nog wel een waarde hebben, de
restwaarde.
Drie afschrijvingsmethoden:
- Vast percentage van de aanschafprijs (de meest gebruikte)
- Vast percentage van de boekwaarde
- Vast bedrag per prestatie.
Vast percentage van de aanschafprijs
Bij deze methode zijn de afschrijvingskosten ieder jaar evenveel.
A–R = afschrijvingskosten per periode
n
A = aanschafprijs = eventuele bijkomende kosten
R = restwaarde na de levensduur
n = economische levensduur
Voorbeeld 21.2
Bij Gunther BV is een hondenvoermengmachine aangeschaft op 1-1-05. Deze machine gaat 6 jaar
mee en is levert dan nog € 1.000. De aanschafprijs is € 22.000 en er moet nog € 3.000 betaald worden
om deze machine te plaatsen.
a) Bereken de maandelijkse afschrijvingskosten
b) Bereken de boekwaarde van de machine op 1-1-7
a) 22.000 +3.000 = 25.000= A
(25.000 – 1.000) = € 4.000 zijn de jaarlijkse afschrijvingen
6
€ 4.000 / 12 = € 333⅓
b) Op 1-1-7 is er al twee jaar afgeschreven dus is de boekwaarde nog
25.000 – (2 x 4.000) = € 17.000
6
Hoofdstuk 22 Brutowinstopslag
De brutowinstopslag of brutowinstmarge is het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs van
een product.
De brutowinst die een handelsonderneming in een bepaalde periode behaalt is opgebouwd uit de
brutowinstmarge van alle in die periode verkochte producten.
De brutowinstopslag kan worden uitgedrukt in zowel een percentage van de inkoopprijs als in een
percentage van de verkoopprijs.
Voorbeeld 22.1
Brutowinstmarge als percentage van de inkoopprijs Een jeansshop koopt spijkerbroeken in voor €
22,50. De brutowinstmarge is 50% van de inkoopprijs. De verkoopprijs bepalen we als volgt.
Inkoopprijs: € 22,50
Brutowinstmarge: € 11,25 (50% van 22,50)
Verkoopprijs: € 33,75
Voorbeeld 22.2
Brutowinstmarge als percentage van de verkoopprijs Een jeansshop koopt spijkerbroeken in voor €
22,50. De brutowinstmarge is 33,33% van de verkoopprijs. De verkoopprijs bepalen we als volgt.
Inkoopprijs: € 22,50
33,33
Brutowinstmarge: × € 22,50= € 11,25
66,67
Verkoopprijs: € 33,75
Toelichting: Omdat gegeven is, dat de brutowinst 33,33% van de verkoopprijs is, volg je het volgende
schema:
Verkoopprijs: 100,00%
Brutowinst: 33,33%
Inkoopprijs 66,67% = € 22,50
Nu kun je bepalen dat de brutowinst is: 22,50 × 66,67 = € 11,25.
33,33
Ook kun je zo de verkoopprijs bepalen:
22,50 × 100 = € 33,75
66,67
Brutowinstopslagpercentage berekenen
Dit is de makkelijkste manier voor een onderneming om de verkoopprijs vast te stellen. Je neemt de
gemiddelde brutowinst van de afgelopen jaren en verhoogd met één percentage de inkoopprijs.
Voorbeeld 22.3
Een bedrijf verwacht 10.000 producten te verkopen waarvan de inkoopprijs € 10,- is. Het bedrijf
verwacht dat de kosten € 50.000 bedragen en wil een winst halen van € 25.000.
De brutowinst moet dus € 75.000 zijn. En dus 75.000 / 10.000 = 7,5 per product.
Het brutowinstopslagpercentage moet dan zijn:
7,5 / 10 x 100% = 75%
7
BTW
Belasting toegevoegde waarde ook wel omzetbelasting genoemd.
Iedere onderneming moet de verkoopprijs van zijn producten verhogen met BTW en moet de
ontvangen BTW daarna afdragen aan de belastingdienst. Alle belasting die een onderneming betaald
heeft kan men echter weer terugvorderen van de belastingdienst, de af te dragen BTW en de
ontvangen BTW worden met elkaar verreken en dan krijg je: te verrekenen BTW.
Tarieven:
0% voor medicijnen
6% voor eerste levensbehoefte
19% voor overige producten (luxe producten)
De verkoopprijs + BTW noemen we de prijs inclusief of de consumentenprijs.
BTW berekenen
Voorbeeld 22.4
We nemen de gegevens van 22.1. De inkoopprijs was € 22,5 en de brutowinstmarge was 50%
Inkoopprijs € 22,50
Brutowinst € 11,25 +
Verkoopprijs € 33,75
BTW € 6,61 + (19% van 33,75)
Consumentenprijs € 40,16
Terugrekenen
Als je gegeven krijgt dat de verkoopprijs inclusief 19% BTW € 100 is en je moet de verkoopprijs
exclusief uitrekenen dan moet je goed opletten dat de BTW berekend is over de prijs exclusief.
Prijs excl. 100%
BTW 19% +
Prijs incl. 119%
De prijs exclusief is dan dus:
100 / 119 x 100 = € 84,03
Want 19% van € 84 is minder dan 19% van € 100.
8
Voorcalculatorische nettowinst en nacalculatorische nettowinst bij de brutowinstopslagmethode
Een moeilijke zin voor iets vrij eenvoudigs. De voorcalculatorische nettowinst is de verwachte winst
en deze reken je uit met de verwachte gegevens van te voren.
De nacalculatorische nettowinst is de werkelijke winst en de werkelijke gegevens, dus achteraf.
Omzet
Inkoopwaarde -
Brutowinst
Inkoopkosten
Interestkosten
Loonkosten
Enz. +
Overheadkosten +
totale bedrijfskosten -
Nettowinst
Voorbeeld 22.5
Gunther BV verwacht voor juni 2007 de volgende gegevens:
- Afzet van 1.000 stuks
- Inkoopprijs is € 10,- en de verkoopprijs is € 20,-
- De inkoopkosten zijn € 2 per product
- De loonkosten zijn € 2.500
- De huurkosten zijn € 1.500
- De overige kosten zijn € 3.000
De voorcalculatorische nettowinst is dan:
Verwachte Omzet 20.000 (1.000 x 20)
Verwachte inkoopwaarde 10.000 - (1.000 x 10)
Verwachte brutowinst 10.000
Inkoopkosten 2.000
Loonkosten 2.500
Huurkosten 1.500
Overige kosten 3.000
Overheadkosten 7.000 +
Totale bedrijfskosten 9.000
-
Verwachte nettowinst 1.000
9
Hoofdstuk 23 Nettowinst opslagmethode
In het vorige hoofdstuk heb je geleerd hoe je eenvoudig met 1 percentage de inkoopprijs kan
verhogen naar de verkoopprijs, de brutowinstopslag. Het voordeel van de BW-opslag is dat het
eenvoudig is, het nadeel is dat het niet erg nauwkeurig is.
Bij de nettowinstopslag gaan we de verkoopprijs in een aantal stappen berekenen en zo kan de
ondernemer per product(groep) per kostensoort een apart percentage hanteren. Ook kan de
winstopslag per product(groep) verschillen.
Waarom?
Bijvoorbeeld In een supermarkt zijn veel verschillende productgroepen en iedere productgroep heeft
zijn eigen soort kosten. Zo zullen de diepvriesproducten meer opslagkosten hebben dan de koekjes.
De bloemen en groenten zullen meer inkoopkosten hebben dan andere producten omdat deze door
een inkoper op de veiling ingekocht moeten worden, enz.
Een tweede voordeel van de Nettowinstopslagmethode is dat je achteraf beter kan zien welke kosten
afwijken van de begroting.
De nettowinstopslag:
Inkoopprijs
Opslag voor inkoopkosten + (percentage van de inkoopprijs)
Vaste verrekenprijs
Opslag voor overheadkosten + (percentage van de VVP)
Kostprijs
Opslag voor de nettowinst + (percentage van de kostprijs)
Verkoopprijs
BTW + (percentage van de verkoopprijs)
Consumentenprijs (verkoopprijs incl.)
10
Voorbeeld 23.1
Bij Gunther bv hanteren ze de nettowinstopslagmethode voor al hun producten. Voor de
productgroep riemen hebben ze op basis van de afgelopen jaren de volgende opslagpercentages
berekent:
- Opslag voor inkoopkosten 10%
- Opslag voor overheadkosten 25%
- Opslag voor de nettowinst 50%
- BTW 19%
a) Bereken de consumentenprijs voor een riem met een inkoopprijs van € 20,-
uitwerking
Inkoopprijs 20
Inkoopkosten + 2 10% van 20
VVP 22
Overheadkosten + 5,5 25% van 22
Kostprijs 27,5
Nettowinst + 13,75 50% van 27,5
verkoopprijs 41,25
Btw + 7,84 19% van 41,25
Consumentenprijs 49,09
Of heel snel:
20 * 1,1 * 1,25 * 1,5 * 1,19 = € 49,09
Percentage berekenen
Voorbeeld 23.2
Van een onderneming is bekend dat voor een productgroep de totale overheadkosten worden
geschat op € 200.000. De omzet is € 2.400.000, het winstpercentage 20%. Bereken het
opslagpercentage voor overheadkosten
Inkoopprijs
Inkoopkosten +
VVP 1.800.000 Stap 2 2.000.000 – 200.000 = 1.800.000
Overheadkosten + 200.000
Kostprijs 2.000.000 Stap 1
Nettowinst +
verkoopprijs 2.400.000
Btw +
Consumentenprijs
Stap 1 De kostprijs is: 2.400.000 / 1.2 = 2.000.000
Stap 2 de overheadkosten weet je dus de vvp kan je uitrekenen
Stap 3 percentage berekenen
200.000 / 1.800.000 * 100 % = 11,1%
11
Voor en na-calculatorische nettowinst
Resultaat bepalen met de nettowinstopslagmethode. Voorcalculatorisch dus vooraf met de
verwachte gegevens en nacalculatorisch achteraf met de werkelijke gegevens.
Voorcalculatorische nettowinst
Bij het bepalen van de verkoopprijs heb je een opslag voor de nettowinst toegevoegd, zoveel winst
denk je dus te behalen per product.
De verwachte nettowinst (Voorcalculatorisch resultaat) = afzet x nettowinstopslag
Voorbeeld 23.3
We pakken de gegevens van voorbeeld 23.1, de verkoopprijs van een riem
Inkoopprijs 20
Inkoopkosten + 2
VVP 22
Overheadkosten + 5,5
Kostprijs 27,5
Nettowinst + 13,75
verkoopprijs 41,25
Btw + 7,84
Consumentenprijs 49,09
Stel Gunther BV denkt 20.000 riemen te verkopen
a) Bereken de voorcalculatorische nettowinst dus de verwachte winst.
Uitwerking
a) 20.000 x 13,75 = € 275.000
Nacalculatorische nettowinst
Na een periode kan de werkelijke winst berekend worden met de werkelijke gegevens, dit doen we
volgens onderstaand schema:
Verkoopresultaat (werkelijke afzet x nettowinstopslag)
Resultaat op inkoopprijs resultaat op inkopen
+/- budgetresultaat Resultaat op inkoopkosten
Resultaat op overheadkosten
Nacalculatorische nettowinst
Verkoopresultaat de werkelijke afzet maal de nettowinstopslag die je bij de verkoopprijs
bepaald hebt.
Budgetresultaat:
Resultaat op inkoopprijs = werkelijke inkopen x (verwachte inkoopprijs – werkelijke inkoopprijs)
Resultaat op inkoopkosten = werkelijke inkopen x inkoopkostenopslag – werkelijke inkoopkosten
Resultaat op overhead = werkelijke afzet x overheadkostenopslag – werkelijke overheadkosten
op de volgende pagina staat een uitgewerkt voorbeeld van de voor en na-calculatorische nettowinst.
12
Voorbeeld 23.4
We pakken weer de verkoopprijs van de riem uit het eerste voorbeeld:
Inkoopprijs 20
Inkoopkosten + 2
VVP 22
Overheadkosten + 5,5
Kostprijs 27,5
Nettowinst + 13,75
verkoopprijs 41,25
Btw + 7,84
Consumentenprijs 49,09
Gegevens
- Men verwacht een afzet van 20.000 riemen
a) bereken de voorcalculatorische nettowinst
uitwerking
a) 20.000 x 13,75 = € 275.000
Gegevens
- de werkelijke afzet en inkopen waren 19.000 stuks
- de inkoopprijs was € 21,-
- de werkelijke inkoopkosten waren € 35.000
- de overhead kosten waren € 100.000
b) bereken de nacalculatorische nettowinst
uitwerking
b) verkoopresultaat 19.000 x 13,75 = 261.250
resultaat op inkoopprijs: 19.000 x (20 – 21) = - 19.000
resultaat op inkoopkosten: 19.000 x 2 – 35.000 = + 3.000
resultaat op overhead: 19.000 x 5,5 – 100.000 = + 4.500
Budgetresultaat - 11.500
Nacalculatorische nettowinst € 249.750,-
Controle
Omzet 19.000 x 41.25 783.750
Inkoopwaarde 19.000 x 21 399.000 -
Brutowinst 384.750
Overheadkosten 100.000
Inkoopkosten 35.000 +
Bedrijfskosten 135.000 -
Nettowinst € 249.750
13
Hoofdstuk 24 Break even analyse
Breakeven punt: Daar waar het resultaat nul is, dus geen winst en geen verlies
Je moet kunnen uitrekenen de Breakeven-afzet en de Breakeven-omzet en dit doen we via twee
manieren.
Breakeven-afzet: De afzet (aantal verkochte stuks) waarbij het resultaat nul is.
Breakeven-omzet: De omzet (totale geldopbrengst) waarbij het resultaat nul is.
Breakeven-afzet x verkoopprijs = Breakeven-omzet
We splitsen de kosten in constante kosten en variabele kosten
Constante kosten: Deze kosten blijven (bijna) altijd gelijk, bijv. afschrijvingen, huurkosten
Variabele kosten: Deze kosten nemen toe als de afzet toeneemt, bijv. inkoopwaarde en
verzendkosten.
Manier 1 Te gebruiken als de variabele kosten en de brutowinst in % van de omzet zijn
gegeven of uit te rekenen zijn.
Theorie: Voorbeeld:
Gegeven:
Omzet BW = 40%
Inkoopwaarde - CK = € 50.000
Brutowinst VK = 8%
Variabele kosten - Gewenste NW = € 40.000
Dekkingsbijdrage Verkoopprijs = € 25
Constante kosten -
Nettowinst Omzet 100%
Inkoopwaarde -
CK + NW = dekkingsbijdrage Brutowinst 40%
Variabele kosten - 8%
afkortingen Dekkingsbijdrage 32%
Ck= Constante kosten Constante kosten - 50.000
NW= nettowinst Nettowinst 40.000
Vk = variabele kosten
Beo = breakeven omzet CK +NW = dekkingsbijdrage
Bea = breakeven afzet Dus 50.000 + 40.000 = 32%
90.000 / 32 * 100 = BEO = 281.250
281.250 / 25 = BEA = 11.250 stuks
Omzet voor gewenste winst = € 281.250
Benodigde afzet voor de gewenste winst = 11.250 stuks
14
Manier 2 Te gebruiken als je de variabele kosten in € per stuk hebt of deze kan uitrekenen
Theorie: Voorbeeld:
Dekkingsbijdrage (DekB.)
Gegeven:
DekB. = verkoopprijs – inkoopwaarde p/s – Verkoopprijs = € 12
variabele kosten p/s Inkoopprijs = € 6
Variabele kosten p/s = € 2
Constante kosten / DekB. = Breakeven-afzet Constante kosten = € 5.000
Gewenste NW = € 500
(CK + gewenste NW) / DekB. = benodigde afzet.
12 – 6 – 2 = Dek.B. = 4
(5.000 + 500) / 4 = 1.375
Benodigde afzet is 1.375 stuks.
15