PETRA - EEN STAD IN DE ROTSEN VAN JORDANIE
op bezoek in een eeuwenlang verborgen, rozerode stad
AAD VAN OUWERKERK
De twee millennia oude stad PETRA behoort (samen met de pyramides in Egypte)
ongetwijfeld tot de mooiste attracties in het Midden-Oosten. Allereerst is er de
spectaculaire toegangsweg: de siq, een smalle kloof in metershoge rotsen met
fantastisch gekleurde zandsteenformaties. Verder zijn bijna alle bouwwerken door
het volk van de Nabateeëers uitgehouwen uit diezelfde rotsen. Maar PETRA is
vooral ook ontmoetingsplaats van allerlei culturen: de bouwers vereerden er hun
goden en godinnen, een aantal heilige plaatsen worden toegeschreven aan
Abraham en Mozes en zijn tot oudtestamentische bedevaartsoorden geworden
zowel voor Islamieten, Joden en Christenen. AAD VAN OUWERKERKi bezocht dit
gebied samen met HANNIE VAN DER BORST in de zomer van 1997.
Vanuit de hoofdstad Amman lopen drie routes naar het zuiden. In het oosten loopt
de woestijnweg, een snelle vierbaansweg, maar door eentonig landschap en vol
vrachtwagens. In het westen is er een stille weg langs de Dode tot de Rode Zee
met nauwelijks voorzieningen. Daar tussenin loopt de eeuwenoude karavaanweg,
die door Mozes in de bijbel al de "koningsweg" wordt genoemd en die naam nog
altijd heeft. Deze voert je langs historisch interessante plaatsen als Madaba (met
een kaart van Palestina als mozaïekvloer uit de 6e eeuw), de berg Nebo (waar
Mozes nog over het beloofde land kon uitzien voor hij stierf), als Kerak en Shobak
(met kruisvaarderskastelen). Bovendien doorkruis je twee zeer diepe ravijnen,
waarvan er één (de Wadi el-Mujib) de "grand canyon" van Jordanië wordt
genoemd. De koningsweg loopt ook het meest direct naar Petra en is dus in allerlei
opzicht te verkiezen.
Ongeveer 200 kilometer zuidelijk van Amman sla je af richting het plaatsje Wadi
Moussa ('vallei van Mozes'), dat de toegang tot Petra vormt en waar je kunt
overnachten. Onderweg zie je een klein wit gebouwtje met drie koepeltjes. Dit zou
de plek zijn waar Mozes met zijn staf water uit de rots sloeg tijdens de 40 jaar
durende uittocht uit Egypte, die gedeeltelijk ook over de koningsweg voerde. Nog
altijd is hier een zeer rijke waterbron, die door het gematigd islamitische Jordanië
goed wordt onderhouden: Ain Moussa ('water van Mozes').
Wij bezochten Petra begin augustus: in de warme tijd. Het was midden op de dag
dan ook wel ruim 40 graden, maar er is veel schaduw en als je genoeg water
drinkt, is het goed te doen en kun je gerust urenlange wandelingen maken. Een
groot voordeel was dat er relatief niet zo veel toeristen waren, zo'n 400 per dag. In
het hoogseizoen (vanaf oktober) kan het aantal oplopen tot vijf- à zesduizend!
Daar moet Petra het ook wel van hebben: het vele werk op archeologisch gebied
wordt bekostigd uit de toegangsprijzen. En die liegen er niet om: buitenlanders
betalen een flink bedrag. Petra is echter zo de moeite waard, dat je er zeker
enkele dagen voor nodig hebt, zodat een relatief goedkopere driedaagse kaart
zeker is aan te raden.
DE GESCHIEDENIS
De eerste bewoning van de streek rond Petra dateert uit 7000 v.C. Toen Mozes er
doorheen trok, heette het gebied Edom. Toen woonden er al mensen in de vele
grottenii. De Edomieten gaven de zandsteenvallei de naam SELA ('rots') naar de
offerplaatsen die zij op de hoogste rots hadden ingericht. Maar Petra is pas echt tot
bloei gekomen onder de Nabateers. Dit oorspronkelijk nomadische volk begon zich
tussen de zesde en de vierde eeuw v.C. te vestigen in de zo'n 200 km² grote zand-
steenvallei waar ze meer dan vier eeuwen lang aan de stad Petra gewerkt hebben.
De eerste gebouwen zijn waarschijnlijk 2200 jaar oud.
De Nabatese cultuur schijnt zeer kosmopolitisch en al min of meer democratische
geweest te zijn. De koning liep in gewone kleding rond en was voor iedereeen
aanspreekbaar. Ten aanzien van andere culturen waren zij zeer open en gastvrij,
zodat de bouwwerken langzamerhand ook Hellenistische kenmerken en later ook
Romeinse gingen vertonen. Ook namen zij godsdienstige symbolen van anderen
over. Zo is de naam Petra ook de Griekse naam voor rots en dus een vertaling van
de oorspronkelijk Edomitische. Maar voornamelijk hadden ze hun samenleving tot
een belangrijke marktplaats georganiseerd voor de vele karavanen die vanuit de
Arabische en Egyptische wereld naar het noorden trokken en voor hun doortocht
belasting betaalden. Pas toen de Romeinen Petra hadden ingelijfd bij hun rijk,
kwam het verval voor de stad. Na een paar flinke aardbevingen werd het gebied
verlaten en raakte daarna zelfs lange tijd vergeten.
Merkwaardigerwijs bleef Petra eeuwenlang een verborgen stad, slechts bewoond
door bedoeïenen, die hun woonplaats van generatie op generatie geheim wisten te
houden. Zelfs toen kruisridders onder leiding van Boudewijn I de streek innamen
en op nog geen paar kilometer van Petra een fort bouwden, repten ze met geen
woord over de zandsteenvallei. Pas in augustus 1812 werd de stad door de Zwitser
Johann van Burckhardt voor het Westen herontdekt, die vermomd als moslim van
Aleppo (Syrië) naar Caïro (Egypte) reisde. Hij hoorde de bedoeïenen spreken over
een mysterieuze stad, verborgen tussen ondoordringbare bergen. Aangezien hij
vloeiend Arabisch sprak, kon hij een truc toepassen om de vallei te zien. Hij vroeg
om een gids naar het graf van Aäron, de broer van Mozes, zodat hij er een geit
kon offeren. Omdat een moslim een ander niet mag dwarsbomen in zijn religieuze
plicht, werd Burckhardt door de siq en langs de prachtige uit de rots gehouwen
gebouwen geleid en was hij de eerste westerling die het inmiddels legendarische
Petra opnieuw verbijsterd mocht aanschouwen.
GEBOUWEN IN ZANDSTEENROTSEN
Nog altijd ligt Petra verborgen achter het bergmassief dat de stad eeuwenlang
volkomen ontoegankelijk scheen te makeniii. Door dit gesteente heen heeft zich
echter op natuurlijke wijzeiv een uiterst nauwe kloof gevormd van zo'n 1250 meter
lengte en hier en daar slechts vier meter breed. Doordat de wanden zeer steil
omhoog rijzen, is dit 'doordringen' tot het eigenlijke Petra (liefst 's ochtends vroeg
en min of meer alleen) nu nog altijd een bijna mystieke ervaring. De kleuren in de
zandsteen vormen een ongelooflijke schakering. Langs de wanden zijn op bepaalde
plaatsen nissen gevormd met meestal gestileerde uitbeeldingen van de zonnegod
Dushara, alsof de tocht door de siq tevens een meditatieve betekenis had die de
reiziger langzaam voorbereidde op de wereld erachter.
En inderdaad, net wanneer er aan de siq geen einde schijnt te komen, komen in de
verte de contouren opdoemen van een gebouw. Het is tegelijk een van de mooiste
en best bewaarde monumenten van Petra, waarschijnlijk vanwege de beschutte
plek die weinig van de elementen te lijden heeft. Het staat nu bekend als het Al-
Khazneh Faroun ('de schat van de Farao'). Die naam komt uit een legende uit de
wereld der Bedoeïenen waarin sprake is van een schat die in de urn in de top van
het gebouw verborgen zou zijnv. De voorgevel bestaat uit twee verdiepingen: je
ziet beneden een galerij met zes Corinthische zuilen met in de zijnissen beelden
van (verrassend) de hellenistische Castor en Pollux. Boven is er een gebroken
colonnade met de typisch Nabatese thòlos, een rond tempeltje met een bovenkant
in de vorm van een kegel en daarop de urn - voorwaar een mooi voorbeeld van de
stijlvermengingen die je hier zo veelvuldig ziet. Lange tijd is het "schathuis" voor
een tempel aangezien, maar momenteel denkt men met een grafmonument te
doen te hebben uit de 1e eeuw v.C. voor de Nabatese koning Aretas III. Binnen is
eigenlijk niet zo veel bijzonders te zien: er zijn alleen enkele zijkamers, die als
grafkamers fungeerden. Aan een 19e-eeuwse tekening van het Khazneh is wel te
zien, dat het "schathuis" in de loop der tijd enerzijds gerestaureerd is (zuilen),
maar anderzijds ook wel verder vervallen (beelden). Maar het is hoe dan ook een
fantastisch gezicht om dit gebouw (vooral rond 10 uur 's ochtends als de zon erop
staat) in al zijn roze glorie uit de verte te zien opdoemen.
Vanaf het plein voor het Khazneh kun je de vallei volgen - met in de rotswanden
het ene na het andere bouwwerk: meestal zijn het grafmonumenten, meer of
minder verweerd, meer of minder kleurrijk en meer of minder indrukwekkend. Ook
zijn er grotten die vroeger bewoond waren (sommige zijn nu theehuizen met een
typische bedoeïeneninrichting, waarin je soms even verkoeling kunt vinden, uit
kunt rusten en met een kopje mintthee wegdromen naar oude tijden). De vallei
verbreedt zich langzamerhand en links zie je de vele monumenten van de straat
der façaden, die eindigt bij een enorm antiek, hoefijzervormig theater, door de
Romeinen later zo uitgebreid, dat er verscheidene huizen en graftombes voor
hebben moeten wijken. Tenslotte kon het 8000 bezoekers ontvangen die naar
gladiatorengevechten en pantomimespelers kwamen kijken. Het is het enige
theater dat geheel uit de rots (opnieuw de roze zandsteen) werd gehouwen.
Rechts, hoger tegen de rotswanden van de eigenlijke rots Sela, waarop de
Ebonieten al offerplaatsen inrichtten, staan de zgn. koningsgraven, een serie
indrukwekkende monumenten die opnieuw het architectonisch meesterschap van
de Nabateeërs laten zien. Met een trap kun je het plateau bereiken om deze
enorme graven van dichtbij en van binnen te bekijken. In de Byzantijnse tijd is er
zelfs één (Het graf met de urn) tot een kerk omgebouwd. Nog verder verbreedt de
vallei zich steeds meer tot een vlakte met aan de linkerkant de benedenstad met
een echte geplaveide Romeinse hoofdstraat (een cardo maximus) met zuilen en
enorme steenblokken. Ook zijn er resten van een nympheum en thermen, die in
de Nabatese tijd waarschijnlijk vooral betekenis hadden als plaats voor rituele
reiniging. Hier speelde zich met name ook het sociale leven af: er waren markten,
winkels, portieken voor marskramers en iets hoger bevonden zich de vele
woningen. Op het hoogtepunt van de Nabatese cultuur moet Petra zelfs ca. 30000
inwoners hebben geteld.
GOD EN GODIN
Aan het eind van de hoofdstraat staat het Qasr al-Bint Faroun ('het kasteel van de
dochter van de Farao', eveneens een door bedoeïenen verzonnen naam), een
unicum voor Petra, aangezien het het enig resterende vrijstaande (niet uit de
rotsen gehouwen) bouwwerk in de vallei is. Er is ook niet bespaard op de aanleg
ervan, ewant vele andere gebouwen zijn inmiddels geheel tot ruïnes vervallen.
Men heeft lang gedacht dat dit de tempel was voor de belangrijkste god van de
Nabateeërs: Dushara, god van de zon. De laatste archeologische ontdekkingen
hebben aan de overkant van de cardo maximus echter een tweede belangrijke
tempel blootgelegd. Toch lijkt het Qasr een zonnetempel te zijn geweest. De naam
Dushara betekent 'hij die van (de bergen van) Shara komt' en het complex kijkt
precies op de Shara-bergen uit. Bovendien bevatte de grote nis in het middelste
vertrek waarschijnlijk de zwarte kubusvormige steen die symbolisch was voor de
zonnegod en betyle werd genoemd. Ook is het eigenlijke heiligdom voor het
gebouw geplaatst, in de open lucht, zoals bij een zonnecultus gebruikelijk is.
Het is opvallend, dat de Nabateeërs ondanks hun kosmopolitisch wereldbeeld
begonnen met een zo goed als monotheïstisch godsbeeld en daar pas veel later
differentiatie in aanbrachten. Naast Dusharad , geassocieerd met een positieve,
beschermende en sterk mannelijke kracht, ontstond behoefte aan een vrouwelijke
godin die verantwoordelijk was voor de ontvankelijkheid, de wisseling van de
seizoenen en dus met name ook voor de oogst. Opnieuw ontstond een emanatie
van de Grote Godin, verbonden met zowel de maan als de avondster Venus, in het
begin simpelweg Allat ('de godin') genoemd, later ook Al'Uzza ('de machtige').
Onder invloed van de Grieken en de Romeinen werd het Nabatese pantheon in de
loop van de tijd uitgebreid met allerlei andere goden, wat samenviel met het
steeds figuratiever afbeelden van Dushara en leidde tot zelfs de hellenistische
beelden van bijvoorbeeld Castor en Pollux op het Khaznehvi.
ED-DEIR ('HET KLOOSTER')
Aan het eind van de cardo maximus rijst de Djebel Haroun ('de berg van Aäron')
opnieuw bijna verticaal omhoog. Hier kun je omhoog klimmen via een schijnbaar
eindeloos trappenstelsel tot het Quattar Ed-Deir ('het klooster', een naam die uit
de Byzantijnse tijd dateert en verwijst naar Christelijke kruisen op de achterzijde
van de binnenkant van dit gebouw). Na het Khazneh is dit monument het best
bewaarde en met zijn 50 meter breed en 40 meter lang tevens het grootste van
Petra. Opnieuw is er een urn bovenop het complex gezet en kun je (als je geen
hoogtevrees hebt) daar ditmaal zelfs opklimmen.
Het gebouw zou als graftombe gediend hebben (voor koning Rabbel II uit de 1e
eeuw n.C.) maar waarschijnlijk is het toch een tempel geweest: er ontbreekt
namelijk een grafnis en er is net als in het Qasr al-Bint een altaar in de open lucht.
Bovendien konden heel veel mensen blijkbaar in de bijgebouwen overnachten in
afwachting van de ceremoniën. De lange klim (meer dan een kilometer) is dus zeer
de moeite, al was het maar vanwege het uitzicht op de gehele benedenstad.
ABRAHAM, MOZES EN AÄRON
Aan het begin van de straat der façaden begint een ander trappenstelsel naar de
offerplaats op de Zipp Attouf (1000 m), een "high place of sacrifice" die eeuwen
oud zou zijn en zelfs toegeschreven wordt aan Abraham die er zijn zoon Isaac zou
hebben willen offeren. Dit brengt ons opnieuw terug tot de tijden van het oude
testament en zelfs vóór de uittocht uit Egypte. In de Nabatese tijd is deze plaats
zeker gebruikt om te offeren en zelfs naar eigen gebruik aangepast, gezien de
twee obelisken op het begin van het plateau. Deze zijn uitgehouwen door de rest
van de omringende berg weg te hakken, een enorme klus! Ze symboliseren weer
het godenpaar Dushara en Allat.
De offerplaats zelf wordt vanwege de zware klim niet erg druk bezocht. Men kan er
dus meestal ongestoord mediteren of genieten van het uitzicht. Het is de best
bewaarde offerplaats ter wereld en bestaat uit een gedeelte waar bloedoffers
gebracht werden (met een afvoergoot waar een zwarte steen, met de betyle van
Dushana verbonden, waarschijnlijk een meteoriet, in een vierkant gat gehouden
werd) en een gedeelte met een 'Heilige tafel' voor de offers zonder bloed. Dat deze
plaats ter verwijzing naar Dushara weer vierkant is, is inmiddels logisch.
Petra kan dan een Nabatese schepping zijn, verschillende namen in de omgeving
zoals Ain Moussa, Wadi Moussa en Djebel Haroun, verwijzen naar de tijd van het
oude testament. De laatste naam, die naar het graf van Aäron, de oudere broer
van Mozes, verwijst, heeft al eeuwenlang vele pelgrims naar dit gebied gebracht.
De resten van wat het graf van Aäron geweest zou zijn, zijn eerst eeuwenlang
bewaard door Grieks-Christelijke monniken. Later is het door de islamitische sultan
Qalawun gerestaureerd tot een mohammedaans heiligdom, dat in 1459 afgebouwd
werd en door de islamieten een stuk beter bewaard werd. Toch staat het nu open
voor elke godsdienst: wij zagen bijvoorbeeld een stoet van 30 strengorthodoxe
Joden (baarden, hoeden, zwarte pijen enz.) de minstens zes uur durende tocht per
ezeltje omhoog aanvaarden.
DE KLEURRIJKE ZANDSTEEN
Een alternatieve terugweg vanaf de Attouf-offerplaats voert je langs de meest
fantastische zandsteenkleurformaties. Het lijkt alsof er een kunstschilder bezig is
geweest om de verschillende kleurschakeringen (roze, blauw, grijs, groen, oranje,
geel en karmijn) in de rotsen gecreëerd te hebben. Ook zijn er allerlei graftombes
te zien en kun je de resten van een bron zien, waar vroeger het water uit de bek
van een in de rotsen uitgehouwen leeuwin liep (een van de symbolen van Allat),
maar die nu eveneens vervallen is.
De Nabatese bouwstijl in zandsteen is het beste te zien in het zgn. Onvoltooide
graf. Blijkbaar had men van te voren een perfect model getekend of op schaal
gemaakt. Eerst werd verticaal de rotswand weggebeiteld. Dan begon men van
bovenaf te hakken. Alle ornamenten moesten in één keer goed zijn dus van te
voren allemaal bekend. Ramen of deuren werden eerst als tunnels uitgehouwen en
later aangepast als het ontwerp vorderde. Nogmaals mag gezegd, dat dit een
enorme klus was: tot op de huidige dag is overigens nog steeds niet bekend met
welk gereedschap deze architectonische meesterwerpen geschapen werden!
AGATHA CHRISTIE, INDIANA JONES EN .... KUIFJE
Petra heeft eeuwenlang zijn dienst bewezen aan verschillende culturen. Maar zelfs
onze westerse cultuur laat zich er telkens weer door inspireren en blijkt er nog lang
niet niet op uitgekeken te zijn. Zo schijnt Agatha Christie hier aanwezig te zijn
geweest bij archeologische opgravingen van haar man. Op de een op andere
manier zou Petra haar daarbij geïnspireerd hebben tot het schrijven van haar vele
detectiveromans. Hergé, de schrijver/tekenaar van de Kuifjestrips, liet in het
album Cokes in voorraad de vader van het etterige pubertje Abdullah schuilen in
het "schathuis"vii. En in de film Indiana Jones en de last crusade wordt het Khazneh
zelfs gebruikt als de ingang van de verblijfplaats van de Heilige Graal: de held, de
archeoloog Dr. Jones weet alle hindernissen binnen het "schathuis" het hoofd te
bieden om zijn dodelijk gewonde vader een scheut water te kunnen aanbieden uit
de Heilige Beker en hem zo weer geheel te kunnen genezen. Misschien doet het uit
de verte nog even denken aan die verfrissende mintthee die we mochten drinken
in een midden op de hete dag zo aangenaam koele 'theegrot' in het onvoorstelbare
paradijs van Petra.
Literatuur:
Stefania Belloni: PETRA. De roze stad in de woestijn
(Narni, Italië, herdruk 1996)
René Grünfeld: Syrië, Jordanië en Libanon
(Kosmos, Utrecht, 1997: p.197-214)
Noten:
1. AAD VAN OUWERKERK schreef als vaste medewerker van BRES al vele
artikelen, met name over dromen. Samen met HANNIE VAN DER BORST is hij
actief met zgn. droomwerk: het bewust werken met droombeelden, zowel met vol-
wassenen als met kinderen. Informatie: Droomwerkinstituut "De vier elementen",
Tweede Oude Heselaan 474, 6542 VK Nijmegen (024-3787737).
2. Momenteel wonen er nog slechts enkele families in de grotten van de streek
rond Petra. In 1985 zijn de bedoeïenen door de regering verplicht te verhuizen
naar Umm Sayhoun, een dorp met betonnen huizen een paar kilometer verderop.
Maar de Jordaanse reisorganisatie Nyazi Tours adverteert nog wel met het feit, dat
oprichter Nyazi in een grot in Petra geboren is.
3. Voor de opening van de siq staan enkele kubusvormige blokken die als symbool
verwijzen naar de godheid Dushara. Bovendien zouden zij geesten (djinns)
bevatten en de stad door hun bescherming nog extra ontoegankelijk maken.
4. De meningen lopen uiteen, of de siq zich als een scheur in de rotsen heeft gevormd door
tectonische bewegingen of dat hij door de waterstromen van de Wadi Moussa is uitgesleten.
5. De kogelgaten en andere beschadigingen geven aan dat men heeft geprobeerd van een
afstand deze urn open te breken.
6. Gelukkig zagen wij nog een plaats waar Allat nog op een min of meer verborgen plaats
vereerd werd: op een alternatieve weg terug naar Wadi Moussa, nl. via de zgn. 'kleine siq',
waren in de rotswanden ver van de drukte van de stad Petra, verscheidene nissen met
maansymbolen ter ere van de Grote Godin te zien.
7. In de Kuifjecollectie (Casterman 1991) is een verantwoording hiervoor opgenomen,
met een foto van het Khazneh: "Het in de rots uitgehouwen paleis van Petra, een
indrukwekkend staaltje Jordaanse architectuur, dat Hergé tot inspiratie diende voor de
wijkplaats van Emir Ben Kalish Ezab." (p.84-85)