scriptie 20definitief by nZmi1d77

VIEWS: 24 PAGES: 62

									Inhoudsopgave


Inleiding..................................................................................................................................... 3
De historiografie ....................................................................................................................... 7
   Toverijvervolging in termen van goed en fout ....................................................................... 7
   Het moralisme voorbij .......................................................................................................... 10
   Verklaringen aan de hand van mentaliteit ............................................................................ 11
   Tot besluit ............................................................................................................................. 17
De processen............................................................................................................................ 19
   1591 – Maria, Reyertgen en Neel ......................................................................................... 21
   1593 – Geertruy Damen ....................................................................................................... 28
   1593 – Willemtgen Stevensdochter ...................................................................................... 30
   1595 – Volcken Dircxz en zijn kinderen .............................................................................. 33
   1595 – Grietgen en Adriana ................................................................................................. 40
   Analyse ................................................................................................................................. 42
Verklaringen ........................................................................................................................... 49
   De rechtsprekenden .............................................................................................................. 49
   Wolven in Utrecht ................................................................................................................ 52
   Utrecht in opschudding ........................................................................................................ 55
Conclusie ................................................................................................................................. 58
Literatuurlijst ......................................................................................................................... 60
Lijst van archivalia................................................................................................................. 61




                                                                                                                                              2
Inleiding
De Noordelijke Nederlanden van de zestiende eeuw hebben in de nationale en internationale
literatuur over de heksenvervolgingen algemeen een uitzonderingspositie toegekend gekregen.
Uit alle tot dusver gemaakte schattingen van het aantal doodvonnissen in toverijprocessen is
gebleken dat er in de Noordelijke Nederlanden een relatief klein aantal personen is
geëxecuteerd op verdenking van toverij. De laatste schatting door een Nederlandse
onderzoeker - toch al weer daterend uit 1987 – gaat uit van niet meer dan honderdvijftig
doodvonnissen.1 Limburg wordt in dit geval niet meegeteld, omdat die provincie vanaf 1579
onder Spaans bewind stond. Internationale onderzoekers hebben nieuwere schattingen
gemaakt, die allemaal schommelen rond het aantal van tweehonderd doodvonnissen voor de
gehele Noordelijke Nederlanden2 of honderdvijftig wanneer Limburg buiten de schatting
blijft.3 Ter vergelijking: in de Zuidelijke Nederlanden hadden 2.500 executies plaats, in
Zwitserland 4.000 en in het Heilige Roomse Rijk 25.000. Hoewel er ook landen zijn waar het
totaal aantal executies wegens toverij nog lager geschat wordt dan in de Noordelijke
Nederlanden, zoals Ierland (vier executies) en Portugal (tien executies), moge duidelijk zijn
dat de schatting van honderdvijftig à tweehonderd doodvonnissen relatief laag is. 4
         Een belangrijke reden voor het ontbreken van intensieve vervolgingen zou kunnen
liggen in de geringe ontvankelijkheid van de Nederlandse rechtsprekende elite voor
demonologische voorstellingen zoals die onder andere door de dominicaanse inquisiteurs
Sprenger en Kramer in de Malleus Maleficarum (1486) gepresenteerd werden. Zij waren
vertegenwoordigers van de nieuwe demonologische interpretatie van het delict „toverij‟ die in
de vijftiende eeuw in zwang kwam. De kerkvader Augustinus had reeds in de vierde eeuw na
Christus gesteld dat een magische handeling alleen effect kon hebben met de hulp van een
demon. Hiertoe moest dus een pact met het kwaad gesloten worden. In de dertiende eeuw had
Thomas van Aquino bovendien gezegd dat hij het theoretisch mogelijk achtte dat een mens
gemeenschap kon hebben met een demon en dat er nageslacht uit dat contact voort kon
komen. 5

1
  M. Gijswijt-Hofstra, „Hoofdlijnen en interpretaties van Nederlandse toverij en hekserij‟ in: M. Gijswijt-Hofstra en W.
Frijhoff eds., Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (Amsterdam
1987) 256- 279, aldaar 274.
2
  W. Behringer, Witches and witch-hunts (Cambridge 2004) 150.
3
  B. Ankarloo, S. Clark en W. Monter, Witchcraft and magic in Europe IV The period of the witch trials (Londen
2002) 80.
4
  Behringer, Witches and witch-hunts 150.
5
  H. de Waardt, „Religie, duivelspact en toverij‟ in: Tijdschrift voor geschiedenis 118 (2005) 400-415, aldaar
409.


                                                                                                                      3
Wanneer een pact met de duivel inderdaad nodig was om met magie enig effect te sorteren,
lag het strafbare aspect van toverij niet alleen in het „kwaad doen‟ zelf, maar ook in de
geloofsafval. Wie immers een overeenkomst sloot met demonen, zocht zijn heil bij de duivel
in plaats van God. Toverij kreeg op deze manier het aanzien van een misdaad tegen zowel de
mensheid als tegen God zelf – een dubbele vorm van kwaadaardigheid die strengere
bestraffing dan voorheen rechtvaardigde. In de Malleus Maleficarum wordt ook benadrukt dat
de toveressen gemeenschap hebben met demonen om hun pact te bezegelen. Bovendien
zouden ze regelmatig grootschalige ontmoetingen hebben, sabbats geheten. Om bij deze
nachtelijke bijeenkomsten te komen moesten de toveressen vaak honderden kilometers
vliegen op een bezemsteel of de rug van een kat. Toveressen uit dezelfde omgeving zouden
elkaar dus moeten kennen. Met dit idee in hun achterhoofd begonnen de inquisiteurs in de
vijftiende en zestiende eeuw steeds vaker de namen van medeplichtigen af te dwingen, het
zogenaamde „denunciëren‟ van andere toveressen. Dat mocht met behulp van pijniging. Op
deze manier konden omvangrijke procesreeksen ontstaan.6
         Ideeën over het duivelspact, de nachtelijke vlucht op katten of op bezems en de sabbat
van de toveressen werden in de Noordelijke Nederlanden met scepsis ontvangen.7 De Noord-
Nederlandse voorstelling van de sabbat was die van een kleinschalige bijeenkomst van enkele
toveressen, vaak vlak buiten de stad waar zij woonden. Er werd korte tijd gedanst en daarna
ging iedereen weer naar huis. In de vonnissen van Noord-Nederlandse toverijprocessen wordt
de geloofsafval vaak als belangrijkste strafbare feit gepresenteerd. De specificaties van het
pact met de duivel werden maar in weinig gevallen genoemd.8
        Even uitzonderlijk voor de Noordelijke Nederlanden als deze scepsis was het vroege
einde aan de vervolgingen. Rond het jaar 1600 waren in de meeste gewesten de laatste
executies wegens toverij reeds uitgevoerd. Limburg vormt hier weer een uitzondering; daar
zouden in 1613 nog 64 toveressen verbrand zijn.9 In het grootste deel van Europa lag het
zwaartepunt van de toverijvervolging echter in het eerste kwart van de zeventiende eeuw. De
grote vervolgingsgolven die plaats hadden in Zwitserland, het Heilige Roomse Rijk en de
Zuidelijke Nederlanden begonnen allemaal na 1580 en eindigden op zijn vroegst rond 1620.10
        De geringe vervolgingsintensiteit en het vroege einde aan de executies lijken te
rechtvaardigen dat de Noordelijke Nederlanden in het onderzoek naar heksenvervolging meer

6
  De Waardt, „Religie, duivelspact en toverij‟, 409.
7
  Ankarloo, Witchcraft and magic in Europe, 81.
8
  De Waardt, „Religie, duivelspact en toverij‟, 410.
9
  L. Dresen-Coenders, „De grote „heksenbrand‟ van Roermond (1613)‟, in Nederland betoverd 161-172, aldaar
161.
10
   Behringer, Witches and witch-hunts, 130.


                                                                                                            4
dan eens beschreven zijn als een relatief gematigd gebied. Er moet echter niet uit het oog
worden verloren dat er nog altijd honderdvijftig executies zijn die wél hebben
plaatsgevonden. Ook hier deden zich namelijk concentraties van vervolgingen voor. In de
Groninger Ommelanden werden in 1547 elf personen ter dood veroordeeld. In deze streek
zouden meer processen volgen in 1554, 1557, 1562 en 1587. In het katholieke Noord-Brabant
deed zich in 1595 in Peelland een procesgolf voor waarbij zeker negentien vrouwen
geëxecuteerd werden. Wanneer er dus sprake was van een procesgolf, lag de
vervolgingsintensiteit gedurende kortere tijd wel degelijk hoog.
        Ook in de stad Utrecht zijn er dergelijke procesgolven geweest. In het jaar 1533
werden hier vier vrouwen op de brandstapel gebracht wegens het beoefenen van schadelijke
toverij. Hierna volgden nog twee op zichzelf staande executies. Vervolgens werd er tot 1591
in de gehele provincie Utrecht niemand meer ter dood veroordeeld wegens toverij. In deze
periode vonden wel enkele verbanningen plaats. Vanaf 1591 deed zich weer een periode van
intensievere vervolging voor. In dat jaar werd ten minste één toveres uit Amersfoort ter dood
veroordeeld en een andere werd verbannen. Deze processen werkten door tot in 1595, toen
zeker zes vrouwen en twee mannen geëxecuteerd werden.11 Daarnaast werden er vier
beschuldigden gegeseld en opgesloten.12 Deze zaken begonnen voor het stadsgerecht van
Amersfoort, maar een aantal gevallen zijn door het Hof van Utrecht afgehandeld.
        De Utrechtse processen van 1595 vallen allereerst op door hun relatief late tijdstip,
namelijk ongeveer vijf jaar voor het vermeende algemene einde aan de heksenvervolgingen in
de Noordelijke Nederlanden. Verder is het de intensiviteit waardoor deze specifieke
procesgolf opvalt. Met een totaal van acht doodvonnissen in één jaar lijkt de provincie Utrecht
nog relatief laat zeer actief te zijn geweest in het vervolgen van toveressen. De processen zijn
bovendien interessant omdat er in de archiefstukken veelvuldig sprake is van demonologische
elementen zoals nachtelijk vliegen, contact en gemeenschap met de duivel en
gedaanteverandering in dieren. De Utrechtse situatie tornt kortom aan de consensus dat de
vervolgingen in de Noordelijke Nederlanden weinig intensief waren en verstoken bleven van
demonologische voorstellingen.
        Hoe was dit mogelijk? Hoe kan de heftige Utrechtse procesgolf van 1595 verklaard
worden tegen de achtergrond van afnemende toverijvervolging rond 1600? Hoewel de
feitelijke gebeurtenissen van de procesgolf al vaker gepresenteerd zijn, is er naar mijn weten

11
   M. Gijswijt-Hofstra, „Toverij en tolerantie. Reacties op toverij in Nederland van de zestiende tot in de
achttiende eeuw‟ in: M. Gijswijt-Hofstra ed., Een schijn van verdraagzaamheid. Afwijking en tolerantie in
Nederland van de zestiende eeuw tot heden 133-155 (Hilversum 1989) aldaar 140.
12
   S. van Leeuwen, Batavia illustrata, ofte Hollandsche cronyck (‟s Gravenhage 1685) 305.


                                                                                                              5
nog nooit geprobeerd de oorzaken voor de gebeurtenissen aan te wijzen. Uit meer algemeen
onderzoek is gebleken dat de verklaring voor plotselinge intensivering van vervolgingen vaak
gezocht moet worden in de houding van de plaatselijke rechtsprekende en uitvoerende
machten. Het lijkt zeer de moeite waard om te onderzoeken of dit voor Utrecht ook het geval
was.
       Teneinde inzicht te krijgen in de bijzonderheden van de Utrechtse situatie, zal eerst
een historiografisch overzicht van de algemene situatie van toverijvervolging in de
Noordelijke Nederlanden geschetst moeten worden. Hierin zullen de verschillende meningen
aan bod komen die in de loop der jaren geuit zijn over de uitzonderingspositie van dit land.
Binnen dit kader zullen vervolgens de processen van 1595 intensief behandeld worden aan de
hand van procesdocumenten uit de archieven van het Hof van Utrecht en het stadsgerecht van
Amersfoort. Tot slot zal ik een poging doen te achterhalen wat de achtergronden en mogelijke
oorzaken van de processen waren. Hierbij zal ik ook onderzoeken welke magistraten er bij de
processen betrokken waren en welke rol zij daarin speelden. Vervolgens zal ik aandacht
besteden aan de algemene toestand van de provincie Utrecht in de jaren 1590, onder andere
aan de effecten van de Tachtigjarige Oorlog waarin de Nederlanden verkeerden. Ook dit deel
van het onderzoek zal zich voor een belangrijk deel op archiefmateriaal richten.




                                                                                          6
De historiografie
Dit hoofdstuk is bedoeld om een overzicht te krijgen van de meest prominente verklaringen
die in zowel de Nederlandse als de buitenlandse literatuur gegeven zijn voor het vroege
beëindigen van de toverijvervolgingen in de Noordelijke Nederlanden. Het is hierin niet de
bedoeling zo volledig mogelijk te zijn, maar om aan de hand van de meest opvallende en
populairste verklaringen de historiografische ontwikkelingen te analyseren.

Toverijvervolging in termen van goed en fout
De „Batavia Illustrata’, het monumentale werk van de jurist Simon van Leeuwen (1625-
1682), kan gezien worden als het beginpunt van de nationale geschiedschrijving over de
Noord-Nederlandse toverijprocessen. Van Leeuwen publiceerde zijn ‘Hollandsche Cronyck’
in 1685, nog geen eeuw na de laatste doodvonnissen wegens schadelijke toverij. Hij was in de
Republiek een van de eersten die toverij en de bestrijding daarvan als historisch verschijnsel
behandelden. De passages over dit onderwerp worden gekenmerkt door een sterke morele
verontwaardiging. Van Leeuwen vraagt zich herhaaldelijk af hoe het mogelijk was dat de
rechtsprekende en besturende elite nog zo kort geleden zo veel geloof aan toverij hechtte.
Toverij is in zijn ogen namelijk onmogelijk; alleen verwarde mensen geloofden er werkelijk
in. De betrokken rechters hadden volgens Van Leeuwen echter geen excuus. Hij besteedt
speciale aandacht aan de Utrechtse processen van 1595. In de „Batavia Illustrata‟ staat een
aanzienlijk deel van de verhoren gedrukt. Van Leeuwen gaat hier zelf verder niet heel diep op
in en tekent alleen aan dat hij niet kan begrijpen hoe de Utrechtse rechters de doodstraf
noodzakelijk konden achten in dit geval.13
           Het valt meteen op dat Van Leeuwen geen verklaring geeft voor wat wij nu „het
vroege einde aan de vervolgingen‟ noemen. Dat kwam waarschijnlijk omdat hij dat „vroege
einde‟ niet als zodanig erkende. Hij leek eerder verontwaardigd over het feit dat zijn
landgenoten zich, nog geen honderd jaar tevoren, zo ernstig hadden laten misleiden. Bij Van
Leeuwen is er dus nog absoluut geen sprake van het beeld van relatief gematigde vervolging
in de Noordelijke Nederlanden. Toch behoort hier vermeld te worden dat hij een belangrijke
fundering heeft gelegd voor verder historisch onderzoek naar het fenomeen van de
toverijvervolgingen.
           Bijna honderdvijftig jaar later bouwde Jacobus Scheltema nog altijd voort op de
moraliserende benadering van de „Batavia Illustrata‟. In 1828 verscheen zijn „Geschiedenis

13
     Van Leeuwen, Batavia illustrata, 294.


                                                                                            7
der heksenprocessen – eene bijdrage tot de roem des vaderlands’. Hoewel Scheltema al veel
verder van de processen af stond dan Simon van Leeuwen, aarzelt ook hij niet om veelvuldig
zijn afschuw te laten blijken. Dat doet hij in het bijzonder over de Utrechtse processen van
1595: ‘Ik herhaal alleen het gezegde, dat ik niet kan verklaren hoe destijds nog in Utrecht zulk
eene verschrikkelijke wreedheid, op de onzinnigste belijdenissen en nietigste bewijzen
gegrond, heeft kunnen plaats vinden – in Utrecht, alwaar toen reeds vele stralen van licht
voor de wetenschappen en de godsdienst waren doorgebroken, en zulks door Regters, door
mannen, die in de maatschappij in aanzien, door andere bedrijven eenen goeden naam
verworven hadden.’.14
        Deze verontwaardiging lijkt op het eerste gezicht moeilijk te verenigen met het andere
hoofdthema van Scheltema‟s werk, namelijk zijn nadruk op wetenschappelijke verlichting in
de jonge Republiek. Dit verklaart ook het tweede deel van de titel: ‘eene bijdrage tot de roem
des vaderlands’. In tegenstelling tot Van Leeuwen ziet Scheltema wat betreft de
heksenvervolgingen in de Noordelijke Nederlanden namelijk wél een reden om trots te zijn op
zijn voorvaderen: zij hebben er immers voor gezorgd dat de vervolgingen vroeg eindigden.
Scheltema plaatst het belangrijkste moment van inzicht in 1593. In dat jaar zou Maritjen
Arents uit Schiedam, op verdenking van toverij door het Hof van Holland op de pijnbank
gelegd worden om haar te doen bekennen. In hoger beroep sprak de Hoge Raad haar echter
vrij, nog voor het verhoor had kunnen beginnen. In hetzelfde jaar besloot het Hof van Holland
advies in te winnen bij enkele Leidse hoogleraren geneeskunde en wijsbegeerte inzake het nut
van een waterproef.15 De water- of drijfproef was een eeuwenoude methode om te ontdekken
of iemand een tovenaar of toveres was. In het wetboek van koning Hammurabi van Babylonië
(1792-1759 voor Christus) stond al vastgelegd dat er een drijfproef kon worden uitgevoerd
indien er geen ooggetuigen waren van een veronderstelde betovering. Wanneer de persoon
bleef drijven, zou hij of zij tevens licht genoeg zijn om door de lucht te kunnen vliegen,
eventueel op een bezem of een kat.16
        Scheltema vermeldt dat er aan het einde van de zestiende eeuw al diepgaande twijfel
bestond over de bewijskracht van de drijfproef. Hij schrijft dat de Leidse hoogleraar Johannes
Heurnius in 1593 betoogde dat eventueel drijven te wijten was aan de manier waarop de
beklaagde te water werd gelaten, namelijk ruggelings en gebonden aan handen en voeten. Een
menselijk lichaam heeft op die manier genoeg opwaartse kracht om te blijven drijven.

14
   J. Scheltema, Geschiedenis der Heksenprocessen – eene bijdrage tot den roem des vaderlands (Haarlem 1828)
257.
15
   Ibidem, 248-249.
16
   Behringer, Witches and witch-hunts, 47.


                                                                                                           8
Heurnius kende de drijfproef dus geen enkele bewijskracht toe: ‘indien het water de
toveressen onweerdig kent (...) waarom draagt haar de aarde? Waarom geeft de lucht haar
                                                       17
goedertierenlijk levensadem? De zon licht?’                 . Hierna werd besloten om de waterproef in
Holland te verbieden.18
        Omdat Scheltema de intellectuele ommekeer van in ieder geval Holland in 1593 legde,
had hij des te meer moeite met het bespreken en verklaren van de processen die na dit jaar
nog plaats hadden, waaronder die van Utrecht in 1595. Wat dit betreft volstaat hij met het
uiten van zijn verontwaardiging. Hierdoor lijkt hij te impliceren dat die gebieden, waar nog
doodvonnissen wegens toverij werden geveld, geestelijk achterliepen. Dit idee wordt mijns
inziens bevestigd door de negatieve uitdrukkingen ‘zotteklaps’ en ‘belagchelijke toevoegsels’,
die Scheltema gebruikt om de getuigenissen en bekentenissen bij een toverijproces te
typeren.19 De laatste processen in de Noordelijke Nederlanden worden door Scheltema
kortom afgeschilderd als geestelijke dwalingen van een anderszins verlichte stemming onder
de intellectuele en rechtsprekende elite. Op deze manier kan hij de nadruk leggen op de ‘roem
des vaderlands’, die hij niet alleen ziet in de vroege beëindiging van de heksenvervolgingen
dankzij een verlichte elite, maar ook in de latere invoering van het doodvonnis wegens toverij
en het geringe aantal doodvonnissen dat daadwerkelijk geveld is.
        Ook in de twintigste eeuw is er nog gebruik gemaakt van de moraliserende benadering
op het onderwerp. Kurt Baschwitz beschrijft toverijvervolgingen in termen van moord,
rechtsverkrachting en terreur in zijn ‘Heksen en heksenprocessen’ (1963, Nederlandse
vertaling 1964). Alleen al de titels van de hoofdstukken moeten de lezer duidelijk maken dat
de rechtsprekenden in de toverijvervolgingen zeer foute personen waren. Goede voorbeelden
hiervan zijn „De kruistocht tegen de oude vrouwen‟, „De hel langs Main en Rijn‟ en „De
Duitse rechtswetenschap op dwaalwegen‟. Een einde aan de vervolgingen kon volgens
Baschwitz altijd pas plaatsvinden als mensen de mogelijkheid hadden vrijelijk hun mening te
uiten. De ervaring heeft volgens hem geleerd dat „overal waar deze vrijheid bestond en een
verschil in opvatting openlijk kon worden uitgevochten (...) de heksenmoordenaars
onherroepelijk werden teruggedreven‟. Waar de vrijheid van meningsuiting gegarandeerd kon
worden door de rechtshandhavers, kwam een einde aan het toverijgeloof. In deze zin sluit
Baschwitz‟ verklaring voor het beëindigen van de vervolgingen aan bij de interpretaties in



17
   Scheltema, Geschiedenis der heksenprocessen, 250.
18
   Ibidem, 248-251.
19
   Ibidem, 135.


                                                                                                    9
termen van een tolerante mentaliteit die door vele andere auteurs na hem geuit zouden
worden.20
        Wie op een andere manier een moraliserende benadering toepast, is Fernand van
Hemelryck. Zijn ‘Heksenprocessen in de Nederlanden’ (1982) gaat helaas enkel over de
Zuidelijke Nederlanden en zal hier daarom niet uitgebreid behandeld worden. Het is wel de
moeite waard om te vermelden dat Van Hemelryck de toverijprocessen als „antifeminisme‟
ziet. Stellen dat de rechtsprekenden er een „pessimistische en misprijzende visie op de vrouw‟
op na hielden is simpelweg een andere manier van het beschrijven van toverijvervolging in
termen van goed of fout.21

Het moralisme voorbij
De visies van Jacobus Scheltema hebben lange tijd als maatstaf voor verder onderzoek naar
toverijvervolging gegolden. Ivo Schöffer schetst in zijn verhandeling over de historiografie
van de heksenvervolging (1973) enkele kenmerken van het negentiende-eeuwse genre,
waarvan Scheltema de koploper is geweest.22 Dit genre historiografie bestaat voornamelijk uit
de verwerking van nog nooit eerder onderzocht archiefmateriaal. Schöffer doelt hier niet
alleen op het werk van Scheltema, maar ook op de „Geschichte der Hexenprozesse’ van
Soldan (1843) en „La sorcière’ van Michelet (1862). Ondanks het feit dat deze werken stuk
voor stuk gekenmerkt zijn door een toon van morele verontwaardiging, zijn de gepresenteerde
feiten veelal wel correct.23 In deze historiografie wordt volgens Schöffer tevens geprobeerd
een excuus te vinden voor de executies die plaatsvonden wegens het plegen van schadelijke
toverij. Hiertoe wordt de beschuldiging ingeperkt tot bepaalde rechters of heksenjagers. Door
vreemden te beschuldigen, pleit men zichzelf vrij. Schöffer tekent echter terecht aan dat de
heksenprocessen zonder instemmende publieke opinie nooit geslaagd zouden zijn.24
        Wat betreft de beëindiging van de executies wegens toverij sluit Schöffer zich deels
aan bij dat wat volgens hem de favoriete verklaring hiervoor is: een mentaliteitsverandering
bij de elite, gekenmerkt door toenemende humaniteit, rationalisme en empirisme. Hij verfijnt
zijn mening met de veronderstelling dat magie en toverijgeloof middelen waren om invloed
op het eigen lot te krijgen. De noodzaak hiertoe nam volgens Schöffer af naarmate de
bestaansrisico‟s van een samenleving afnamen, zoals voor de Noord-Nederlandse elite in de

20
   K. Baschwitz, Heksen en heksenprocessen (Amsterdam 1963) 475-476.
21
   F. van Hemelryck, Heksenprocessen in de Nederlanden (Leuven 1982) 167.
22
   I. Schöffer, „Heksengeloof en heksenvervolging: een historiografisch overzicht‟, Tijdschrift voor Geschiedenis
86 (1973) 215-235.
23
   Ibidem, 215-216.
24
   Ibidem, 219.


                                                                                                              10
zeventiende eeuw het geval was. Het zelfvertrouwen en het gevoel van veiligheid namen toe
door een verbeterende economie, orde en veiligheid en door de eerste vormen van
ziektebestrijding. De stad had op deze gebieden een voorsprong had op het platteland, waar
toverijgeloof nog lange tijd ingang vond.25 Schöffer behandelt van Scheltema‟s visie alleen
het deel over het vroege einde aan de vervolgingen en schrijft verder slechts kort dat diens
verdienstelijke conclusies nog altijd golden. Deze aanname zou ruim een decennium later
onder vuur komen te liggen.
        In de artikelenbundel ‘Nederland Betoverd’ (1987) besteden Hans de Waardt en
Willem de Blécourt opnieuw aandacht aan het werk van Scheltema. Zij zijn hierin een stuk
kritischer dan Schöffer. Alleen Scheltema‟s stelling over het relatief vroege einde aan de
vervolgingen blijft overeind, met de kanttekening dat er allerminst consensus bestaat over de
verklaringen hiervoor. Zijn andere twee conclusies, dat de Noordelijke Nederlanden relatief
weinig executies zagen en het doodvonnis wegens toverij pas laat invoerden, kunnen volgens
De Waardt en De Blécourt ontkracht worden met behulp van nieuw archiefonderzoek. Zij
betogen in hun artikel over de berechting van toverij onder hertog Karel van Egmond dat de
Nederlanden wat betreft het tijdstip van invoering van het doodvonnis „zonder meer binnen
het West-Europese patroon passen‟. Dit houdt in dat er reeds rond 1500 vermeende toveressen
werden geëxecuteerd in Gelderland. Ook worden er nog altijd nieuwe processen en connecties
tussen processen ontdekt in de archieven, waarmee het relatief lage aantal van honderdvijftig
executies in de gehele Noordelijke Nederlanden verre van zeker is. De Blécourt en De Waardt
gaan helaas niet dieper in op het vroege einde aan de vervolgingen en de verschillende
meningen die daarover bestaan. Dit past ook niet binnen de afbakening van hun artikel. 26

Verklaringen aan de hand van mentaliteit
Marijke Gijswijt-Hofstra stelt in haar artikel ‘Toverij en tolerantie’ (1989) dat mede dankzij
het vroege einde van de verbrandingen in de Republiek het Noord-Nederlandse toverijbeleid
achteraf als relatief gematigd kan worden getypeerd27. Gijswijt-Hofstra zoekt haar verklaring
hiervoor net als Scheltema in de mentaliteit van de Noord-Nederlandse elite, maar zij werkt
haar stelling veel verder uit. Ze wijst verschillende oorzaken aan waardoor de mentaliteit tot
stand kwam die ervoor zorgde dat de executies wegens toverij afnamen en tot slot helemaal
ophielden. Allereerst kent zij de Opstand tegen de Habsburgers een belangrijke rol toe. Die

25
   Schöffer, „Heksengeloof en heksenvervolging‟, 231-232.
26
   H. de Waardt en W. de Blécourt, “Het is geen zonde een kwaad mens ter dood te brengen.‟ De berechting van
toverij tijdens de regering van hertog Karel van Egmond‟ in: Nederland betoverd 15-25, aldaar 15.
27
   M. Gijswijt-Hofstra, „Toverij en tolerantie‟, 149-150.


                                                                                                          11
zou „een bestendiging van lokale en regionale autonomie‟ betekend hebben, waardoor
centrale sturing wat betreft de toverijvervolging onmogelijk was. 28 Dit werkte matigend: in
gebieden waar de centrale autoriteit sterk was, zoals de Zuidelijke Nederlanden en Schotland,
was de vervolgingsintensiteit hoger. Bovendien was de Opstand de voorbode van de
religieuze pluriformiteit van de Republiek. Op die manier droeg hij bij aan het ontstaan van
grotere tolerantie en gewetensvrijheid. Doordat de Republiek zich losmaakte van Spanje, kon
hier ook geen streng contrareformatorisch beleid ingevoerd worden. Dit gebeurde in Limburg
wel en zorgde daar voor een zeer actief vervolgingsbeleid.29
         De belangrijkste reden dat de vervolgingen in de Noordelijke Nederlanden relatief
vroeg konden stoppen moet volgens Gijswijt-Hofstra echter gezocht worden in de sceptische
houding van geleerden en magistraten.30 Die houding werd hier veroorzaakt door een
vroegtijdige ontwikkeling op het gebied van de natuurwetenschappen en de medische
wetenschap. Het gedachtegoed van Erasmus, die toverij kort gezegd als bijgeloof
beschouwde, had ook zeker ingang gevonden onder geleerden. Ook werden de
rechtsprekenden in de jaren negentig van de zestiende eeuw steeds kritischer ten opzichte van
bewijsvoering. Door het opkomende empirisme lag de nadruk op tastbaar, waarneembaar
bewijs. De heersende scepsis zorgde er tot slot voor dat er weinig ontvankelijkheid was voor
demonologische werken zoals de Malleus Maleficarum, die de nadruk legden op het
realiteitskarakter van toverij. Zonder het beangstigende geloof in de realiteit van een
samenzwering van de duivel met heksen in een pact tegen de mensheid was de noodzaak van
vervolging nagenoeg afwezig. Er werden in de Noordelijke Nederlanden dan ook bijna nooit
aangedrongen op het denunciëren, ofwel het benoemen van medeplichtigen.31
         De afgelopen twee decennia hebben buitenlandse historici meer aandacht besteed aan
heksenvervolgingen in de Nederlanden dan Nederlandse historici. Hoewel de internationale
literatuur zich veelal richt op de geschiedenis van de heksenvervolgingen in heel Europa in de
vroegmoderne tijd, worden de Nederlanden in veel recente werken min of meer uitgebreid
behandeld. In 2003 verscheen het werk ‘Heresy, magic and witchcraft in early modern
Europe’ van Gary Waite. Hierin probeert hij de uitzonderingspositie van de Noordelijke
Nederlanden op verschillende manieren te verklaren. Om te beginnen zou de Noord-
Nederlandse elite vanouds weinig vatbaar zijn voor angst voor toverij en demonologische
ideeën. Nederlandse toverijbeschuldigingen hadden vaak weinig met demonen te maken,

28
   M. Gijswijt-Hofstra, „Toverij en tolerantie‟, 153.
29
   Ibidem, 153.
30
   Ibidem, 153.
31
   Ibidem, 149-153.


                                                                                           12
maar des te meer met het hinderen van iemands economische activiteit. Waite doelt hier op de
betoveringen van melk, boter of bier, waardoor deze onverkoopbaar werden.32 De weinige
publicaties van demonologische werken suggereren dat er nauwelijks een markt voor was. Dit
is een duidelijke indicatie dat demonologische opvattingen in de Noordelijke Nederlanden
inderdaad weinig voet aan de grond kregen.33
        Waite behandelt vervolgens een aantal gangbare verklaringen voor het vroege einde
aan de vervolgingen in de Noordelijke Nederlanden. Het zogenaamde social-crisis model
wordt veel gebruikt, recent nog door Wolfgang Behringer, wiens werk hieronder aan de orde
komt. Het model verklaart een toename in vervolgingsintensiteit met de behoefte aan een
zondebok wanneer een samenleving in crisis verkeert, omdat dat de samenleving het gevoel
geeft het eigen lot te kunnen beïnvloeden. Waite voegt hier meteen aan toe dat de historicus
die dit verklaringsmodel toepast op de Noordelijke Nederlanden, onherroepelijk vastloopt.
Die maakten immers een diepe crisis mee tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), maar
over het algemeen nam de vervolgingsintensiteit in die jaren af. Omgekeerd is de oorlog met
Spanje volgens Waite ook genoemd als de oorzaak van het gebrek aan interesse in
toverijvervolging. De Nederlanders zouden het te druk hebben met hun opstand om zich nog
zorgen te maken om heksen. Waite haalt deze verklaring echter onderuit door te wijzen op het
feit dat de Zuidelijke Nederlanden gewoon doorgingen met heksenvervolgingen in de jaren
dat zij in oorlog verkeerden. 34
        Waite stelt vervolgens dat de vervolgingsintensiteit verklaard kan worden aan de hand
van de plaatselijke kerkelijke structuur na de reformatie. Waar een officieel dogma werd
opgelegd en lidmaatschap van de staatskerk verplicht was, vielen afwijkingen des te meer op.
Dit leidde tot harde repressie, zoals het geval was in het Heilige Roomse Rijk en Zwitserland.
De calvinistische kerk was in de Republiek na 1580 wel de enige officiële kerk, maar
lidmaatschap ervan was niet verplicht – de overheid deed geen moeite om iedereen tot één
geloof te dwingen. De Noordelijke Nederlanden werden hiermee het eerste gebied in Europa
waar formele vervolging wegens ketterij werd beëindigd. De grondslag voor een meer
algemene tolerantie was hiermee gelegd.35 Waite zegt met deze redenering schatplichtig te
zijn aan de suggestie van collega-historicus Stuart Clark, die stelt dat religieus pluralisme het
einde betekende van heksengeloof.36 Tegelijkertijd met de poging om confessionele


32
   G.K. Waite, Heresy, magic and witchcraft in early modern Europe (Hampshire 2003) 135.
33
   Ibidem, 194.
34
   Ibidem, 194 – 195.
35
   Ibidem, 193.
36
   S. Clark, Thinking with demons. The idea of witchcraft in early modern Europe (Oxford 1997) 545.


                                                                                                      13
uniformiteit op te dringen, gaven veel autoriteiten de heksenvervolging op.37 De Noordelijke
Nederlanden vormen het schoolvoorbeeld van dit verschijnsel.
        William Monter gaat hierin nog verder: in zijn bijdrage aan het boek ‘Witchcraft and
magic in Europe’ benoemt hij de Noord-Nederlandse situatie als een ware Sonderweg van
intellectuele verlichting. Die zou door de Nederlanders zelf altijd al als een speciale
verdienste worden beschouwd. Monter zelf lijkt dit ook zo te zien.           Hij signaleert een
‘witchcraft watershed’ in de jaren 1592-1593. De specifieke koers van de Noordelijke
Nederlanden begon na de Unie van Utrecht in 1579. De intellectuele ommekeer vond zijn
voltooiing in 1593 in de beslissing van de Hoge Raad inzake het proces van Maritjen Arents
uit Schiedam, die hierdoor werd vrijgesproken. Monter is met deze redenering duidelijk
schatplichtig aan Jacobus Scheltema, die hier vreemd genoeg niet wordt genoemd. De these
van Johan Huizinga over het einde van de toverijvervolgingen werd door Monter wel met
naam en toenaam behandeld. Huizinga stelt dat het einde werd veroorzaakt door de
overwinning van de burgerlijke mentaliteit van het geürbaniseerde noorden op het
bijgelovige, katholieke zuiden. Het is niet duidelijk of Monter deze these steunt.38
        Verderop in ‘Witchcraft and magic in Europe’ tekent co-auteur Bengt Ankarloo aan
dat deze verklaring door meer recente Nederlandse historici van de hand is gedaan omdat die
te vaag en te algemeen zou zijn. Ankarloo geeft vervolgens zelf een meer specifieke
verklaring voor het relatief vroege einde aan de heksenvervolgingen in de Noordelijke
Nederlanden. Hij kent net als Waite een belangrijke rol toe aan de mentaliteit van de elite. Die
was dankzij Erasmus en de Leidse Universiteit zo sceptisch dat demonologische ideeën nooit
goed konden wortelen. Van doorslaggevend belang was echter het juridische systeem in de
Noordelijke Nederlanden. Juristen kregen hier een formele en uniforme opleiding, wat
waarschijnlijk zorgde voor een grotere professionaliteit en een betere organisatie van de
rechtsprekende organen.39
        Ook in de Zuidelijke Nederlanden werd geprobeerd om van bovenaf een zekere mate
van juridische professionaliteit te bewerkstelligen, zij het wat later dan in het Noorden. Vanaf
1606 bevalen aartshertogen Albrecht en Isabella dat er in Vlaanderen speciale rechtsgeleerden
aangesteld moesten worden om adviezen te verstrekken inzake toverijgevallen. Er werden zes
adviseurs geïnstalleerd die moesten zorgen dat de toverijvervolging zorgvuldig, objectief en
rechtvaardig gebeurde. Elke Vlaamse rechtbank was verplicht bij hen advies in te winnen.


37
   Waite, Heresy, magic and witchcraft 233.
38
   Ankarloo, Witchcraft and magic in Europe, 35.
39
   Ibidem, 80-81.


                                                                                             14
Deze procedure werd door de rechtbanken echter bestempeld als overbodig en tijdrovend. Ze
kwamen in opstand en mochten vanaf 1608 weer zelfstandig rechtspreken. Het
professionaliseren van de Zuid-Nederlandse rechtspraak was dus jammerlijk mislukt.40
        In de Noordelijke Nederlanden daarentegen werd de professionaliteit van de
rechtsprekenden nog versterkt door de opkomst van de inquisitoriale procedure, die misschien
in de eerste instantie geen positieve associaties oproept. Met zijn nadruk op empirisch bewijs
kon deze procedure echter een matigend effect hebben op toverijvervolging. Het verkrijgen
van tastbaar bewijs inzake toverij was immers problematisch. Tot slot legde de gereformeerde
kerk de nadruk op het bestrijden van volksmagie en bijgeloof in plaats van op het bestraffen
van schadelijke toverij. In deze context was de doodstraf niet langer gepast.41
        In ‘Witches and witch-hunts’ (2004) legt Wolfgang Behringer de nadruk meer dan de
bovenstaande auteurs op het verklaren van de lage vervolgingsintensiteit an sich. In het
algemeen zoekt hij de reden voor intensivering van vervolgingen in verslechtering van het
klimaat. Dit toont hij onder andere aan voor het Heilige Roomse Rijk en Zwitserland. De
grote vervolgingsgolven daar werden veroorzaakt of in ieder geval verergerd door een
wereldwijde afkoeling van circa 5,5 graden Celsius die rond 1600 werd veroorzaakt door
grote hoeveelheden vulkaanstof in de atmosfeer.42 De Noordelijke Nederlanden waren daar
echter minder vatbaar voor. In het zeeklimaat hier kwam de extreme vorst die centraal Europa
teisterde simpelweg niet voor. Ook had Nederland middelen om eventueel dalende oogsten op
te vangen, zoals goede zeeroutes voor de aanvoer van graan. Behringer stelt dat grootschalige
heksenvervolgingen hier dus uitbleven omdat er geen sterke afkoeling en dus geen
hongersnood was.43 Hiermee betoont hij zich aanhanger van het social-crisis model dat boven
al kort is uitgelegd.
        Wat betreft het vroege einde aan de vervolgingen zijn Behringers verklaringen niet
bijzonder origineel. Hij neemt de stelling van Hans de Waardt over: door het ontbreken van
centrale aansporing kwam er een einde aan de processen. Die centrale aansporing ontbrak
omdat de Noordelijke Nederlanden zich hadden ontworsteld aan de greep van de
Habsburgers. Behringer wijst ook op de sceptische mentaliteit van de Noord-Nederlandse
elite en de rol van de Opstand in het bewerkstelligen van tolerantie. De Nederlanders hadden
de vervolging zelf van dichtbij meegemaakt en hadden daardoor niet meer de behoefte zich


40
   Van Hemelryck, Heksenprocessen in de Nederlanden, 47-48.
41
   Ankarloo, Witchcraft and magic in early modern Europe, 80-81.
42
   Behringer, Witches and witch-hunts, 104.
43
   Ibidem, 160.


                                                                                           15
hier mee bezig te houden: ‘Their experience of persecution, and the irenic tradition of
Erasmian humanism (...) changed the perception of this particular society’.44
        Hans de Waardt betoogt juist dat het beeld van de calvinistische tolerantie bijgesteld
moet worden. Hij wijst in zijn recente artikel „Religie, duivelspact en toverij‟(2005) op de
opvattingen van de calvinistische theoloog Voetius. Die legde in 1659 de schuld van de
toverijvervolgingen bij de katholieken. De oorzaken voor de afname van toverijprocessen
moesten volgens hem enerzijds gezocht worden in een terughoudende overheid, anderzijds in
het effect van de Reformatie. Hierdoor zou de angst voor toverij minder groot geworden zijn.
De Waardt trekt Voetius‟ stellingen in twijfel. De gereformeerde kerk heeft immers altijd
volgehouden dat er bij het effectueren van een betovering hoe dan ook demonische krachten
betrokken zijn.45 Hoewel de vervolgingen in de Republiek relatief vroeg ophielden en de
gebieden waar de vervolgingen nog wel doorgingen inderdaad „veelal katholiek‟ waren, sloot
het Calvinisme de toverijvervolging niet uit. De Waardt noemt hier Genève en Schotland als
voorbeelden van calvinistische landen waar een zeer actief vervolgingsbeleid werd gevoerd:
„De reformatie en contrareformatie lijken dus de bereidheid om de handlangers van de duivel
te vervolgen eerder te hebben versterkt dan verzwakt. ‟. Aangezien zowel het katholicisme als
het protestantisme het einde der tijden op korte termijn verwachtten, zagen beiden geloven
zich genoodzaakt de wereld vóór de wederkomst van Christus te zuiveren van alle
ongewenste elementen. Ketters en toveressen waren de belangrijkste voorbeelden hiervan. 46
        De Waardt wijst vervolgens op het feit dat de eerste Noord-Nederlandse aanval op de
toverijvervolgingen afkomstig was van een katholiek, Johan Wier (1515-1588). In zijn werk
„De praestigiis daemonum’ (1567) stelt hij dat iedereen die gelooft in de effecten van toverij,
wordt bedrogen door demonen. Ook Heurnius, de Leidse hoogleraar die in 1594 de
waterproef zinloos verklaarde, was hoogstwaarschijnlijk katholiek. Zowel Wier als Heurnius
worden door De Waardt in verband gebracht met het spiritualisme, een „ongebonden en
hoogst individualistische vorm van het christendom‟. Als er kortom al religieuze opvattingen
meespeelden bij het matigen van toverijvervolgingen, moeten deze niet aan calvinistische
zijde gezocht worden.47




44
   Behringer, Witches and witch-hunts, 183.
45
   De Waardt, „Religie, duivelspact en toverij‟, 400-401.
46
   Ibidem, 405-406.
47
   Ibidem, 413-415.


                                                                                            16
Tot besluit
Uit het bovenstaande blijkt dat in de Nederlandse historiografie door de eeuwen heen een rode
draad is te ontwaren die begint bij Scheltema en nog altijd doorwerkt. Nederlandse auteurs
hebben het vroege einde aan de heksenvervolgingen veelal verklaard aan de hand van een
mentaliteitsverandering onder de intellectuele en rechtsprekende elite van de Noordelijke
Nederlanden. De aard van deze mentaliteitsveranderingen is getypeerd als simpelweg verlicht
door Scheltema, als toenemend humaan en rationeel door Schöffer en als Erasmiaans
sceptisch en empirisch door Gijswijt-Hofstra.
       Scheltema geeft helaas geen verklaring voor deze mentaliteitsverandering. Schöffer
komt wel met een originele benadering: volgens hem zorgde de toenemende
bestaanszekerheid, in ieder geval onder de stedelijke elite, voor een afnemende behoefte aan
toverij als middel om invloed uit te oefenen op het menselijk lot. Gijswijt-Hofstra gaf een
meer gangbare verklaring. Volgens haar kon de nieuwe sceptische mentaliteit ingang vinden
door de Opstand, die de regionale autonomie had bewaard en een ongekende gewetensvrijheid
had doen ontstaan. Gijswijt-Hofstra neigt hierin naar een verklaringsmodel op grond van
religieuze tolerantie in de Republiek. De Waardt betoogt echter dat tolerantie op het gebied
van toverij in ieder geval niet aan de kant van de calvinisten gezocht moet worden.
       Ook in de buitenlandse historiografie is er veel aandacht besteed aan de
mentaliteitsverandering onder de Noord-Nederlandse elite. De verklaringen voor deze
mentaliteitsverandering zijn door de genoemde auteurs veelal benoemd als de optelsom van
een sceptische Erasmiaanse traditie en de religieuze tolerantie die volgde op de Opstand tegen
de Habsburgse overheersers.
        Waite signaleert het ontbreken van een staatskerk in de Republiek en de tolerantie die
daar uit voortvloeide. Wanneer lidmaatschap niet verplicht was, was het immers niet nodig
om afwijkingen te elimineren. Monter kent de Noordelijke Nederlanden hun eigen Sonderweg
toe, een benaming die mijns inziens gereserveerd zou mogen worden voor de historiografie
over Duitsland. Voor het verklaren van wat Monter ‘a witchcraft watershed’ noemt, kwam de
auteur niet veel verder dan het reproduceren van de visies van Jacobus Scheltema, die boven
reeds voldoende uiteengezet zijn. Monters co-auteur Ankarloo zorgt verderop in hetzelfde
werk wel voor een meer originele en uitgewerkte verklaring voor het vroege einde aan de
vervolgingen in de Republiek. Ook hij noemt de sceptische mentaliteit van de elite. De
grondslagen hiervan waren volgens Ankarloo gelegd door Erasmus en door de universiteit
van Leiden. Verder kent hij de formeel opgeleide juristen van de Noordelijke Nederlanden
een doorslaggevende rol toe in het matigen en beëindigen van de heksenvervolgingen.

                                                                                           17
Behringers verklaring tot slot behelst dat de directe ervaring met kettervervolging in de
Noordelijke Nederlanden ervoor had gezorgd dat de weinige behoefte die er al was aan
toverijvervolging volledig was verdwenen.


De aandacht van de buitenlandse auteurs heeft zich duidelijk gericht op de Noordelijke
Nederlanden in hun geheel. De meeste auteurs noemen wel enkele specifieke
heksenprocessen, maar geen van hen gaat hier heel diep op in. Wat betreft Utrecht wordt door
Monter alleen aangetekend dat de executies wegens toverij daar in 1596 ophielden, in
navolging van Holland in 1593. De Utrechtse procesgolf van 1595 behandelt hij niet, terwijl
hij wel de processen in het Brabantse Peelland noemt, die in hetzelfde jaar plaatsvonden. Die
schrijft hij toe aan de intensivering onder katholiek bewind, net als de vervolgingen in de
Zuidelijke Nederlanden.48 De Utrechtse processen zijn echter niet zo eenvoudig te verklaren.




48
     Ankarloo, Witchcraft and magic Europe, 35.


                                                                                           18
De processen
Vóór de zestiende eeuw werden mensen die van toverij of waarzeggerij werden verdacht in de
Noordelijke Nederlanden doorgaans niet met de dood bestraft, althans voor zo ver wij nu
kunnen opmaken. De straf bestond in de veertiende en vijftiende eeuw meestal uit verbanning,
soms voorafgegaan door opsluiting en soms gecombineerd met geseling. Dat gold ook voor
Utrecht. In 1445 werd Lysbet Sproncs door de schepenbank van Utrecht verbannen wegens
waarzeggerij. Hetzelfde lot trof Dirc Corsgenssone in 1451, Dricus Bakker in 1455 en Geryt
Willemsz in 1493. In 1514 werd voor het eerst iemand beschuldigd van schadelijke toverij.
Het ging hier om Wychmoet van Borkloe, die een lijfstraf moest ondergaan en vervolgens
verbannen werd.49 Gezien het zwaardere vonnis is het goed mogelijk dat schadelijke toverij
op dat moment reeds hoger werd opgenomen dan waarzeggerij.
        De vuurdood stond al sinds de oudheid bekend als zuiverend. De Babylonische koning
Hammurabi (1792-1759 voor Christus) legde in zijn wetboek als eerste vast dat toveren met
de brandstapel bestraft moest worden. De zuivering werkte twee kanten op: enerzijds werd de
gemeenschap waarin de toveres leefde bevrijd van de kwade machten die in haar huisden,
anderzijds gold de zuivering ook de toveres zelf.50 Het idee dat vuur de ziel zuivert komt bij
uitstek tot uitdrukking in de christelijke voorstelling van het vagevuur. In de vijftiende eeuw
begon men de zuivering van „besmette‟ zielen praktisch toe te passen door ze eigenhandig te
verbranden. Deze praktijk won snel aan populariteit, vooral door de verspreiding van ketterse
bewegingen in het Europa van de vijftiende eeuw.51 In Keulen werden in deze context in 1456
voor het eerst toveressen verbrand in het Heilige Roomse Rijk. Door middel van contact
tussen bestuurlijke elites deed het doodvonnis op toverij zijn intrede in de Noordelijke
Nederlanden. Via Maastricht en Nijmegen kwam het idee in Utrecht terecht.52
        In 1519 werd in Utrecht voor het eerst een toveres op de brandstapel gebracht. Dat was
Luyt, de vrouw van Jan Blancks. Ze werd niet alleen beschuldigd van het toebrengen van
schade door middel van toverij, maar ook van het sluiten van een verbond met de duivel. De
Utrechtse schepenen riepen in deze zaak vrijwel direct de hulp in van de hertog van Kleef. Hij
stuurde daarop zijn scherprechter Symon, die blijkbaar bekend stond als een expert in de
berechting van toveressen. Hierin moet dan ook de reden gezocht worden dat de Utrechtse
schepenen helemaal in Kleef hulp zochten. Utrecht had zich ongetwijfeld kosten en moeite

49
   Gijswijt-Hofstra en Frijhoff ed., Nederland betoverd, bijlage na 231.
50
   Behringer, Witches and witch-hunts, 47.
51
   Ibidem, 4 – 5.
52
   De Waardt en De Blécourt, “Het is geen zonde een kwaad mens ter dood te brengen”, 18.


                                                                                            19
bespaard als de benodigde expertise ook in meer nabijgelegen steden te vinden was. Symons
inmenging zou in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het uitspreken van het
doodvonnis.53
        In 1528 droeg de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke macht over aan de Habsburgse
keizer Karel V. Die stelde in 1530 het Hof van Utrecht in en gaf het de hoge jurisdictie over
het platteland van de provincie.54 Dit hof berechtte zijn eerste twee heksen in 1533. Soetgen,
de weduwe van Jan Huygen, en Neelken Ponssen (soms ten onrechte gespeld als Poussen)
bekenden na tortuur beiden dat zij mensen ziek hadden gemaakt met betoverd voedsel.
Soetgen gaf bovendien toe dat zij algeheel onmenselijk en onchristelijk had gehandeld. Beide
vrouwen werden op de Neude te Utrecht ‘levendich aen een staeck gebonden ende gebrant
[...] tot asche’.55 De schepenbank veroordeelde in hetzelfde jaar nog Maria Wouters en Neel
Reyers ter dood. Een derde verdachte, Mergriet van Essen, bleef ondanks herhaalde tortuur
ontkennen. Zonder bekentenis was de doodstraf niet toegestaan, dus Mergriet werd
verbannen.56 In 1537 veroordeelde het Hof van Utrecht wel weer een toveres tot de
brandstapel. Het betrof hier Fye, die net als Soetgen en Neelken levend verbrand werd. Nadat
de schepenbank in 1541 nog Mergriet van der Broecken ter dood veroordeelde, was het lange
tijd rustig in Utrecht op het gebied van toverij.
        Vijftig jaar lang zouden er geen vrouwen ter dood veroordeeld worden wegens
betrokkenheid bij toverij. Daar kwam in 1591 echter verandering in. Uit klachten over toverij
vloeiden in hoog tempo verhoren en processen voort. Hieronder zullen in chronologische
volgorde alle processen in de provincie Utrecht in de jaren 1590 beschreven worden. Om te
beginnen is er het proces van Maria Volckensdochter, haar moeder, grootmoeder en tante in
1591. Vervolgens werden in 1593 Geertruy Damen, Willemtgen Stevensdochter en Jannitgen
Pots berecht. Het hoogtepunt van de processen lag duidelijk in 1595. In dat jaar werden
Volcken Dircxz en vijf van zijn kinderen berecht door het Hof van Utrecht, alsmede Marie
Barten en Anthonis Cornelisz Bulck. Ook voerde de schepenbank van Utrecht nog processen
tegen Lysbeth Bernards en ene Hendrikje. Omdat er alleen bekend is dat de vrouwen verbrand
werden en verder elke informatie ontbreekt, kan er hier verder niets zinnigs over hun




53
   De Waardt en De Blécourt, “Het is geen zonde een kwaad mens ter dood te brengen”, 22.
54
   J. Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye‟. Toverij voor Utrechtse rechtbanken, ca. 1530-1630.‟ In:
Nederland Betoverd 30-56, aldaar 41.
55
   Het Utrechts Archief, T16 – criminele sententies Hof van Utrecht, inventarisnummers 82 en 83.
56
   Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 46.


                                                                                                                20
processen gezegd worden.57 In hetzelfde jaar verschenen zes personen voor het stadsgerecht
van Amersfoort, waaronder Grietgen Willems en haar dochter Adriana.


Het is mijn bedoeling om met een combinatie van archiefmateriaal en bestaande literatuur per
geval te onderzoeken hoe de beschuldigde precies voor de respectievelijke rechtbanken
terecht kwam. Had er iemand een klacht ingediend, een naam genoemd tijdens een verhoor, of
had de rechtbank zelf een onderzoek ingesteld op basis van vermoedens? In het geval van een
klacht is niet altijd te achterhalen wie de klager precies was, maar meestal wel wat de
strekking van de klacht was. Vervolgens zal per geval gekeken worden naar de procedure die
gevolgd werd toen de beschuldigde eenmaal voor de rechtbank stond. Hoe verliep het
verhoor? Hoe reageerde de beschuldigde op de hem of haar ten laste gelegde feiten? Indien er
een bekentenis werd gedaan, onder welke omstandigheden gebeurde dat? Wat was het vonnis
en hoe kwamen de rechters tot hun oordeel? Met het beantwoorden van deze vragen hoop ik
een zo accuraat mogelijk beeld van de gebeurtenissen weer te kunnen geven, teneinde een
analyse te vergemakkelijken.
        Ondanks het feit dat de processen over vier jaar verspreid zijn, kan er wel degelijk
gesproken worden van één procesreeks. Via familierelaties of denunciaties hangen de
bovenstaande gevallen namelijk bijna allemaal met elkaar samen. Joke Spaans heeft hier al
uitgebreid aandacht aan besteed58 maar het lijkt mij nuttig haar meestal zeer verhelderende
ondervindingen in dit verband nog eens aan te halen.



1591 – Maria, Reyertgen en Neel
Op 7 mei 1591 deed Maria Volckens haar beklag bij de schepenen van Amersfoort. De avond
tevoren was zij door Wouter, de plaatselijke bleker, lastig gevallen toen ze naar de stad wilde
gaan: ‘Wouter, [...] willende van haar dat zij zijn koy zegenen soude, zeggende tegen haer,
ghij kunt toveren, draeigende haer mit een cluppel te slaen, ende heeft alsulx zij deposante
[Maria] die koy moete zegene, seggende, Godt segent u koy, u goet ende bloet ende all wat
ghij op de werrelt hebt‟. Hierna had Maria zich uit de voeten gemaakt. Eenmaal thuis
aangekomen durfde ze het voorval niet te vertellen aan de boer voor wie ze werkte, Evert
Splynters. Wouter was namelijk al meerdere malen bij Evert langs geweest om hem te

57
   Diarium van Arend van Buchell Uitgave van het historische genootschap Utrecht, serie 3, nr. 21 (Amsterdam
1907) 390.
58
   J. Spaans, „Toversters voor het gerecht. Enkele opmerkingen naar aanleiding van de Amersfoortse procesreeks
1590-1595‟, Volkskundig Bulletin 12 (1986) 31-47.


                                                                                                           21
waarschuwen voor Maria. Hij zou problemen met de boterproductie krijgen doordat hij Maria
als melkster had aangenomen: ‘Ghij sult nu botters genoden crygen, nu ghy dat meedgen hebt,
maeck het u slechts quyt’. Maria was waarschijnlijk bang dat de gedwongen zegening van de
koe haar toch al slechte reputatie zou verergeren en dat ze haar werk zou kwijtraken. Toch zag
zij zich genoodzaakt het hele voorval aan het gerecht op te biechten. 59
        De beschuldiging van toverij werd zodanig serieus genomen dat het gerecht besloot
een vooronderzoek in te stellen. Dit hield in dat de rechters begonnen met het inwinnen van
informatie bij mensen die als betrouwbaar bekend stonden.60 Op 11 mei verklaarde Aelt
Splynters, de broer van bovengenoemde Evert, dat hij niets dan goeds over Maria had
gehoord. Ook zei hij dat ‘nae date van het gegeven, Wouter Lambertssoon, bleycker, ’t
versseyde meysken wederomme mede heeft willen nemen ende dat zijn [Aelts] broeder sulx
nyet en heeft willen toestaen’. 61 De toestand van Wouters koe was blijkbaar niet verbeterd na
de zegening op 6 mei en Maria moest het beest opnieuw zegenen. Wouter slaagde er echter
niet in om het meisje mee te krijgen, dankzij tussenkomst van Evert Splynters.
        De positieve verklaring van Aelt Splynters mocht niet baten, want de meeste
informatie die het gerecht over Maria te horen kreeg sprak sterk in haar nadeel. Zo was Jan
Meriszoon ervan overtuigd dat Maria zijn dochter had ziek gemaakt. De eerste had namelijk
een zijden lijfje gedragen dat aan Jans dochter toebehoorde. Die was hierna ernstig ziek
geworden. Maria werd ervan verdacht het kledingstuk te hebben betoverd. Jan Meriszoon
kwam vervolgens met twee anderen naar het huis van Maria, waarvandaan ze haar met
geweld hadden meegenomen. Hierna moest Maria het zijden lijfje zegenen. Het gerecht vroeg
haar op 12 mei of Jans dochter ‘terstont daer nae gesont geworden is‟. Maria antwoordde
ontkennend en zei dat het meisje nog wel twee of drie dagen daarna ziek was. Op de vraag
hoe Maria dat dan wel wist, antwoordde zij dat ze dat van de buren had gehoord.62
        Het lijkt erop dat het vooronderzoek naar Maria vanaf dit moment in haar nadeel
begon te verkeren. Het gerecht vroeg haar waarschijnlijk niet voor niets waarom ze zo goed
op de hoogte was van de ziekte van Jans dochter. Het lijkt alsof ze geloofden, dat Maria deze
kennis alleen kon bezitten wanneer ze zelf de hand in de betovering had gehad. Op dezelfde
dag legde Jacob Gerritssoon bovendien een belastende verklaring af over Maria‟s moeder,




59
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-7, fiche 6.
60
   Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 35-36.
61
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-7, fiche 6.
62
   Ibidem, fiche 6.


                                                                                           22
Reyertgen. Hij ‘seyt [...] dat Reyertgen, huijsfrou van Volcken Dircxssoon, [...] ten huyse van
hem deposant [Jacob] gewoont heeft ende overmits ’t quaet geruft dat van den selve
[Reyertgen] gynck, heeft deselve nyet langer begeert haer huys te houden’. Reyertgens
reputatie van toveres is kortom zo sterk dat zij haar stempel ook op haar voormalige woning
achter zou hebben gelaten. Jacob Gerritssoon wilde er daarom niet meer wonen.63
        Het vooronderzoek en de negatieve verklaringen daarin rechtvaardigden kennelijk de
ondervraging van Maria zelf. Op 19 juni 1591 had haar eerste verhoor plaats. Het is niet
bekend welke leden van het Amersfoortse gerecht daarbij aanwezig waren. Het verhoor zelf is
minutieus opgeschreven, maar niet altijd even goed te volgen door slordigheid van de griffier.
Toen het gerecht Maria vroeg of zij wist dat zij van toverij beticht werd, antwoordde zij
bevestigend. Hierna begon ze te vertellen, zonder dat uit de processtukken duidelijk wordt wat
de aanleiding zou kunnen zijn om tot bekentenis over te gaan. Er wordt niet gesproken over
tortuur, maar dat sluit niet uit dat er gedreigd werd. Maria bekende dat haar moeder haar vijf
jaar geleden had gezegend gezegend toen zij ziek was. Een paar dagen daarna was ze beter.
Haar moeder had haar hierop geleerd hoe ze zelf moest zegenen. Op dat moment moet Maria
een jaar of tien zijn geweest, aangezien ze ten tijde van het verhoor ongeveer vijftien was. 64
        Wellicht heeft het aan de enigszins slordige griffier gelegen, maar Maria‟s verhaal
wordt hierna erg verward. Ten eerste vertelde ze dat haar vader wel degelijk moeite had
genomen haar het Onze Vader te leren. Waarschijnlijk deed ze dit om het gerecht ervan te
overtuigen dat hij een goed christen was. Vervolgens bekende Maria dat haar grootmoeder
Neel haar ergens in de omgeving van Amersfoort had geprobeerd te overtuigen om God af te
vallen en de duivel aan te hangen. Maria zou toen getwijfeld hebben, maar daarop had haar
grootmoeder gezegd: ‘doet dat vrij, en gij sult sterck worden’ . Toen haar moeder hierna nog
zei dat zij zelf ook de duivel zou aanhangen, verscheen plotseling de duivel in gedaante van
een lelijke, oude man. Hij gaf Maria een trou, een voorwerp dat fungeerde als provisorische
trouwring en haar dienstbaarheid aan hem symboliseerde. Dit alles zou gebeurd zijn in het
huis van Neel, terwijl Maria daar eerder niet over sprak. Ze zei aanvankelijk alleen dat het
buiten Amersfoort gebeurde.65
        Grootmoeder Neel was een makkelijk object van beschuldiging, want ze had in haar
jonge jaren ook al onder verdenking van toverij gestaan. In 1550 waren zij en haar moeder


   De naam van Maria‟s moeder is eerder vaak gespeld als „Reyer‟. Dit is echter een mannennaam. De
verkleinende toevoeging maakt deze naam tot een vrouwennaam.
63
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-7, fiche 6.
64
   Ibidem, fiche 7.
65
   Ibidem, fiche 7.


                                                                                                     23
Diel herhaaldelijk van toverij beticht door een waarzegger en onttoveringsspecialist, Jochum
Bos. Op 5 maart van dat jaar was Neel verhoord door het Hof van Gelre. Zij had toen
toegegeven een aantal mensen gezegend te hebben in Nijkerk, waar zij op dat moment
woonde. Betoveringen gaf zij destijds echter niet toe en niemand bracht hiervoor bewijs aan.
Het gevolg was dat Jochum Bos schuldig werd bevonden aan smaad en verbannen. Neel werd
vrijgesproken en het Hof van Gelre probeerde haar naam te zuiveren. Nu, 41 jaar later, bleek
deze inspanning vergeefs te zijn geweest. Neel had nog altijd de naam te kunnen toveren. 66
        Nadat Maria haar grootmoeder had beschuldigd, vertelde ze haar ondervragers dat ze
met haar trou koeien en mensen moest betoveren. Door het voorwerp op hen te leggen,
werden zij ziek. Op deze manier zou Maria een niet nader gedefinieerde dochter hebben
betoverd. Ze gebruikt haar trou echter ook bij het zegenen. In deze context heeft Maria het
over een ‘stuck cryets, swert’. Het lijkt er dus op dat dit het gereedschap was voor zowel
schadelijk toveren als het opheffen van een betovering. Maria vertelde vervolgens dat de
duivel sindsdien vaker bij haar op bezoek was geweest, een dag of twee geleden voor het
laatst. De duivel, die onder zijn kleding zwart en koud was, kwam elke week drie keer
boeleren sinds zij met hem getrouwd was.67 Het is opvallend dat Maria hier letterlijk ‘getrout’
zegt, alsof het een daadwerkelijk huwelijk met de duivel betrof. Dit was zeer ongebruikelijk
in de Noordelijke Nederlanden, waar een pact of een afspraak met de duivel überhaupt al een
zeldzaamheid was (zie bladzijde vier).
        Na haar verbintenis met de duivel te hebben opgebiecht, bekende Maria schuldig te
zijn aan een aantal toverijgevallen. Het eerste slachtoffer was Jan Meriszoons dochter,
waarvan Maria eerder al toegaf haar onder dwang gezegend te hebben. Ook de koe van
Wouter de bleker was werkelijk slachtoffer van Maria‟s toverij. Voorts had ze nog een kalf,
een knecht, en „een meecht genaampt Annen (...), een man genaempt Willem ende noch een
koy tot die sterff’ betoverd. De duivel had haar de slachtoffers aangewezen.68 Deze laatste
bekentenissen komen nogal onverwachts: de genoemde personen waren in het vooronderzoek
niet aan de orde gekomen. De enige reden dat Maria ze nu ineens wel noemde, is
waarschijnlijk dat ze het zekere voor het onzekere wilde nemen om niet beschuldigd te
worden van het achterhouden van informatie.
        Hierna werd de 64-jarige Neel Elbers ondervraagd. Het gerecht vroeg meteen hoe lang
het geleden was dat zij haar kleindochter ‘aen die toverie hadde gebrocht’. Neel antwoordde

66
   H. de Waardt, „In de grond een familiezaak. Veten en toverij in Nijkerk in 1550.‟ In: Nederland betoverd, 26-
39.
67
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-7, fiche 7.
68
   Ibidem, fiche 7.


                                                                                                              24
hierop dat ze niets van dien aard had gedaan. Tevens ontkende ze ook maar iemand in
Amersfoort of omgeving gezegend te hebben. Maria bleef echter volhouden dat het Neel was
die haar tot de duivel en de toverij had gebracht.69 Dit verhoor eindigde zonder enige indicatie
over het lot van Neel. Er is ook niet uit af te leiden hoe serieus het gerecht deze betichting
nam. De rechters vroegen niet door en dreigden Neel ook niet met tortuur, voor zover
vastgelegd althans.
        Op 27 juni werd Geertgen verhoord, de dochter van Neel en dus een tante van Maria.
De rechters vroegen haar of het klopte dat zij op haar zevende jaar had leren toveren van
Neel, zoals Maria had verteld. Geertgen ontkende dit. Vervolgens werd haar gevraagd: ‘off zij
(...) nyet ontrent elff ofte twaelff jaeren geleden gedanst heeft als een swarte cat mit Neel
Elbers ende Reyertgen Volckens’. Ook deze vraag beantwoordde Geertgen ontkennend. Maria
werd bij het verhoor gebracht en gaf te kennen dat ze haar eerdere bekentenis wilde
volhouden. Geertgen zei hierop tegen Maria, dat zij morgen zelf ook zou branden.70 De
uitdrukking „morgen‟ moet hier niet letterlijk genomen worden. Er zijn op de achtentwintigste
juni namelijk geen vonnissen afgeschreven door het Amersfoortse gerecht – nog afgezien van
het feit dat Geertgen zelf niets te zeggen had over een eventuele datum van executie.
        In het verhoor van Geertgen lag de nadruk op het denunciëren van medeplichtigen, iets
wat in de verhoren van Maria en Neel niet aan de orde was. Bij Geertgen werden haar namen
van andere vrouwen voorgelegd. Ten eerste Lysgen, de huisvrouw van Jacob Gerritszoon. Zij
werd in de verhoorkamer gebracht, waar Geertgen en Lysgen verklaarden elkaar niet te
kennen. Ten tweede Woutertgen Cobben, die Geertgen ook niet kende, maar die wist dat
Lysgen berucht was om haar veronderstelde toverkunst. Hiermee eindigde het verhoor.71 Het
is onbekend wat het gerecht verder met deze informatie heeft gedaan.
        De verklaring voor de plotselinge interesse in medeplichtigen is vrij eenvoudig. Het
gerecht van Amersfoort wist niet goed wat het met de toverijzaak aan moest en had advies
ingeroepen van het Hof van Utrecht.72 Het antwoord van het Hof van 24 juni is bewaard
gebleven als afschrift in de memoriaalboeken. In de brief verzocht het Hof van Utrecht de
Amersfoortse rechters om de gevangen vrouwen ‘neerstelick te ondervraegen op de
complicien, ende den hove copie van heurluyder confessie overseynden, omme bij den
procureur-generael jegens den complicen ten platten lande geseten geprocedeert te worden
naer behooren’. Vanzelfsprekend moest Maria in hechtenis blijven tot de ondervraging

69
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-7, fiche 7.
70
   Ibidem, fiche 7.
71
   Ibidem, fiche 7.
72
   Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 48.


                                                                                             25
gedaan was.73 Het is duidelijk dat het Hof van Utrecht van plan was zich in de zaak te
mengen. Het leek er niet van overtuigd dat de rechtsprekende collegae in Amersfoort de zaak
naar behoren af konden handelen. In hoeverre die overtuiging terecht was is moeilijk te
achterhalen. Wel is bekend dat het stadsgerecht van Amersfoort vanaf 1583 officieel alle
criminele zaken direct voor het Hof van Utrecht moest brengen. De Amersfoortse rechters
hadden dus eigenlijk al te lang zelfstandig gehandeld.74
        Reyertgen is voor zover bekend niet verhoord. Wel had zij zich al tijdens het
vooronderzoek ter purge gesteld voor het gerecht van Amersfoort. Deze procedure hield in dat
iedereen op een vastgesteld tijdstip voor de schepenen zijn klachten over Reyertgen kon laten
horen. Diegenen die niet van de gelegenheid gebruik maakten, mochten daarna geen
beschuldigingen meer uiten. De klachten die wél werden ingediend, werden door het gerecht
op betrouwbaarheid onderzocht.75 De uitkomst van Reyertgens gerechtelijke stap is niet
bekend, maar het is zeer waarschijnlijk dat de procedure in haar nadeel is uitgevallen. Haar
vonnis is noch door het Amersfoortse gerecht, noch door het Hof van Utrecht afgeschreven.
Toch is met zekerheid te zeggen dat ze uiteindelijk op de brandstapel is gebracht. Dat blijkt
uit het verhoor van haar zoon, Hessel Volckens, een kleine vier jaar later. Hij verklaarde dat
hij twee jaar geleden van zijn vader gescheiden was omdat deze hem geen werk meer te
bieden had, ‘naer dat sijnen moeder een wijl tijds tevoren, om toverije geëxecuteerd was‟76.
Reyertgen is dus langer dan twee jaar vóór Hessels verhoor op 2 mei 1595 geëxecuteerd. Joke
Spaans plaatst de verbranding van Reyertgen op 9 oktober 1593, maar het is onduidelijk hoe
zij precies aan deze datum komt. Als Hessels verklaring juist is, lijkt het onwaarschijnlijk dat
zijn moeder later dan mei 1593 geëxecuteerd is.
        Het lot van Maria‟s grootmoeder Neel en tante Geertgen is zo mogelijk nog moeilijker
te achterhalen. Wederom is niet duidelijk hoe hun processen zijn verlopen nadat Maria ze
aangegeven had. Er zijn geen vonnissen afgeschreven. De enige aanwijzing die er is, is een
notitie in de kronieken van het Amersfoortse klooster van Sint Aechten: ‘In den jare 1591
worden alhier gevangen drye tovenaersters in de somer, een oude vrouwe met haar dochter
ende een dochters dochter, oudt 15 jaren, d’welcke veel affgrijselicheyd van den viand
               77
verhaelden.’        . Het genoemde jaar en de familierelaties doen vermoeden dat het hier om
Neel, Reyertgen en Maria ging. De kroniek vermeldt vervolgens dat de oude vrouw en haar

73
   HUA, 239-1 – Archief van het Hof van Utrecht, inv.nr. 9-4, fol. 67v.
74
   Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 41.
75
   H. de Waardt, „Vervolging of verweer. Mogelijke procedures na een beschuldiging van toverij in het gewest
Holland voor het jaar 1800‟, in: Nederland betoverd, 57-68, aldaar 59.
76
   Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 295.
77
   Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 48.


                                                                                                           26
dochter op de brandstapel gebracht zouden worden. Terwijl de scherprechter echter bezig was
de dochter te wurgen, stierf de moeder doordat de duivel haar de hals zou hebben gebroken.
Het lijkt waarschijnlijker dat de oudere vrouw van pure ellende bezweken is tijdens de
executie van haar dochter. De lijken van beide vrouwen zijn daarna hoe dan ook verbrand.
Over Geertgen, de tante van Maria, wordt in de kroniek niet geschreven. Gezien het feit dat de
schrijver van de kroniek meende dat de dochters-dochter naar Utrecht werd gebracht, terwijl
ze in werkelijkheid juist uit de provincie verbannen werd (als het hier daadwerkelijk om
Maria gaat), kan er getwijfeld worden aan de juistheid van de kroniek. 78 Zo lang er echter
geen gegevens in de gerechtelijke archieven van Amersfoort en Utrecht zijn om anders te
bewijzen, kan de executie van in ieder geval Reyertgen en wellicht ook Neel het best in de
zomer van 1591 geplaatst worden.
           Het enige vonnis dat wél bewaard is gebleven is dat van Maria zelf. Op 12 juli 1591
werd ze verbannen uit de provincie Utrecht. Dit gebeurde in het geheim, op advies van het
Hof van Utrecht, aangezien het stadsgerecht van Amersfoort deze bevoegdheid officieel niet
bezat. Maria werd ook gemaand om elke ochtend en avond God op haar knieën om
vergiffenis te smeken. Als ze zich weer aan de duivel uit zou leveren, zou ze direct ter dood
veroordeeld worden. Op terugkeren in de provincie stond bovendien een lijfstraf.
           De gebeurtenissen in Amersfoort in 1591 laten goed zien hoe een toverijproces op
gang kon komen. Maria, die de naam had te kunnen toveren, werd met dreiging van geweld
gedwongen om een zieke koe te zegenen. Zij klaagde hierover bij het Amersfoortse gerecht.
Dat besloot een vooronderzoek te doen om tot de bodem van de zaak te komen. Bij het
vooronderzoek stuitten de schepenen wel op positieve informatie over Maria, maar de meeste
verklaringen droegen alleen maar bij aan haar slechte naam. Haar moeder werd door de
meeste informanten ook op zeer negatieve wijze beschreven.
           Maria bekende bij haar eerste verhoor meteen alles. Ze kon toveren, had verscheidene
mensen schade toegebracht en had een pact met de duivel gesloten. Ze tekende hierbij echter
aan dat zij daartoe gebracht werd door haar grootmoeder Neel, die ook een slechte invloed
had gehad op Reyertgen en Geertgen. Maria‟s denunciaties resulteerden in ieder geval in de
dood van haar moeder, mogelijk ook in die van haar grootmoeder en tante. Zelf werd ze
verbannen. Toverij gold als een zware misdaad en was niet iets waar iemand graag van beticht
zou willen worden. Het vrijwillig bekennen van toverij kan in deze context dan ook alleen
maar verklaard worden uit het feit dat de vijftienjarige Maria zich bedreigd voelde. Dit kan


78
     Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 48-49.


                                                                                            27
ook worden afgeleid uit haar onsamenhangende bekentenis, waarin ook feiten voorkwamen
waarvan ze aanvankelijk niet eens beticht werd. Haar verwarring moet groot geweest zijn toen
zij de klacht die zij indiende om haar eer te redden, zag omslaan in een beschuldiging van
schadelijke toverij. Hierop stond immers de doodstraf. Haar leven mocht ze houden, maar
haar thuis en haar moeder was Maria kwijt.

1593 – Geertruy Damen
Na de opschudding van 1591 was het in de provincie Utrecht weer rustig tot 1593. In juni van
dat jaar ontstond er weer onrust in Amersfoort. Wichemoet Suers, een vrouw uit Nijkerk,
werd voor het Amersfoortse stadsgerecht geroepen omdat ze verscheidene kinderen had
gezegend. Het gerecht stelde een onderzoek naar haar in. Een aantal van de informanten
gaven aan dat Geertruy Damen vaak aanwezig was bij de zegeningen en dat zij soms hielp.
Maria, de huisvrouw van Herman Maeszoon, zei dat haar kind ziek was geworden nadat het
koek had gekregen van Geertruy. Geertruy zegende het kind onder dwang, maar het stierf na
drie weken alsnog. Ook Peter Claeszoon geloofde dat zijn kind ziek was geworden na een
stukje koek van Geertruy te hebben gekregen.
           Het gerecht van Amersfoort zag in deze verklaringen voldoende reden om Geertruy op
25 juni zelf te verhoren. Ze was tachtig jaar oud, afkomstig uit het hertogdom Gulik en ze
woonde inmiddels zeventien jaar in Amersfoort. Met het spinnen van garen verdiende ze wat
geld, al moest ze het voor haar levensonderhoud voornamelijk hebben van de liefdadigheid
van anderen. Uit een inventarisatie van haar bezit bleek dat ze niet veel meer bezat dan het
hoognodige – een bed, tafel, wat kookgerei en kleding.
           Geertruy zei dat ze Peter Claeszoon en zijn kind niet kende. Ze zei ook niet te weten of
ze dat kind iets te eten had gegeven, of dat het ziek was. Even later bleek dat Geertruy wel
degelijk wist dat Peter Claeszoons kind ziek was en dat zij daar belangstelling voor had
getoond. Ze was naar Peters huis gegaan en had gevraagd hoe het met zijn kind ging. Op de
vraag waarom Geertruy dit had gedaan, antwoordde ze ‘dat sij sulcx wel gewoenlicken is te
doen’ bij zieke kennissen. Vervolgens werd ze gevraagd of ze verder nog personen of beesten
gezegend had, waarop ze zei: „’t mach wesen, ’t mach nyet wesen, haer hooft is kranck’.79 Dit
antwoord is zeer verhelderend wat betreft het verwarde karakter van het verhoor. Eerst zei
Geertruy Peter Claeszoon niet te kennen, vervolgens zei ze dat ze persoonlijk naar de toestand
van zijn kind was gaan vragen. De reden hiervoor kan zijn dat de tachtigjarige Geertruy
vergeetachtig begon te worden. Dat scheen ze zelf ook te weten, gezien het bovenstaande

79
     HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 2.


                                                                                                28
antwoord. Het gerecht scheen hier echter geen rekening mee te houden. Op 29 juni waren er
nog twee mannen bij het gerecht komen getuigen dat Geertruy niet voorbij een kruissymbool
kon komen. Toen de mannen haar aan zagen komen, hadden zij namelijk snel een kruis op de
grond getekend. Geertruy kon niet passeren en zou onder luid gemopper een eind om zijn
gelopen.
        Eerder had Geertruy bij Peter geklaagd dat mensen kwaad over haar spraken. Ze wilde
hierom eigenlijk een procedure aanspannen: ‘Soe moste sy bewysen dat ick ymant beschadicht
hadde in goet ofte bloet, ofte ymants beesten betovert hadde.’ 80. Geertruy had de stap naar het
gerecht echter nooit gemaakt, waarschijnlijk omdat ze onder grote sociale druk stond. Ze gaf
toe aan de vraag naar haar zegeningen omdat ze bang was anders niet meer de liefdadigheid
van de gemeenschap te krijgen.
        Geertruys hoge leeftijd, haar mentale gesteldheid en haar zwakke sociale positie
zouden gezien kunnen worden als verzachtende omstandigheden. Het stadsgerecht van
Amersfoort had aan dit alles echter geen boodschap en besloot op 5 juli dat Geertruy ter
scherper examinatie gesteld zou worden. Dat had aanvankelijk niet het gewenste resultaat.
Geertruy scheen hoe langer hoe minder op de tortuur te reageren, ‘houdende haer in ’t leste
                                                 81
off sij bynae in een droom geweest waer’              . Het lijkt hier overduidelijk dat de oude vrouw
haar bewustzijn begon te verliezen. De tortuur werd beëindigd zonder enige bekentenis. De
volgende dag werd er een drijfproef uitgevoerd, waarbij Geertruy bleef drijven. De rechters
van het Hof van Utrecht hechtten grote betekenis aan de waterproef, in tegenstelling tot die
van het Hof van Holland, dat in 1593 juist had besloten dat het drijven van een veronderstelde
toveres helemaal niets bewees (zie bladzijde acht). In het geval van Geertruy gold de uitkomst
van de waterproef als nieuw bewijs in haar proces, waardoor ze voor een tweede keer tot de
tortuur veroordeeld mocht worden.82 In principe mocht niemand meer dan eens gepijnigd
worden, tenzij er nieuwe belastende verklaringen waren of er nieuw belastend bewijs was
gevonden.83
        Dit keer had de tortuur wel het gewenste effect: Geertruy begon aan een lange en
verwarde bekentenis. Eerst gaf ze toe het kind van Peter Claeszoon betoverd te hebben, maar
ze wist niet meer hoe. Op de vraag hoe lang ze al kon toveren, antwoordde ze
achtereenvolgens dat ze het niet wist, dat het één jaar was, en dat het twee jaar was. De
duivel, in de gedaante van een oude man, had Geertruy spelden gegeven. Hierna zei ze dat ze

80
   HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 2.
81
   Ibidem, fiche 2.
82
   Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 49.
83
   Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 40 – 41.


                                                                                                   29
het kind van Peter een betoverde peer te eten had gegeven, maar later in haar bekentenis werd
de peer vervangen door een stuk koek. Op dezelfde manier had ze het kind van Herman
Maeszoon betoverd. De tachtigjarige Geertruy gaf ook toe met de duivel te hebben
geboeleerd, voor het laatst drie á vier dagen geleden in de gevangenis.
           Op 7 juli bevestigde Geertruy haar bekentenis nog eens. Ze had verscheidene mensen
en dieren betoverd, waarvan de meeste daarna zijn gestorven. Hiertoe had ze een verbond met
de duivel gesloten. ‘’t wesende allen saecken die nyet en behoren ongestraft te blyven maer
gecorrigeert te worden ter exemple van anderen.’ Geertruy Damen werd dezelfde dag nog
gewurgd en op de brandstapel gebracht.

1593 – Willemtgen Stevensdochter
Begin augustus datzelfde jaar werd Willemtgen Stevensdochter gearresteerd op bevel van het
Hof van Utrecht. Ze was ongeveer 65 jaar oud, getrouwd met Cornelis Henricxs, en afkomstig
uit Eembrugge nabij Baarn. Haar proces is goed gedocumenteerd door het Hof. Bij het eerste
verhoor op 17 augustus waren in ieder geval twee raadslieden aanwezig, namelijk Henrick
van Sijll (raad-ordinaris) en Peter van Leeuwen (procureur-generaal). Het had plaats in de
gevangenis Huis Hasenberch, op de stadhuisbrug te Utrecht. Tijdens het verhoor kreeg
Willemtgen een aantal vooraf vastgestelde artikelen voorgelegd. De artikelen zelf zijn helaas
niet bewaard gebleven, maar uit de gegeven antwoorden valt belangrijke informatie af te
leiden. Zo bekende Willemtgen dat ze kon zegenen en dat ze dat meerdere malen had gedaan.
Ze wist ook wel dat mensen daarover praatten en haar soms openlijk van toverij betichtten. In
tegenstelling tot Maria Volckens had Willemtgen echter niet zelf de stap naar de rechtbank
genomen. De reden hiervoor was dat ze geen getuigen kon vinden die haar klacht konden
staven. Ze had tegenover kennissen wel geklaagd over het feit dat ze van toverij werd
beschuldigd.84
           Willemtgen bekende vervolgens een aantal specifieke zegeningen. De zegening van
het zieke kind van Dirck Gijsbertszoon bijvoorbeeld, die enige jaren geleden geschiedde in
aanwezigheid van Berent Ketel, de substituut-maarschalk van het Eemland. Een pastoor had
Willemtgen in dit geval de woorden voorgezegd. Het kind was hierna echter niet beter
geworden. Een andere keer liep een zegening uit op slaande ruzie. De vrouw van Frans
Corneliszoon had Willemtgen gevraagd haar kalveren te zegenen. Willemtgen had dit gedaan,
maar was daarna wel over het voorval komen klagen bij Frans. Die verkeerde in beschonken
toestand en had haar meerdere keren op het hoofd geslagen. Zij was hierna naar huis gevlucht

84
     Nationaal Archief, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.


                                                                                          30
en had niet meer over het voorval gesproken. Willemtgen was niet alleen slachtoffer van
agressie, maar ook van pesterijen. Haar man zat om onbekende redenen gevangen in Deventer
en toen Willemtgen een nacht weg was geweest om hem te bezoeken, bleek bij thuiskomst dat
iemand ‟s nachts een grote kuil voor haar deur had gegraven. Haar kinderen waren al bezig
om hem dicht te gooien.85
        Willemtgen had nooit een geheim van haar zegeningen gemaakt en was dus een
makkelijk doelwit. Ook voor het Hof van Utrecht gaf ze volmondig toe te kunnen zegenen en
dat graag te doen, uit goedhartigheid. Ze bleef echter ontkennen dat ze kon toveren. De
raadslieden waren niet tevreden met deze bekentenis. Op 22 augustus werd besloten om
Willemtgen ter scherper examinatie te leiden. Op 4 september werd ze voor het eerst
gepijnigd. De aard van deze tortuur is niet nader beschreven, wel wordt vermeld dat
Willemtgen ook nog ‘scherpelick gegeesselt’ werd. Het is dus goed denkbaar dat zij aan de
palei werd opgehangen, een staande paal die door middel van een systeem van katrollen
langer kon worden gemaakt.86 Zo kon de gevangene opgerekt en gegeseld worden. De tortuur
had geen resultaat: „sonder dat sij nochtans heeft willen lijden oyt yemant betovert te hebben,
seggende altyt geen schult te hebben ende nyet te cunnen toveren’.87
        Op 5 september om half zes ‟s ochtends werd Willemtgen uit de gevangenis gehaald
door een delegatie van het Hof. In aanwezigheid van Harman Wijnhoff, Henrick van Sijll,
Peter van Leeuwen en de maarschalk van Eemland, werd Willemtgen in de Oudegracht te
Utrecht onderworpen aan de drijfproef. Haar handen en voeten werden gebonden door
meester Jacob, de scherprechter. Toen werd ze in het water geworpen, waar ze op haar rug
bleef drijven. Bij herhaling van de hele proef bleef Willemtgen opnieuw drijven, hoewel zij
volgens de raadslieden verwoede pogingen deed zichzelf te laten zinken. Na de hele
beproeving werd Willemtgen opnieuw naar de gevangenis gebracht.88
        Op 6 september werd Willemtgen nog de kans gegeven te bekennen, maar zij
weigerde. ‘Hier nae is de voornoemde gevangene geleyt op den banck [de pijnbank], tot
tweemael gereckt ende wel scherpelick gepynigt’89. Willemtgen bleef echter herhalen dat zij
onschuldig was. Dit keer werd de tortuur alleen geschorst en niet officieel beëindigd, zodat de
rechters de tortuur de volgende dag konden voortzetten. Op 7 september werd Willemtgen
opnieuw aangeraden om eindelijk de waarheid te zeggen, aangezien „men‟ toch wel wist dat


85
   NA, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.
86
   Steenhuis, notenapparaat bij „In een quaad geruchte van toverije‟, 285, noot 43.
87
   NA, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.
88
   Ibidem.
89
   Ibidem.


                                                                                            31
zij kon toveren. Wederom bleef ze herhalen dat zij niet kon toveren en geen enkele schuld
had. Hierop werd ze voor de derde maal gepijnigd. Nadat ze op de pijnbank ‘een weynich
uutgereckt’ was en ze bedreigd werd met zwaardere tortuur, brak Willemtgens weerstand. Ze
bekende dat de duivel haar twee jaar geleden voor het eerst had opgezocht, toen haar man in
Deventer gevangen zat. De duivel gaf haar twee of drie stuivers en zei tegen haar dat ze moed
moest houden. Hij zou haar wel helpen haar vijanden te verdrijven. De duivel had haar
vervolgens wat gras gegeven „omme daer mede quaet te doen’. Willemtgen zei dat ze de
duivel inmiddels weer had verlaten en dat zij hem al een jaar niet had gezien.90
        Het Hof was opvallend geïnteresseerd in de details van het toveren. De rechters wilden
weten welke kracht het gras precies bezat en welk kwaad ermee gedaan kon worden.
Willemtgen antwoordde dat de duivel haar dat niet verteld had, maar alleen gezegd had dat zij
het gras langs de dijk moest strooien. Ze dacht wel dat hierdoor vier kalveren ziek waren
geworden. Door middel van een spreuk had ze ervoor gezorgd dat Bart Janszoon geen boter
meer kon karnen van de melk van zijn koeien. Willemtgen zei dat de duivel haar de volgende
bezwering had ingefluisterd: ‘kernt daer ghij kernt, ghij en sult geen botter kernen’. 91
        Willemtgen bevestigde haar bekentenis dezelfde dag nog „buyten pyne ende banden
van ysere’. Wetend dat het Hof van Utrecht nu voldoende informatie had om haar op de
brandstapel te brengen, besloot Willemtgen haar leven zelf te beëindigden. In de nacht van 9
op 10 september hing zij zich in haar cel op met een reep stof van haar eigen kleding. De
volgende dag werd haar lichaam alsnog aan een staak gebonden en verbrand op het
Vredenburg te Utrecht. Het vonnis werd ondertekend door de heren Brouxelles, Ruysch,
Radelant, Wijnhoff en Sijll.92


De processen van 1593 lijken op het eerste gezicht weinig te maken te hebben met die van
1591. Geertruy Damen is voor zo ver wij na kunnen gaan niet gedenuncieerd in de processen
van 1591. Dit zegt echter niet zo veel, aangezien het archiefmateriaal voor dat jaar beperkt is
– zoals boven reeds gezegd, ontbreken de verhoren en vonnissen van Reyertgen en Neel. Het
is ook niet duidelijk hoe het proces van Willemtgen Stevensdochter precies begon. Ze was
voor zo ver bekend ook niet gedenuncieerd in 1591. Waarschijnlijk waren er voldoende
klachten om ambtshalve vervolging te rechtvaardigen. Willemtgen werd direct berecht door
het Hof van Utrecht, terwijl de eerdere gevallen voor het stadsgerecht van Amersfoort waren


90
   NA, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.
91
   Ibidem.
92
   Ibidem.


                                                                                            32
geweest. De reden hiervoor is duidelijk: Eembrugge viel onder het platteland van Utrecht,
terwijl Amersfoort een eigen stadsgerecht had. Dat mocht in principe elke zaak behandelen
maar moest de criminele gevallen overdragen aan het Hof van Utrecht. Wat hierbij meteen
opvalt, is dat het gerecht van Amersfoort in het geval van Geertruy Damen zelfstandig bleef
handelen en haar niet overdroeg aan het Hof. Het blijft echter onzeker in hoeverre de
processen van 1593 voortvloeiden uit die van twee jaar tevoren. Hoe zij in de jaren die
volgden doorwerkten is wel duidelijk – Willemtgen Stevensdochter had namelijk de namen
van de kinderen van Volcken Dircxz genoemd toen zij naar medeplichtigen werd gevraagd. 93



1595 – Volcken Dircxz en zijn kinderen
Volcken Dircxz was de weduwnaar van Reyertgen en dus de schoonzoon van Neel Elbers.
Van de processen van hem en zijn kinderen rest ons weinig origineel materiaal. In het archief
van het Hof van Utrecht zijn alleen de vonnissen van Volcken, Anthonis Corneliszoon Bulck
en Hessel en Elbert Volckens bewaard gebleven. De vonnissen van Hendrickgen, Gijsbert en
Dirck Volckens en Marie Barten bevinden zich in het archief van het Hof van Holland, waar
ze via de contemporaine jurist Simon van Veen terecht zijn gekomen. Gelukkig heeft Simon
van Leeuwen afschriften van de verhoren opgenomen in zijn „Batavia Illustrata’. Ze zijn niet
allemaal juist geordend en bij sommige bestaat twijfel over de juistheid van de datum. De
inhoud is echter wel minutieus weergegeven, als ook de namen van de raadslieden die
aanwezig waren bij de verhoren. Hieronder waren Willem van Radelant, Peter van Leeuwen,
Harman Wijnhoff en Henrick van Sijll. Zij waren allen eerder betrokken bij de zaak van
Willemtgen Stevensdochter. 94
           Volcken Dircxz was een 62-jarige boer. Hij woonde op het Hoogland, iets ten noorden
van Amersfoort. Volcken was de vader van een wegens toverij verbannen dochter (Maria
Volckens) en weduwnaar van een wegens toverij verbrande vrouw (Reyertgen). Zelf had hij
waarschijnlijk ook al langere tijd de naam te kunnen toveren. Dat kan althans afgeleid worden
uit het feit dat hij regelmatig werd ingeroepen om dieren te zegenen. Het was dan ook naar
aanleiding van de zegening van een paard dat het stadsgerecht van Amersfoort op 18 april
1595 begon met het inwinnen van informatie. De zaak werd overgedragen aan het Hof van
Utrecht, waar Volcken op 29 april voor moest verschijnen. Daar gaf hij desgevraagd toe dat



93
     Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 39.
94
     Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 296.


                                                                                           33
hij op aandringen en dreigen van Jan Deens diens paard had gezegend. Dit gebeurde drie
dagen nadat Volcken had geholpen het hooi binnen te halen.
           Op 2 mei werd Hessel verhoord, een veertienjarige zoon van Volcken. Hij woonde al
twee jaar niet meer bij zijn vader, want die had hem geen werk meer te bieden. De jongen zei
niet te geloven dat zijn vader of zijn moeder enige toverkracht bezaten. Op dezelfde dag werd
Hendrickgen verhoord, zijn 17-jarige zus. Zij geloofde ook niet dat haar ouders konden
toveren. Ze zei wel dat haar vader onder dreiging van een pak slaag het paard van Jan Deens
gezegend heeft. Ook vertelde ze dat Hessel van het gezin gescheiden is, omdat het gerucht
ging dat hij kon toveren. Hessel ontkende dit, ook onder dreiging van dwangmiddelen: ‘[...]
gedreigt zynde dat hy de waarheid soude seggen, ofte dat men ’t hem soude doen seggen,
heeft echter vorder nyet anders willen bekennen’.95
           Het Hof van Utrecht had aanvankelijk niet veel haast bij de zaak. Pas op 15 mei werd
de volgende zoon van Volcken ondervraagd, de dertienjarige Elbert. Zonder enige
vastgelegde aansporing of dreiging begon de jongen te bekennen. Hij zei dat zijn broer Hessel
hem had laten zien hoe je een bies kon melken tot je een tobbe vol had. Hessel had toen
gezegd dat ‘den besemrijder’ – de duivel – erbij betrokken was. Elbert vertelde vervolgens dat
hij ongeveer twee jaar daarvoor samen met zijn vader en broer, Grietgen Segers en de
huisvrouw van Aert Hessels gedanst had op de bleek bij Amersfoort, allen in de gedaante van
katten. Ook had de duivel Elbert, zijn vader en zijn broer veranderd in ‘roode wolfkens, en
sijnen vader een swarte wolf’, met behulp van een haren riem. De duivel was met de wolven
weggevlogen door de schoorsteen en had ze naar een weiland gebracht, waar ze twee ossen
hadden doodgebeten en het bloed van de dieren hadden gedronken. Elbert verklaarde dat hij
hierbij alleen maar had geholpen met het opdrijven.
           Vervolgens bekende Elbert dat hij een osje van zijn meester, Jan Pietersz, met behulp
van hooi betoverd heeft. Hij sprak daarbij de woorden ‘eet den duyvel in ’t hert’. Het beest
werd dol en ziek, tot Elbert het weer zegende. Ook dit kunstje zou hij van zijn broer Hessel
geleerd hebben. 96 Later die dag bevestigde Elbert zijn bekentenis nog eens. Hij voegde er aan
toe dat de duivel de gedaante had van een mens met wolvenpoten, maar dat hij volledig in een
wolf of kat veranderde als ze gingen dansen. Bovendien had Hessel Elbert niet alleen geleerd
te melken uit een bies, maar ook uit een mes dat hij in een boom had gestoken.




95
     Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 296.
96
     Ibidem, 297.


                                                                                             34
Toen Volcken met de bekentenis van zijn zoon geconfronteerd werd, ontkende hij alles. Hij
bleef voortdurend zijn onschuld betuigen.97 Hierop besloot het Hof om Volcken scherp te
examineren. Hij werd op 16 mei opgehaald aan de palei en gegeseld, maar hij bleef volhouden
onschuldig te zijn. Ook na een tweede keer opgehaald te zijn bleef Volcken ontkennen. Op 22
mei ging zijn zoon Hessel echter overstag.98 Hij werd niet gepijnigd – waarschijnlijk was de
schok van de tortuur van zijn vader voldoende om Hessel tot inkeer te brengen.
        Hessel bekende dat zijn peetmoeder hem een half jaar geleden te Amersfoort een mes
had gegeven en erbij gezegd had dat hij vanaf dat moment de duivel moest dienen. Die was
toen tevoorschijn gekomen in de gedaante van een zwarte, naakte man die had gezegd: „Wel
nu moet gy met my uytgaan’. Hierna was hij verdwenen, maar ‟s avonds was hij
teruggekomen en toen had hij Hessel een oud stuk schoenleer te eten gegeven. Zijn
peetmoeder had hem een stukje zwart leer en een zwart wollen lapje met spelden gegeven,
waarbij ze had gezegd dat Hessel vanaf dat moment in de dienst van de duivel stond. De
duivel had Hessel toen bij de arm gepakt en meegenomen door de schoorsteen. Hij had Hessel
naar het huis van Willemtgen Stevensdochter gebracht, samen met Grietgen Segers, alias de
Rode Kater. De duivel had zijn beide dienaren meegenomen, in de gedaante van wolven.
Vervolgens hadden ze ergens een aantal dieren doodgebeten, maar Hessel wist niet waar dat
precies geweest was.99
        Hessels bekentenis ging nog verder. Hij bekende enkele dieren van zijn zwager
Thomas te hebben doodgetoverd met behulp van spelden die hij in het gras had uitgestrooid.
Twee dagen voordat Hessel gevangen werd genomen had hij zijn zwager zelf nog betoverd
door in zijn melk schaafsel van het zwarte wollen lapje te doen, samen met katten- en
hondenstront, waarna Thomas ziek was geworden. Ook bekende Hessel dat hij zijn eigen
zusje, Cornelisje, betoverd had door fijngehakte spelden en schaafsel van het lapje in haar
melk te doen. Het kind was nog altijd ziek. Hij heeft ook bij Antonis Huygenszoon drie maal
melk uit een appelboom gemolken met zijn mes, waarna er een veulen en twee schapen zijn
overleden. Dit kunstje zou Hessel ook van zijn peetmoeder hebben geleerd. 100
        Op 27 mei kwam de 40-jarige boer Jacob Janszoon getuigen dat twee van zijn jonge
stieren afgelopen zomer waren gebeten door wolven. Beide dieren hadden de aanval
overleefd, maar ze waren zo erg toegetakeld dat Jacob hen had moeten afmaken. Hessel en
Elbert Volckens hadden vervolgens aan hem opgebiecht dat zij de beesten hadden gebeten

97
   S. van Leeuwen, Batavia Illustrata, 297.
98
   Ibidem, 297.
99
   Ibidem, 297.
100
    Ibidem, 298.


                                                                                         35
met hulp van de duivel. Jan Ottens, die vlakbij Volcken Dircxz en zijn kinderen woonde, zei
nooit iets gemerkt te hebben van toverkracht bij zijn buren. Wel had hij wolven in de richting
van „t Nieuweland zien lopen. Hij kende Elbert bovendien goed, omdat die twee zomers bij
hem had gewoond. Jan verklaarde dat de jongen zeer leugenachtig was. Adriaan Reyers
betuigde dezelfde dag nog dat bij hem een jonge koe en een jonge stier gebeten waren door
wolven. Beide dieren waren aan hun verwondingen gestorven. Hessel zou Adriaan hiervoor
om vergiffenis hebben gesmeekt. Ook Adriaan had de wolven op ‟t Nieuweland zien lopen,
richting het huis van Volcken. De andere aanwezigen hadden hierover tegen elkaar gezegd:
‘Dit moet Volcken met de sijne wesen’. Adriaan wist overigens niet of Volcken daadwerkelijk
kon toveren, maar kon wel bevestigen dat hij hiervan regelmatig beticht werd sinds zijn
vrouw Reyertgen geëxecuteerd was.101
        Op 5 juni 1595 onderging Volcken Dircxz de drijfproef in de Oudegracht te Utrecht.
Hij bleef hierbij soms drijven en ging soms onder. Een bekentenis liet nog op zich wachten tot
de volgende dag. Toen begon Volcken te bekennen, schijnbaar uit eigen beweging en zonder
dat er melding werd gemaakt van hervatte tortuur. Een paar jaar tevoren had zijn vrouw
Reyertgen geprobeerd hem tot de duivel te brengen. Volcken had dat toen geweigerd, maar
een jaar daarna was hij toch overstag gegaan. Tegen die tijd was zijn vrouw verbrand en
waren er een aantal van zijn beesten gestorven. Volcken zat waarschijnlijk diep in de put toen
de duivel langskwam en hem beloofde een einde aan al zijn gebrek te maken. Volcken had
hierna toegestemd om de duivel te dienen, waarop hij een zwart wambuis had ontvangen
waarmee hij zichzelf in een kat of wolf kon veranderen. Hij bekende dat hij vervolgens in de
gedaante van een kat op de bleek buiten Amersfoort had gedanst. Daar waren nog andere
„katten‟ bij, waaronder Hessel en een vrouw die bekend stond als de Rode Kater. Volcken zei
haar echte naam niet te kennen, maar Elbert had haar in zijn verhoor reeds benoemd als
Grietgen Segers.
        Op 13 juni probeerde Volcken de zaak nog enigszins te redden door te zeggen dat hij
het zwarte wambuis al een jaar geleden had verbrand. Hij ontkende nu de Rode Kater te
kennen. Ook de dochters van Willemtgen Stevensdochter kende hij niet (waar zij in deze zaak
betrokken zijn geraakt, is verder onduidelijk). Volcken zei dat hij „leetwesen ende berouw’
had en verzocht tevergeefs om gratie. Op 14 juni werd hij veroordeeld tot de vuurdood. Er
werd geen melding gemaakt van een voorafgaande wurging. Het vonnis werd ondertekend


101
   Van Leeuwen, Batavia Illustrata 298.

   Van Leeuwen vermeldde hier 14 juli, maar het vonnis zelf is gedateerd op 14 juni. Die laatste datum wordt
hier dus aangehouden.


                                                                                                               36
door de heren Loon, Canter, Radelant en van Sijll. Vlak voor zijn executie op 14 juni
denuncieerde hij nog Anthonis Corneliszoon Bulck, de zoon van Willemtgen Stevensdochter.
Hij zou als wolf aanwezig zijn geweest bij het opjagen en bijten van beesten.
        Op 24 juni werd Hendrickgen Volckens ondervraagd. Zonder dat er merkbaar
gebruik werd gemaakt van dwangmiddelen deed zij een uitgebreide bekentenis. Ze bekende
dat ze door haar peetmoeder, die hier niet bij name genoemd wordt, tot de duivel was
gebracht toen ze elf jaar was. De duivel, die in zwart fluweel gekleed ging en klauwen had in
plaats van handen, had Hendrickgen grote rijkdommen beloofd. Zij was hierop gezwicht en
was sindsdien zijn dienares. Twee jaar later was de duivel weer bij haar gekomen, zoals haar
peetmoeder al had aangekondigd. Hij had Hendrickgen toen een riempje van groen papier
gegeven waarmee ze kwaad zou kunnen doen. Ook had hij haar een riem van leer en haar
gegeven waardoor ze in een wolf kon veranderen. Dat zou ze twee maal gedaan hebben om
met de anderen beesten te bijten. Ze herinnerde zich in ieder geval de beesten van Adriaan
Reyers en Jacob Janszoon gebeten te hebben.
        Hendrickgen had ook nog een veulen betoverd met behulp van wat gras of hooi. Kort
voor het proces had ze nog een door haar betoverde vrouw weer gezegend en een melkkoe
doodgetoverd. Ze bekende voorts zes maal als kat gedanst te hebben met haar vader, Marie
Barten, de vrouw van Arent Hessels op Selders, de vrouw van Jacob Hammen, Cornelis Bulck
met zijn zoon Anthonis, en de Rode Kater. Hendrickgens broertjes waren er niet altijd bij.
Ongeveer een jaar geleden had ze met behulp van wat gras een hagelbui ontketend. De duivel
fluisterde haar hierbij de bezwering in: ‘Latet hagelen dat het barst, konde ik den grote man
mede dood hagelen, ik en soud niet laten’.102
        In haar bekentenis had Hendrickgen een aantal mensen gedenuncieerd. Het gerecht
bracht de huisvrouwen van Jacob Hammen en Arent Hessels bij Hendrickgen, alsmede Anna
Willem Snellen en Anna Barents. Geheel in lijn met haar denunciatie zei Hendrickgen de
laatste twee niet te kennen, maar de anderen wel. Zij bleef volhouden dat die twee vrouwen
tot drie maal in de gedaante van een kat met haar op de bleek hadden gedanst. De vrouwen
ontkenden dit. Elbert en Gijsbert Volckens werden erbij gehaald en zeiden dat de vrouwen
inderdaad nooit aanwezig waren geweest bij een dans. Hendrickgens denunciaties hielden dus
geen stand. Hierop zei zij dat de duivel haar ertoe had gezet. Haar beschuldiging van de Rode
Kater hield ze echter wel vol. Hessel bevestigde deze denunciatie, hij zei ‘dat den quade sat



    Ook hier vermeldde van Leeuwen juli. Er zijn geen archiefstukken om zijn ongelijk te bewijzen, maar
aangezien het volgende verhoor dateert van 26 juni, lijkt het me aannemelijk dat van Leeuwen zich vergist heeft.
102
    Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 300.


                                                                                                             37
onder de armen van den rooden kater, in de gedaante van een ratte’. Hendrickgen zei dat ze
de duivel ook achterop de koets van de Rode Kater had zien zitten, gekleed in zwart fluweel
en met een zwarte hoed op het hoofd. 103 Grietgen Segers werd hierop blijkbaar gearresteerd.
Arend van Buchell vermeldt in zijn dagboek op 8 juli dat er „onlangs‟ [nuper] een toveres met
de bijnaam de Rode Kater is gestorven in de gevangenis. Terwijl het Hof haar tortuur
voorbereidde, kwam de dood tussenbeide [mortua inventa est] en brak Grietgen Segers de
hals.104 Dit zou goed kunnen betekenen dat ze zelfmoord had gepleegd.
           Op 1 juli bevestigde Hendrickgen haar bekentenis nog eens. Ze voegde er aan toe dat
ze Anthonis Bulck boter had zien karnen in een sloot, toen ze riet was gaan snijden met haar
vader. Anthonis werd bij het verhoor gebracht en ontkende het voorval; hij had enkel in de
deuropening gestaan toen de twee langskwamen. Hessel werd erbij gehaald en hij
beschuldigde Anthonis ervan met hem op de bleek te hebben gedanst. Anthonis bleef
ontkennen. Hessel bleef op zijn beurt echter volhouden, zodat Anthonis tot scherpere
examinatie veroordeeld werd. Zelfs na twee keer aan de palei opgehaald te zijn, waarbij hij de
laatste keer gegeseld werd, bleef Anthonis echter ontkennen.
           Op 3 juli werden de jongste zonen van Volcken Dircxz verhoord. Dirck was acht,
Gijsbert moet één of twee jaar ouder geweest zijn. Dirck bekende dat zijn vader hem ongeveer
een jaar tevoren had leren toveren. Hij had ook als wolf meegelopen en geholpen de prooien
op te drijven. Ook had de jongen kort tevoren met behulp van wat gras van de duivel een koe
van Adriaan Reyers betoverd. De bekentenis van Gijsbert was ongeveer hetzelfde. Hij
benadrukte dat hij geen beesten gebeten had toen hij een wolf was, dat deden zijn vader en
Anthonis. Wel had hij met Dirck en zijn oudere broers gedanst in de gedaante van een kat.
           Dezelfde dag nog werd Anthonis Bulck wederom verhoord. Het Hof vroeg hem naar
zijn vader, die ook zou kunnen toveren. Hij zei niet te weten waar zijn vader was, die had niet
gezegd waar hij heen ging. Hierna bedreigde het Hof Anthonis met tortuur. De herinnering
aan de pijniging op 1 juli was voldoende om hem te doen bekennen. Hij bevestigde dat zijn
vader kon toveren. Hij was degene die Anthonis zelf tot de duivel had gebracht, ongeveer
anderhalf jaar geleden. Hij had sindsdien twee maal als wolf beesten opgedreven en twee
maal als kat gedanst. Ook bevestigde Anthonis dat hij boter uit een sloot had gekarnd, op
bevel van zijn vader. Een jaar geleden zou hij de duivel echter al weer afgezworen hebben, op
advies van een pastoor. Toen het Hof de betreffende pastoor ondervroeg, bleek die van niets
te weten. Anthonis hield echter vol.

103
      Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 301.
104
      Diarium van Arend van Buchell, 391.


                                                                                            38
Op 10 juli werd Marie Barten voor het Hof geroepen, nadat zij was gedenuncieerd door
Hendrickgen, Hessel, Dirck en Anthonis Bulck. Marie was tussen de vijftig en zestig jaar oud
en woonde het Hoogland buiten Amersfoort, waar het gezin van wijlen Volcken Dircxz ook
woonde. Marie ontkende dat ze kon toveren en dat ze op de bleek had gedanst in de gedaante
van een kat. Hendrickgen, Hessel en Anthonis werden bij het verhoor gebracht en bevestigden
hun eerdere denunciatie. Hierop werd Marie Barten gemarteld aan de palei en ‘een weynig
opgehaelt zynde’ bekende ze dat ze één maal als kat met Volckens kinderen op de bleek
gedanst had.105 Toen ze werd neergelaten en opnieuw opgehaald werd, bekende ze ‘dat zij den
boosen vijant gehoor gegeven ende geconsenteert heeft mit hem te gaen speelen, ende
dienvolgende tot drie verscheijden reijsen mitten selven boosen vijant (gecleet zijnde in het
witte) gegaen is opte bleijcke buyten Amersfoort, alwaer verscheijden personen vergadert zijn
geweest ende als catten gedanst hebben’106.
        Op 11 juli probeerde Marie haar bekentenis af te zwakken door te zeggen dat zij wel
op de bleek gedanst heeft, maar niet in de gedaante van een kat. Ze zei hierbij ook dat ze de
duivel inmiddels al weer verlaten had en dat ze nooit een trou van hem gekregen had. Het Hof
besloot Marie te geselen, maar ze bekende verder niets meer. Een week later herriep Anthonis
Bulck zijn bekentenis volledig. Hij hield zijn onschuld vol, ook toen hij op de pijnbank gelegd
werd. Diezelfde dag ontkende Marie dat ze de duivel had gediend. Ze had alleen maar met
hem gespeeld en gedanst.107
        Op 21 juli werd Anthonis Both voor de vierde maal gepijnigd. Pas nadat hij lang aan
de palei had gehangen, bekende hij opnieuw zijn schuld. Dit maal bleef hij bij zijn
bekentenis.108 Hij werd schuldig bevonden aan het sluiten van een verbond met de duivel en
alles wat daaruit voortvloeide – het lopen als een wolf, het bijten van vee, het karnen van
boter uit slootwater en het dansen als een kat. Op 27 juli werd Anthonis geëxecuteerd op de
brandstapel.109
        Marie Barten werd opnieuw gemarteld op 29 juli. Ze werd aan de palei opgehaald en
gegeseld met roeden, maar ze wilde niets anders bekennen dan dat de duivel haar een rok had
beloofd in ruil voor haar diensten. Die rok had ze echter nooit gekregen. Ze bleef ontkennen
ooit iemand betoverd te hebben.110 Haar dienstbaarheid aan de duivel was in de ogen van het
Hof echter „een afgrijselicke ende abominabele saecke’ en vormde voldoende reden om Marie

105
    Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 302.
106
    NA, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.
107
    Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 303.
108
    Ibidem, 303.
109
    HUA, T16 – criminele sententies Hof van Utrecht, inventarisnummer 1075.
110
    Van Leeuwen, Batavia Illustrata, 304.


                                                                                            39
Barten op 1 augustus 1595 tot de brandstapel te veroordelen. Van een voorafgaande wurging
wordt ook in dit geval geen melding gemaakt. Op dezelfde dag werd Hendrickgen op de
brandstapel gebracht, want ook zij had immers bekend de duivel te hebben gediend. 111 Dirck,
Gijsbert, Elbert en Hessel moesten toekijken hoe hun zus en Marie Barten brandden. Het Hof
had besloten dat de broers, ‘regart nemende op de groote jonckheyt’, na het bijwonen van de
executie tot bloedens toe gegeseld moesten worden. Hierna werden ze tot nader order weer in
de gevangenis opgesloten. De rechters hoopten dat de jongens zich op deze manier zouden
beteren. De vonnissen van 1 augustus werden ondertekend door de heren Brouxelles, Canter,
Radelant, Wijnhoff, Sijll, Ruysch en Wede, allen lid van de raad van het Hof van Utrecht. 112
Dit was het laatste doodvonnis wegens schadelijke toverij van de hand van het Hof. Het
stadsgerecht van Amersfoort was in de nazomer van 1595 echter ook nog verwikkeld in een
toverijproces.

1595 – Grietgen en Adriana
Grietgen Willems was afkomstig uit Jemmingen in Oost-Friesland, maar woonde in 1595 al
enige tijd in Amersfoort. Haar vijftienjarige dochter Adriana Jacobs raakte in augustus van dat
jaar verwikkeld in een straatruzie met Marritgen, de weduwe van Evert Claesz. Deze
beschuldigde Adriana en haar moeder van toverij. Een paar weken daarvoor was Marritgen bij
hen uitgenodigd geweest om te komen spinnen en had toen haring te eten gekregen. Toen ze
daarna ziek was geworden, had ze Grietgen gevraagd haar te zegenen om zo de ziekte op te
heffen. De ruzie was ontstaan omdat Marritgen tegen Adriana had gezegd dat ze ontevreden
was over het resultaat van de zegening. Ze had gevraagd of Grietgen haar nog eens kon
komen zegenen, waarop Adriana had gezegd dat haar moeder dat dan wel zo zou doen dat
Marritgen het niet licht zou vergeten. Hierna waren Adriana en Marritgen slaags geraakt.113
        Het stadsgerecht van Amersfoort besloot dat Grietgen en Adriana verhoord moesten
worden naar aanleiding van de ruzie. De verklaringen van buren droegen ertoe bij dat moeder
en dochter officieel werden beschuldigd van toverij. De buren betuigden namelijk dat enkele
kinderen die met Grietgen en haar dochter te maken hadden gehad, kort na het contact waren
gestorven. Er waren echter ook buren die hadden gehoord hoe Grietgen een bijbelpassage
citeerde en die meenden dat zij een goed christen was. Bij het officiële verhoor van Adriana
op 30 augustus bekende zij echter prompt alles wat haar ondervragers wilden weten. Haar
moeder had haar twee jaar tevoren tot de ‘bose vyant’ gebracht door haar uit te hongeren en te
111
    NA, 3.03.01.01 – Hof van Holland, inventarisnummer 6110.
112
    HUA, T16 – criminele sententies Hof van Utrecht, inventarisnummer 1080.
113
    HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7.


                                                                                              40
slaan. De duivel had hen overvloed beloofd in ruil voor hun diensten. Dat was een verleidelijk
aanbod, want ze hadden het niet breed; de man van het huishouden, Jacob Claesz, lijkt niet in
staat te zijn geweest de kost te verdienen.114
        Adriana bekende vervolgens dat zij steeds ‟s maandags met de duivel had geboeleerd
en dat hij op donderdag haar moeder bezocht. Voorts hadden ze beiden op straat gedanst in de
gedaante van katten, nadat de duivel iets onder hun voeten had gesmeerd. Met deze
uitgebreide bekentenis bracht Adriana haar moeder in een zeer lastig parket: ze had het
gerecht van Amersfoort er namelijk van overtuigd dat zij en haar moeder in contact stonden
met de duivel en dat ze geregeld kinderen hadden betoverd. Adriana‟s bekentenis werd
vastgelegd in een aantal zeer vooropgezette vragen, die later nog eens bevestigd moesten
worden. Ze denuncieerde behalve haar moeder nog vele anderen: Willemtgen Stevensdochter,
Anthonis Bulck, Grietgen Segers en haar dochter Swaen, Marie Barten, Geertruy Damen en
Jannitgen Pots. Met uitzondering van Swaen, Jannitgen en Adriana‟s moeder waren alle
medeplichtigen reeds berecht.115
        Grietgen Willems had niets van het verhaal van haar dochter bevestigd en bleef
ontkennen. Het gerecht was niet tevreden met dit resultaat en besloot tot scherpere
examinatie. Hierop herhaalde Adriana haar eerdere bekentenis en smeekte haar moeder
hetzelfde te doen, maar deze weigerde. Dit was voor het gerecht voldoende reden om bij
Grietgen tot tortuur over te gaan. Ze werd gepijnigd, ‘staende op de laer’, en bevestigde
uiteindelijk alles wat Adriana reeds bekend had. Ze bevestigde dat ze haar dochter tot de
duivel gebracht had omdat hij hen overvloed zou brengen. Ze bekende dat ze „rattekruid‟ van
de duivel had ontvangen om daarmee mensen kwaad te doen. De slachtoffers van haar
betoveringen waren Marritgen, het kind van Marritgen Elbers en de kinderen van Evert de
schoenlapper. Die laatste had zij betoverde appels gegeven. Beide kinderen waren hier ernstig
ziek van geworden en één van hen was gestorven. Ook bevestigde Grietgen dat zij net als haar
dochter met de duivel geboeleerd had en dat ze in de gedaante van een kat op straat had
gedanst.116
        Tijdens de tortuur bekende Grietgen zelfs nog meer, namelijk dat ze mensen die zich
betoverd waanden had verteld hoe men toverij kon ontdekken. Men moest een nieuwe pot
nemen, ‘daer inne doende ’t water van de betoverde persoon, scraepsel van nagelen, hayr van

114
    HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7.
115
    Ibidem, fiche 7.

  Ik heb er nergens een bevestiging van kunnen vinden, maar ik neem aan dat de laer of ladder net als de palei
een soort verticaal rek-instrument was.
116
    HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7.


                                                                                                             41
’t hooft, drie hartgens van voegeltjens seecker naelden ende spelden ende al samen coopt
                                                                                      117
[kookt] dat men bij sich selven seggen sal, dit coop [kook] ick in duvels naem’.            Op 11
september 1595 werd Grietgen Willems door het gerecht veroordeeld tot verbranding na
wurging. Adriana had gedacht haar moeder te redden met haar bekentenis, maar ze had de
situatie hiermee waarschijnlijk alleen maar erger gemaakt. Grietgen besefte dit terdege.
Tijdens haar verhoor had zij verzucht: ‘hadde ick dat kynt noyt ter werelt gebrocht’.118
        De andere nog levende volwassenen die Adriana beticht had waren Swaen Segers en
Jannitgen Pots. Swaen Segers was nog nooit eerder beschuldigd van toverij. Het is niet
bekend of het gerecht van Amersfoort deze betichting serieus in behandeling heeft genomen.
Jannitgen Pots had echter al wel een reputatie opgebouwd. In de winter van 1593 op 1594
hadden tien getuigen voor het stadsgerecht van Amersfoort reeds bevestigd dat Jannitgen de
naam had te kunnen toveren. Niemand had echter op concrete schade kunnen wijzen,
waardoor het gerecht af had gezien van vervolging. In november 1594 kwam Jannitgen zelf
klagen dat ze op straat openlijk werd uitgescholden voor toveres. Er werd pas eind 1595
daadwerkelijk een procedure aangespannen tegen Jannitgen, omdat haar naam toen genoemd
was door Adriana.119 In oktober werd Jannitgen zelf verhoord. In één van de vragen werd
vermeld dat zij een advocaat had, Daniël van Weede. Hiervan is in alle andere
toverijprocessen geen melding gemaakt. Het is overigens niet duidelijk hoe het proces van
Jannitgen is geëindigd.120

Analyse
Toen Grietgen Willems wenste dat ze haar dochter nooit op de wereld had gezet, verwoordde
ze wat Reyertgen en Volcken Dircxz ook gedacht moeten hebben. Er valt in de Utrechtse
procesreeks namelijk een duidelijk patroon te ontdekken van minderjarigen die hun ouders of
andere volwassenen van toverij beschuldigden. Ten eerste is daar de vijftienjarige Maria
Volckens, die bekende dat haar moeder, tante en grootmoeder haar tot de duivel hadden
gebracht. Vier jaar later beschuldigden haar zusje en broertjes hun vader, Volcken Dircxz. In
datzelfde jaar denuncieerde de eveneens vijftienjarige Adriana Jacobs een groot aantal
volwassenen, waar van alleen haar eigen moeder, Swaen Segers en Jannitgen Pots niet reeds
berecht waren. Het zijn kortom telkens de kinderen die de bekentenis doen en in de meeste
gevallen de volwassenen die de prijs betalen. Alleen de zeventienjarige Hendrickgen kwam

117
    HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7.
118
    Ibidem, fiche 7.
119
    Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 33-35.
120
    Ibidem, 41.


                                                                                               42
43
zelf op de brandstapel. Het denunciatieschema op bladzijde 43 kan deze constatering
verduidelijken.
        Voor alle hier behandelde gevallen geldt dat een zegening de eerste aanleiding was tot
het proces of de procesreeks. Soms dienden de betrokkenen zelf een klacht in bij de
rechtbank, in bovenstaande gevallen dus bij het stadsgerecht van Amersfoort of het Hof van
Utrecht. In andere gevallen trok het gerecht eigen conclusies uit geruchten over zegeningen,
zoals in het geval van Willemtgen Stevensdochter. In het geval van Grietgen en Adriana
waren de geruchten uitgelopen op een straatruzie die de aandacht van het gerecht had
getrokken. Hierna ging de betreffende rechtbank over tot een vooronderzoek om informatie
over de betrokken personen in te winnen. Dit resulteerde meestal in het verhoor van één of
meer mensen.
        De eerste vrijwillige bekentenis kwam altijd van een minderjarige; Maria, Elbert en
Adriana. Bij Maria en nog meer bij Adriana is er duidelijk de wens om door middel van de
bekentenis erger te voorkomen. Adriana probeerde persoonlijk haar moeder te overtuigen om
te bekennen, in de hoop dat het gerecht zich clement zou betonen. Bij Elbert is dit niet het
geval; de redenen voor zijn vrijwillige bekentenis blijven raadselachtig. Vermoedelijk voelde
de jongen zich geïntimideerd door het Hof. Ook bij Maria en Adriana zal intimdatie een rol
hebben gespeeld. Elbert lijkt echter oprecht overtuigd te zijn geweest van zijn toverkracht.
Dat kan ook afgeleid worden uit het feit dat hij aan Adriaan Reyers zijn excuses had
aangeboden voor het bijten van diens vee, voordat er ook maar sprake was van een verhoor.
Elbert geloofde wellicht echt dat hij in een wolf kon veranderen. Aan de andere kant stond hij
ook bekend als leugenachtig en had Hessel gezegd dat hij en zijn broertje maar wat aan het
opscheppen waren. De bevestigingen van Adriaan Reyers en andere buren over hun gebeten
vee hadden het Hof toen al doen besluiten dat Elberts bekentenis klopte.
        Wanneer de beschuldigde volwassenen geconfronteerd werden met een beschuldiging
van toverij, gingen zij nooit direct overstag. Alle meerderjarige personen in de hier
behandelde procesreeks bekenden pas na (herhaaldelijke) tortuur. Willemtgen Stevensdochter
werd drie keer gepijnigd, de vergeetachtige Geertruy Damen twee keer, Volcken Dircxz één
keer, Marie Barten drie keer, Anthonis Cornelisz Bulck vier keer en Grietgen Willems één
keer.
        Het is eenvoudig te verklaren waarom de respectievelijke rechtbanken zo op een
bekentenis gebrand waren. Ze hadden die namelijk nodig om een doodvonnis te mogen
vellen. Het was in de zestiende eeuw dan ook absoluut geen uitzondering dat tortuur werd
toegepast om de benodigde bekentenis te verkrijgen. Dat was in alle criminele zaken


                                                                                           44
geoorloofd, niet alleen in toverijprocessen. Er waren echter wel regels voor het gebruik van
tortuur. Die regels lijken in de periode van 1590 tot 1595 niet altijd in acht te zijn genomen
door de betrokken rechtbanken.
           Joke Spaans gaat er in haar artikel „toversters voor het gerecht‟ van uit dat het werk
„Praxis Rerum Criminalium‟ van Joost de Damhouder van doorslaggevende invloed was op
                                                                       121
de manier van procederen van het Amersfoortse gerecht.                       Dit werk was voor het eerst
verschenen in Leuven in 1554, maar genoot tot ver in de zeventiende eeuw populariteit in de
hele Nederlanden. Wat de tortuur betrof schreef De Damhouder voor dat die alleen toegepast
mocht worden wanneer er al voldoende verklaringen waren om de misdaad als zo goed als
bewezen te beschouwen. De tortuur kon dan worden gebruikt om de bekentenis te verkrijgen
die het bewijs sluitend maakte. Deze regel lijkt in alle bovenstaande processen in acht te zijn
genomen. Ofwel het vooronderzoek ofwel de bekentenis van een ander vormde telkens
voldoende grond om de verdachte te pijnigen. De Damhouder schreef verder voor dat de
tortuur het lichaam niet mocht verminken, dat er geen suggestieve vragen gesteld mochten
worden en dat niemand voor de tweede maal gepijnigd mocht worden. De enige uitzondering
vormde het geval waarin er na de eerste tortuur nieuw bewijs tegen de verdachte werd
aangebracht. Een drijfproef kon dit bewijs ook leveren, zoals bij Willemtgen Stevensdochter
en Geertruy Damen het geval was.
           Wat dit betreft lijkt in ieder geval het gerecht van Amersfoort zich aan de regels te
hebben gehouden. In 1591 handelden de rechtsprekenden van Amersfoort correct – voor
zover na te gaan is aan de hand van het incomplete archiefmateriaal. In de verhoren van
Maria, Reyertgen en Neel wordt geen melding gemaakt van tortuur. Ook in 1593 hielden de
Amersfoortse rechters zich aan de regels. Geertruy Damen werd pas na haar drijfproef
opnieuw gepijnigd. Grietgen Willems werd één maal gepijnigd. In haar verhoor werden de
regels wél overtreden. Er werden namelijk zeer suggestieve, vooropgestelde vragen gesteld.
Een goed voorbeeld hiervan is de volgende vraag: ‘waerom sy altyd op donredaechs haer
man uyten huys quyt wilde wesen off nyet daer om dat die viant alsdan mit haer boeleerde’.122
Het antwoord op deze vraag is overigens niet genoteerd.
           Spaans‟ constatering dat de rechtsprekenden zich veelal aan de „Praxis Rerum
Criminalium‟ is wat betreft het stadsgerecht van Amersfoort gerechtvaardigd. Of dat voor het
Hof van Utrecht ook het geval was, is minder zeker. Het gebruik van tortuur was daar
blijkbaar minder strikt gereguleerd. Willemtgen Stevensdochter werd na haar drijfproef nog

121
      Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 33.
122
      HUA 642 – stadsgerecht Amersfoort, inventarisnummer 407-8, fiche 7.


                                                                                                     45
twee keer aan tortuur onderworpen. Tussen deze twee keren was geen nieuw bewijs
aangedragen. Marie Barten werd drie keer gepijnigd om de gewenste bekentenis te verkrijgen.
Die had ze namelijk tijdens de eerste tortuur gedaan, maar later weer ingetrokken. Bij de
tweede en derde tortuur bekende ze wel dat ze een pact met de duivel had gesloten, maar ze
bleef ontkennen dat ze kon toveren. Anthonis doorstond de eerste tortuur zonder iets te
bekennen. Na de tweede tortuur deed hij wel een bekentenis, maar die herriep hij de volgende
dag. De derde tortuur had niet het gewenste effect en pas de vierde pijniging deed Anthonis
weer bekennen. Dit keer bleef hij bij zijn bekentenis.
        De Utrechtse rechtsprekenden hielden zich duidelijk niet aan de regels van De
Damhouder. Hiermee waren ze niet in overtreding, omdat de „Praxis Rerum Criminalium‟ een
populair, maar geen verplicht werk was. Aangezien het Utrechtse Hof in 1530 gecreëerd was
door keizer Karel V, is het aannemelijker dat het zich hield aan de Habsburgse Criminele
Ordonnantiën. Die werden ingevoerd in 1570 en in alle gewesten van de Nederlanden met
meer of minder enthousiasme toegepast. Ook na de pacificatie van Gent in 1576 bleven de
beginselen van Nederlands eerste strafrechtcodificatie bestaan. 123
        De Criminele Ordonnantiën moedigden het gebruik van tortuur niet direct aan maar
waren vaag over het tot spreken brengen van een verdachte. Wel werd er vermeld dat het
achterhalen van de waarheid tegen elke prijs moest geschieden. Hierdoor ontstond ruimte
voor vrije interpretatie en werd de toepassing van tortuur niet aan specifieke regels gebonden.
De Criminele Ordonnantiën onderstreepten alleen dat de tortuur niet hervat mocht worden,
wanneer de verdachte die had doorstaan zonder een bekentenis te doen. Net als bij De
Damhouder vormde de aanvoer van nieuw bewijs een uitzondering op deze regel.124
        In 1583 werd door de Staten van Utrecht een nieuwe ‘Ordonnantie op de styl ende
manieren van procederen’ uitgevaardigd. Deze gold vanaf toen officieel voor het Hof van
Utrecht en overstemde dus de vanaf 1576 nog impliciet geldende Criminele Ordonnantiën.
Wat betreft de eerste toepassing van de tortuur week deze Ordonnantie niet af van de
Criminele Ordonnantiën en de „Praxis Rerum Criminalium‟. Het tiende artikel van de nieuwe
Ordonnantie stond echter wél toe dat een verdachte opnieuw gepijnigd werd, ‘ten ware het
Hof bevonde uyt eenige merckelycke consideratiën dat hy meer getortureerd behoorde te
worden’. De noodzaak om met nieuw bewijs aan te tonen dat voortzetting van de tortuur
gerechtvaardigd was, viel hiermee weg. De Utrechtse rechters hadden de voor hen geldende


123
    M. van de Vrugt, De criminele ordonnantiën van 1570. Enkele beschouwingen over de eerste
strafrechtcodificatie van de Nederlanden (Zutphen 1978) 112.
124
    Ibidem, 140-141.


                                                                                               46
regels dus niet overtreden toen zij Willemtgen Stevensdochter, Marie Barten en Anthonis
Bulck meerdere malen pijnigden. Door artikel tien waren er immers geen grenzen meer aan de
middelen waarop een bekentenis mocht worden verkregen.125
           Wat betreft de inhoud van de bekentenis valt in de bovenstaande gevallen op dat het
contact met de duivel veelvuldig aan de orde komt. Geertruy Damen beschreef hem
simpelweg als een oude man. Ze gaf toe meerdere keren met hem geboeleerd te hebben. De
bekentenis van Willemtgen Stevensdochter had ongeveer dezelfde strekking. Volcken en
Anthonis bekende alleen dat zij de duivel hadden gediend. Bij Marie Barten was de duivel in
het wit gekleed. Het komt mij nogal vreemd voor dat de belichaming van het kwaad de kleur
van de onschuld zou hebben gedragen. De rechters leken hier echter geen vraagtekens bij te
plaatsen.
           Ook de verdachten die niet gepijnigd werden hadden het uitvoerig over „de boze
vijand‟, zoals de duivel toen werd genoemd. Maria Volckens beschreef hem als een lelijke,
oude man, die onder zijn kleren zwart en koud was. Ze zei letterlijk met hem „getrout‟ te zijn
en had regelmatig met hem geboeleerd. Adriana vertelde een soortgelijk verhaal Bij Elbert
was de duivel in het rood gekleed en had hij een veer op zijn hoed. Bovendien had hij de
achterpoten van een wolf in plaats van de benen van een mens. Hendrickgen verklaarde echter
dat de duivel juist klauwen in plaats van zijn handen had. Deze discrepantie leek het Hof in
het geheel niet te verontrusten.
           Het pact met de duivel is in alle hier behandelde gevallen persoonlijk en expliciet van
aard. De duivel was gekomen op het moment dat zijn „slachtoffer‟ diep in de put zat, veelal
vanwege materiële zaken zoals geldgebrek en honger. Bij Willemtgen ging het om meer
immateriële ellende: de gevangenschap van haar echtgenoot (al zal die ongetwijfeld ook
materiële problemen hebben veroorzaakt). Na de eerste kennismaking van duivel met
slachtoffer was er een letterlijke overeenkomst van dienstbaarheid geweest. In de meeste
gevallen kreeg de dienaar daarna een symbool van zijn of haar trouw aan de duivel. Dit
symbool nam zeer uiteenlopende vormen aan en was vaak ook een tovermiddel op zich: een
stuk zwart krijt, een muntje, een lapje stof, een paar spelden, een wambuis, een haren riem of
rattekruid. De ontvangst van deze trou is niet het enige dat de bovenstaande gevallen met
elkaar gemeen hadden. De meeste beschuldigden hadden elkaar meerdere malen ontmoet
tijdens een zogenaamde dans op het bleekveld buiten Amersfoort. Deze dans had ‟s nachts
plaats en de aanwezigen waren allemaal veranderd in katten.


125
      Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 53-54.


                                                                                               47
De bijeenkomst van toveressen of de „sabbat‟ is een element dat voornamelijk voorkomt in de
demonologische literatuur. In de ‘Malleus Maleficarum’ waren de ideeën over de nachtelijke
sabbat duidelijk uiteengezet. De toveressen vlogen er naar toe op katten, bezemstelen of
demonen. De vlucht kon vele honderden kilometers lang zijn. Eenmaal ter plaatse verenigden
de toveressen zich in een dans en soms in een orgie.126 Daarbij konden ook demonen
aanwezig zijn. In de Utrechtse processen was het idee van de bijeenkomst meer bescheiden.
Er werden geen honderden kilometers afgelegd in één nacht. Er werd vooral gedanst op de
bleek buiten Amersfoort en een enkele keer op de Kruisstraat te Utrecht (door Grietgen en
Adriana). Ook werd er in deze context niet gesproken over vliegen. Dat gebeurde wel in de
bekentenissen van Elbert en Hessel Volckens, die in de gedaante van een wolf met de duivel
waren meegevlogen om ergens in een weiland vee te bijten. Er werd niet gesproken over de
aanwezigheid van demonen bij de bijeenkomst. Alleen de duivel zelf was soms aanwezig bij
de dans, eveneens in de gedaante van een kat.
           Afgezwakt of niet, de aanwezigheid van bovenstaande demonologische elementen is
uitzonderlijk voor een toverijproces in de Noordelijke Nederlanden. Doordat Utrecht een
uitzondering leek te vormen, is door eerdere auteurs al gesuggereerd dat de rechtsprekenden
in die provincie op de een of andere manier vatbaarder waren voor demonologische
voorstellingen. In het volgende hoofdstuk zal ik onderzoeken hoe terecht deze suggestie is.




126
      Behringer, Witches and witch-hunts, 73-74.


                                                                                              48
Verklaringen
In het laatste deel van dit onderzoek zal ik proberen één of meerdere verklaringen te geven
voor het late tijdstip en de heftigheid van de Utrechtse toverijprocessen in de periode 1590-
1595. Met het social-crisis model in gedachten zal ik kijken naar de toestand waarin de
provincie Utrecht in die jaren verkeerde. Dit verklaringsmodel behelst dat een samenleving
die in een crisis verkeert zondebokken zal gaan zoeken. De betreffende samenleving hoopt op
deze manier iets aan de crisis te kunnen doen - door een zondebok aan te pakken, dachten de
mensen hun lot weer in eigen handen te kunnen nemen.127 Allereerst zal het onderzoek zich
echter richten op de meest gegeven verklaring voor een plotselinge intensivering – een
verandering in de houding van de rechtsprekenden.

De rechtsprekenden
Janny Steenhuis impliceert in haar artikel over de Utrechtse toverijprocessen dat de
raadslieden van het Hof van Utrecht grote persoonlijke invloed hadden op de
toverijvervolgingen aldaar. Vooral Dirk Canter moet het bij haar ontgelden – hij werd door
Van Buchell in diens dagboek beschreven als eigenzinnig, lichtgeraakt en nagenoeg
onhandelbaar. In augustus 1595 zou bovendien door Van Leedenberg, lid van de Staten van
Utrecht, geschreven zijn dat Canter een ‘harde styl van spreecken’ had. Volgens Steenhuis
wijst alles er op dat Canter geen prettig persoon was. Dat kan wellicht zo zijn, maar mijns
inziens gaat zij hierin iets te ver. Door te schrijven dat ze graag een kijkje in Canters
boekenkast zou nemen, suggereert ze namelijk dat daarin werken van demonologische aard
zouden kunnen staan.128
        Dat laatste lijkt echter zeer onwaarschijnlijk – de demonologische werken die toverij
de aspecten toekennen die hier boven aan bod zijn gekomen, waren katholiek. Het was
uitgesloten dat rechters in de Republiek vrijelijk konden laten blijken dat ze beïnvloed waren
door katholieke denkbeelden. In 1580 was er immers een verbod uitgevaardigd op het
beoefenen van de katholieke godsdienst.129 Hier komt nog bij dat Dirk Canter zich later een
fervent contraremonstrant zou betonen. Hij was dus aanhanger van een strikte navolging van
de predestinatieleer. De contraremonstranten geloofden kort gezegd dat de mens werkelijk
niets kon doen om zijn eigen lot te beïnvloeden – iets wat haaks staat op het katholieke idee



127
    Behringer, Witches and witch-hunts, 104.
128
    Steenhuis, “In een quaad geruchte van toverye”, 53.
129
    Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 32.


                                                                                           49
van zaligheid door goede werken.130 Iemand die zo fel gekant was tegen het katholicisme, zal
zijn informatie over toverij niet in de gangbare demonologieën hebben gezocht, maar eerder
in juridische werken als de ‘Praxis rerum criminalium’. Dirk Canters „boekenkast‟ is
waarschijnlijk wel de laatste plek waar je demonologische invloeden zou moeten zoeken.
        Begin 1610 raakte Canter betrokken bij een contraremonstrantse coup in het Utrechtse
stadsbestuur. De coup slaagde en op 25 januari datzelfde jaar werd het nieuwe, volledig
contraremonstrantse bestuur geïnstalleerd, met Dirk Canter als burgemeester. Maurits van
Oranje had zijn zegen aan de het nieuwe bestuur gegeven. Een paar maanden later bleek
echter dat het lang niet naar ieders tevredenheid functioneerde. Om de vrede in Utrecht te
bewaren besloten de Staten-Generaal dat de meeste contraremonstrantse bestuurders
ontslagen zouden worden. In oktober 1610 werd Dirk Canter verbannen. Hij verbleef tot zijn
dood in 1616 in Leeuwarden. Er werden in november 1611 nog twee andere raadslieden
ontslagen die betrokken waren geweest bij de toverijprocessen in 1593 en 1595. Willem
Radelant en Peter van Leeuwen                    hadden zich namelijk ook ingezet voor de
contraremonstrantse zaak. 131
        Niet alleen de persoonlijke overtuigingen van de rechters, maar ook hun data van
aanstelling doen vermoeden dat zij geen doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de
intensivering van de toverijvervolging vanaf 1591. De meeste raadsleden dienden namelijk al
langere tijd132:


Naam                          Aanstelling                 Defunctie
Caspar van Brouxelles         28 november 1567            8 oktober 1595
Willem Radelant               4 oktober 1580              29 mei 1611
Anthonis van Loon             20 oktober 1580             1606 (†)
Peter Ruysch                  8 oktober 1580              16 april 1595 (†)
Dirck Canter                  17 oktober 1581             Oktober 1610
Herman Wijnhoff               27 augustus 1586            Onbekend
Peter van Leeuwen
                              27 september 1589           29 mei 1611
Henrick van Sijll             4 april 1592                Onbekend


130
    J.S. Pollmann, Een andere weg naar God: de reformatie van Arnoldus Buchelius (1565-1641) (Amsterdam
2000) 155.
131
    Ibidem, 156-157.
132
    F. Doeleman, „Inleiding‟ in: HUA T1 – civiele rechtszaken, Hof van Utrecht (Utrecht 1980) 5-24, aldaar 15-
23. (geldt voor alle data van functioneren, zoals in de tabel gepresenteerd).


                                                                                                            50
Hugo Ruysch                  8 juli 1595                 1609
Daniël van Weede             8 juli 1595                 1622


Er kan bij het Hof van Utrecht dus geen sprake zijn geweest van een veranderende mentaliteit
van de rechtsprekenden door de komst van nieuwe raadsleden. De meeste leden van de raad
waren al lang voor het eerste proces in 1591 aangesteld. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat
degenen die zich sinds hun aanstelling in 1580 ruim tien jaar rustig hebben gehouden op dit
gebied, ineens vanuit een veranderde persoonlijke opvatting tot intensievere toverijvervolging
over zouden gaan. Omgekeerd waren degenen die werden aangesteld op 8 juli 1595 te laat om
nog significante invloed uit te oefenen op het verloop van het proces van Volcken Dircxz en
de anderen, dat toen reeds in volle gang was. Daniël van Weede was bovendien eerder in
1595 juist verdediger van een toveres geweest: hij was de advocaat van Jannitgen Pots.133
         De enige aanstellingsdata waar een vraagteken bij geplaatst kan worden, zijn die van
Peter van Leeuwen en Henrick van Sijll. Zoals boven reeds opgemerkt was Peter van
Leeuwen een contraremonstrant en zal hij dus evenals Dirk Canter weinig vatbaar zijn
geweest voor de gangbare katholieke demonologische ideeën. Henrick van Sijll was reeds
sinds 1574 advocaat voor het hof.134 Dat neemt niet weg dat hij sinds zijn aanstelling als raad-
ordinaris bij bijna elk verhoor in de toverijprocessen aanwezig is geweest. Daarin was hij
echter zeker niet de enige. Peter van Leeuwen en Willem Radelant behoorden ook zeer vaak
tot de aanwezigen. Het lijkt er dan ook op dat er achter de frequente aanwezigheid van
sommige raadslieden niets bijzonders moet worden gezocht. Zij deden simpelweg hun werk
en hielden zich aan de regels. Hun omgang met het fenomeen toverij kwam voort uit
juridische overwegingen, niet uit ideologie. De aanwezigheid van demonologische elementen
moet dan verklaard worden vanuit het feit dat de calvinistische rechtspraktijk van eind
zestiende eeuw nog volledig overtuigd was van de macht van de duivel en de mogelijkheid
om een pact met hem te sluiten (zie ook bladzijde 16). Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat er
daadwerkelijk gebruik werd gemaakt van demonologische werken. Joke Spaans betoogt
ongeveer hetzelfde over de rechtsprekenden in Amersfoort: „(...) zij die de Amersfoortse
vierschaar bevolkten (...) waren geen enge demonologen, maar vroede vaderen die recht
spraken op de basis van het voor hen geldende (geleerde) recht, en volgens de normen van dat
recht‟.135

133
    Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 41.
134
    HUA 239-1 – Hof van Utrecht, inventarisnummer 274, fol. 3r.
135
    Spaans, „Toversters voor het gerecht‟, 47.


                                                                                             51
Een verklaring voor de intensivering van de vervolgingen vanaf 1591 moet dus niet gezocht
worden in een verandering in de opstelling van de rechtsprekenden. Wanneer uitgesloten is
dat zich hier invloeden van binnenuit deden gelden, moet er voor een mogelijke verklaring
naar invloeden van buitenaf worden gekeken, in het bijzonder naar de wolvenplaag waaronder
Utrecht gebukt ging aan het einde van de zestiende eeuw.

Wolven in Utrecht
De wolf was in de Noordelijke Nederlanden geen bijzonder zeldzaam dier. Tot 1800 vonden
niet al te grote roedels wolven prima jachtgebieden in de meer landelijke provincies zoals
Overijssel, Gelderland en Drenthe. In Utrecht en Holland was echter minder ruimte voor het
benodigde prooiwild. Roedels kwamen daar in de regel dan ook niet voor. Enkele solitaire,
zwervende wolven zullen zich van tijd tot tijd wel in de meer dichtbevolkte provincies hebben
begeven. In de jaren 1590 lijkt er in de provincie Utrecht echter sprake te zijn van meer dan
een paar solitaire exemplaren. Op 29 maart 1592 vaardigde het Hof van Utrecht een plakkaat
uit dat opriep tot een grootschalige wolvenjacht: ‘Alsoo het land van Utrecht jegenwoordelick
mede grotelick beschadicht wordt door den wolve, dye men verstaet van daghe tot daghe
sulcx te vermeerderen, dat te bedrichten [beduiden] als dat in corten tydt niet alleenlick die
beesten maer oeck die menschen in pericule van haer leven zullen commen, ten zy daer tegens
promptelick werde versien.’ 136
        De wolvenplaag was blijkbaar zo ernstig dat mensen vreesden voor hun leven. Om te
voorkomen dat er daadwerkelijk iemand aangevallen zou worden, werd iedere gezonde man
tussen de veertien en de zestig jaar opgeroepen om deel te nemen aan een wolvenjacht. Het
plakkaat benadrukte dat niemand uitgezonderd werd. Op 14 april 1592 moesten alle bewoners
van het platteland van Utrecht zich melden bij één van de vier maarschalken, die elk een
bepaald gedeelte van de provincie beheerden. Bij zonsopgang werden de mannen verwacht,
voorzien van alle mogelijke wapens, van geweren tot hooivorken. Ook werden ze geacht voor
zeker drie dagen proviand mee te nemen.137 Het is niet bekend hoeveel wolven er bij deze
jacht buit gemaakt zijn. Ondanks de grootschaligheid van de jacht werd het probleem
blijkbaar niet opgelost, aangezien het Hof hetzelfde plakkaat wederom uitvaardigde op 22
april 1593. Dit keer zou de jacht op 30 april plaats hebben. 138 Hierna zijn er (in ieder geval tot
1599) geen oproepen tot de wolvenjacht meer gedaan.


136
    HUA, 239-1 – Hof van Utrecht, inventarisnummer 29-3, fol. IICXXX verso.
137
    Ibidem, fol. IICXXX verso.
138
    Ibidem, fol. IICXCI.


                                                                                                52
De Noordelijke Nederlanden kregen indirect dus toch met de klimaatverandering te maken.
Volgens Wolfgang Behringer was het land door het heersende zeeklimaat niet vatbaar voor de
temperatuursdaling van ruim vijf graden. De Duitse rijken met hun landklimaat werden echter
wel geteisterd door extreem koude winters. Vooral de jaren rond 1600 zagen lange periodes
van vorst. De kou bracht voedselschaarste met zich mee. Wanneer het social-crisis model
toegepast wordt, zou dat volgens Behringer betekenen dat de kou bijdroeg aan het ontstaan
van een golf van toverijvervolgingen.139 Dergelijke extreme vorst veroorzaakte waarschijnlijk
niet alleen schaarste voor mens, maar ook voor dier. Mijn theorie is dat de wolven, die in de
Duitse wouden veel voorkwamen, door prooischaarste naar het warmere westen begonnen te
trekken. Vanaf ongeveer 1590 moeten ze de grenzen over zijn gekomen, in grotere groepen
dan in de zestiende eeuw normaal was.
        Deze theorie en het gekozen jaartal worden mijns inziens gerechtvaardigd door het feit
dat het Hof van Utrecht voor het eerst op 12 maart 1590 jaarlijks een plakkaat uitvaardigde
met een algemeen verbod op de jacht. De wildstand van de provincie Utrecht was blijkbaar
ver beneden peil – bepaalde (niet nader genoemde) soorten dreigden uit te sterven: „Soo eest
dat die voorsseide gedeputeerden [...] omme sulcx te voorcommen bij dese wel expresselick
verdonneren, bevelen ende gebieden, dat nyemandt van wat qualité, staet ofte conditie, zij hij
eedel of oneedel, geprivilegeert ofte ongeprivilegeert, capteyn, bevelhebber off soldaet, egeen
uuytgesondert, hem en zal verborderen tusschen dit ende Jacobi te jaghen.’140 Er mocht dus
in de periode van 12 maart tot 25 juli door niemand gejaagd worden in de provincie Utrecht.
        Het is zeer aannemelijk dat de verhoogde aanwezigheid van natuurlijke jagers zoals
wolven de wildstand snel had doen dalen. De wolven aten dus de prooi van de mensen op. In
een poging om de populaties weer aan te laten groeien, mocht er in het voortplantingsseizoen
van het wild niet gejaagd worden. De inspanningen van het Hof hadden blijkbaar niet direct
effect op de wildstand. Het hierboven genoemde plakkaat werd namelijk opnieuw
uitgevaardigd in maart 1591, februari 1592, maart 1593 en april én augustus 1594 141. Op
tweeëntwintig juli 1596 werd nog een plakkaat gepubliceerd met een specifiek verbod op de
jacht op klein wild als hazen, konijnen en patrijzen. Deze dieren zijn typische prooien voor
wolven.
        Het geloof in weerwolven en meer algemeen in gedaanteverwisselingen van mens in
dier maakte bijna overal in Europa deel uit van het volksgeloof. Vooral in beboste gebieden,


139
    Behringer, Witches and witch-hunts, 104.
140
    HUA, 239-1 – Hof van Utrecht, inventarisnummer 29-3, fol. IICLXXVI verso.
141
    Ibidem, fol. IIICLXIX.


                                                                                            53
waar echte wolven veel voorkwamen, waren de mensen vatbaar voor weerwolvengeloof. Er
zijn veel verhalen bekend van mensen die een wolf verwondden en de volgende dag zagen dat
een dorpsgenoot zich verdacht maakte omdat hij op dezelfde plek als de wolf gewond was.
Weerwolvengeloof maakte dan wel deel uit van de folklore, de ‘Malleus Maleficarum’ zette
er zijn vraagtekens bij. Krämer was van mening dat de transformatie van mens in wolf, ofwel
lycantropie, slechts een demonische illusie was. Dit was een gangbare verklaring – de persoon
in kwestie zou door de duivel zo snel door een echte wolf vervangen worden, dat het leek
alsof er gedaanteverwisseling plaatsvond. Een andere verklaring werd volgens Stuart Clark
gezocht in „the strange effects of the human imagination, especially when inflamed by
melancholy’. Mensen met verwarde geesten beeldden zich dus alleen in dat ze in wolven
konden veranderen. De moderne psychiatrie heeft deze nog altijd bestaande stoornis benoemd
als „klinische lycantropie‟.142
        Het oprechte geloof in de eigen vaardigheid om in een wolf te veranderen is zeer
duidelijk terug te zien in het proces van Elbert Volcken. Zoals boven reeds opgemerkt
bekende hij spontaan dat hijzelf, zijn vader en zijn broer in wolven konden veranderen,
zonder enige merkbare aansturing van zijn verhoorders. Dit idee moet zich al eerder in Elberts
belevingswereld hebben bevonden, gezien het feit dat hij voor aanvang van de processen uit
eigen beweging bij een buurman excuses was gaan aanbieden voor het bijten van diens vee.
Aangezien Elberts moeder korte tijd tevoren op de brandstapel gebracht was, is niet uit te
sluiten dat hij melancholisch of verward was. In combinatie met de wolvenplaag in Utrecht en
de berichten van gebeten vee zou zich in Elberts geest het idee hebben kunnen ontwikkelen
dat hij zelf een wolf was.
        Het Hof greep dit idee met beide handen aan. Sinds Elberts bekentenis vroeg het aan
elke beschuldigde of hij of zij in een wolf was veranderd. Hier was twee jaar tevoren nog
geen sprake van geweest. Het is opvallend dat dit ook aan de vrouwen gevraagd werd,
aangezien weerwolvengeloof in de Noordelijke Nederlanden voornamelijk betrekking had op
mannen. In zijn studie naar toverij in Noordoost-Nederland wijst Willem de Blécourt op het
feit dat de betichting „weerwolf‟ in ieder geval in dat gebied vrijwel uitsluitend tussen mannen
werd uitgewisseld.143 In de Utrechtse processen bekende Hendrickgen uit eigen beweging dat
zij met hulp van de duivel in een wolf was veranderd. Marie Barten bleef dit ontkennen, zelfs
na tortuur. Hessel bekende dat hij en Elbert ‘roode wolfkens’ waren geweest. Ook hun jongere


142
   Ankarloo, Witches and witchcraft in Europe, 165.
143
   W. de Blécourt, Termen van toverij. De veranderende betekenis van toverij in Noordoost-Nederland tussen de
16de en de 20ste eeuw (Nijmegen 1990) 111-114.


                                                                                                          54
broertjes Gijsbert en Dirck deden vergelijkbare bekentenissen. Allen betichtten bovendien hun
vader Volcken en Anthonis Bulck, die pas na tortuur toegaven inderdaad in wolven te zijn
veranderd. In alle vonnissen werd de gedaanteverwisseling als specifiek feit genoemd.
           Het Hof werd in de periode van 1590 tot 1595 kortom geconfronteerd met een familie
die berucht stond om haar toverkracht en een wolvenplaag die de wildstand ruïneerde en mens
en dier onveilig maakte. Over beide problemen zullen de raadslieden de nodige klachten te
horen hebben gekregen. Toen was daar in 1595 Elbert Volckens, die door zijn combinatie van
toverij en weerwolverij de situatie voor het Hof aanzienlijk vereenvoudigde. De raadslieden
konden nu namelijk de klassieke twee vliegen in één klap slaan. Door de familie van Volcken
Dircxz aan te pakken, liet het Hof zien dat het zowel het toverijprobleem als het
wolvenprobleem onder handen nam.

Utrecht in opschudding
De aanwezigheid van grote aantallen wolven was de directe aanleiding voor de processen in
1595. Bij de eerdere toverijgevallen van 1591 en 1593 is echter minder zeker of dit een rol
heeft gespeeld. Het probleem van de wolven kan al langere tijd hebben bestaan, gezien de
dalende wildstand vanaf 1590, maar het is pas met zekerheid vast te stellen vanaf de eerste
wolvenjacht in 1593. Bovendien werd in de verhoren van Maria Volckens, Willemtgen
Stevensdochter en Geertruy Damen geen navraag gedaan naar hun vermogen om zich in
wolven te veranderen. Ook bij Grietgen Willems en Adriana Jacobs in 1595 was hier geen
sprake van. Voor deze processen moet dus een andere verklaring gezocht worden.
           De wolven en de lage wildstand die zij veroorzaakten waren niet het enige probleem
waarmee de provincie Utrecht te kampen had. In “Een paradijs vol weelde”, het omvangrijke
werk over de geschiedenis van de stad, stelt A.H.M. van Schaik dat er in de periode rond 1595
grote werkloosheid heerste. Ook kreeg het platteland van Utrecht in die tijd regelmatig te
maken met overstromingen. Van Schaik draagt van deze twee problemen geen concrete
voorbeelden aan maar concludeert wel dat de toverijprocessen van 1595 hier uit
                    144
voortkwamen.              In hoeverre hij hierin gelijk heeft is moeilijk vast te stellen. Het is niet
duidelijk hoe hij tot de conclusie komt dat de werkloosheid in Utrecht hoog was rond 1595.
           Over het tweede punt van Van Schaik, de overstromingen, is evenmin met zekerheid
iets te zeggen. Wel is uit het plakkaatboek van het Hof van Utrecht gebleken dat er in 1592
meer dan eens pogingen zijn gedaan om de Vecht te ‘modderen’ ofwel te verdiepen.145 Dit

144
      „Een paradijs vol weelde‟. Geschiedenis van de stad Utrecht (Utrecht 2000) 238.
145
      HUA, 239-1 – Hof van Utrecht, inventarisnummer 29-3, fol. IICLXXXIX.


                                                                                                   55
zou aan kunnen geven dat er werd geprobeerd om de afvoerkanalen voor het water te
verbeteren. Dit toont op zijn beurt weer aan dat er inderdaad wateroverlast was. Aangezien
toverij vaak met weermakerij werd geassocieerd146, zou er geconcludeerd kunnen worden dat
de wateroverlast in verband staat met de toverijvervolgingen. Mijns inziens zijn er op dit
moment echter niet genoeg concrete voorbeelden van daadwerkelijke overstromingen om een
dergelijke conclusie te rechtvaardigen. Dit is een punt waarop verder onderzoek zeer
verhelderend zou kunnen zijn.
        Het enige wat met zekerheid te zeggen is, is dat de provincie Utrecht vanaf de jaren
zeventig van de zestiende eeuw in meer algemene opschudding verkeerde. Door de
Tachtigjarige Oorlog bevonden zich grote groepen Habsburgse soldaten in de Nederlanden.
Vanaf 1588 begon het tij in hun nadeel te keren. In dat jaar werd de Spaanse Armada
vernietigd in de slag bij Grevelingen. Het Spaanse leger raakte hierdoor ernstig verzwakt.
Prins Maurits maakte gebruik van die verzwakking en begon met het heroveren van steden als
Breda (1590), Nijmegen en Deventer (beide 1591).147
        Er werd in die jaren regelmatig melding gemaakt van bendes Habsburgse soldaten die
het platteland onveilig maakten. Het Hof ontving veel klachten over ‘die onbehoorlicke ende
excessive daden, concussiën ende [...] actiën die den zelven [ingeseten van den platten lande]
aangedaen worden bij het uuytloopen van het Crijchsvolk [...], schuldich zoe wel int berooven
van haer beesten [...] ende have, als in ’t affbranden van haere huyschen.’148. In 1589 werden
alle bewoners van de provincie door middel van een plakkaat op het gevaar van plunderaars
geattendeerd. In 1590, 1591 en 1595 werd hetzelfde plakkaat opnieuw uitgebracht.
        Er moeten ook veelvuldig klachten ingediend zijn over zwervers en vagebonden op het
platteland. Dat kan althans worden afgeleid uit het plakkaat tegen de ‘vagabonden,
ledichgangers ende oock sommige die hun nomineren egiptenaers ofte heydenen
[zigeuners]’149. Dit waren veelal loslopende, gedeserteerde soldaten van onbekende
nationaliteit. Ze veroorzaakten in de ogen van het Hof overlast door te bedelen terwijl ze
gezond waren. Hierdoor vormden ze een onnodige last op de plattelandsbevolking. De
vagebonden liepen het risico gearresteerd en scherp geëxamineerd te worden. Hierna konden
ze verbannen worden. Het plakkaat dat deze maatregel verkondigde werd uitgevaardigd in
september 1595 en herhaald in januari 1596.


146
    Behringer, Witches and witch-hunts, 88-89.
147
    A. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (Amsterdam 2004) 123-
128.
148
    HUA, 239-1 – Hof van Utrecht, inventarisnummer 29-3, fol. ICLV verso.
149
    Ibidem, fol. IIIICIII.


                                                                                                        56
Het is waar dat het oorlogsgeweld in de jaren 1570 vele malen erger was dan na 1590. Dat het
in de eerste periode in de gehele Noordelijke Nederlanden niet tot grootschalige
toverijvervolgingen kwam, kan gezocht worden in het feit dat de mensen er door de oorlog
simpelweg geen aandacht voor hadden. Toen het geweld na 1590 minder werd, kreeg men
weer tijd voor toverijgeloof. Een zeker gevoel van crisis heerste waarschijnlijk nog altijd in
Utrecht door de aanwezigheid van loslopende soldaten en vagebonden vanaf ongeveer 1589.
In dat jaar werden de Utrechters voor het eerst door middel van een plakkaat gewaarschuwd
voor plunderingen. Als daar inderdaad nog de factoren van werkloosheid en wateroverlast bij
kwamen, zoals Van Schaik schrijft, moet het platteland van Utrecht in het laatste decennium
van de zestiende eeuw beheerst zijn door een sfeer van angst. Nu het ergste oorlogsgeweld
voorbij was had men de ruimte om deze angst te richten op de zondebokken van de
samenleving. Makkelijke doelwitten waren reeds voorhanden - Maria Volckens, Willemtgen
Stevensdochter en Geertruy Damen stonden allen bekend om hun zegeningen.
       Hoewel in het onderzoek naar de vervolgingen in de jaren 1590 al vaker is gewezen op
de langdurig slechte reputatie van de beschuldigden, is nog de link gelegd met de
achterliggende crisis nog niet voldoende gelegd. Die was mijns inziens namelijk
doorslaggevend in het escaleren van losse betichtingen in volledige rechtszaken en
procesreeksen. Door de combinatie van crisis en slechte reputaties kunnen de vervolgingen
van deze toveressen het best verklaard worden vanuit het social-crisis model. Ook de
processen van Grietgen Willems en Adriana Jacobs voor het stadsgerecht van Amersfoort in
september 1595 passen in dit verklaringsmodel. Bij hen had bovendien de omvangrijke
procesreeks in Utrecht eerder dat jaar reeds een toon van vervolging neergezet.




                                                                                           57
Conclusie
Gary Waite stelde dat degene die het social-crisis model gebruikt om toverijvervolgingen te
verklaren, stukloopt op de Noordelijke Nederlanden (zie bladzijde 13). Die maakten een diepe
crisis   mee   tijdens   de   Tachtigjarige   Oorlog,    maar   in   het   algemeen   nam    de
vervolgingsintensiteit in die jaren juist af. Wanneer het social-crisis model van toepassing zou
zijn op de Noordelijke Nederlanden, zouden de vervolgingen juist toe moeten zijn genomen,
aldus Waite. Hoewel hij gelijk heeft dat de vervolgingsintensiteit algemeen afnam,
verhevigden de vervolgingen in Utrecht juist nog laat in de zestiende eeuw. Mijns inziens is
het social-crisis model wel degelijk van toepassing op dit specifieke gebied.
         De Utrechtse procesgolf van de jaren 1590 werd namelijk niet veroorzaakt door een
veranderende mentaliteit onder de rechtsprekenden. De oorzaken voor de toenemende
vervolgingsintensiteit kwamen dus niet van binnenuit – noch van het Hof van Utrecht, noch
van het stadsgerecht van Amersfoort. De rechtbanken werden tot actie gedwongen door
externe factoren. Er heerste in de jaren 1590 een algemeen gevoel van crisis en onzekerheid in
de provincie Utrecht. Oorzaken hiervan waren bendes rondzwervende soldaten, bijbehorende
plunderingen en een wolvenplaag. Hoewel Wolfgang Behringer terecht betoogt dat de
Noordelijke Nederlanden door hun zeeklimaat niet vatbaar waren voor de temperatuursdaling
van 5,5 graden celcius die centraal Europa in zijn greep had rond 1600, werden hier wel
indirecte gevolgen van de klimaatverandering gevoeld. De kou in het Heilige Roomse Rijk
dreef namelijk grote groepen wolven richting het westen, waardoor Utrecht te maken kreeg
met een wolvenplaag. Die wolvenplaag was in ieder geval een belangrijke aanleiding voor de
procesreeks van 1595.     Misschien speelde hij ook al een rol in de processen van 1591 en
1593, maar dat is moeilijk na te gaan. Deze processen kunnen dan ook beter verklaard worden
tegen de achtergrond van het meer algemene gevoel van crisis. De factoren van werkloosheid
en wateroverlast speelden hierin wellicht ook een rol.
         Geheel in lijn met het social-crisis model begonnen de inwoners van Utrecht hierop
zondebokken te zoeken. Personen die zich al langere tijd verdacht maakten door anderen te
zegenen werden nu doelwit van openlijke betichtingen en aanklachten. Zoals Ivo Schöffer al
benadrukt (zie bladzijde 10) is het geloof in toverij sterk verbonden met de behoefte om
invloed uit te oefenen op het eigen lot. Volgens hem nam deze behoefte af wanneer de
bestaanszekerheid toenam door zaken zoals toenemende welvaart en gezondheidszorg.
Aangezien er in Utrecht niet merkbaar sprake was van een vooruitgang op deze gebieden,
kunnen we aannemen dat de behoefte om het eigen lot in handen te nemen zeer aanwezig was.


                                                                                             58
De vraag blijft nu of bovenstaande verklaringen ook toepasbaar zijn op de situatie buiten
Utrecht, wanneer een vergelijking wordt getrokken met de andere late procesgolven. In 1595
werden in Peelland in Noord-Brabant namelijk ook negentien toveressen ter dood
veroordeeld. Voor toekomstig onderzoek zou er gekeken kunnen worden of er in die gebieden
ook een gevoel van crisis heerste en zo ja, wat daar de oorzaken van waren. Wellicht blijkt
dan dat het social-crisis model toch algemener toepasbaar is op de Noordelijke Nederlanden
dan tot nu toe werd gedacht.




                                                                                        59
Literatuurlijst


Ankarloo, B., S. Clark en W. Monter, Witchcraft and magic in Europe IV The period of the
witch trials (Londen 2003).


Baschwitz, K., Heksen en heksenprocessen (Amsterdam 1963).


Behringer, W., Witches and witch-hunts (Cambridge 2004).


Blécourt, W. de, Termen van toverij. De veranderende betekenis van toverij in Noordoost-
Nederland tussen de 16de en de 20ste eeuw (Nijmegen 1990).


Clark, S., Thinking with demons. The idea of witchcraft in early modern Europe (Oxford
1997).


Doeleman, F., „Inleiding‟ in: Het Utrechts Archief T1 – civiele rechtszaken, Hof van Utrecht
(Utrecht 1980) 5-24.


Dresen-Coenders, L., „De grote „heksenbrand‟ van Roermond (1613)‟, in: M. Gijswijt-Hofstra
en W. Frijhoff ed., Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de
twintigste eeuw (Amsterdam 1987) 161-172.


„Een paradijs vol weelde‟. Geschiedenis van de stad Utrecht (Utrecht 2000) .


Gijswijt-Hofstra, M., „Toverij en tolerantie‟ in: M. Gijswijt Hofstra ed., Een schijn van
verdraagzaamheid (Hilversum 1989).


Hemelryck, F. van, Heksenprocessen in de Nederlanden (Leuven 1982) .


Leeuwen, S. van, Batavia illustrata, ofte Hollandsche cronyck (‟s Gravenhage 1685).


Pollmann, J.S., Een andere weg naar God: de reformatie van Arnoldus Buchelius (1565-1641)
(Amsterdam 2000).



                                                                                         60
Scheltema, J., Geschiedenis der Heksenprocessen – eene bijdrage tot den roem des vaderlands
(Haarlem 1828).


Schöffer, I., „Heksengeloof en heksenvervolging: een historiografisch overzicht‟, Tijdschrift
voor Geschiedenis 86 (1973) 215-235.


Spaans, J., „Toversters voor het gerecht. Enkele opmerkingen naar aanleiding van de
Amersfoortse procesreeks 1590-1595‟, Volkskundig Bulletin 12 (1986) 31-47.


Steenhuis, J., “In een quaad geruchte van toverye‟. Toverij voor Utrechtse rechtbanken, ca.
1530-1630.‟ in: M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff ed., Nederland betoverd. Toverij en
hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (Amsterdam 1987) 30-56.


Vrugt, M. van de, De criminele ordonnantiën van 1570. Enkele beschouwingen over de eerste
strafrechtcodificatie van de Nederlanden (Zutphen 1978).


Waardt, H. de, „In de grond een familiezaak. Veten en toverij in Nijkerk in 1550.‟ in: M.
Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff ed., Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende
tot in de twintigste eeuw (Amsterdam 1987) 26-39.


Waardt, H. de, „Religie, duivelspact en toverij‟ in: Tijdschrift voor geschiedenis 118 (2005)
400-415.


Waardt, H. de, „Vervolging of verweer. Mogelijke procedures na een beschuldiging van
toverij in het gewest Holland voor het jaar 1800‟, in: M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff ed.,
Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw
(Amsterdam 1987) 57-68.


Waite, G.K, Heresy, magic and witchcraft in early modern Europe (Hampshire 2003).




                                                                                           61
Lijst van archivalia


Het Utrechts archief
T16 – Criminele sententies van het Hof van Utrecht
       82.    Vonnis Neelken Ponssen
       83.    Vonnis Soetgen
       1074. Vonnis Volcken Dircxz
       1075. Vonnis Anthonis Corneliszoon Bulck
       1080. Vonnis Dirck Volckens


239-1 – Archief van het Hof van Utrecht
       9-4.   „Memoriaalboek IV 1578-1618‟
       29-3. „Plakkaatboek 1582-1599‟
       274.   „Register van admissies en eedafleggingen van advocaten, procureurs,
              landmeters, translateurs, notarissen, substituut procureur-generaal, hoofdschout
              Overkwartier, concierge en pander, 1560-1811‟


642 – Stadsgerecht Amersfoort
       407 – „Informatieboek 1579-1595‟
              407-7, fiches 6 en 7 – vooronderzoek en verhoor van Maria Volckens.
              407-8, fiche 2 – vooronderzoek en verhoor van Geertruy Damen.
              407-8, fiche 7 – vooronderzoek en verhoor van Grietgen Willems en Adriana.




Het nationaal archief
3.03.01.01 – Hof van Holland
       6110. „Stukken nagelaten door Simon van Veen‟ – vooronderzoek en verhoor van
       Willemtgen Stevensdochter, vonnissen van Hendrickgen Volckens en Marie Barten.




                                                                                           62

								
To top